Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina33/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   29   30   31   32   33   34   35   36   ...   78
Advies over de verhandeling bij de Maatschappij van

Nederlandsche Letterkunde ingekomen ter beantwoording van de vraag over den invloed der Réfugiés. 18451.

Niet slechts het getal bladzijden (230), ook de inhoud der verhandeling2 getuigt van de zorg aan het gewigtig en belangwekkend onderwerp besteed. De schrijver3 heeft uit goede bronnen de historische opgaven verzameld, die aan zijne oordeelkundige beschouwingen omtrent den invloed der Réfugiés ten grondslage verstrekken. Hij heeft de vraag beantwoord; hij heeft meer gedaan; met onbekrompenheid geleverd wat niet, althans niet stellig en uitdrukkelijk geëischt werd. Het onderzoek dat, overeenkomstig het verlangen der Maatschappij, handel en nijverheid, letteren, beschaving, en zeden omvat, strekt zich bovendien uit over kerk en staat. Teregt telt de schrijver onder de gevolgen ook van de overkomst dezer vluchtelingen op, dat er een nieuw leven in de Nederlandsche en meer bepaaldelijk in de kwijnende Waalsche kerken gestort is; dat tegen Lodewijk XIV zich eene veerkracht der verontwaardiging en der godsdienstigheid heeft ontwikkeld, waardoor Willem III in de mogelijkheid was om, met Europa, ook het gemeenebest tegen de overheersching van dwingelandij en bijgeloof te beschermen. En de behandeling uit deze twee oogpunten, de gewigtigste van allen en ter toelichting van het geheel onmisbaar, komt mij voor zoo gebiedend door den wensch naar volledigheid voorgeschreven te zijn dat de schrijver, wel verre van zich aan noodelooze uitweiding schuldig te hebben gemaakt, de meest billijke aanspraak heeft op goedkeuring en dank.

De slotsom zijner beschouwingen is gunstig. Met reden wordt telkens de zeer juiste opmerking herinnerd dat de Réfugiés niet aansprakelijk zijn voor den vroegeren of lateren invloed eener uit hun vaderland herwaarts overgebragte ligtzinnigheid en ongodisterij. Voorzeker aan hen is niet dat bederf van zeden en die achteruitgang ten aanzien van het christendom te wijten, welke zij veeleer, door het voorbeeld eener godvrucht die zich in lijdzaamheid en zelfverloochening geopenbaard had, hebben tegengewerkt. Evenwel, en ofschoon ik dit ten volle beaam, vrees ik dat de schrijver, wiens zucht naar onpartijdigheid ik in geenen deele betwijfel, welligt eenigzins partijdig is geweest. Immers, al maken wij van een scepticus als Bayle4, die eigenlijk niet onder de Réfugiés was5, geen gewag; al nemen wij aan dat de kerken in Frankrijk, door het vuur der vervolging voortdurend gelouterd, grootendeels van wanbegrippen onbesmet waren; al zien wij liefst en meest op de geloofsgenooten van een Claude6 en een Saurin7, bezwaarlijk zou het vol te houden zijn dat de beschroomdheid en de klagten van kerkvergaderingen, ten aanzien ook van gevluchte leeraars, ontbloot waren van allen redelijken grond. Daarenboven, al spraken wij deze standvastige belijders der zalig‑ en heiligmakende waarheid van weinig doordachte en lasterlijke beschuldigingen gereedelijk vrij, ook die invloed komt in aanmerking welke, eigenaardig en onvermijdelijk zijnde, hun niet ten kwade geduid, noch op eenigerlei wijs kan worden te laste gelegd; en dan is het, al hebben zij persoonlijk eer tot instandhouding of herstel van evangelische zin en zeden gewerkt, ontegenzeggelijk dat zij, door taal, fijnheid van beschaving, en prijsselijke vaderlandsliefde, vooral ook bij het onderwijs en de opvoeding der hoogere standen, veel toegebragt hebben om, ten gevolge hunner onkunde en miskenning onzer letterkunde en historie, die noodlottige reeds bestaande Franschgezindheid grootelijks te versterken, waardoor later de toegang voor twijfelzucht en revolutiegeest, met den ganschen nasleep van jammeren, zooveel gemakkelijker is gemaakt.

Voorts mag ik, bij de hulde die ik gaarne aan de verdienstelijkheid dezer verhandeling breng, niet ontveinzen dat ik daarin niet altijd eene bewerking in groote en fiksch geteekende omtrekken erken; dat er in sommige gedeelten te zeer tot bijzonderheden en kleinigheden afgedaald wordt, doorgaans niet onbelangrijk, maar die ik liever in bijlagen had opgenomen gezien; dat somtijds de beschrijving van den invloed der Réfugiés zich te zeer in het individuele en bijkans in beknopte levensbeschrijvingen van enkelen hunner versnippert en verliest; dat veel ook over andere volken hier en daar ingelascht is, hetwelk eenigzins buiten het bestek dezer bearbeiding lag; dat er ook in de algemeene bespiegelingen wel het een en ander aangetroffen wordt dat tot de rubriek van hetgeen de ouden ambitiosa ornamenta8 noemden en voor afsnijding vatbaar keurden, behoort; dat eindelijk de stijl, hoewel doorgaans eenvoudig, duidelijk, van sierlijkheid niet ontbloot, nu en dan van eenige gezochtheid niet geheel vrij is.

Evenwel, bij al het goede dat dit uitgewerkte opstel bevat, acht ik mij onbezwaard de Maatschappij te adviseren tot bekrooning.

------
Noten bij no. 62. Advies over de verhandeling etc.


1 

Archief van de Maatschappij der Nederlands(ch)e Letterkunde, no. 397 (UB‑Leiden), eigenhandige eindredactie d.d. 7 april 1845. Het eigenhandige ontwerp bevindt zich in ARA, G.v.P., sub no. 56 (De Vries no. 63) en vertoont ongeveer twintig, voornamelijk stilistische verschillen met de hier afgedrukte tekst.



2 

Geschiedenis van de vestiging en den invloed der Fransche vluchtelingen in Nederland. W. E. J. Berg beantwoordde eveneens de prijsvraag van de Maatschappij (zie bibliografie s.v.).

3 

H. J. Koenen; cf. Briefw. II, 681, 3; 731, 4.



4 

Cf. Handboek, p. 334.



5 

Ontwerp: `behoorde'.



6 

Waarschijnlijk Jean Claude (1619‑1687), maar ook zijn zoon Isaac Claude (1653‑1695) komt in aanmerking. Cf. Koenen, Geschiedenis, p. 91; 161; 436 s.v.; Haag, La France protestante III, 473 e.v.; Poujol, Histoire, p. 220‑224; Weiss, Histoire II, 76‑82.



7 

Vermoedelijk Jacques Saurin (1677‑1730), maar ook Elie Saurin (1639‑1703) kan bedoeld zijn. Cf. Handboek, p. 451; Koenen, Geschiedenis, p. 161; 171 e.v.; 447 s.v.; Knetsch, Elie Saurin; Poujol, Histoire, p. 240‑255; De Feller, Biographie universelle s.v.



8 

Cf. Horatius, Ars poetica 447/8.


63 Studiën voor Ongeloof en revolutie. 1845.1

I

De revolutie is geenszins teweeggebragt door den nadeeligen invloed der beginsels, welke in vroeger dagen aan de staten van Europa ten grondslage gelegd zijn. Hoe dit te betoogen? Eigenlijk zou daartoe de opgave en uiteenzetting van het geheele vroegere antirevolutionaire staatsregt vereischt worden. Dit kan niet. Ik ben verpligt mij zeer te beperken; eene keuze te doen; enkele voorbeelden te nemen waaruit de deugdelijkheid dezer beginselen blijkt. De keus zal best naar de hevigheid der aanvallen worden bepaald. Ik zal pogen te verdedigen datgene waartegen de meest hevige en bittere aanvallen gerigt zijn. De bevestiging ten dien opzigte zal tot waarborg der deugdelijkheid ook van het overige kunnen strekken.



De aandacht op vier punten verzoeken. Men zegt: de werking van algemeene beginselen werd te zeer door eerbied voor bestaande gebrekkige instellingen beperkt (1).2 Het dusgenaamd goddelijk regt der overheid was een bron van dwaling en verkeerdheid (2). De vereeniging en verwarring van kerk en staat deed onverdraagzaamheid en priesterdwang ontstaan (3). Het staatsgezag en de algemeene wet werd, op velerlei wijs, door de regten van personen, vereenigingen en stenden belemmerd (4).

1. Het alg[emeene] staatsregt, ziedaar een eerste grieve, was aan de reeds aanwezige instellingen ondergeschikt. Aldus werd het feitelijke boven het regtmatige gesteld. Misbruik en geweld tot oorsprong van een heiligen regtstoestand gemaakt. Dit verwijt is zeer dikwerf gedaan. Intusschen is de voorstelling geheel verkeerd.3 In de eerbiediging der bestaande inrigtingen werd de eerbied ook voor het algemeene staatsregt openbaar. Uit het regt, in verband met den loop der gebeurtenissen, werden de regten gevormd. Het zamenstel dezer regten, waarin zich het staatsleven ontwikkelt, maakt de natuurlijke staatsregeling uit. Daarbij kan en zal, ten gevolge der menschelijke verdorvenheid, menig onregt worden gepleegd; maar ook uit dit onregt kunnen en moeten uit den aard der zaak, tegenover derden nieuwe regten ontstaan. Hier is geene poging om feiten in de plaats van regten te stellen en zich voor de overmagt der gebeurtenissen te buigen. Het is de eenvoudige opmerking dat in elken staat het alg[emeene] staatsregt in eigen betrekkingen en overeenkomsten een bepaalde gedaante, een aanschouwelijken vorm, een eigen aanzijn verkregen heeft, en dat een geweldig ingrijpen in den gang van dit staatsleven de hoogste afkeuring verdient; niet dewijl het algemeene regt aan het feit moet ten offer worden gebragt; maar omdat willekeurige beschikking ten aanzien der regten die zich uit den gang der feiten hebben ontwikkeld, terzijdestelling ook van de algemeene beginselen van regt en billijkheid is. De weg voor hervorming is geenszins gesloten; maar de hervorming zelve moet tot pligtmatig behoud, geenszins tot eigendunkelijk vernietigen strekken en is door de eigenaardigheden der historische staatsregeling of constitutie beperkt. Wat zoo menigmaal als beletsel van verbetering uitgekreten werd, kan aldus niet dan als eene onschatbare waarborg tegen willekeur worden beschouwd.

2. Een tweede punt is het goddelijk regt der overheid.4 Geen beginsel van het vroegere staatsregt heeft heftiger bestrijding ontmoet. Het scheen alsof daarin eene geheele reeks van ongerijmde en verderfelijke gevolgtrekkingen lag. Immers hoe dwaas en verkeerd! aan menschen eene soort van goddelijke eer te bewijzen5; de joodsche theocratie als een model op alle rijken over te willen brengen; alleen het monarchaal gezag voor wettig te houden; een despotisme te willen gronden, hetwelk geen perken of regels dan eigen goedvinden kent. Eén antwoord slechts op die aantijgingen: wat ik verdedig, is niet hetgeen gij bestrijdt. Wij zien niet, met de Chinezen, in den wil van den souverein de wille Gods; wij rigten niet, met de Romeinen onder de keizers, altaren voor de overheid op. Wij verlangen geen wetten en gebruiken die aan het uitsluitend kenmerkende der Israëlietische bedeeling ontleend zijn; wij droomen van geen heiligheid der vorstelijke geslachten, die in denzelfden zin als in den huize Davids erfelijk is; wij meenen geene vrijheid te hebben om het privatief eigendom eener algemeene waarheid ten behoeve der monarchie te verlangen. Vooral is het ons niet te doen om de souvereiniteit van alle banden te ontslaan; overtuigd veeleer dat zij, juist door handhaving van dit beginsel, aan den alleen regtmatige, alleen genoegzame band gelegd is. Wij behoeven niet met een Jacobus I te raaskallen. Niet met Napoleon alleen ter bevestiging en niet ter regeling.6 Ook geene strekking naar onbeperkt en alvermogend gezag; daar men veeleer juist in die hoogere wijding een waarborg der vrijheid meende te bezitten.

Wat is het beginsel? Alle magt is van God verordineerd.7 De overheid is Gods stedehouderes, Gods dienares. Deze hoogste en souvereine magt is een gave Gods, een wettig eigendom dat Hij verleent en dat in Zijn dienst en ter Zijner eer moet worden gebruikt. Dus gezag en onderwerping. Hierin is niets buitengemeens. Het geldt van elke magt en van elk eigendom. Stedehouder, dienstknecht en rentmeester Gods te zijn is de algemeene roeping van ieder in zijn kring; met de magt en gaven over wier gebruik hij alleen aan God verantwoordelijk is. Zoo draagt ook de vader, ook de regter, als zoodanig, het beeld Gods; ook de rijke die vele goederen ter liefderijke mededeeling aan anderen ontving. Aan ieder hunner wordt dezelfde verantwoordelijkheid opgelegd, dezelfde heiligheid van hun eigendomsregt van magt of bezittingen verleend. De hut van den schamelen landbewoner wordt door hetzelfde beginsel als het paleis des konings beschermd.8 God heerscht over allen. Wij willen geene joodsche, maar wij willen toch eene wezenlijke theocratie. Aan Christus is alle magt gegeven in hemel en op aarde.9 In de staatsvormen is ten dezen opzigte geen verschil. Zoo het betwijfeld wierd, het zou ook van de Staten van Holland kunnen worden geleerd, die niet minder dan eenig vorst het goddelijk regt der provinciale souvereiniteit hebben op den voorgrond gesteld. God heeft het bestaan der overheid niet enkel toegelaten, maar gewild.

Men heeft zich geërgerd aan de zalving en aan de uitdrukking bij de gratie Gods.10 De zalving is dikwerf tot bijgeloovigheden en priesterdwang misbruikt: wanneer aan de daad zelve, buiten de geloovige aanroeping van Gods naam, waarde gehecht werd; of de vorst als creatuur der geestelijkheid werd beschouwd. Maar de plegtigheid [is] nuttig en aandoenlijk om den vorst bij de onmisbaarheid van hoogeren bijstand te bepalen; in hem den vertegenwoordiger der godheid te doen erkennen, en dubbele kracht te geven aan de beloften welke hij bij deze gelegenheid aan zijne onderdanen deed. De uitdrukking bij de gratie Gods is de leus van pligtmatigen wederstand tegen de geestelijkheid of tegen de woelingen van volksmenners en theoristen geweest. De Duitsche vorsten verklaarden onder Lodewijk van Beijeren `imperialem dignitatem et potestatem esse immediate a solo Deo'.11 Waarom? Om den keizer boven zich te verheffen? Neen, om den paus12 te wederstaan, die zich, als ware hij, in stede Gods, de leenheer van den keizer zich gaarne als oppergebieder in de Duitsche aangelegenheden zou hebben gemengd. Het parlement te Parijs bestrafte een advocaat die de magt des vorsten uit eene overdragt van het volk afgeleid had.13 Waarom? Om den koning van allen band te ontheffen? Neen, om voor te komen dat niet14 op grond van dergelijke leer de onafhankelijkheid des konings, met opruijing der menigte, miskend werd. Niet bij de gratie van paus of geestelijkheid, niet bij de gratie van het volk, de overheid regeert bij de gratie Gods.

Hier vooral moeten wij de waarheid van het misbruik en de verdraaijing en misvorming wel onderscheiden. De geschiedenis heeft talrijke voorbeelden hiervan. Bijzonder in de tijden der Stuarts.15 Nooit welligt is men in zoo dwaze uitersten vervallen. Een stelsel van slavernij. Maar welke zijn de gevolgen? De overheid is absoluut in haar kring. Zij behoeft geen toestemming of gemeen overleg. Haar wil verbindt, ook wanneer die wil hard is; ook wanneer haar gedrag de hoogste afkeuring verdient. Er is geen hooger beroep; geen verantwoordelijkheid der overheid dan aan God.16 Ook dit is niet vreemd; een iegelijk is even onbeperkt alleenheerscher in zijn kring, met de regten en gaven die hem toebetrouwd zijn. Ongehoorzaamheid kan door geen reden van eigenbelang worden gewettigd, alleen door hoogere pligt; als het bevel des menschen met hetgeen God aan den onderdaan gebiedt, strijdt.

De overheid is zelve onderworpen aan God: Psalm 82; Psalm 2.17 Zwakke waarborg, zegt iemand! Sterker dan de constitutiën der menschen die men ligter dan de eeuwigblijvende woorden des Heeren ontduikt.18 De onderdaan vernedert zich niet voor een mensch; niet uit oogendienst, om menschen te behagen; maar om Gods wille, om der conscientie wille; als dienstknecht van Christus. Eene gehoorzaamheid die niet vernedert, maar verheft.

De overheid is niet absoluut buiten haar kring. Waar zij niet te bevelen heeft, is de onderdaan tot weigering bevoegd. Daar houdt het regt der overheid op en wordt willekeur en dwang. Wat er dan verrigt worden moet of kan, hangt van velerlei omstandigheden af; maar zeker is het dat er geen pligt tot gehoorzaamheid aan den onregtvaardigen eisch is. De overheid is in dit opzigt geen overheid. Doch aan den anderen kant is de overtreding van haar pligt geen grond om de betrekking tot haar te verbreken. Er kunnen omstandigheden zijn, waarin ook het kind aan den vader in een of ander opzigt gehoorzaamheid ontzegt; nooit evenwel mag hij het gebod terzijde stellen: eert uwen vader en uwe moeder (Advies van Emden).19 Dit algemeen beginsel, aldus van de verkeerde uitlegging en toepassing ontdaan, kan voorzeker op zichzelf geen nadeeligen invloed uitgeoefend hebben. Het bevestigt het gezag, beschermt de vrijheid, veredelt de gehoorzaamheid en is een grondzuil der maatschappij.

3. Een derde punt: de vereeniging van kerk en staat. Nadere toetsing is hier vooral niet overbodig; nu de aard, strekking en pligtmatigheid dezer vereeniging ook door zoovele christenen miskend wordt; nu bij onze Zwitsersche vrienden een man die met de gave des eenvoudigen geloofs zeldzame talenten en een onnavolgbare sierlijkheid van voorstelling paart, zich de bestrijding daarvan bijkans ten levensdoel gesteld heeft; nu hij niet vreest te zeggen: `Le prince [de l'erreur, le père du mensonge pourrait seul nous dire le secret de cette confusion, dont il fut le véritable auteur]' (bl. 22).20 Nemen wij de eenvoudige waarheid: De overheid is Gods dienares; en zij die bepaaldelijk als overheid aan de dienst van God verbonden en gewijd is, zou als zoodanig geen godsdienst mogen en moeten hebben! Een koning die bij de gratie Gods regeert, zal zich, als een oproerige vasal, van Gods wet onafhankelijk willen stellen! Zoo hij waarlijk godsdienstig is, zal het hem onmogelijk zijn de godsdienst niet te beschermen en zich aan de bepalingen welke zij voorschrijft, niet te onderwerpen.21 Christen zal hij de prediking van het evangelie beschermen en bevorderen, zal hij Christus als den koning der koningen eerbiedigen, zijne geboden onderhouden en doen onderhouden, zoover zich de kring van zijne wettige bevoegdheid uitstrekt. De souverein is in de zuivere monarchie een mensch; in een gemeenebest is hij uit menschen zamengesteld; de persoon, ook de persona moralis van den souverein behoort niet goddeloos, maar godvreezend te zijn22: vanhier de noodwendigheid en natuurlijkheid der betrekking van den staat op de godsdienst, en, vermits de godsdienst zich in gezamenlijke vereering, in de gemeente, in de kerk openbaart, ook op de kerk.

Vanwaar dan de scherpe veroordeeling? De voornaamste oorzaak ligt in eene geheel onjuiste voorstelling omtrent het wezen van den staat. De schrijver beschouwt dien te zeer uit het standpunt der nieuwere theoriën. Elke staat is hem eene maatschappij, eene vereeniging die eigenlijk slechts ter regeling der materiële belangen gevormd is. Elke overheid is in zijn oog niet zoozeer [e]en zelfstandig en souverein gezag, maar eene magt die in aller naam het gebied voert. Het feit dat de souverein een mensch, een zedelijk persoon is, die den staat vormt en uitmaakt, zoodat de pligt van den souverein eenzelvig met de pligt van den staat is, beschouwt hij als eene ongerijmdheid, als een ideaal dat niet vatbaar voor verwezenlijking is.23

En toch zelfs uit dat oogpunt geloof ik dat het stelsel omtrent de noodzakelijkheid der afscheiding zeer wel kan worden wederlegd. Er kan geen heerschende godsdienst wezen, zegt men, omdat er in een staat allerlei gezindheden zijn of kunnen zijn: protestanten, roomschen, joden, deïsten, ongodisten; wie geeft regt om voor anderen eene keuze te doen? Vooreerst, door niet te kiezen, kiest gij; ten voordeele der ongodisten. Ten anderen, waarom zou alleen ten dezen opzigte de staat, door eenstemmigheid te verlangen, van datgene wat tot pligtvervulling der overheid en welzijn der bevolking onmisbaar is, worden beroofd? De vraag is slechts of men van die onmisbaarheid overtuigd is! Dan24 zal ook ten deze de souvereiniteit van allen uitloopen op de souvereiniteit dergenen die, in getal of overwigt, de meerderheid hebben. Er zijn immers in een staat ook voorstanders van verschillende en strijdige regeringsvormen; zou hieruit volgen dat er, om aller gevoelens te ontzien, geen regeringsvorm hoegenaamd behoorde te zijn? Ook hier zou geen uitspraak uitspraak zijn ten behoeve van de vrienden der anarchie.

De tweede hoofdoorzaak der bestrijding en verontwaardiging van V[inet] ligt hierin dat hij bij het beginsel alle de misbruiken en wanbegrippen waardoor het ontsierd en waarmeê het verward is, als noodwendig en onafscheidelijk gevoegd heeft.25 Hij verzet zich tegen onverdraagzaamheid en gewetensdwang; alsof dit niet afwijking, in plaats van opvolging, een gebrek òf van den dwalenden mensch, òf van de valsche godsdienstbegrippen was; alsof niet verdraagzaamheid en liefde de rigtsnoer van christelijken ijver ook der overheden moest zijn; alsof door de instandhouding en begunstiging eener kerk gewetensvrijheid voor andersdenkenden uitgesloten wierd.

Hij toont het verderfelijke van gouvernementsinvloed voor de onafhankelijkheid der kerk; alsof er uit de vereeniging eenig jus in sacra ontstond; alsof de godsdienst waaraan de overheid zich onderwerpt, daarom onder voogdij der overheid kwam te staan; alsof de meest naauwgezette verdediging van de regten der kerk niet allezins met de bescherming die zij van den souverein, op grond van geloofseenheid, geniet, verdedigbaar was. Aldus heeft Vinet zich menig schrikbeeld gevormd, waartegen hij met groote bekwaamheid redeneert, maar zonder het beginsel, waarop het eigenlijk gemunt is, te kunnen treffen. Als de staat zijne apostolische zending constateert, zal hij gaarne zijne godsdienst aan den staat onderwerpen.26 Maar er is niemand die dit van u vergt. `Doe mij gelooven dat de staat mij vertegenwoordigt en ik zal den staat als mijn godsdienst‑opperhoofd erkennen.'27 Maar die erkentenis wordt niet verlangd. `De godsdienst behoort niet onder het bestuur der overheid (en régie) te worden gesteld.'28 Welneen, wij reiken u in het ijveren hiertegen de hand. `De conscientie der overheid zou de conscientie moeten zijn van het volk': wij ijzen met u van de gedachte.29

Het schijnt dat Vinet meer op het veld der wijsgeerige bespiegeling dan wel op dat van historisch onderzoek te huis is. Anders zou hij spoedig erkend hebben dat het beginsel dat hij aantast, vroeger niet altijd en dikwerf niet tot de schrikbarende misbruiken welke hij ducht, noch in de theorie, noch in de praktijk aanleiding gegeven heeft. Hier te lande. Nergens krachtiger. Trigland, [Kerckelijcke geschiedenissen, p.] 440; 454; 448.30 Twee rijken onder één Opperkoning. Elk onafhankelijk in zijn kring; wederzijdsche ondersteuning. In Schotland. Zelfs waar de kerk haar onderhoud van de regering ontvangt. Chalmers, [Works] XVII, 197.31 De souverein, lid zijnde eener kerk, gebiedt niet over haar. Haller, [Restauration der Staatswissenschaft] IV, 364; 380 sqq.32

Het vierde punt betreft de inwendige organisatie der maatschappij. De staat werd telkens in zijne werking belemmerd. Er was overal imperium in imperio.33 Vandaar allerwege botsing en verwarring van duizenderlei regten. De wil van het hoogste gezag werd op menige wijs door het goedvinden van bijzondere personen en vereenigingen gestremd. Dit is zoo. Maar zou dit als een onheil of nadeel moeten worden beschouwd? Met die geduchte spreuk imperium in imperio wordt ook in onze dagen veeltijds geschermd.34 Zeer terecht, wanneer men aanduiden wil dat in een welgeordend rijk of gemeenebest niemand tegenover den souverein eene volkomene onafhankelijkheid bezit; dat de ingezeten onderdaan en, hetzij als afzonderlijk persoon, of gelijk hij met anderen vereenig[ingen] van ondersch[eiden] aard en str[ekking] gev[ormd] h[eeft], steeds, in al wat tot den kring van het souverein gezag behoort, tot gehoorzaamheid aan den wettigen opperheer verpligt is. Allezins afkeurensw[aardig] is dus elke poging van personen of corporatiën om zich van dezen regtmatigen band z[onder] welken de staat uiteenvallen zou, te ontslaan. Maar deze wederspannigheid moet onder de misbr[uiken] en dus niet o[nder] h[etgee]n wij th[ans] beh[andelen] w[orden] gerangschikt. Zeer ten onregte, als men daarbij, gelijk doorgaans het geval is, de zelfstandigheid en onafhankelijkheid van een iegelijk, in zijn eigen kring en ten aanzien zijner eigene zaken, miskent; als men gehoorzaamheid vordert in alles, en alzoo eene leer predikt die regtstreeks en onmiddellijk tot slavernij brengt. De staat is thans eene machine die deelen en onderdeelen heeft, geen ligchaam dat uit levende leden bestaat. De staat heeft een alvermogen dat zich tot alle onderwerpen uitstrekt en geene zelfstandige regten erkent; de staat, die althans in het familieleven nog veelzins eigen bestaan en ontwikkeling duldt, acht zich bevoegd om, ter zake van staatsbelang, over goed en leven te beschikken. Vroeger was het zoo niet. De souverein had het hoogste gezag en kende niemand boven zich dan God. Aan niemand was hij gehoorzaamheid schuldig. Maar ook zijne regten werden door de regten van anderen beperkt. Elke particulier, iedere associatie werd onafhankelijk gerekend in den kring van haar eigene zaken. Vandaar die tallooze regten van personen, corporatiën, stenden; een woord door hetwelk de zelfstandigheid meer bijzonder aangeduid wordt. Zoo was er, niet behoudens goedvinden, maar onder schuts van den souverein, zelfwerkzaamheid, ontwikkeling, organiek leven; regtmatige invloed van allen; vrijheid en bloei. Eenheid in de verscheidenheid. Voorzeker ook dit beginsel kan, als zoodanig, geene verderfelijke werking gehad hebben.

Deze beginsels

1. zijn met de natuur der dingen overeenkomstig.

2. waren steeds algemeen. Bij de heidenen reeds; zuiverder in de christenheid. Onderwerping der overheid aan God. Heiliging van den staat. Historische ontwikkeling. Organiek leven.

3. met Gods Woord overeenkomstig.

Zij zijn de zuilen van elke maatschappij.


II35

Vooraf een enkel woord over de vraag of de omwentelingsgeest die in Frankrijk gewoed heeft, algemeen in Europa verspreid was.36 Wenken, gedachten. Niet ter onmiddellijke overtuiging; meer ter nadere overweging. Om het gewigt te toonen dat ik aan uwe bedenkingen hecht. Deze [zijn] buitengemeen gewigtig. - De vraag [is] of het revolutionaire dat wij bij andere natiën opmerken, enkel het gevolg was van de impulsie en het voorbeeld der Fransche revolutie, dan wel of wij te doen hebben met een algemeen bederf dat zich, naar aanleiding van bijzondere omstandigheden, tot dusver inzonderheid in Frankrijk geopenbaard heeft.

Ik beweer het laatste. Ik geloof dat, zoodra men die algemeenheid miskent, men even daardoor te weinig op de diepte der eigene volksverdorvenheid let en geenszins een regt denkbeeld kan hebben van den aard en de proportiën der gevaren, waardoor wij worden bedreigd. Daarbij is hier zooveel aanleiding om zich te vergissen. - De revolutionaire werken, die den meesten naam gemaakt hebben, zijn Fransche geschriften. De hoofdzetel der revolut[ionaire] praktijk is sedert 60 jaren in Frankrijk geweest. De reactie tegen de gevolgen der omwenteling kan zoo ligt met de toepassing van antirevolutionaire beginselen worden verward.

Ik zou mij kunnen beroepen, ten aanzien der algemeene ontwikkeling, op hetgeen ik tot dusver gezegd heb over den aard der staatsregelingen, de eenheid der beginselen, den gang van wetenschap, beschaving en godsdienst in de christenheid in 't algemeen. Ik zou u kunnen verwijzen naar hetgeen ik ook later gelegenheid zal hebben omtrent het universele der revolut[ionaire] werkingen in het midden te brengen. Doch beter is het welligt ook nu er bepaaldelijk iets over te zeggen; misschien heb ik dit algemeene, in sommige opzigten, te zeer als een soort van postulaat beschouwd; en later, wanneer wij de praktijk der revolutie nagaan, zullen wij telkens tot Frankrijk worden teruggebragt; omdat wij geen specimen bezitten dat met de Fransche revolutie gelijk kan worden gesteld. Des te noodiger is, door eene duidelijke verklaring, alle misverstand te vermijden.



A priori. Waar door verscheidene staten, ten gevolge van oorsprong, ligging en verkeer, eene naauwe vereeniging gevormd wordt, is eenheid van ontwikkeling onmisbaar. Bijvoorbeeld in Griekenland. Welk een verschil der steden en stammen; welk eene oppositie van Doriërs en Ioniërs! Wat een contrast van Athene en Sparta! En toch was er eene Grieksche nationaliteit; en zou het te bewijzen zijn dat die verschillende stammen, landschappen en plaatsen, niet slechts door onderlinge navolging, maar ook door eigene ontwikkeling, aan den voortgang, stilstand en afneming van het volksleven deel gehad hebben. En zou er niet evenzeer, na den val van het Romeinsche rijk, eenheid en zamenhang der Europesche staten, eene Europesche nationaliteit geweest zijn?

Eenheid van

oorsprong: door de versmelting of zamenwoning der barbaren met de ingezetenen van het Romeinsche gebied;

ontwikkeling en lotgevallen: weerstand tegen de voortdurende beweging der nomadische volken; leenstelsel; kruistogten; opkomst der gemeenten; herstel van het vorstelijk gezag; wetenschap en beschaving: de riddergeest, den invloed der oudheid; het algemeen gebruik van het latijn;

godsdienst: deelgenootschap aan elke wisseling ten dien opzigte.

Vooral de drie laatste eeuwen. Daarom noemt Heeren zijn werk teregt: Geschichte des Europäischen Staatensystems.37 - Staatenverein. - Pref. V ‑ p.1838 (algemeen criterium). Overal is de zamenvlechting of doorkruissing der belangen zigtbaar; de gemeenschappelijkheid van woeling en strijd, de gelijksoortige ontwikkeling van wetenschap, van beschaving; de werking der zelfde beginselen en begrippen; zelfs de verflaauwing der bijzondere nationaliteiten; zoodat Sterne39 ze bij afgesletene munten vergelijkt. Waarop zou dan de hypothese rusten dat de revolutionaire rigting bijkans exclusief aan Frankrijk eigen geweest is?

De geschiedenis bevestigt deze redenering. Dit blijkt indien het mij gelukt is en verder gelukt te bewijzen dat het ongeloof, in protestantsche en roomsche landen, onder de hoogere kringen, den boventoon tegenover een verbasterd of levenloos christendom had; en dat de revolutionaire theoriën uit het ongeloof moeten ontstaan. Bovendien: `ubi rerum testimonia adsunt, non opus est verbis.'40 Wij vinden die theoriën, vòòr de Fransche omwenteling overal. In Engeland, Duitschland, Nederland. Alles scheen rijp voor eene algemeene omkeering. Het is de gedwongen zelfverdediging tegen de Fransch‑jacobijnsche wapenen, welke de verdere ontwikkeling tijdelijk gestuit heeft. Frankrijk avoit pris les devants; de andere natiën zijn, ook toen de krijg ophield, à la suite geraakt. Maar te oordeelen naar de leerstellingen, wier verkondiging in Engeland en Duitschland aan de orde van den dag is, zullen de Franschen in de buitensporigheden hunner omwenteling door andere natiën worden achterhaald (Napoleon sinet).41

Letten wij bepaaldelijk op Duitschland. Evenzoo. Doch wetenschappelijk en met schijnbare gematigdheid. Des te gevaarlijker voor ons; ook heeft Nederland welligt meer nadeel van Duitschland dan van Frankrijk gehad. - De geleerden en de predikanten [zijn] meer door Duitschland weggesleept.

De theologie. - Zie Evangelische Kirchen‑Zeitung, 183242, p. 345 sqq. `Abrisz einer Geschichte der Umwälzung, welche seit 1750 auf dem Gebiete der Theologie in Deutschland statt gefunden.' Van Tholuck. - In de eerste helft der achttiende eeuw nog veel goeds, doch tegen het midden (dus gelijktijdig met de eigenlijke opkomst der revol[utionaire] theorie in Frankrijk was er noch de stevigheid der orthodoxen, noch de warmte der piëtisten. Zoo was de akker bereid.43 De faktoren der verandering waren volgens hem: 1. de strekking der Wolfiaansche wijsbegeerte, welke het geloof te zeer op het gebied van demonstratie, van verstandelijke godsdienst gebragt heeft.44 2. de schriften der Engelsche deïsten.45 3. de invloed van Frankrijk.46 4. de regering van Frederik den Grooten47 en 5. het voorbeeld van Semler48, die de veelbegaafde vader van het rationalisme geweest is49; gelijk Duitschland in menig opzigt het vaderland van ration[alisme] en neologie mag heeten.

Evenzoo in andere vakken. - Later zal er gelegenheid zijn om dit ten aanzien van staats‑ en volkerenregt te toonen. Ik kan u ook wijzen op de philosophie: Lessing, Kant, Jacobi50; de literatuur: Wieland51, Hölty52, Schiller53, Göthe54; de historie: Herder55; de periodieke drukpers: Algemeene Duitsche bibliotheek.56

Desniettemin kunnen wij waarderen een Gellert57, Klopstock58, Claudius59, Lavater60, Stilling61, enz.: de 7000 die voor Baäl niet gebogen hebben.62 Ook Ernesti63, ook Heyne? Volgens Tholuck zal Ernesti de man niet geweest zijn, hoe welgezind ook, om, door vasthouding en krachtige aanprijzing der ev[angelische] waarheden den voortgang van het ongeloof te stuiten.64 Heyne.65 - Geen uitzondering op hetgeen bij de meeste literatoren van dien tijd opgemerkt wordt, die het evangelie ignoreren en tegenover den glans der ongewijde oudheid verachten. - Ik heb uitzonderingen gekend; maar zou het met den geest der Wyttembachiaansche school hier te lande anders geweest zijn?66

Genoeg. `Nomina sunt odiosa'67: geen noodelooze personaliteiten, mits wij in het oog houden dat men ten onzent voor personaliteiten ook wel eens te bang is, wanneer namelijk het noemen van personen ter verduidelijking, het bestrijden van personen ter wezenlijke pligtbetrachting vereischt wordt. Niet allen die van het evangelie afwijken, [zijn] vrijgeesten; maar [zij bevinden zich] op de lijn die naar vrijgeesterij leidt. Verontschuldigingen. - Zij weten niet wat zij doen67a; zij leven in een gevaarlijken dampkring. Wat zij in de theorie verzaakt hebben, behouden zij somwijlen, door eene gelukkige inconsequentie68, in de praktijk. Zij hebben een afschuw van de gevolgen van eigen leer en bedrijf; zooals bijvoorbeeld Semler. Wij moeten, gedachtig aan de liefde jegens den naaste, aan de gelijkenis van den splinter en de balk69, aan het `Wien veel gegeven is, enz.'70, aan onze eigene schuld, de meeste toegeeflijkheid voor anderen hebben; en tevens, in de veroordeeling der rigting, die zij volgden, zoo wij weten dat die verkeerd geweest is, onverbiddelijk zijn.

De revolutie is eene Europesche omwenteling geweest. Overal was woeling en gisting. En, omdat in Frankrijk het vuur zich een uitgang heeft geopend, moeten wij niet vergeten dat de gansche bodem volkaniek was.71

-----
Noten bij no. 63. Studiën voor Ongeloof en revolutie.


1 

ARA, G.v.P., no. 59, eigenhandige ontwerpen. Titel ontleend aan Nagelaten papieren, p. 74. Het eerste opstel (I) is een voorstudie van het derde hoofdstuk van Ong. en rev. ; cf. p. 42‑67; het tweede (II) is een fragment dat behoort bij het begin van het negende hoofdstuk, maar door Groen niet is opgenomen in de gedrukte tekst. Voorts onder dit nummer:

a. Lijst van door Groen vaak gebruikte bronnen.

b. Een concept‑register voor Ong. en rev. Het ligt ten grondslag aan het register van de 2e dr. Enerzijds is het beperkter (minder lemmata), anderzijds rijker (verwijzingen naar relevante literatuur bij elk lemma).

c. Een eerste versie van het tweede hoofdstuk van Ong. en rev. De verschillen zijn onbeduidend en rechtvaardigen geen uitgave.

d. Aantekeningen over Berliner Politisches Wochenblatt, Chateaubriand en Lamennais, Indifférence. Aantekening van Groen op de eerste omslag: `Varia. Een fragment uit de tweede lezing van Ongeloof en rev[olutie]'. Het woord `fragment' wijst in de richting van het hieronder sub II uitgegeven begin van de negende lezing. Het woord `tweede' laat ruimte voor de mogelijkheid dat Groen hier toch de sub c. genoemde eerste versie van het tweede hoofdstuk bedoelt. Op de tweede omslag met potlood: `Ong. en rev. 1845.'



2 

De cijfers 1‑4 zijn door de bewerker toegevoegd. Groen heeft de volgorde van deze punten gewijzigd; cf. Ong. en rev., p. 44/5.



3 

Marginale aant. van Groen: `Berliner Politisches Wochenblatt IV, 259: het hoogste beginsel van het regt is boven de historie.' Het citaat uit het B.P.W. no. 43 van 25 oct. 1834 is afgedrukt in Ong. en rev., p. 46, 1.



4 

Marginale aant. van Groen: `Dr[oit] d[ivin]: Berliner Politisches Wochenblatt II, 78. Legitimiteit: Berliner Politisches Wochenblatt II, 109. Zelfs de heidenen. 55/3; 210.' Men vindt in no. 12 van 24 maart 1832 een art. Der doctrinaire Liberalismus I. Groen heeft op p. 78a o.a. aangestreept: `Das Grundprinzip, mit welchem das bisherige System der christlich‑germanischen Staaten, nicht blosz der Monarchien, sondern wie neulich in diesen Blättern nachgewiesen ist, auch der Republiken steht und fällt, ist kein anderes, als dasz die höchste Obrigkeit, liege sie in den Händen einer Familie oder einer herrschenden Corporation, auf göttlichem Rechte beruht. Dieser Ausdruck ist häufig verdreht und miszverstanden worden . . .' Op p. 109a (no. 17 van 28 april 1832) begint het eerste van twee artikelen over Die Legitimität und ihre Gegner. Zie over de heidenen Ong. en rev., p. 25; Zwaan, G.v.P., p. 20‑22. Voor de (bladzij?) cijfers `55/3; 210' is in het B.P.W. geen aanknopingspunt te vinden.



5 

Marginale aant. van Groen: `door deze G. v[an] afk. aan het souv[erein] gezag.' Onduidelijk welke woorden afgekort zijn.



6 

Cf. Ong. en rev., p. 50: `Wij zijn niet gezind . . . met Napoleon . . . het beroep op God ter bevestiging en niet tevens ter regeling der hoogste magt te doen strekken.'



7 

Cf. Ong. en rev., p. 51.



8 

Toespeling op de leus van Chamfort: `Guerre aux châteaux! Paix aux chaumières!' (Büchmann, Geflügelte Worte, p. 620). Cf. Ong. en rev., p. 53; Nederlander no. 1170 en 1313 (15 april en 3 oct. 1854).



9 

Cf. Matth. 28, 18.



10 

Marginale aant. van Groen: `Inscherping van pligten en regten. Die regten wier handh[aving] pligt is. Bijgeloovige plegtigheden of eenigzins despot[ieke] formulen [die men in de zalving] gezien heeft?' Cf. Ong. en rev., p. 54/5; Gerlach, Was enthält die Schrift?, kol. 259.



11 

Zie n. 99 van no. 40.



12 

Johannes XXII.



13 

Zie n. 98 van no. 40.



14 

Latinisme; de ontkenning is pleonastisch.



15 

Zie over de Stuarts Beschouwingen, p. 67, 1; De maatregelen3, p. 65; Handboek, p. 240; 249; 373; Le parti, p. 7; 40; Maurice et Barnevelt, p. CLIX.



16 

Marginale aant. van Groen: `1. Aan niemand dan aan God. 2. niet contractueel. 3. aan God verantwoordelijk (dus prediking van G[ods] W[oord] inz[ake] str[af]regt).'



17 

Cf. Ong. en rev., p. 55, 1 waar Bossuet (Politique V, 4) over psalm 82 (naar de vulgatanummering 81) mediteert; p. 57 waar Groen psalm 2, 10/1 aanhaalt; Nederlander no. 1442 (6 maart 1855).



18 

Onvoltooide marginale aant. van Groen: `De geh[oorzaamheid] w[ordt] gezuiv[erd] van al wat n[aar] sl[aafschen] zin zou gelijken. De ond[erdaan] geh[oorzaamt] en terwijl hij in de onderw[erping] aan de overh[eid] zich aan den Heer der h[ee]r[en] dienstb[aar] betoont, [verheft hij zichzelf].' Cf. Ong. en rev., p. 55.



19 

Wellicht doelt Groen op art. 22 van de Acta van de synode van Emden (1571). Daarin wordt de toestemming van ouders of voogden voor het huwelijk van minderjarige kinderen gevergd, maar tevens in geval van weigering aan de kinderen een recht van beroep op de kerkeraad gegund. Cf. Acta van de Nederlandsche synoden, p. 66; Die Akten der Synode, p. 28; 133.



20 

Cf. Vinet, Essai sur la manifestation (1842), p. 22; Ong. en rev., p. 59.



21 

Marginale aant. van Groen: `La religion étoit partout. La Mennais [, Essai sur l'indifférence I,] 77.' Men leest t.a.p.: `La Religion, comme croyance, étoit partout, et son absence s'est fait sentir partout.'



22 

Marginale aant. van Groen: `niet de g[odsdienst] tolereren en gebruiken.'



23 

Marginale aant. van Groen: `religion collective 305; homme sans conscience; Etat impersonnel 320. Etat c'est le monde 332; 274.' Vinet, Essai sur la manifestation, p. 305/6 zegt: `Mais si jamais le grand adversaire de la vérité s'applaudit intérieurement de son habileté, ce fut lorsqu'il eut inventé cette nouvelle forme de persécution que les hommes appellent protection. D'un même coup, substituer la vue à la foi, endormir la vigilance, créer la fiction d'une religion collective, enfermer la liberté dans un invincible réseau, qui, toujours la retenant captive, ne se fait sentir qu'à la dernière extrémité; en un mot, séparer insensiblement le christianisme des sources où il puise et renouvelle sa vie, c'est un trait de génie digne de celui en qui réside le génie du mal.' Op p. 256: `Nous ne refusons pas toutefois cette formule: l'Etat est l'homme, moins sa conscience'; cf. Ong. en rev., p. 61, 1; Nederlander no. 1423 (12 febr. 1855). Op p. 320 leest men: `Quelques personnes enfin, sont frappées d'une dernière objection. L'Etat, dont vous nous parlez, n'est réalisé, n'est agissant que dans les personnes individuelles, à qui il a remis ou laissé prendre la direction de ses affaires. Or, si l'Etat est impersonnel, ces personnes du moins sont bien des personnes. L'Etat n'a point de conscience, à la bonne heure; mais ces personnes en ont une. Voulez‑vous qu'elles fassent comme si elles n'en avaient point? Prétendez‑vous qu'elles se séparent d'elles‑mêmes?' Op p. 332: `L'Etat ne consacrera‑t‑il pas, par sa seule présence, l'idée pour la destruction de laquelle la religion a été donnée aux hommes? En un mot, l'Etat n'est‑il pas le monde?' Op p. 274: `L'Etat, au sens concret, c'est le gouvernement de la société; et ce gouvernement, c'est un individu, ou plusieurs, ou un grand nombre, si l'on veut, unis, je consens à le supposer, par un même croyance.' Misschien hoort bij deze noot de op een los vel onder hetzelfde nummer voorkomende notitie: `Vinet, Considérations à Messieurs les Ministres démissionnaires, p. 18: l'Etat lui‑même est l'homme naturel collectif.' Cf. Vinet, Liberté religieuse, p. 467.



24 

Versta: Als men eenstemmigheid verlangt.



25 

Marginale aant. van Groen: `Caesaropapie, inbreuk der hierarchie.' Cf. ong. en rev., p. 64.



26 

Hs.: `onderwerpt'. Cf. Vinet, Essai sur la manifestation, p. 253: `Je déclare que si l'Etat pouvait constater sa mission apostolique, je n'aurais pas de répugnance à lui soumettre ma religion; car cette soumission serait dès lors ma religion;' Ong. en rev., p. 61, 2; Nederlander no. 63 (11 sept. 1850).



27 

Cf. Vinet, Essai sur la manifestation, p. 254/5: `Faites donc que je croie que l'Etat me représente, et je l'accepterai pour mon chef religieux, comme le catholique accepte l'Eglise'; Ong. en rev., p. 61, 3.



28 

Cf. Vinet, Essai sur la manifestation, p. 265: `Sous un autre point de vue encore, l'idée de mettre la religion en régie nous frappera par son opposition avec l'esprit qui, de plus en plus, domine le monde. Tout tend à resserrer la sphère d'action du pouvoir et à réduire le nombre de ses attributions exclusives'; Ong. en rev., p. 61, 4.



29 

Marginale aant. van Groen: `275.' Cf. Vinet, Essai sur la manifestation, p. 275; Ong. en rev., p. 61, 5. Zie ook Over het ontwerp, p. 178, 1; Adviezen 1856/7 II, 262.*



30 

Groen citeert deze plaatsen in Ong. en rev., p. 65, 1.



31 

Het citaat is afgedrukt in Ong. en rev., p. 63, 1.



32 

Vanaf p. 364 handelt Von Haller over het begrip `herrschende Kirche'. Op p. 365 zegt hij: `In einem Lande z.B. wo nicht nur der gröszte Theil des Volks, sondern auch der Fürst selbst sich zu der Römisch‑catholischen Religion und Kirche bekennt, ist er selbst ein Mitglied, ein angesehener und mächtiger Jünger derselben, aber nicht ihr Oberhaupt oder Gesetzgeber . . .'; p. 380: `Von dem Anfang der christlichen Kirche bis auf unsere Tage ward im wesentlichen stets gelehrt und geglaubt, dasz Kirche und die weltlichen Fürsten von einander gefördert, beyde in ihren eigenen Befugnissen frey und unabhängig seyen, dasz sie aber einander wechselseitig nützen und nicht schaden sollen.'



33 

Cf. Ong. en rev., p. 47/8.



34 

Marginale aant. van Groen: `De Staten; les Etats.'



35 

Deze tekst is reeds - zonder commentaar - afgedrukt als `Proloog hoofdstuk IX' in de `derde uitgebreide druk' van Smitskamps uitgave van Ong. en rev. (1976), p. 330‑332; cf. p. 7. Op verschillende punten wijkt de hier geboden tekst af van de aldaar door A. J. van Dijk bezorgde. Laatstgenoemde leverde ook een Engelse vert. van dit fragment in Unbelief in religion and politics; lectures eight and nine, p. 76‑79.



36 

Cf. Redevoering over de redenen om de geschiedenis der natie bekend te maken, p. 29 (Verspreide geschriften II, 253) over de `valsche beginsels van de Fransche, of liever van de Europesche omwenteling.'



37 

Bedoeld is Heeren, Handbuch der Geschichte des Europäischen Staatensystems und seiner Colonien (1809). Cf. Briefw. IV, 544, 8; Brieven van Da Costa I, 217, 1; III, 164, 1.



38 

De `Vorrede der ersten beiden Ausgaben' begint aldus: `Unter den groszen Erscheinungen, welche uns die Weltgeschichte aufstellt, ist die des Europäischen Staatensystems oder Staatenvereins in den letzten drei Jahrhunderten bisher die gröszte, und zugleich für uns die wichtigste' (Historische Werke VIII, p.V). Op p. 18 betoogt Heeren, dat het zinvol is het noorden en zuiden van Europa afzonderlijk te behandelen, maar hij voegt eraan toe: `dasz aber darum der fortdauernde wechselseitige Einflusz beider auf einander nicht übersehen werden darf, versteht sich von selbst'.



39 

Zie over hem Briefw. II, 805, 4. Groen zinspeelt vermoedelijk op een passage uit het hoofdstuk `Character' in Sterne, A sentimental journey, p. 182/3 (Works, p. 337). Sterne vergelijkt echter niet de verschillende nationaliteiten met afgesleten munten, maar hij stelt het al te gepolijste Franse volk tegenover het ruige Engelse. Waarschijnlijk berust Groens formulering op de woordkeus van Geel die op 26 nov. 1837 in de Journal de la Haye de nationaliteiten met Sternes afgesleten munten vergeleken had. Cf. Manger, Thorbecke, p. 128; Van den Berg/Hooykaas, `Zamen bengelen, dat het klinkt', p. 43; 48/9.



40 

Cf. Zwaan, G.v.P., p. 630 s.v.



41 

Cf. Ned. Ged. III, 89 (Verspreide geschriften I, 128) over `het gezegde dat aan Napoleon toegeschreven wordt: Je suis le sinet qui marque la page où la révolution s'est arrêtée; mais quand je ne serai plus, elle tournera le feuillet et reprendra sa marche.' Zie ook Le parti, p. 38. In enigszins andere vorm vindt men de gedachte in Ong. en rev., 2e dr., p. 379; cf. p. 375. Volgens Nederlander no. 1390 en 1502 (4 jan. en 16 mei 1855) vormde de `reactie' van de 18e brumaire 1799 de aanleiding voor Napoleons opmerking. Groen vertaalt in no. 1390 als volgt: `ik ben het merkteeken van de bladzijde, waar de Revolutie stil gehouden heeft; als ik wegval, keert zij het blad om en herneemt den loop waarin ze gestuit werd.'



42 

Hs. heeft abusievelijk: `1836'. Zie voor de exacte gegevens de bibliografie. In het vervolg citeren we gemakshalve naar de herdruk in Tholucks Vermischte Schriften.



43 

Groen volgt het schema van Tholuck op de voet. Cf. Vermischte Schriften II, 3‑10.



44 

Cf. Tholuck, Vermischte Schriften II, 10‑23.



45 

Cf. Tholuck, Vermischte Schriften II, 23‑32.



46 

Cf. Tholuck, Vermischte Schriften II, 32‑36.



47 

Cf. Tholuck, Vermischte Schriften II, 36‑39. Zie over Frederik II de Grote o.a. Verscheidenheden, p. 97‑104; Ong. en rev., 2e dr., p. 269; 404; Ned. Ged., 2e serie, II, 103.



48 

Zie over deze theoloog Handboek, p. 550; Unbelief in religion and politics; lectures eight and nine, p. 19 n. 25.



49 

Cf. Tholuck, Vermischte Schriften II, 39‑83; Hofstede de Groot, Bewegingen, p. 208; Fliedner, Collektenreise I, p. XII; II, 432; 541.



50 

Tholucks oordeel over Jacobi in het aan hem gewijde opstel (Vermischte Schriften II, 402‑429) is aanzienlijk milder. In de K.B.‑lijst van Groens boekerij komen Tholucks Vermischte Schriften niet voor.



51 

Cf. Beschouwingen, p. 117; Handboek, p. 552.



52 

Hs.: `Holty'. Groen bezat de door Stolberg en Voss bezorgde uitgave van de Gedichte (zie bibliografie).



53 

Cf. Beschouwingen, p. 10; 120, 1; Brieven van Da Costa III, 245/6: `Göthe en Schiller zijn toch, in den grond der zaak, niet slechts vreemd, maar vijandig aan het waarachtig Christendom geweest, en de materialistische dichters, tegenover wie zij schitterend uitkomen, zijn de voortzetting der lijn waarop men de geopenbaarde waarheid, voor rede en voor menschvergoding, verliet.'



54 

Zie over de humanistische tendens van Goethe o.a. Beschouwingen, p. 104; 123, 1; 136, 2; Ong. en rev., 2e dr., p. 256; Ter nagedachtenis, p.V; Ned. Ged., 2e serie, IV, 228; Brieven van Da Costa III, 242; Briefw. II, 785.



55 

Cf. Beschouwingen, p. 107, 1; 129.



56 

Dit rationalistische tijdschrift, onder red. van F. Nicolai, verscheen van 1765‑1805. Cf. Tholuck, Vermischte Schriften II, 23; 58; 124; Royaards, Het Genootschap, p. 12; 96; Holtrop, Tussen Piëtisme



en Réveil, p. 30.

57 

Cf. Handboek, p. 501. Groen bezat zijn Sämmtliche Werke (zie bibliografie).



58 

Cf. Ong. en rev., 2e dr., p. 10; Ned. Ged., 2e serie, II, 62/2; 79.



59 

Cf. Ned. Ged. III, 125; Ong. en rev. 2e dr., p. 171, 2; Groen's reis naar Parijs, p. 89, 2; Briefw. II, 275, 8.



60 

Cf. Handboek, p. 553.



61 

Zie over Jung‑Stilling Groen's reis naar Parijs, p. 97, 2; Briefw. II, 275, 7.



62 

Cf. 1 Kon. 19, 18; Rom. 11, 4; H.O.W., p. 164; Zelfstandigheid herwonnen VIII, 4; IX, 15.



63 

Johann August Ernesti; cf. Hofstede de Groot, Bewegingen,p. 15; 208.



64 

Tholuck, Vermischte Schriften II, 144 schrijft over Ernesti, dat `seine Interpretationsgrundsätze, und noch mehr als dies seine Milde gegen die, welche an der Zerstörung der kirchlichen Dogmatik arbeiteten; der neueren Theologie bereits einen bedeutenden Vorschub geleistet.' Cf. Hofstede de Groot, Beschouwing, p. 180 over de door Semler en Ernesti bewerkte `omwenteling der Godgeleerdheid in Duitschland'.



65 

In het art. van Tholuck komt Heyne niet voor. Cf. Beschouwingen p. 114, 1. Groen bezat zijn Opuscula academica en Van Assens Hulde aan Christian Gottlob Heyne (zie bibliografie).



66 

Zie over Wyttenbach Beschouwingen, p. 37, 1; Briefw. II, 364; 765. In tegenstelling tot Van Assen vond Heemskerk Bzn., dat Groen Wyttenbach `door het slijk gesleept' had (Nederlander no. 190, 10 febr. 1851).



67 

Cf. Büchmann, Geflügelte Worte, p. 501; 540.



67a 

Cf. Luk. 23, 34.



68 

Groen nam deze gedachte misschien over van Gaussen van wie hij in Aan de Hervormde gemeente, p. 36 aanhaalt: `Cependant, Messieurs, il est dans le coeur de l'homme d'heureuses inconséquences . . .' Cf. Nederlander no. 533, 544, 565, 1123 (23 maart, 5 en 30 april 1852, 20 febr. 1854); Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. 28; Zwaan, G.v.P., p. 236 n. 88.



69 

Cf. Matth. 7, 3‑5.



70 

Cf. Luk. 12, 48; Ned. Ged., 2e serie, I, 316; II, 148; Wat dunkt u? II, 76.



71 

Cf. Ong. en rev., p. 273 (2e dr., p. 261); Ned. Ged., 2e serie, II, 252.


64 Over de vereeniging van kerk en staat. ± 1845.1

Vereeniging van kerk en staat: i[d] e[st] dat de souverein wat met zijn geloof overeenkomstig is, in den kring zijner werkzaamheden en regten belijdt en verrigt.

Dit kan, om de menschelijke verkeerdheid, aanleiding geven tot huichelarij, gewetensdwang, verspreiding van dwalingen; deze en andere afwijkingen die het evangelie veroordeelt, nemen de waarheid van het evangelisch beginsel niet weg. De vereeniging, die nuttig kan zijn voor de kerk, is voor den staat onmisbaar: de eenige waarborg van vrijheid zonder wanorde; van orde zonder geweld en slavernij.

Bestreden door de liberalen:

a. uit afkeer van de misbruiken;

b. uit vooringenomenheid tegen hooger dan menschelijk gezag.

Zelfs door christenen die

a. de revolutionaire verdrukking van de kerk door den staat (D)2 met de vereeniging verwarren;

b. in den staat eene corporatie van vrije en gelijke menschen aanschouwen;

c. uit het oog verliezen dat ook door het la loi est athée3 geenszins aan den wensch van allen gelijkelijk voldaan wordt.
Wat is het wezen van die vereeniging? De staat voor de materiële en wereldsche belangen; de kerk voor de geestelijke zaken. De kerk ontvangt met de gelden de regtzinnigheid niet. Zij is heilig, onafhankelijk; alleen wordt zij in de mogelijkheid gesteld om het water des levens4, even zuiver, in grooteren overvloed te verspreiden.

-----
Noten bij no. 64. Over de vereeniging van kerk en staat.


1 

ARA, G.v.P., no 49, eigenhandig ontwerp. Hoewel deze notitie voorkomt in de Studiën voor het Handboek 1795‑1840, houdt de inhoud verband met Ong. en rev.; cf. p. 56‑65.



2 

Vermoedelijk is Duitsland bedoeld. Zie b.v. Ned. Ged., 2e serie, IV, 343 over de Duitse `Staatskerk' (in 1872).



3 

Cf. Ong. en rev., p. 242. Zie ook n. 102 van no. 47.



4 

Cf. Openb. 21, 6; 22, 1.


65 De geschiedenis van het vaderland een leerzaam voorbeeld te
1   ...   29   30   31   32   33   34   35   36   ...   78

  • Studiën voor Ongeloof en revolutie.
  • Over de vereeniging van kerk en staat.
  • De geschiedenis van het vaderland een leerzaam voorbeeld te

  • Dovnload 7.64 Mb.