Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina34/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   30   31   32   33   34   35   36   37   ...   78

midden der gevaren van onzen tijd. (Lessen der historie voor lidmaten der Hervormde kerk.) 1846.1

Mijn onderwerp is u reeds bekend: de aanwijzing van het nut hetwelk de beoefening der geschiedenis van het vaderland bepaaldelijk in onze dagen zou kunnen hebben. Doch gij verlangt billijkerwijs de redenen te leeren kennen waarom ik gemeend heb dat het voor mij voegzaam en pligtmatig was aan de uitnoodiging om hierover tot u te spreken, geenerlei wederstand te bieden. De meesten uwer weten dat ik mijn leven grootendeels aan de studie der geschiedenis gewijd heb. Eigen voorkeur en de edelmoedigheid onzer vorsten, waardoor mij de toegang tot de geheimenissen van het voorgeslacht gebaand werd, hebben mij aangespoord en geroepen om, met inspanning en volharding, de gedenkteekenen van de godvrucht en vrijheid der vaderen aan de nakomelingschap over te brengen. Gaarne heb ik mij daarvoor omslagtige en moeitevolle nasporingen laten gevallen; want verre zij het van mij, omdat de kennisneming van dezen arbeid, uit den aard der zaak, vooralsnog binnen den engen kring van wetenschappelijke bestudering beperkt is, het voorregt minder te waarderen dat mij te beurt viel of zelfs, kinderachtig en ondankbaar, mij te beklagen dat het mij niet vergund was, op effener baan, naar de goedkeuring en toejuiching van het algemeen te mogen dingen.

Maar ik heb toch op het studeervertrek de behoefte ook aan een ander soort van mededeeling gevoeld. Ik heb leeren inzien dat het pligt voor mij was niet enkel uit den rijken voorraad van onuitgegeven stukken den grondstof voor toekomstige werken aan deskundigen te overreiken, maar ook eenigermate reeds onmiddellijk een meer uitgebreid publiek van de verkregen uitkomsten deelgenoot te maken: de gebeurtenissen van het Nederlandsche volksleven ook voor diegenen onder mijne landgenooten te schetsen, welke, ofschoon zij ter bestudering daarvan de gelegenheid niet hebben, evenwel op kennis, beschaving en vaderlandschen zin prijs weten te stellen; ik heb gewenscht ook hun, op meer populaire wijs, te doen opmerken welk licht de onderzoekingen onzer dagen en daarvan dan inzonderheid de door mij geraadpleegde briefwisseling van vermaarde vorsten, staatslieden en helden over het gansche veld der geschiedenis van Nederland hebben verspreid. Uit deze overwegingen is mijn Handboek ontstaan. Ik beklaag mij niet over de veeljarige navorsching en overpeinzing aan de afwerking dezer taak te koste gelegd. De beoordeeling van hetgeen aan eigen beschouwingen ontleend is, zij aan anderen overgelaten; in elk geval mag ik mij overtuigd houden den tijd niet nutteloos besteed te hebben ter vervaardiging van een werk waarbij ik mij van tallooze onuitgegeven bescheiden bediend heb en waarin ik nu reeds velerlei gewigtige resultaten opteekenen mogt, die welligt nimmer en voorzeker niet dan na een zeer lang tijdverloop zouden bekend zijn geraakt. Doch vraagt ge mij of ik, in alle opzigten, over die wijs van mededeeling voldaan ben; of het mij gelukt is een lees‑ of leerboek zamen te stellen, hetwelk zonder voorloopige bekendheid met de toedragt der gebeurtenissen kan worden verstaan; of ik niet dikwerf in den lezer eene meer dan dagelijksche kunde van staatsregt en politiek gevergd heb, dan moet ik gereedelijk erkennen dat ook dit boek, hoewel niet in den eigenlijken zin wetenschappelijk, echter eenigermate onder de werken vanstudie behoort; dat ook de vorm zelve, ofschoon deze haar eigenaardig nut en doel heeft, die levendigheid en warmte eener doorgaande voorstelling of redenering niet gedoogt welke ter opwekking altijd en vooral in dagen van onverschilligheid en sluimering vereischt wordt; dat de begeerte om de kennis aan de landshistorie nog verder te doen reiken levendig in mij blijft en dat ik dus mij verpligt reken, voor zoover ik over tijd en krachten heb te beschikken, elk middel aan te grijpen hetwelk tot dit oogmerk mij aan de hand wordt gedaan.

Het was dus eene tegemoetkoming aan mijn eigen verlangen, toen ik uitgenoodigd werd om een woord van opwekking tot sommigen mijner stadgenooten te rigten ten betooge dat de Nederlandsche natie aan de beoefening van haar eigen geschiedenis behoedmiddelen kan ontleenen tegen de veelsoortige gevaren, waarmede zij, vooral in de dagen die wij beleven bedreigd wordt. Ik heb voorgenomen dit avonduur aan de opgave van deze gevaren te besteden. Alvorens echter ik daartoe overga, zal het noodig zijn u te doen opmerken wat ik door Nederlandsche natie versta en welke soort van geschiedenis ik beoog.

Aan het woord natie geeft men thans dikwerf eene beteekenis welke met het revolutionaire staatsregt onzer dagen in verband is. Eene natie is de collectieve naam dergenen die onder één gezag staan. Zoo waren wij, eenige jaren geleden, met de Belgen, ook met de Franschgezinde Walen, het Nederlandsche volk. Zoo werden wij, tijdens de vernietiging van ons afzonderlijk bestaan, als een deel der Fransche natie beschouwd. Zoodanige natiën worden geschapen, dooreengemengd of vernietigd door de overmagt van een geweldenaar, de willekeur van een congres en het toverrijm van eene reeks protokollen. Gij gevoelt dat ter versterking van den constitutionelen band waardoor deze natiën gevormd worden, de opoffering dikwerf noodzakelijk is van al wat men vroeger nationaal zou hebben genoemd. Al wat aan de nieuwe soort van eenheid hinderlijk zou kunnen zijn, wordt onder de rubriek van het antinationale gerangschikt. Meent gij dat deze opvatting der zaak voor de vrijheid en gelijkheid van allen bevorderlijk is? Gij zoudt u bedriegen; want juist het veranderde criterium brengt teweeg dat een iegelijk die de overmagt heeft zich laat gelden als de alleen wettige vertegenwoordiger des volks, zoodat die wil der natie uitloopt op den wil eener partij welke ternaauwernood het politiek aanzijn van haar tegenstanders erkent. Ten voorbeelde moge strekken het gezegde van een onzer representanten2 uit het gulden tijdperk der omwentelingsleer: `wanneer ik van de Natie spreke, bedoel ik altoos het Patriotsch gedeelte daarvan.' Zoo is het altijd geweest, sedert men enkel in de eenheid van gouvernement het kenmerk eener natie gezocht heeft. Nationaal heet wat met de belangen en inzigten van de partij welke het bewind in handen heeft overeenkomt.

Ik kan hieromtrent thans in geene bijzonderheden treden, doch heb reeds genoeg ervan gezegd om u de redenen te doen inzien waarom ik aan de vroegere beteekenis van het woord natie de voorkeur verleen; waarom ik, volgens de etymologische kracht der uitdrukking, de eenheid van geboorte en afkomst vooropstel, die zich in de eenheid van taal, zeden, geloof en lotgevallen, in het leven der groote volksfamilie openbaart. De eenheid van dit familieleven is in de familietrekken geprent: er is nationale spraak, nationaal regt, nationale godsdienst, nationale staatsregeling, nationale gewoonte, nationale geschiedenis; er is nationale eenheid, niet in dien bekrompen zin welke de pligten der herbergzaamheid en der verdraagzaamheid miskennen en zich tegen elk vreemdsoortig element of verschil van zienswijze bijkans in vijandige houding zou willen stellen, maar volgens den natuurlijken en onveranderbaren aard der zaak, welke in deze vruchten en feiten, als in zoovele gevolgen en uitvloeisels, te voorschijn treedt. De naam van Grieken en Romeinen onder de ouden, van Spanjaarden of Italianen, Duitschers, Engelschen of Franschen in lateren tijd brengt ons onmiddellijk de eigenaardige trekken voor den geest, waarin het volkskarakter van elke dezer natiën zich heeft ontwikkeld. Aldus meen ik dat het aanzijn ook der Nederlandsche natie met onuitwischbare letteren in de geschiedrollen geprent is; dat zij, onafhankelijk van alle gedaantewisseling haar eigenaardig en blijvend karakter gehad heeft; dat zij het bewaard heeft ook onder vernedering en lijden en dat het onuitroeibare dezer nationaliteit welligt nooit treffender bleek dan toen het volk op den rand van het verderf gebragt werd en de naam der natie uit de rol der mogendheden weggevaagd was.

En waarin nu lag het karakteristieke van dit Nederlandsche volk? Ik zou veel kunnen opnoemen waardoor de Nederlandsche natie zich, in denkwijs en bedrijf, van andere volken onderscheidt, maar ik bepaal mij bij hetgeen, ten aanzien van godsdienst en staat, aan den volksgeest de rigting verleent, waarvan de werking in elken lageren kring van volksbelangen en volksbedrijven opgemerkt is. Zij was eene natie, met het evangelielicht bestraald; bij wie dit licht, na onder de koornmaat des bijgeloofs te zijn geraakt, opnieuw en met verhoogden luister op den kandelaar gesteld was; eene natie die zich om de zuivere belijdenis der meest gewigtige waarheden met ingenomenheid en volharding geschaard had en die, in vereeniging met het huis van Oranje gezind was evenzeer om aan het wettig gezag de hulde der gehoorzaamheid te brengen als ook om zich gewetenshalve zoowel als uit eigenbelang te verzetten tegen aanmatigingen, waardoor christelijke onderwerping zou ontaard zijn in onwaardige slavernij. De Nederlandsche natie was een christelijk, een protestantsch, een orde‑ en vrijheidlievend volk en de deugden waardoor het uitgemunt en de daden waardoor het zich bekend heeft gemaakt, kunnen tot deze hoofdtrekken, als tot hun gemeenschappelijken oorsprong, als tot de ziel van het volksleven worden gebragt.

Dat er zoodanige natie geweest is, zou, nadat ze met onvergankelijke roem op het wereldtooneel heeft geschitterd, bezwaarlijk worden ontkend. Doch vraagt ge mij of ze nog bestaat, dit kan, vanwege de uiterlijke gedaante der dingen, twijfelachtig zijn. De Nederlandsche staat voorzeker draagt de opgenoemde kenmerken niet meer. Evenwel of in dien Nederlandschen staat welke, met behoud van den naam het wezen verwerpt, de Nederlandsche natie nog voortleeft, is gelukkig! eene andere vraag. Ik houd er mij van overtuigd. Nog zijn er die prijs stellen op hetgeen ons door de vaderen overgeleverd werd; op hetgeen in Nederland, toen het kleine Nederland groot was, den grondslag van nationaliteit en volksbestaan uitgemaakt heeft. Nog zijn er die de pligt erkennen om hun geloof ten dien opzigte te beleven zoowel als te belijden. Wij weten dat de hand des Heeren niet verkort is3 en het vertrouwen op de kracht der waarheid en op de belofte dat Zijn Woord niet ledig tot Hem wederkeeren zal4, doen ons de hoop voeden dat nog eenmaal, onder 's Heeren zegen, uit een geringe kern een nieuw leven en ontwikkeling zal kunnen ontstaan. Deze overtuiging is het welke, te midden van het ontmoedigende der omstandigheden, tot opbeuring verstrekt. Zonder haar zou het vaderland geen vaderland meer zijn.

Door hetgeen ik omtrent de beteekenis van het woord natie zeide, heb ik mij den weg reeds gebaand om, in de tweede mijner voorloopige aanmerkingen, u te doen letten op den aard der geschiedenis wier bekendmaking aan de natie ik wensch en bedoel. Ik verlang eene geschiedenis waarin die kenmerkende trekken worden gezien; waarin het blijke dat de geheele inhoud en gang der historie daarmede in natuurlijk verband heeft gestaan. Het is minder om de hoeveelheid dan om de hoedanigheid te doen. Maar wat men ook meene te kunnen weglaten, deze eene groote waarheid moet als leiddraad worden geëerbiedigd: dat de ontwikkeling van het volksleven, door den aard zelven der gebeurtenissen, eene christelijke ontwikkeling geweest is en dat in Nederland, zoolang de banier van het evangelie, in geest en waarheid5, opgerigt was, ook de kracht van het evangelie in de meest uitgebreide zegeningen openbaar werd.

Wat dunkt u? Is het deze historie welke thans aan de natie en aan het opkomend geslacht wordt medegedeeld? Ik behoef niet vele woorden voor hetgeen aan u allen bekend is. Wat in de geschiedenis van Nederland het bezielend en heerschappijvoerend beginsel geweest is, wordt uit de volksschool met opzet geweerd. Dit kan niet anders. Ik laat thans het nut of de verderfelijkheid eener vereeniging van de gezindheden in het midden; maar, wanneer men aan roomschen en protestanten, aan christenen en onchristenen, op den tegenwoordigen voet, een gemeenschappelijk onderrigt geeft, is men verpligt, òf om zich met een dor en onvruchtbaar inprenten van namen en jaartallen en feiten te vergenoegen, òfwel, ten einde belangstelling te wekken en aandacht te boeijen, bij het voorbijzien der voorname oorzaken, datgene wat achtergestaan heeft, op den voorgrond te brengen en aan personen en gebeurtenissen een kleur te leenen welke met de opvattingen en dwalingen van lateren tijd in verband is, zoodat men de volharding dergenen die voor het regt pal hebben gestaan met de drift en onstuimigheid der voorstanders van losbandigheid gelijkstelt en de geloofshelden van vroeger eeuw in liberalen en revolutiemannen van onze dagen herschept. Indien men de beginselen die het voorgeslacht bezield hebben, enkel misprees; indien men in het verhaal hunner bedrijven, waarschuwingen vlechtte tegen de overdrevenheid hunner gevoelens, het zou betreurenswaard zijn, maar het ware niet aan hetgeen thans plaatsheeft gelijk. Tegenover de meening van den tijdgenoot zou de stem en het voorbeeld van het voorgeslacht worden gehoord en aanschouwd: thans legt men aan elk getuige die den geest des tijds wederspreekt, òf het zwijgen op, òf andere woorden in den mond; het getuigenis wordt weggecijferd of vervalscht: aldus wordt de historie niet de leermeesteres, maar de verleideres der nakomelingschap. Deze is de algemeene strekking welke, uit den aard der zaak, in de lagere scholen de heerschende wordt. Hetzelfde moet, waar de regel der niet‑aanstootelijkheid van elke staatsverrigting behoort te gelden, ook bij het hooger onderwijs plaatshebben. Geschriften waarbij het om algemeene goedkeuring en om een aanzienlijk getal lezers te doen is, zijn naar de denkwijs welke den boventoon geeft, zamengesteld. Op eene wijs waarvan misschien geen tweede voorbeeld geweest is, wordt de historie waaromtrent tevoren de minste verandering voor heiligschennis gold, in haar meest wezenlijke trekken verwrongen, bedorven en onkenbaar gemaakt.

Is het dan niet voor elk die dit weet en betreurt pligt aan de natie, zooveel mogelijk, terug te geven wat men haar ontneemt en onthoudt? Is het niet wenschelijk dat een iegelijk zich door eigen onderzoek versterke in de overtuiging omtrent de waarheid van hetgeen zoo onverantwoordelijk terzijde gesteld wordt? De middelen hiertoe liggen bij de hand. Die soort van kennis waarvan men niet verlangt zich te bedienen, is meer dan ooit verkrijgbaar geworden. De nevelen der dwaling kunnen op den duur geen stand houden tegen het licht dat, ten gevolge der ontdekkingen ook van onze dagen over het historieveld is opgegaan. Dit nut behoeft niet binnen de wanden van boekvertrekken besloten te blijven: om eerst na jaren allengskens eenigen invloed op de algemeene en populaire beschouwingen te hebben. Het is doenlijk die gunstige werking te vervroegen, wanneer er tusschen deskundigen en weetgierigen van weêrskanten eenige toenadering is. Wij eischen niet dat een iegelijk, onder handschriften en folianten begraven, zich in geleerde navorschingen verdiepe. Voor het geloof en de onpartijdigheid van een christen is het tooneel van onze historie reeds genoeg opgehelderd om daarop wat de hoofdzaak betreft, ook zonder eene eigenlijk wetenschappelijke vorming, de ware toedragt van den bedriegelijken schijn en de echte gedaante der personadjen van den hun opgedrongen tooi te onderkennen.

Eenige moeite, eenige inspanning zal altijd vereischt worden. Zonder arbeid is niets te koop, doch, indien zij welke hun tijd aan de onbeduidende of zielverpestende lectuur van vreemde geschriften verspillen, de helft van die misbruikte uren aan de beschouwing der lotgevallen van hun eigen volk wilden besteden, spoedig zou het hun gelukken daaruit die soort van kennis te ontleenen, waarvan het gemis aan elk ingezeten van Nederland tot schande en schade verstrekt. Er zijn twee uitdrukkingen welke in onzen dagelijkschen omgang, ter wedergeving van hetzelfde denkbeeld, veeltijds worden gebruikt: het is mij te hoog, het is mij te diep. Geen verontschuldiging geldt meer, geen aandrang uit nut of verdienstelijkheid ontleend, wanneer eenmaal dit vonnis over schriftelijke of mondelinge voordragt geveld is. Laat ons daarom niet voorbarig in het uitspreken dezer veroordeeling zijn; laat ons niet vergeten dat men, bevreesd voor de hoogte, wel eens zeer in de laagte geraakt en om niet in de diepte te vallen in horizontale rigting met al wat oppervlakkig is, blijft.

Zal ik u het middel noemen, waardoor men, op de baan van heilrijke kennis, tegen angstvallig en nadeelig terugdeinzen behoed wordt, het geheim zeggen dat moed geeft en den arbeid ligt maakt? Het is de liefde, de liefde tot het vaderland dat u te beurt viel. Waar men die vaderlandsliefde niet kent, waar men voor de betrekking tusschen voorgeslacht en nakomelingschap geen gevoel heeft en ook dezen band der natuur onder de vooroordeelen van een afgeslepen bijgeloof rangschikt, daar is het onvermijdelijk dat elk geschrift van eenigen omvang, voor zoover het niet op het ontgloeijen van de verbeelding, het gevlei der zinnelijkheid of het opwinden van de hartstogten aangelegd is, uit de vadzige hand valle; doch, waar de laatste vonk dezer gehechtheid en liefde niet gesmoord werd, daar kan zij, onder de eenigzins aandachtige beschouwing van hetgeen de vaderen verrigt hebben, een koesterend vuur worden; daar stelt men, ook voor zichzelven, wederom op die degelijkheid prijs, welke voorheen als een der eigenschappen van den Nederlandschen volksgeest geroemd werd.

Uwe tegenwoordigheid te dezer plaatse neem ik gaarne aan als een bewijs dat het u om die degelijkheid ten aanzien der kennis van onze geschiedenis te doen is. Aan den goeden wil zal het mij niet ontbreken om u daarin ten dienste te staan. Ik reken die kennis onmisbaar voor den christen, den protestant, den hervormde, den ingezeten die het vaderland en het geslacht onzer vorsten liefheeft, de onderwerping aan het wettig gezag in het oog houdt en onder de regten wier handhaving hem ter harte gaat, vooral die vrijheid welke hij ter hooger pligtbetrachting noodig heeft, begeert. En zou ik mij, bij dit levendig besef van het belang der zaak, aan de bevordering daarvan mogen onttrekken? Mij verschansen achter het gewigtige van den wetenschappelijken arbeid, die mij ten deel is gevallen? Wie met de aantrekkelijkheid van zoodanigen arbeid, ook wanneer die moeijelijk valt, bekend is, zal het niet bevreemden dat menigwerf de zucht om zich uitsluitenderwijs daaraan over te geven, in het gemoed den boventoon verkrijgt; en wie voor de droevige zijde van onzen leeftijd het oog niet gesloten houdt, zal begrijpen dat men somwijlen in den luister van vervlogen tijden voor het gemis aan al wat opbeurend en zielverheffend is, schadeloosstelling zoekt. Doch zich hierin toe te geven zou ongeoorloofd zijn; en, zoo het aan den eenen kant den beoefenaar der wetenschap niet voegt zich van de onderwerpen zijner diepere navorsching door den loop der voorbijgaande omstandigheden in den maalstroom der gewone belangen en kleinere twisten te laten slepen, hij mag niet vergeten dat, waar hij om den aard zijner kundigheden in eenig opzigt beter dan anderen te hulp schieten kan, hij ook omtrent den tijdgenoot en in de maatschappelijke zamenleving pligten heeft, waarvan geen beroep op eene in zijn oog verhevener taak vermag te ontslaan.

Het komt mij voor dat een ieder die zich met geleerde studiën bezig houdt, wel zou doen met, naar de mate zijner vermogens op het voorbeeld dat de oudheid ons in Archimedes gegeven heeft, te letten. Het uiteinde van dezen vermaarden ingezeten van Syracuse, toen hij, bij de overrompeling zijner vaderstad, door den woedenden soldaat te midden zijner mathematische berekeningen verrast werd, is de proef voorzeker dat hij in verwonderenswaardige mate bedeeld was met die kalme en verhevene gemoedsstemming waardoor alleen het mogelijk wordt, onder alle rumoer en afleiding, het zielsoog op een waardiger voorwerp van aandacht en bespiegeling gevestigd te houden.6 Doch van dien zelfden man, welke aldus de aangelegenheden die hem van nabij raakten, scheen te vergeten, wordt tevens het getuigenis afgelegd dat hij de brandspiegels door hem uitgevonden tegen de vijandelijke vlooten gerigt en met die zelfde scherpheid van vernuft waarmede hij gewoon was in het heiligdom der wetenschap te dringen, zijne medeburgeren meermalen beschermd en verlost had.7 Hetzelfde behoort ten aanzien van elke wetenschap te gelden. Het is loffelijk wapenen te smeden die later zullen kunnen worden gebruikt; maar, in oogenblikken van nood, is het beter dat elk die het niet geheel aan krachten ontbreekt, zich van de wapens welke gereed zijn, bediene.8

Men heeft niet ten onregte de geschiedenis bij een arsenaal vergeleken9; maar zij verdient dezen naam alleen in zoover zij met getrouwheid de leerrijke gebeurtenissen opgeteekend heeft; het rectificeren der historie is het middel om de wapenen die zij in de hand geeft te scherpen; dit ten aanzien van ons vaderland te mogen verrigten is mijn oogmerk geweest: thans verlang ik in den strijd de deugdelijkheid van het zwaard te doen blijken. Niemand uwer ergere zich aan deze polemieke rigting. Christenen behooren te weten dat zij krijgsknechten van Jezus Christus moeten zijn10; dat er vrede beloofd is als eenmaal op aarde geregtigheid woont; dat in eene wereld waar leugen en onregt zich een zetel gesticht hebben, strijd voor een iegelijk die waarheid en regt liefheeft, de voorwaarde van pligtbetrachting is. Vergeten wij slechts niet dat die strijd christelijk behoort te zijn; dat onze wapenen geestelijk, niet vleeschelijk moeten wezen11; houden wij het voorbeeld van den oversten leidsman in het oog12 en denken wij er steeds aan dat op zijne banier liefde tot de vijanden geschreven staat, dat het in dezen kamp om het behoud en den zegen ook der vijanden te doen is.

Verlangt gij om de redenen te kennen waarom thans en hier te lande die soort van polemiek meer bepaaldelijk vereischt wordt, ik wijs u op de gevaren waarmede wij ten aanzien van al wat, gelijk wij zagen, tot het karakteristieke der Nederlandsche natie behoort, worden bedreigd. Als christenen, als protestanten, als lidmaten der Hervormde kerk, als burgers van den staat.

Niemand uwer zal van mij de opsomming vergen of verwachten van de menigvuldige verschijnselen waarin zich, met betrekking tot het christendom, ook hier te lande, ook onder christelijken naam, vijandschap of onverschilligheid openbaart. Veeleer word ik gedrongen uit het menigvuldige eene keuze te doen en mij, ten voorbeelde, te bepalen bij de wijs waarop men stelselmatig het christendom en de godsdienst, ook in de meest algemeene beteekenis van het woord, enkel als eene zaak van individuen beschouwt en uit volkswezen en staatsregt verbant. De staat kent, buiten eigen wil en eigen belang, geen hooger rigtsnoer of beginsel. De uitspraak `Mijn Rijk is niet van deze wereld'13 wordt ten behoeve der onafhankelijkheid die men begeert, verwrongen. Men vergeet dat er ook geschreven staat: de koningrijken zijn van den Heer en van Zijnen Gezalfde.14 Naauwelijks is het vergund van eene zeer algemeene voorzienigheid gewag te maken en het begrip omtrent het godsdienstlooze van den staat wordt, met welbehagen, in de praktijk tot rigtsnoer gesteld. Men acht het vermetelheid om tusschen het geloof en de lotgevallen der volken eenig verband te erkennen. Zullen wij hiertegen de kracht der godvruchtige overtuiging en der geloovige redenering gebruiken? Zullen wij in de historiën van oude en nieuwere volken de wederlegging dezer jammerlijke drogredenen opzoeken? Voorzeker ook dit behoort niet verwaarloosd te worden, doch wij behoeven niet uit de verte te halen wat zeer nabij ligt en wij hebben in onze eigen geschiedenis het proefondervindelijke bewijs dat de invloed van het evangelie en de zegen van boven met het heil ook van de volken in het naauwste verband is.

De Nederlandsche natie is door het zuiver evangelie gevormd; zij is eene protestantsche natie geweest. Wanneer ik zeg dat zij in die hoedanigheid bedreigd en aangerand wordt, herhaal ik slechts wat aan iedereen bekend is. Ik durf gerust beweeren dat ik mij van hatelijkheid en partijdigheid tegen de roomschgezinden gewacht heb. Ik heb steeds gewezen op den band die ons ook met dwalende christenen tegenover de vijanden van het kruis behoort vereenigd te houden; ik heb mij tegen alle zijdelingsche en onderhandsche terugneming van verkregene regten verzet; ik heb in geschiedenis en staatsregt eene naauwgezetheid en billijkheid mij ten rigtsnoer gesteld die mij door velen ten kwade geduid is en waardoor ik het vermoeden op mij geladen heb van een heimelijk overhellen naar de Roomsche kerk. Maar wij mogen de verdraagzaamheid niet zoo ver uitstrekken dat we vernieuwde aanmatigingen en vernieuwde aanvallen zouden voorbijzien. De kerk van Rome, onder de stormen der omwenteling bijkans vernietigd, is weder opgestaan en zij is, in elk opzigt, aan haar vermeende onfeilbaarheid getrouw, tot haar vorige traditionele feilen teruggekeerd. Dezelfde bijgeloovigheden; dezelfde weerzin tegen de verspreiding van Gods Woord; dezelfde gaaf om zich met verwonderlijke buigzaamheid naar den eisch der omstandigheden te voegen, om zich, zoodra de noodzakelijkheid van zwichten opgehouden heeft, onmiddellijk in den ouden plooi te verheffen; dezelfde zucht om, waar overtuiging te kort schiet, zich van geweld te bedienen en om, niet door den schrik des Heeren15 tot den gekruisten Heiland, maar door de[n] schrik van straf en pijniging tot onderwerping aan een antichristelijk gezag te brengen.

Of meent iemand dat er overdrijving in deze beschuldiging ligt? Hij lette op het gedrag van Rome waar zij de overhand heeft. De vooroordeelen en misbruiken van het bijgeloof komen, in de meeste bekrompenheid en afzigtelijkste gedaante, opnieuw te voorschijn; dezer dagen nog werd tegen de bijbelgenootschappen de banvloek herhaald16; de Waldensen zijn aan ongeregtigheden blootgesteld; het ontrooven van kinderen om ze in kloosters te sluiten is geene zeldzaamheid meer17; in Ierland beklagen zich de protestanten over sluikmoord op sluikmoord gepleegd; en over de geheime magt welke deze gruweldaden beveelt en er straffeloosheid aan verzekert door de getuigen, om de vrees voor wraakoefening, tot zwijgen te brengen. Rome is er, meer dan ooit, op uit om het protestantisme te verdelgen. Wie denkt niet aan Otaheite!18 De vorming van een christelijke bevolking uit verdierlijkte barbaren had den twintigjarigen arbeid van evangelische zendelingen19 bekroond en de waarheid van Gods beloftenissen in een der meest treffende voorbeelden gestaafd: onder bescherming der Fransche vlag20 weet Rome, door een onweerstaanbare magt, de godvreezende vorstin21 tot opneming van het bijgeloof, tot vrijlating van zedeloosheid en eindelijk tot eene wanhopige zelfverdediging te brengen welke, ten gevolge der onverschilligheid der mogendheden, op de uitroeijing der inboorlingen en op de vernietiging van dit heerlijk werk van evangelische verkondiging schijnt te zullen uitloopen.22

De kracht van Rome wordt vermeerderd door de wijs waarop haar bijgeloof zich met de verkeerde rigtingen der eeuw vereenigen laat. In menige omstandigheid is het reeds gebleken dat zij geene zwarigheid ziet om aan de leerstellingen der revolutie hulde te brengen; en evenzeer is het duidelijk geworden dat door het ongeloof de onmisbaarheid eener soort van politieke godsdienst gevoeld wordt, waartoe Rome's leer, om haar elasticiteit en om den glans van haar uiterlijke vormen, welligt bij uitnemendheid geschikt is. Maar hier te lande zijn wij beveiligd, zegt men, door den geest onzer roomschgezinde landgenooten, de bepalingen der grondwet en den protestantschen zin der bevolking. Ik vrees dat deze waarborgen weinig kracht hebben. Wij zien hier te lande, in geen mindere mate dan elders, het bijgeloof in de Mariadienst en andere afgodische vereeringen herrijzen; wij ontwaren denzelfden ijver om zich, op allerlei wijs, door vermeerdering van getal te versterken; schandelijke misbruiken van gelegenheid en invloed zijn bekend; en zoo de gemoedsstemming onzer landgenooten hen tegen dit een en ander niet behoed heeft en zoo wij overal waar Rome overmagt heeft, overmoed aanschouwen, waarop zou dan onze verwachting gegrond kunnen zijn dat zij, in Nederland meesteres geworden, zich geenerlei geweld veroorloven en enkel zachtmoedigheid en overreding in het werk stellen zou. De grondwet heeft, in navolging van bijkans alle staatsregelingen sedert den val van het gemeenebest, elken waarborg van de meerderheid der protestantsche kerk doen vervallen en, terwijl zij door de onpartijdigheid van het openbaar gezag schijnbare geruststelling tegen den aandrang van elke gezindheid aan de hand geeft, opent zij inderdaad aan de roomschgezinden den weg om, door de vernietiging van vroegere hinderpalen, tot de heerschappij te geraken. De zin der bevolking is wel het minst beteekenend van allen; die zin is thans veel minder uit geloof dan uit onverschilligheid antiroomschgezind geworden; zij is omtrent de steunsels van haar kracht zoo tn eenemale verblind dat zij van het volksonderwijs den bijbel en de landshistorie weert en aldus eene ongodsdienstigheid en een zedenbederf bevordert, waartegen men ten laatste het bijgeloof, als ware het een gezegend redmiddel, te hulp roepen zal.

Ik behoef niet verder te gaan; want ik heb reeds genoeg gezegd om te toonen dat wij tegen den aandrang der Roomsch‑Catholijke kerk thans vooral behooren gewapend te zijn; en ik meen er met gerustheid te kunnen bijvoegen dat wij die wapens welke ons het best ten dienste zullen staan, kunnen ontleenen aan de geschiedenis van Nederland, zoodra die in het regte licht gezien en met ware belangstelling ter harte genomen wordt.

------
Noten bij no. 65. De geschiedenis van het vaderland.
1 

ARA, G.v.P., no. 60 (De Vries no. 66), eigenhandig ontwerp.



2 

Niet gevonden. Cf. Nederlander no. 606 (19 juni 1852): `Op het voetspoor dergenen door wie in 1795 de Natie gerekend werd enkel uit Patriotten te bestaan . . .'; Vrijheid, gelijkheid, broederschap (1871), p. 18; 77.



3 

Cf. Jes. 59, 1.



4 

Cf. Jes. 55, 11.



5 

Cf. Joh. 4, 23.



6 

Zie Plutarchus, Leven van Marcellus cap. 19. Cf. Adviezen 1856/7 I, 282.



7 

Cf. Plutarchus, Leven van Marcellus cap. 14 e.v.; Levens vert. door Wassenbergh en Bosscha IV, 265.



8 

Cf. Ong. en rev., p. VII.



9 

Cf. Moreau, Principes I, p. XVIII; Burke, Works V, 256; Rougemont, Les individualistes, p. 4; Archives, 1e série, I (2me éd.), 48*; Ong. en rev., 2e dr., p. 20; Wat dunkt u? II, 15.



10 

Cf. 2 Tim. 2, 3.



11 

Cf. 2 Kor. 10, 4.



12 

Cf. Hebr. 12, 2.



13 

Cf. Joh. 18, 36.



14 

Geen bijbeltekst; cf. Ps. 2, 2.



15 

Cf. 2 Kor. 5, 11.



16 

Encycliek van Gregorius XVI (1844) o.d.t. Inter praecipuas machinationes; cf. Heussi, Kompendium, p. 444. Zie voor soortgelijke encyclieken van andere pausen The Catholic Encyclopedia s.v. Bible Societies. Ook Lamennais bestreed de `sociétés bibliques' heftig (Oeuvres complètes I, 631‑633).



17 

Zie b.v. het anonieme stuk in de Archives du christianisme, 2me série, XVI, 1848 (31e année), p. 42/3 over `Trois enfants protestants enlevés par Rome à leur père.' De vader was de Engelse arts J. Millingen. Zie ook n. 60 van no. 81 over het joodse kind Mortara.



18 

Tahiti.


19 

Vanaf 1797 hadden Engelse zendelingen van de London Missionary Society op Tahiti en de omliggende eilanden gewerkt. Meer dan vijfentwintig namen vindt men in Lutteroth, O‑Taïti, passim. Op 16 juli 1819 had koning Pomare II zich laten dopen; cf. Lutteroth, O‑Taïti, p. 95.



20 

Tahiti werd in sept. 1842 een Frans protectoraat; cf. Annual Register 1844, p. 254‑261; Haussonville, Histoire II, 36‑55; Guizot, Histoire parlementaire IV, 245‑275; 280‑297; 309‑317; 434‑440; 476‑487; 493‑509; Lutteroth, O‑Taïti, p. 281 e.v. Zie ook n. 68 en 69 van no. 61.



21 

Aïmata alias Pomare IV‑Wahine; cf. Nederlander no. 822 (1 maart 1853).



22 

Veel informatie over het wel en wee van Tahiti na 1843 in de rubriek `Berigten' van de Ver. Chr. St. Zie ook Nederlander no. 104, 261, 264, 304, 313 (29 oct. 1850, 5 en 8 mei, 26 juni, 7 juli 1851) en de stukken van A. de Gasparin o.d.t. Taiti in 1850 in Nederlander no. 460, 464, 466, 483 (27 dec. 1851, 2, 5 en 24 jan. 1852)Noten bij no. 66. Nadere missive der gemeenteleden.

66

1   ...   30   31   32   33   34   35   36   37   ...   78


Dovnload 7.64 Mb.