Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina35/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   31   32   33   34   35   36   37   38   ...   78
Nadere missive der gemeenteleden. 1847.1

De ondergeteekenden, ontvangen hebbende de missive van den kerkeraad, van 27 mei ll., danken allereerst voor de oplettendheid en ernst, waarmede men hun voorstel tot een onderwerp van langdurige overwegingen gemaakt heeft. Zij zouden zich bij die uitdrukking van erkentelijkheid bepaald en in het besluit der vergadering berust hebben, indien zij niet met eenige bevreemding hadden ontwaard, dat de kerkeraad van oordeel is in hun geest en naar hun wensch gehandeld te hebben.2 Men vergunne hun met dezelfde bescheidenheid, welke de goedkeuring van den kerkeraad heeft mogen erlangen3, maar tevens met christelijke openhartigheid, de gedane vraag en het gegeven antwoord te vergelijken. Zij rekenen zich verpligt, indien het al niet mogelijk mogt zijn in eene beschikking, die zij als afwijzend beschouwen, eenige verandering te brengen, althans de verantwoordelijkheid van zich af te werpen eener verijdeling van datgene waarvan zij, voor het heil der gemeente, belangrijke uitkomsten hadden verwacht.

Het doel der ondergeteekenden is geweest betere armverzorging naar ziel en ligchaam, ten gevolge der regelmatigheid van verstandhouding en gemeen overleg tusschen den kerkeraad en de zoodanigen in de gemeente welke, naar gelang van stand, gelegenheid en betrekking, tot opofferingen van verschillenden aard bereid zijn. Zij verlangden, vooreerst, de onafhankelijkheid der diaconie van het burgerlijk bestuur, die vereischt wordt, om in eene behoorlijke tucht het kenmerk van christelijke en kerkelijke liefdadigheid te behouden; zij verlangden, ten anderen, terugvoering op kerkelijken bodem van de in alle rigtingen verdeelde en versnipperde krachten, onmisbaar om, door eendragt en zamenwerking, een genoegzamen waarborg van opbeuring en instandhouding der diaconie te verkrijgen. Zij meenden dat noch het een, noch het ander mogelijk was, zonder eensgezindheid van kerkleden en kerkbestuur; zonder die vertrouwelijkheid van onderlinge mededeeling, inlichting en raad waarbij, met naauwgezetten eerbied voor de onafhankelijkheid der diaconie en onder volkomen terzijdestelling van elke bemoeijing met haar inwendige administratie, evenwel, in een tijdsgewricht dat te dezen aanzien kritiek heeten mag, de gelegenheid tot gestadige en doeltreffende wisseling van denkbeelden ter leniging van het dagelijks meer schrikbarend armwezen zou worden opengesteld. Het kwam hun voor dat zij aldus, wel verre van aan naijverig ingrijpen in de regten en pligten der diaconie bevorderlijk te zijn, de eigenaardige en alleen vruchtbare overeenstemming bedoelden, geboren uit een wederzijdsch aanhooren van elkanders gevoelen; uit een ernstig wikken en wegen van elkanders inzigten; zonder welke er geen gemeenteleven bestaat en de meest welgemeende pogingen van een kerkelijk ligchaam te zeer den schijn hebben van eigenmagtige beslissing en werktuigelijk beheer; waarmeê men, door enkel onderwerping en volgzaamheid te begeeren, te dikwerf alle medewerking onmogelijk maakt.

De ondergeteekenden vleijen zich dat deze eenvoudige verwijzing naar hun vorig adres hun bij den kerkeraad ter verontschuldiging zal strekken, wanneer het hun niet mogelijk is in het gegeven antwoord de overneming hunner denkbeelden, de bekrachtiging van hun voorstel, de inwilliging van eenig wezenlijk deel hunner aanvrage te zien. Immers de missive, hoe welwillend ook, maakt van het eene der twee voorname punten, losmaking der banden waardoor de onafhankelijkheid van het diaconaal beheer een hersenschim wordt, geen het minste gewag; de tweede hoofdzaak, het gemeen overleg, zelfs gelijk het door de ondergeteekenden in zeer enge grenzen beperkt was, wordt met den naam bestempeld van vreemden invloed waartegen men zich intijds beveiligen moet; en de weerklank welke het beginsel der adressanten in den kerkeraad ontmoet heeft4, loopt uit op de vergunning en uitnoodiging aan broeders diakenen om zich, wegens de onevenredigheid van het getal armverzorgers en armen en om de wenschelijkheid eener vermeerdering der giften, van den ijver der gemeenteleden tot armbezoek te bedienen; eene zaak waarvan de ondergeteekenden voorzeker de nuttigheid niet willen betwisten; doch waarvoor welligt geen verlof vereischt werd en waarbij men zich bepaaldelijk schijnt te willen vrijwaren tegen alle gemeenschappelijkheid van overweging en behartiging der belangen van het kerkelijk armwezen; eene gemeenschappelijkheid, zoo tusschen de bezoekers onderling als met den kerkeraad, waarin de ondergeteekenden, behoudens hoogeren zegen en onder leiding en toezigt van een waarlijk onafhankelijk geworden beheer, een vereenigingspunt voor de welgezinden in de kerk en een steunpunt voor de diaconie gezien hadden en waarop zij meenden, ter aanmoediging van werkzame en christelijke liefde, in dezen zorgvollen tijd, welligt niet ten onregte en waarschijnlijk niet tevergeefs, de aandacht van den kerkeraad gevestigd te hebben.

Zij mogen, ten slotte, in het belang der gemeente, den wensch niet geheel onderdrukken dat later aan hun voorstel een gunstiger ontvangst te beurt valle, en dat inzonderheid de kerkeraad weldra besluite liever geen subsidie van het burgerlijk bestuur aan te nemen, dan zich aan voorwaarden te blijven onderwerpen, waaromtrent men dagelijks meer overtuigd wordt, dat zij met de regten der kerk en het wezen eener Gode welbehagelijke armverzorging in tegenspraak zijn.5

------
1 

Archief van de Herv. gemeente te 's‑Gravenhage, afd. Kerkeraad (Gemeentearchief, inv.‑nr. 140), no. 112, uit 's‑Gravenhage, 17 juni 1847, eigenhandige eindredactie. Deze missive werd door 25 lidmaten ondertekend. Het eigenhandige concept in ARA, G. v. P., no. 63 sub III (De Vries no. 68). De verschillen tussen het concept en het hier afgedrukte origineel zijn onbeduidend. Cf. Briefw. II, 756/7; Kennisgeving aan den kerkeraad, p. 12/3 (Verspreide geschriften II, 87/8). Op de omslag van no. 63: `1847. Kerkeraad te 's Hage.' Met potlood toegevoegd: `Arnhem Zutphen.' Het onder no. 63 sub II voorkomende schrijven van de kerkeraad d.d. 27 mei 1847 (bij De Vries staat abusievelijk `23'), ondertekend door G. Ruitenschild (praeses) en P. Jas (scriba), was een antwoord op het adres van Groen c.s. (31 ondertekenaars) van dec. 1846. Het woord `copie' op dit stuk in no. 63 is doorgestreept. De Vries hield het kennelijk voor het originele antwoord, maar het is niet onwaarschijnlijk dat het origineel in handen gesteld en gebleven is van de eerste ondertekenaar L. R. Gevaerts. Het conceptantwoord van de kerkeraad (Gemeentearchief) is immers ook aan Gevaerts gericht. Het originele adres - in onbekende hand - van dec. 1846 bevindt zich eveneens in het Haagse gemeentearchief (no. 103 van inv.‑nr. 140). Groen heeft de tekst ook afgedrukt in Nederlander no. 1396 (11 jan. 1855), met slechts enkele stilistische veranderingen. De aanleiding daartoe vormde de `Open Brief' van de Haagse diakonie aan het gemeentebestuur d.d. 23 nov. 1854 (G.A. 1854 ag. nr. 5274), waarin meegedeeld werd, dat de diakonie voortaan geen prijs meer stelde op `het stedelijk subsidie'. Cf. Dompierre de Chaufepié, De protestantsche armverzorging, p. 332. Zie ook Nederlander no. 1395 (10 jan. 1855). Men leest t.a.p.: `Te dezer gelegenheid is ons een afschrift medegedeeld eener Missive in Februarij 1847 bij den Kerkeraad ingezonden . . . We zullen gaarne dit Opstel plaatsen; te liever omdat het meer dan locaal belang heeft.' Dat het in dec. 1846 opgestelde adres pas in febr. 1847 de kerkeraad bereikt heeft, suggereert ook de Nederlander no. 1442 (16 maart 1855), waar een zin uit deze `Missive in Februarij 1847 . . . gezonden aan den Kerkeraad' aangehaald wordt. In het Verslag van de beraadslagingen der diakonale commissie uit den breeden kerkeraad, over het adres van den heer L. R. Gevaerts c.s.' (inv.‑nr. 140, no. 110) staat echter: `Bij het collegie van diakenen onzer gemeente werd op den 16 januarij j.l. eene missive ontvangen van den heer L. R. Gevaerts, strekkende ten geleide van een adres door gemelden heer en dertig andere leden der Hervormde gemeente onderteekend, met verzoek het aan den eerwaarden kerkeraad te willen overleggen.' De Haagse gemeentearchivaris H. Bordewijk leverde een belangrijke bijdrage aan bovenstaande noot.

2 

De kerkeraad schreef: `De kerkeraad vertrouwt daarmede in de geest der geachte adressanten te hebben gehandeld, wier uitdrukkelijk verlangen het was, dat het collegie van diakenen door de instelling van bezoekers niet het allerminste in deszelfs vrijheid van beraadslagen en handelen zou belemmerd worden.'



3 

De kerkeraad: `Welverdiende hulde toebrengende aan die christelijke bescheidenheid, waardoor het geheel adres is gekenmerkt . . .'



4 

De kerkeraad: `De uitslag dier ernstige en gemoedelijke beraadslagingen is geweest, dat het beginsel waarvan de geëerde voorstellers zijn uitgegaan, allezins goedkeuring en weerklank heeft gevonden in de vergadering des kerkeraads.'



5 

Van belang zijn nog de notulen uit het kerkeraadsarchief (no.118). Zie o.a. die van 26 jan., 6 en 27 mei, 5 aug. 1847.


67 Consistoire du 19 avril 1847. 1847.1

Indulgence.2 Différence d'opinions. Avec franchise3; quelque expression pourroit échapper.

Notre église4 pour soi. En effet; mais l'église est une; partout (nos pères le savoient: unité des églises réformées); dans ce pays. Quand un point de la patrie commune est attaqué, il ne suffit pas de dire: je me défendrai, quand l'ennemi sera à la porte. Esprit de famille, patriotisme de clocher; provincialisme5; mais pas de cette manière. C'est l'anéantissement de l'état, c'est la destruction de l'église.

Disputes théologiques.6 Il s'agit ici des grandes vérités de l'évangile. Chaque chrétien est en état d'en juger; a le droit et le devoir d'en juger. Autrement nouvelle espèce de papisme; et nous anéantissons les promesses de l'évangile.

Ignorance.7 Pas au fait. Des faits publics, avérés, avoués, de notoriété publique; des faits qui forment le canevas de notre histoire ecclésiastique. Quand on dit: je ne le sais pas, je ne le crois pas, c'est comme si vous ne pouviez croire qu'en 1829 les Belges aient fait une révolution, ou qu'en 1840 les finances étoient tellement délabrées. Etes vous étranger à Jérusalem?8 Etes vous docteur en Israël?9

Opportunité; résultats. Il s'agit de devoir: `fais ce que dois'.10 Cela ne fera pas de mal. Au contraire. Si l'Eglise Wallonne s'étoit prononcée, vous auriez une tout autre position. Peu de soutien quand il n'y a d'énergie que pour une question d'argent.11

Examinons la question12. Quel en est le sens et la portée?

a. sens. La doctrine, c.à.d. de l'Eglise Réformée, consignée et constatée dans ses livres symboliques.

b. but. Afin que cette doctrine soit maintenue; afin qu'on puisse arriver aux moyens de s'opposer aux erreurs.

c. motif. Sans cela plus de règle pour la prédication et l'enseignement; plus de garantie pour les communautés. Tot13 capita, tot sensus. Egalité de droits pour l'erreur et la vérité. Pas une église, mais le chaos.

Le synode n'a pas la moindre compétence pour changer; mais il est tenu de maintenir.

Tout cela, a‑t‑on dit, est clair. La doctrine de l'église, la doctrine ancienne, dans laquelle nous avons été élevés: l'expiation, la divinité du Christ. Précisément parce que c'est si clair, la demande est, dans les circonstances actuelles, une absurdité. Cette vérité si claire a été niée, ce devoir si incontestable a été méconnu. Des déviations nombreuses. Une règle pour autoriser toutes les déviations. Enfin dans la pratique (à l'aide de cette théorie du quatenus14) de plus en plus. Tout est nié: des doctrines vitales un sujet de moquerie. Suprématie de la raison individuelle.15 Les académies; les chaires. L'église un pandaemonium.16

Et le synode? Ne fait rien; refuse de se prononcer. Se dit incompétent; plus tard se sert d'expressions à double entente. Het wezen en de h[oofdzaak17]; refuse de s'expliquer catégoriquement; admet les représentants des fausses doctrines; les honore; traite ceux qui s'opposent à l'erreur, de fanatiques; invoque le secours de la police et des tribunaux, pour sévir contre ceux qui, ne voulant plus entendre combattre la doctrine de l'église dans les églises, se réunissent pour l'édification comm[une] dans des maisons particulières et des granges.18

Le synode maintient la forme et abandonne le fonds. Ou bien le synode n'entend pas par doctrine la doctrine de l'Eglise Réformée; ou il ne la considère pas comme obligatoire; ou il manque sciemment à ses devoirs, en ne faisant rien pour la maintenir, en faisant beaucoup pour la combattre.

a. Alors la question n'a pas de sens. Une question inintelligible. S'il y a une autre d[octrine] il faut la préciser. Vous ne savez pas ce qu'on vous demande et le synode ne sait pas ce qu'on lui répond. Obéissez vous à la loi? Mais quelle est la loi?

b. et c. Elle est sans but. Que diroit‑on d'un gouverneur qui, après s'être révolté contre le souverain, viendroit annuellement demander: êtes vous fidèles au roi?


Comédie et responsabilité (Je maintiens19 le mot de comédie). On se joue de nous; nous sommes dupes ou complices. Pas se prêter plus longtemps à ce jeu. Il ne s'agit pas de prendre fait et cause pour la vérité. Il s'agit de ne pas coopérer, autant qu'il est en vous, d'une manière active et directe, à un désordre recouvert sous les apparences trompeuses d'ordre et d'unité.

Motion20 très‑utile. Il est temps que nous réfléchissions. Des persécutions religieuses. Emigration en Amérique.21 Entraves au libre cours de la prédication et de l'enseignement évangélique, démoralisation du peuple; jugements de l'état.22

Examinons nos devoirs. Si la motion passe, il ne faut pas en rester là. Si la motion ne passe point, elle aura été très utile, si elle nous porte à nous concerter sur ce qu'il y a à faire; et à discuter les questions dans un esprit de foi et de charité.

--------
Noten bij no. 67. Consistoire du 19 avril 1847.


1 

ARA, G.v.P., no. 62, eigenhandig ontwerp. Cf. Briefw. II, 786, 1. De vier ongenummerde velletjes zijn verkeerd gebonden. Juiste volgorde: 1, 4, 2, 3 (blanco). Blijkens de `Actes du consistoire' van de Waalse kerk te 's Gravenhage was op 12 april 1847 door Secrétan het volgende voorstel gedaan (`revenant à l'idée, qu'il avait déjà émise dans la séance du 6 juin 1842, § 3'): `que le consistoire demande au synode de vouloir expliquer ce qu'il entend par la doctrine dont il est fait mention dans la première question.' Vanwege het belang der zaak werd `une séance ad hoc' belegd op 19 april 1847. Secrétan werd verzocht zijn voorstel aan de op 12 april afwezige leden te doen toekomen. Het doel van de kerkeraadsvergadering van 19 april werd op de convocatie vermeld. Groen was op beide vergaderingen (en die van 9 mei 1847) als ouderling aanwezig. Uit de `Actes du consistoire' van 6 juni 1842 blijkt, dat er twee circulaires (no. 88 en 89) van de Waalse commissie besproken werden. No. 88 handelde sub 1 over de kerkvisitatie. De voorzitter (Dompierre de Chaufepié) deelde daaromtrent mee, dat hij de drie colleges waaruit de kerkeraad bestond, had uitgenodigd apart te vergaderen' dans le but de délibérer sur les questions proposées, et de nommer de leur sein les membres qui doivent former le comité de censure, ajoutant que la chose avait eu lieu, mais que le comité ne s'était pas trouvé jusqu'ici dans la possibilité de se réunir. Cependant comme les délibérations des trois collèges n'ont amené aucune observation, mr. le modérateur propose de passer outre pour cette fois, et de répondre affirmativement à toutes les questions proposées, le terme dans lequel cette réponse est demandée, se trouvant près d'expirer. La c[ompagn]ie étant consultée sur ce point, mr. Secrétan donne à connaitre, que sans vouloir entraver en rien les délibérations de l'assemblée, non plus que la marche de cette affaire, il se voit néanmoins dans la nécessité, pour motif de conscience, de proposer, que le vén[érable] consistoire, attendu que le terme dans lequel la réponse à ces questions est exigée est sur le point d'expirer, y réponde affirmativement, et dans la forme accoutumée, mais que le vén[érable] consistoire déclare en même temps, qu'il a trouvé et qu'il continue à trouver quelque difficulté à répondre à la première de ces questions, aussi longtemps que le synode général n'a pas expliqué ce qu'il entend par l'esprit des confessions de foi reçues dans l'Eglise Réformée. Cette motion donna lieu à de graves et intéressantes délibérations de la part de l'assemblée. Enfin mr. Secrétan, pasteur, ayant donné à connaitre qu'il n'insisterait pas davantage sur cette motion, pourvu qu'il fut dispensé de signer les réponses à faire, la c[ompagn]ie en acquiesçant à cette demande, décide, qu'elle répondra encore dans la forme ordinaire'. Het verslag van de beraadslaging in de kerkeraadsvergadering van 19 april 1847 (voorgezeten door ds. J. D. Revel) over het hernieuwde voorstel van Secrétan is nogal lakoniek. Groen bracht er blijkbaar zijn in bovenstaande notitie samengevatte advies uit. In de `Actes' leest men sub § 2: `Proposition écartée. Après mûre délibération, la proposition mentionnée dans le § 4 des actes de la séance précédente a été écartée.' In de eerstvolgende zitting werd de zaak dan ook kort afgedaan. In de `Actes' van 9 mei 1847 leest men sub § 3: `Visite des églises. Les questions sont résolues affirmativement sur le préavis du comité de censure et signées par la compagnie.' Deze noot steunt op het door Gerretson verrichte archiefonderzoek.

2 

Captatio benevolentiae, geen pleidooi voor algemene godsdienstige verdraagzaamheid. Vergelijk de aanhef van no. 80: `Ecoutez moi avec beaucoup d'indulgence.' Cf. Archives, 1e série, I, p. XIII.



3 

Sc. wil ik spreken.



4 

De Waalse kerk(en).



5 

Versta: zijn in principe goede zaken, maar . . .



6 

Kennelijk was in de kerkeraad betoogd, dat men zich niet moest inlaten met de theologische twisten tussen de synode van de Nederlandse Hervormde kerk en de strijders voor kerkherstel.



7 

Aangevoerd als argument om zich te onthouden van deelname aan `de goede strijd des geloofs'.



8 

Cf. Luc. 24, 18.



9 

Cf. Jean 3, 10.



10 

Cf. Huizinga, Woorden, p. 109 s.v.; Adviezen 1856/7 II, 198; Parlementaire studien I, 17, 24; II, 199; III, 103; Wat dunkt u?, II, 27; Zelfstandigheid herwonnen I, 30; Briefw. IV, 95; 105; Staël, De l'Allemagne (sec. éd.) III, 196.



11 

Toespeling op de Waalse adressen in 1843 die vooral gericht waren tegen de dreigende opheffing van veel predikantsplaatsen. Zie no. 59.



12 

Cf. art. 20 van het Reglement op de kerkvisitatie: `Bij de Waalsche kerken zal het kerkelijk onderzoek steeds schriftelijk geschieden, en het rapport des aangaande van wege de Commissie tot derzelver huishoudelijke zaken, op gelijke wijze als bij art. 3 en 19 voor de Nederduitsche gemeenten bepaald is, aan de Synode en het Departement voor de Zaken der Hervormde kerk worden toegezonden' (Hooijer, Kerkelijke wetten, p. 92). Zie voor de gebruikelijke vragen over `leer, belijdenis en wandel' art. 12 (p. 90); cf. Kuyper, Kerkvisitatie, p. 57.



13 

Gebruikelijker is Quot. Cf. Büchmann, Geflügelte Worte, p. 529.



14 

Zeer vaak bij Groen en zijn correspondenten (al dan niet vergezeld van het pendant quia). Zie b.v. Beschouwingen, p. 190; Adres2, p. 18; Ong. en rev., p. 248; Het Nederlandsche zendelinggenootschap, p. 84; Brieven van Da Costa I, 73; 77; 82; 84; 282; Brieven van Wormser II, 123. Zie ook n. 33 van no. 35.



15 

Het summum van subjectivisme; cf. Zwaan, G.v.P., p. 115; 187 n. 83; Ned. Ged. III, 93b; Verspreide geschriften II, 297; Ned. Ged., 2e serie, V, 308; 350.



16 

Cf. Parlementaire studien II, 41 over `de (in een pandaemonium hervormde) gereformeerde kerk' Bijdrage voor kerkgemeentelijk overleg, p. 56; 147: `Laat in de vrijheid van ongodisterij‑predikatie worden berust, dan is er geen christelijke kerk meer; dan is er een pandaemonium . . .'



17 

Cf. Adres2, p. 8; Aan de Hervormde gemeente, p. 39; Nauta, De verbindende kracht, p. 22; Rutgers van der Loeff, Antwoord, p. 37.



18 

Zie n. 11 van no. 50.



19 

Kennelijk was tegen het woord `comédie' bezwaar gemaakt in de vorige kerkeraadsvergadering.



20 

Van Secrétan. Zie n. 1.



21 

Cf. Brieven van Da Costa I, 256, 2; Adviezen 1856/7 II, 24.



22 

Versta: (Gods) oordelen over de (Nederlandse) staat; cf. Willem de Clercq in zijn adres aan de synode van 1842: `Hoort hoe men bij Volksrampen niet meer Gods oordeelen erkent . . .' (bij Te Lintum, Willem de Clercq, p. 216).


68 Aan graaf Schimmelpenninck. 1848.1

De voortzetting van mijn plotseling afgebroken opstel, waartoe ik thans weder in de gelegenheid ben, acht ik in de gegeven omstandigheden niet overtollig. Bij de Tweede Kamer, indien haar uitspraak beantwoordt aan het Centraal rapport2, is het pleit gewonnen. Behoorlijke vrijheid van bijzonder onderwijs en in het openbaar schoolwezen eerbiediging van de godsdienstbegrippen der gezindheden, als beginsel, op den voorgrond, ziedaar wat ik in de grondwet opgenomen wensch. De wijs waarop deze eerbiediging der begrippen plaats zal kunnen hebben, is een onderwerp van later overleg en, zoo wij gewaarborgd zijn tegen de voortduring of vernieuwing van een willekeurig beheer ben ik althans mijzelven bewust geen verflaauwing te begeeren `van die aanhoudende zorg voor het onderwijs in zijn geheelen omvang, welke bij A. 224 der bestaande Grondwet aan de Regering als een dure pligt is opgelegd'.3

Evenwel wij zijn nog niet aan het einde van den strijd. Als de Tweede Kamer beslist heeft, gaan wij de beraadslaging ook der Eerste, ook der Dubbele Kamer tegemoet. Na de afkondiging van het beginsel mogen wij omtrent de rigtige toepassing in de gewone wet niet zorgeloos, niet onbezorgd zijn. Doch er is meer. Om den aard der overwinning heb ik bovendien behoefte aan een ander soort van triumf. De meerderheid der Tweede Kamer heeft gemeend te kunnen toegeven, dat het beginsel der vrijheid van onderwijs in de grondwet geschreven wierd, en al is die toegeeflijkheid mij welkom, al ben ik voor onverzettelijkheid in de verdere instantiën niet uitermate bevreesd, ik strek mijne wenschen nog verder uit. Ik verlang den triumf der goede zaak, niet uit dwang, maar uit overtuiging. Het is bij het gadeslaan der wijs waarop men tot de inwilliging van onzen eisch ternaauwernood wordt overgehaald, alsof de wijsheid genoodzaakt was te wijken voor het geweld, alsof om den vereenigden aandrang van losbandigheid en dweepzucht, aan de eensgezindheid4 een gevaarlijk offer gebragt wierd; alsof ten gevolge der overdrevenheid der protestantschen5 en roomschen en radicalen, een onwaardeerbaar kleinood aan het lieve vaderland ontviel. Komt deze beschouwing met de waarheid overeen, dan is het moeijelijk te bevroeden hoe de verantwoordelijkheid dergenen aan wie de bewaring van het dierbare pand toevertrouwd werd6, bij de overgaaf op dergelijke gronden, gedekt is.

1   ...   31   32   33   34   35   36   37   38   ...   78

  • Consistoire du 19 avril 1847.
  • Aan graaf Schimmelpenninck.

  • Dovnload 7.64 Mb.