Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina36/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   32   33   34   35   36   37   38   39   ...   78

Wat mij betreft, bij het lezen van zoodanige consideranten, bij het vernemen dat, door vele landgenooten die ik hoogacht, de erkenning der zoolang miskende vrijheid van bijzonder onderwijs, bij voortduring als een betreurenswaardig gevolg van de tegenwoordige spanning beschouwd wordt, voel ik mij te meer opgewekt om te doen uitkomen dat de wijziging der grondwet, gelijk ik ze begeer, voor alle gezindheden als een onmisbaar regt moet worden verlangd; dat zij aan de protestanten, indien het hun om belijdenis en verkondiging van het evangelie te doen is, waarborgen tegen Rome teruggeeft en dat er geen grooter onheil kan wezen voor den staat, dan die suprematie over het onderwijs en de opvoeding der natie welke door de revolutiebegrippen, met voorbijzage van het regt der gezindheden en der ouders, aan de zich afwisselende besturen toegekend wordt. De vrijheid van onderwijs, gelijk ze mij voor het ware heil van Nederland onontbeerlijk voorkomt, wensch ik niet op een voorbijgaande toegeeflijkheid, op veranderlijke omstandigheden en inzigten, maar op het onveranderbaar gezag van echte beginselen van het staatsregt gevestigd te zien. Hiertoe mede te werken is mijne bedoeling en ik geloof dat de verdere beschouwing van mijn onderwerp mij tot het beproeven ervan telkens aanleiding geeft.

Maar wie heeft thans tot het dieper intreden van eenig onderwerp de tijd! Wie heeft, in lezen of in schrijven, een oogenblik te zijner beschikking voor hetgeen niet onmiddellijk met de beraadslaging van het oogenblik in verband is! Hoe zou het doenlijk zijn op eenig punt de aandacht gevestigd te houden, terwijl men, bijkans onophoudelijk, door het rumoer der discussiën in vergaderingen en dagbladen gestoord wordt! Moeijelijk voorzeker is het; maar zoo wij een doeltreffend overwegen der landsaangelegenheden verlangen, wordt het evenwel vereischt. De dagen der rust zijn geenszins nabij en meer dan ooit is het noodig zich, te midden der tegenwoordige en aanstaande afleidingen en schokken, aan die onaandoenlijkheid te gewennen, welke men voor het koers houden onder storm en onweersvlagen behoeft. Ook acht ik, dat, uit een hooger oogpunt, eene zaak wier behandeling tot de algemeene grondslagen van elk staatsbeheer terug leidt, zoolang men in de verloochening dezer grondslagen volhardt, altijd aan de orde van den dag is. Altijd is het oorbaar te wijzen op een uit het oog verloren kompas. Alleen door het staren op de beginselen die men stelselmatig voorbijziet en anders door geenerlei grondwetherziening, zal Nederland tegen die soort van vrijheid, van burger‑ en broederzin, worden beveiligd, waarvan het rampzalige Frankrijk, sedert zes maanden, het volle genot heeft.

Ik ben gekomen aan het vierde punt7 van mijn betoog: de aanwijzing dat de gevaarlijkheid van het beginsel der wet van 18068, om meer dan ééne reden, inzonderheid door u behoorde te worden erkend. Bij het spreken over hetgeen u persoonlijk betreft, vrees ik niet in eenige personeliteit, naar den gebruikelijken, ongunstigen zin van dit woord, te vervallen; ik heb er een afkeer van, en weet niet hoe zij, ten uwen opzigte, te pas komen zou. Desniettemin roep ik eene dubbele mate van toegeeflijkheid in, omdat ik, ter bestrijding van sommige uwer inzigten, welligt eene dubbele mate van vrijmoedigheid behoef. Doch ik zwijg ervan; want ik weet dat men u niet rekenen mag onder hen door wie het kenmerk der bescheidenheid in een gedeeltelijk ontveinzen of flaauwhartig verdedigen van hetgeen iemand voor waar en nuttig houdt, gezocht wordt.

Waarom heb ik vooral op uwe medewerking regt? Mijn eerste grond is: omdat gij navolging van Groot‑Brittannië verlangt, en omdat het beginsel van het schoolwezen hier te lande met de beginselen der Britsche staatsregeling onvereenigbaar is. Doch ziehier het bezwaar. Beiden willen wij in Engeland ter school gaan; maar wij verschillen ten aanzien van hetgeen Engeland leert. Vooringenomenheid met de Britsche staatsregeling hebben wij gemeen; maar gij hebt eene geheel andere staatsregeling in het oog dan die welke door mij bedoeld wordt. Eene volledige uiteenzetting van de oorsprong en vorming der Engelsche constitutie zou hier te pas komen; geen vlugschrift, een foliant. Doch ik vlei mij door het constateren van de hoofdtrekken onzer uiteenloopende beschouwing, bij u het vermoeden te kunnen doen oprijzen eener misvatting waardoor, opdat ik niets meer zegge, het nut uwer verwijzing naar Groot‑Brittannië verloren zou gaan.9

Met de meeste beknoptheid wensch ik aan te wijzen: Eerst, dat de staatsregeling door u voor Nederland begeerd, eene overneming is van Engelsche vormen waarachter zich, tegen uw wil en bedoeling, de toepassing der revolutieleer verbergt; daarna dat het kenmerk en de voortreffelijkheid der Engelsche staatsregeling ligt in een beginsel hetwelk met uwe politieke denkwijs niet overeenkomt; en, eindelijk, dat het door mij aangewezen beginsel ons tegen elk soortgelijk schoolwezen als waarop menigeen in Nederland roem draagt, een volledigen waarborg opleveren zou.

Als het programma van uw ministerie werd eene staatsregeling beloofd, `gegrondvest op de beginselen der Britsche constitutie, naar de behoeften van onzen landaard en van den tegenwoordigen tijd gewijzigd'.10 Het naleven van de beginselen der Britsche staatsregeling, indien het mogelijk geweest ware, zou mij zeer welgevallig zijn geweest. Deze beginselen toch zijn, naar mijne overtuiging, aan de beginselen van ons eigen volksleven gelijk; de historische grondslagen van Engeland zijn ook aan Nederland, wanneer wij de hoofdlijnen onzer nationale ontwikkeling in het oog houden, niet vreemd; ook wij hebben na 1795 de berisping verdiend welke door een vermaarden staatsman tegen de Franschen gerigt werd: van namelijk niet ingezien te hebben dat de ware navolging van Groot‑Brittannië in het opspooren en gebruiken van eigen schatten had moeten bestaan. `You had the elements of a constitution very nearly as good as could be wished.'11 Zoo er sedert vijftig jaren in onze staatsregelingen geen bestendigheid was, het is omdat men in de lucht verkoos te bouwen; niet omdat het aan bodem of bouwstoffen ontbrak. Maar, ik moet erkennen, van den beginne af, was ik omtrent den zin uwer bewoordingen in geenen deele gerust. Ik begreep dat uwe verklaring de beteekenis die ik er gaarne in gelegd zou hebben, niet had. Ik begreep dat wij met eene Britsche staatsregeling werden bedreigd, gelijk zij, door de Fransche wijsgeeren der vorige eeuw, naar de voorschriften en behoeften hunner eigen theoriën werd geïdealizeerd; de Britsche staatsregeling van Montesquieu, van Necker, in 1789 verongelukt om in 1814, onder de vormen van het constitutionele staatsregt eener dusgenaamde getemperde monarchie, te herrijzen. Ik begreep dat wij eene grondwet zouden ontvangen, in de hoofdzaak gelijk aan de menigvuldige charters, waarin, na den val van Napoleon, de liberale bedachtzaamheid een onderpand tegen overdrijving, eene zamensmelting van oud en nieuw, een bevestigen van vrijheid en orde, een band van regering en volk, een plegtanker voor het heil der natiën gezocht, en - niet gevonden, en van dit alles het tegendeel gevonden en bewerkt heeft. Ik begreep, dat het na velerlei mislukte proefnemingen, al weder om het nabootsen van Engelsche vormen, met toepassing der algemeen geliefkoosde beginselen, te doen was.



Ook uwe ingenomenheid met hetgeen men gewoon is milde en vrijzinnige begrippen te noemen was te zeer bekend dan dat eene andere opvatting uwer woorden mogelijk zou geweest zijn. Deze opvatting is weldra ten volle gestaafd. Wat is het dat door u aan koning12 en volk aangeboden werd? Regtstreeksche verkiezingen en een verantwoordelijk ministerie; en tevens ontbindbaarheid der Tweede Kamer, een krachtig praerogatief der kroon, en vooral eene Eerste Kamer, door haar zamenstelling berekend om, bij de altijd gevaarlijke verhouding van vorst en bevolking, overwigt en botsing te beletten. Het is een volledig zamenstel der waarborgen en behoedmiddelen die het constitutionele staatsregt aan de hand geeft; maar die volledigheid is geen rijkdom; want, ook waar dit alles verkregen mogt zijn, zal men niet anders bezitten dan de gewone omtrekken, het kader waarin zich het constitutionalisme beweegt; en waardoor men, zoolang deze omtrekken met geene tegenovergestelde begrippen in verband worden gebragt, niet het wezen der Britsche staatsregeling, maar een bedriegelijk schaduwbeeld verkrijgt.

Of zijn welligt die andere beginselen door u op den voorgrond gesteld? Immers neen. Het zou onmogelijk geweest zijn; omdat het streed, niet enkel, zooals door u gereedelijk zal worden erkend, tegen uwe overtuiging, maar ook tegen het doel, waarmeê Z.M. aan u, den vrijzinnigen staatsman, de leiding van het algemeen bestuur opgedragen had, daar gij zelf aan de constitutionele theorie gehecht zijt. De geheele rigting der gebeurtenissen in maart was de volkomen zegepraal eener staatsleer, waarbij, in het laatste ressort, de beslissing aan het oppermagtige volk toegekend en aan degenen die in naam van het volk spreekt, het organiseren en constitueren van den staat, naar eigen welmeenen en believen, vergund wordt. Afkeerig van dergelijke leer zoudt gij om het voorzitterschap van het ministerie te kunnen aannemen, aan u zelven en aan uwe ambtgenooten de stellige verwerping daarvan ten voorschrift hebben gesteld; maar men zou met reden u onder het oog gebragt hebben dat gij aan het hoofd van het bewind waart, dewijl men, ter verwezenlijking van deze leer, op uwe krachtige medewerking rekening gemaakt had. Dan zouden, al ware de koning tot uwe veranderde zienswijs overgehaald, uwe ambtgenooten u geen enkel oogenblik terzijde hebben gestaan. Ik neem ten voorbeelde Luzac en Donker Curtius. Ik begeer niets af te dingen van hunne bekwaamheden of verdienstelijkheid; maar beiden zijn aan iedereen die de verscheidenheid der politieke meeningen eenigermate gadegeslagen heeft sedert lang bekend als de representanten bij uitnemendheid der gevoelens die men nog onlangs, nagenoeg eenstemmig, gewoon was buitensporig en ultraliberaal te noemen; de een heeft deze begrippen in de Tweede Kamer voorgestaan met zeldzame volharding; de ander is, te dier zake, niet slechts belijder, maar lijder geweest; zoodat hij jaren achtereen in de politieke wereld, althans in le pays‑légal onbruikbaar geacht werd en er niets minder dan eene soort van radicale omwenteling vereischt werd om hem van de balie, waarvan hij een sieraad geweest is, gelijk wij heden ten dage zien, aan het hoofd der regering over te brengen.



Maar, zegt gij, het is spoedig gebleken dat er tusschen hen en mij onvereenigbaarheid van gevoelens bestond. Voorzeker; doch ik beweer dat er geen tegenstrijdigheid van kleursels, dat er enkel verscheidenheid van schakeeringen was. Ik geloof wanneer ik uw rapport aan Z.M. lees dat uw voorstel, ware ik gedwongen geweest te kiezen, in menig opzigt bij mij de voorkeur zou hebben verdiend.13 Evenwel veroorloof mij erbij te voegen dat uwe wederpartij op het gegeven standpunt gelijk had. In 't algemeen, omdat bij overeenstemming met u in de premissen, zij tegen u sterk waren door de juistheid der gevolgtrekking. Meer bepaaldelijk tijdens uw verschil; want, om de algemeene opgewondenheid en vooral om de wijs waarop de regering haar, eerst door alles vast te houden, daarna door alles los te laten, bewerkt had, was het zegevieren uwer meening ondenkbaar. Tevergeefs begeert men een dam te leggen, als de overstrooming daar is. Het verschil tusschen u en hen was volkomen aan dat tusschen Necker14 en de zijnen tegenover Barnave15 en de andere voorstanders der constitutie van 1791 gelijk; en bij de achting die ik voor de talenten en bedoelingen der eerstgenoemden heb, zal het niet onbescheiden worden gerekend, wanneer ik de zeer juiste aanmerking van Mignet op uwe inzigten toepasselijk maak: `Ce que les chefs de ce parti ne voyaient pas, c'était le peu d'à‑propos de leurs idées dans un moment de passions exclusives. La lutte était commencée, la lutte qui devait faire triompher un système, et non amener un arrangement.'16

Daarom, zoodra ik uwe verklaring omtrent de Britsche staatsregeling17 vernam, was ik overtuigd dat wij slechts voor zeer weinig tijds het genoegen zouden hebben u in ons midden te zien. Ik moet er bijvoegen dat, zoo uwe meening voor een oogenblik gezegevierd had, deze achterwaartsche beweging de veerkracht dergenen die vooruit wilden zou hebben verhoogd. De omslagtigheid der Engelsche vormen wordt, waar men zich in den aanvang eener nieuwe ontwikkeling van de revolutieleer bevindt, [voor]18 eene meer zuivere toepassing terzijde gesteld. Ook is die terzijdestelling niet zeer betreurenswaard; want deze vormen, aan de liberale theoriën ondergeschikt, zijn met al den overvloed van instellingen en waarborgen en beloften, slechts een omkleedsel van reactionaire willekeur en dwang. Waarlijk, wanneer wij de jaarboeken der tijden die ook wij beleefd hebben, opslaan, hebben wij in de ervaring geen buitengemeenen grond om in de overneming van Britsche benamingen en uitwendigheden te berusten. De wijzigingen der Britsche constitutie, naar tijd en landaard, in Franschen, Duitschen, Spaanschen, Italiaanschen, Portugeschen, Zuidamerikaanschen, en ook in Nederlandschen zin, hebben den staat niet op zoodanige wijs gefatsoeneerd dat wij met eenig verlangen naar het herhalen van de kunstbewerking uitzien. De anglomanie van 1815 is de voorbereiding geweest van het radicalisme van 1848. Doch hoe dit zij; één ding, dat ik voor mijn redebeleid noodig heb, is buiten kijf: namelijk dat men, door het overbrengen van den vorm, het wezen niet heeft, en dat gelijkvormigheid der instellingen geen bewijs geeft der naleving van het beginsel waarop in Engeland het staatsgebouw rust. De gansche toestel der vormen kan gezien worden ook in een revolutionair gemeenebest. De regeling der staatsmagten kan geheel naar de door u ontworpen afteekening plaatshebben, en desniettemin zoo wij aan het staatsregt, waaraan ook door u hulde betoond wordt, getrouw zijn, zullen wij bij voortduring gebukt gaan onder het centralizerend alvermogen, hetwelk van dergelijke theoriën, onder elken staatsvorm onafscheidelijk is. Desniettemin zullen wij vruchteloos uitzien naar de verbreking der revolutionaire autocratie, van opperhoofd of parlementair bewind. Desniettemin zullen wij geenerlei steun hebben noch in den eerbied voor verkregene regten, noch in de ondergeschiktheid van den wetgever aan hooger beginsel en aan den historischen toestand der maatschappij. Er zal geen ontwikkeling meer kunnen zijn van echte vrijheid, van burgerzin, van het organiek leven der natie, onder bescherming van een gezag, in eigen werkkring oppermagtig en tevens zoowel door regt en billijkheid in 't algemeen als door de regten van stenden, corporatiën en bijzondere personen, getemperd en beperkt. Zoo de overneming van hoog geprezene vormen, met de opvolging van beginselen gelijk staat, dan, o ja! dan moet ik bekennen dat de Britsche staatsregeling den geheelen nasleep van verdrukking en onheil in haar gevolg heeft, welke door de constitutiën ontworpen volgens haar model, aan de natiën ten deel is gevallen; en dan is het u vergund ons op Engeland te wijzen, en tevens, met betrekking tot het schoolwezen, ook voor de behoeften van 1848, een lofredenaar te zijn der wetgeving van 1806.

Van zooveel gewigt is het, ook met betrekking tot het onderwerp van mijn opstel, te toonen dat het kenmerk en de voortreffelijkheid der Engelsche constitutie dieper ligt dan in de vormen, dat het gelegen is in een beginsel. Maar daarom juist voel ik mij, in het belang der vrijheid van onderwijs gedreven tot het beginsel, hetwelk èn met uwe politieke denkwijze in 't algemeen èn met uwe beschouwing van het systeem van onderwijs in strijd is.



Ik weet dat mijne tegenpartij, door aantal en vermaardheid ontzagwekkend is. Ik heb tegen mij de gansche revolutionaire school, welke in Frankrijk haar zetel en in geheel Europa een bijkans onweerstaanbaren invloed gehad heeft. Volgens haar is Engeland een staat waar de volkswil in de meest doeltreffende vormen de wet geeft; vermits aldaar een kunstig zamenstel en evenwigt der magten ingevoerd is: een koning met de uitvoering der wetten en het bestuur der openbare aangelegenheden, behoudens ministeriële verantwoordelijkheid, belast; een Lagerhuis ter vertegenwoordiging van de geheele volksmassa geroepen, en eene erfelijke aristocratie, welke, door zelve het evenwigt te houden, tegen het overwigt, zoowel van de kroon als van het democratisch beginsel behoedt. Aldus zou de staatsregeling de toepassing geweest zijn der theorie welke door de wijsgeeren, als het hoogste goed der menschheid aangeprezen werd.19 Wat kon hun meer te pas komen dan een proefondervindelijk bewijs ten hunnen voordeele in het staatsregt van een land hetwelk om vrijheid, om welvaart, om nationale veerkracht geroemd werd. Zoo kwam in de reeks hunner geschriften eene Britsche constitutie te voorschijn, die nergens dan in hunne verbeelding bestaan heeft. Er was geenerlei gelijkenis in het portret; maar, van de onfeilbaarheid der schilders overtuigd, begreep men dat de eigenaardigheid der trekken door tijdsverloop en verkeerdheid was verloren gegaan, en al wat met de regelmatigheid der theoretische afteekening niet overeenkwam, werd onder de rubriek der buitensporigheden en misbruiken geteld. Met het indringen der wijsgeerige stelsels won deze meening ook in Engeland veld. Zooals het voorheen, toen men met het doordrijven van de suprematie der Staten ijverig aan het werk was, onzen vaderen ligt viel die suprematie te aanschouwen in tijden waarin aan geen politieke magt en zelfs nog aan geen aanzijn van een ligchaam der Staten gedacht werd; of gelijk men later, in 1781 en daarna, het grondwettig herstel van Nederland zocht in de verwezenlijking van begrippen die men in Nederland nooit tevoren gekend had; evenzoo werd in Engeland menigeen van de revolutionaire geest en strekking der aloude instellingen overtuigd. En, als ik van menigeen gewag maak, heb ik niet enkel onkundigen, heb ik een aantal van uitstekende staatslieden in het oog. Het valt niet te ontkennen dat de revolutionaire zienswijs ook in Engeland algemeen is; dat ook aldaar, sedert een reeks van jaren, evenzeer als op het vasteland, in den grond der zaak, enkel een tegenstelling van voortgaan of stationair‑zijn, van conservatieven en radicalen gezien wordt, welke van een gemeenschappelijk aannemen der liberale leerstellingen uitgaat, en waarbij men, in het wijzigen der constitutie de veronderstelling ten rigtsnoer aangenomen heeft, dat zij, in vele opzigten, met de hedendaagsche wijsheid overeenkomt, en, voor zoover zij er van afwijkt, daarmede in overeenstemming behoort te worden gebragt.

Maar drijf ik welligt, in de onbesuisde vaart der redenering, mijne vrijmoedigheid zoo ver dat ik het verwijt van overmoed verdien? Het moge thans vergund zijn, terwijl men de buitengemeene gaven van Montesquieu en anderen gereedelijk erkent, met bescheidenheid het buitengemeene hunner oppervlakkigheid, het waarlijk zonderlinge en bijkans onverklaarbare hunner misvattingen te doen opmerken; het gaat immers te ver in het getuigenis der meest vermaarde staatslieden omtrent den aard der staatsregeling van hun eigen land niet te berusten! misschien wel aan een lord Grey, omdat hij de parlementshervorming bewerkt heeft, te verwijten dat hij zijn leven aan de ondermijning van het staatsgebouw gewijd heeft! misschien zelfs ten aanzien van sommige maatregelen waartoe een Wellington en Peel, door den drang der omstandigheden overgehaald zijn, in twijfel te trekken of hetgeen volgens hen noodig was, ter onderschraging van den staat, met den eisch van een wezenlijk behoud vereenigbaar kan worden gekeurd!



Ik treed met niemand in het twistperk over al wat mijne persoonlijke onbevoegdheid betreft; en toch ben ik voor deze soort van teregtwijzing in geenen deele vervaard: niet, ik herhaal het, dewijl ik uit aanmerking van eigen kracht onvertsaagd ben; maar dewijl ik, ter beslissing van het gewigtige pleit, regters in het midden breng welke men niet, om onbevoegdheid, afwijzen zal; dewijl ik op Engelschen bodem, tegenover die krachtige helden, dezerzijds nog veel krachtiger bondgenooten heb. Ik steun op het oordeel van hen die geen gevaar liepen door den algemeen geworden en reeds zegevierenden invloed van wanbegrippen, in hun eigen midden, te worden bedwelmd; die, als ware 't, met zelfbewustheid getuigenis konden afleggen van hetgeen de Britsche staatsregeling, in haar karakteristieke hoofdtrekken geweest is, omdat deze staatsregeling zich in hen, met haar tweederlei rigting van Torys en Whigs, van een ontwikkelend behouden, van een waarlijk conserverend vooruitgaan, tegenover de opkomende revolutionaire school, gepersonifieerd had. Ik beroep mij onder de velen die op het historisch terrein pal hebben gestaan, op het onvergelijkbare20 tweetal, die als lichten der politieke wijsheid, ook voor de nakomelingschap met onverdoofbaren luister hebben geschitterd, en in wier zamenwerking het is gebleken wat de diepzinnigheid der wetenschap met de veerkracht der praktijk vereenigd, aan het hoofd eener wereldmogendheid, tot heil der natiën vermag. Ik spreek van hen die ik naauwelijks behoef te noemen; van hem die reeds als jongeling de leidsman van zijn vaderland was; van hem die nog als grijsaard tegenover het jacobinisme in de bres stond: Pitt en Burke bedoel ik.21 Vasthouding aan de beginselen der Britsche staatsregeling is beider rigtsnoer geweest.

Bestrijding dus der misvattingen welke daaromtrent uit Frankrijk, door middel van het filozofengeschrijf waren overgebragt. Men kan de redevoeringen van den eenen, de geschriften van den anderen niet opslaan, zonder de gestadige regtvaardiging te lezen van het oogpunt waaruit ik, tot mijn leedwezen van velen en ook van u verschillend, de Britsche staatsregeling beschouw: de veroordeeling der zoogenaamde Britsche instellingen, gelijk zij, in de nieuwere constitutiën, met de liberale begrippen in verband worden gebragt. Ik zou, zonder overdrijving mogen beweeren dat hun gansche leven aan de handhaving der Engelsche constitutie, gelijk ik ze thans tegen u verdedig, gewijd was. Een der meesterwerken van Burke, een der meest bekende, ofschoon nog veel te weinig bekend, de Reflections on the revolution in France, is, van het begin tot het einde, de aanwijzing dat de beginselen, waaraan ook door u hulde wordt betoond, in tegenspraak met die staatsregeling zijn. In Engeland geen regten van den mensch, onder wier ijdelen ophef elk verkregen regt der menschen, de notie en de heiligheid zelve van het regt, teniet gaat: `The pretended rights of these theorists [are all extremes; and] in proportion as they are metaphysically true, [they] are morally and politically false.'22 In Engeland geen koning die, hetzij wat meer of wat minder voorregten aan de kroon worden verleend, in den grond der zaak, van souvereiniteit beroofd en tot een dienaar van volkswil en openbare meening gemaakt wordt: `the king of Great‑Britain obeys no other person; all other persons are individually, and collectively too, under him . . . The law . . . calls him . . . our sovereign lord the king.'23 In Engeland geen scheiding tusschen kerk en staat, waarbij een gouvernement geen ander rigtsnoer dan eigen inzigt en goedvinden behoudt. `The majority of the people of England, far from thinking a religious, national establishment unlawful, hardly think it lawful to be without one . . . This principle runs through the whole system of their polity. [They do not consider their church establishment as convenient, but as essential to their state; not as a thing heterogeneous and separable; something added for accommodation; what they may either keep up or lay aside, according to their temporary ideas of convenience. They consider it as the foundation of their whole constitution, with which, and with every part of which, it holds an indissoluble union. Church and state are idea inseparable in their minds, and scarcely is the one ever mentioned without mentioning] the other.'24 In Engeland geen gelijkstelling der gezindheden die uit onverschilligheid ontsproten, waar de godsdienst voor de politiek niet buigt, op verdrukking uitloopt.25 In Engeland geen zweem van dat revolutionair alvermogen hetwelk tot de eigenaardigheid van het hedendaagsch representatief stelsel behoort, en waarbij voor elk die, in naam van het volk, de overmagt heeft, de meest verregaande willekeur het meest onloochenbare regt wordt: `The power of the house of commons', enz.26 In Engeland geen trachten naar die eenvoudigheid van staatsbeheer waardoor men, met wegneming van al wat tegenstand zou kunnen bieden geen behoedmiddel tegen de onbedachtzaamheid van het meest absolute staatsgezag heeft.27 In Engeland geen miskenning van den band welke de voorgeslachten en de nakomelingschap, in de regelmatige ontwikkeling van het volks‑ en staatsleven verbindt (121): `One of the first'.28 In Engeland geen onderwerping der overheid aan hen over wie zij het bewind voert; geen leer wier uitwerking zich noodwendig in de wisseling van losbandigheid en dwingelandij vertoont; zoodat, indien men de uitdrukking Kings overbrengt op de overheid in 't algemeen, de geheele geschiedenis van het revolutietijdperk in ééne zinsnede gekarakteriseerd wordt: `Kings will be tyrants from policy when subjects are rebels from principle.'29
1   ...   32   33   34   35   36   37   38   39   ...   78


Dovnload 7.64 Mb.