Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina37/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   33   34   35   36   37   38   39   40   ...   78

Ik houd mij overtuigd dat Burke, zoo hij het ontwerp der commissie, ook gelijk het, naar aanleiding van uw rapport, zou hebben moeten worden gewijzigd, had kunnen inzien, hij ook daarvan zou gezegd hebben: `Your new constitution is the very reverse of ours in its principle.'30

Ik zal u niet ophouden met vele aanhalingen uit Pitt. Ik behoef niet te betoogen dat zijne staatkunde antirevolutionair was. Het zij mij vergund te doen opmerken dat ook hij weinig ophad met de regten wier uitoefening ons thans ook in Nederland beloofd wordt; dat hij van de regtstreeksche verkiezingen, gelijk men ze nu doordrijft, geen voorstander was, en dat het licht der wijsgeerte, waarvan men ook hier koestering verwacht, naar zijn inzien, met betrekking tot de Britsche staatsregeling niet aan een vruchtbaarmakenden zonneschijn, maar aan een vernielend vuur gelijk was.31 Treffend is zijn oordeel over de axiomata die het revolutionaire staatsregt vooropstelt: `the unqualified rights of man, the principles of liberty and equality, by which they flatter the people with the possession of the theoretical rights of man, all of which they vitiate and violate in practice.'32

De reden waarom regtstreeksche verkiezingen worden verlangd, ligt in het beweeren dat ieder staatsburger een gelijk regt van vertegenwoordiging heeft; een regt waarvan de uitoefening enkel zoolang hij daarvoor niet bekwaam gerekend wordt, mag worden geschorst. Ik wijs niet op de onontwijkbare gevolgen; willekeur in het constateren dezer bekwaamheid; verdeeling der natie in geprivilegieerde en terzij gestelde burgers; onophoudelijke strijd over het al dan niet aanwezig zijn der vereischten; hetwelk door den een met zelfvertrouwen beweerd, door den ander met hooghartigheid ontkend wordt. Ik zeg slechts dat het beginsel der verkiezingen van zoodanigen aard, hoe ook in schijn door restrictiën gewijzigd en getemperd, eigenlijk neêrkomt op het algemeene stemregt, op de gelijkheid van allen en op de volkssouvereiniteit. Wat Pitt van zoodanig kiesregt en van een daarop gebouwd systema der vertegenwoordiging dacht, is menigwerf door hem opengelegd; nooit krachtiger evenwel dan toen hij, tegenover Mr Grey, die in lateren tijd zijn opvolger, niet zijn navolger geweest is, het verschil van hervorming in historischen of in revolutionairen zin, met breede trekken geschetst heeft. Een algemeen model der staatsvormen te willen is ongerijmd. `To talk of an abstracted right of equal representation is absurd. It is to arrogate that right to one form of government, whereas Providence has accommodated the different forms of government to the different states of society in which they subsist.'33 Doch bovendien het is hier te doen om de invoering van begrippen waarmeê geen staatswezen vereenigbaar is. `Those rights which entitle all to an equal share in the government, are rights which only serve to remove them from useful labour [, from sober industry, and from domestic connections, and which abandon them to be the slaves of every idle caprice, and of every destructive passion. The government that adopts such principles, ceases to be a government; it unties the bands which knit together society; it forfeits the reverence and obedience of its subjects; it gives up those, whom it ought to protect, to the daggers of the Marseillese, and the assassins of Paris. Under a pretence of centering all authority in the will of the many, it establishes the worst sort of despotism. Such is the state of that wretched country, France, the detestable policy of which has added new words to the dictionary, such as the phrases of municipalities declaring themselves in a state of permanent revolution, and the nation itself in a state of sovereign insurrection! In what is called the government of the multitude, they are not the many who govern the few, but the few who govern the many. It is a species of tyranny, which adds insult to the wretchedness of its subjects, by styling its own arbitrary decrees the voice of the people, and sanctioning its acts of oppression and cruelty under the pretence of the national will. Such is the nature of those principles connected with the right of] individual suffrage.'34

Misschien vindt iemand de uitdrukking wat sterk dat een gouvernement aldus degenen welke het moest beschermen, aan plundering en moord prijsgeeft. Geen waarschuwing is te sterk wier kracht enkel aan onbetwisbare waarheden ontleend wordt. De mannen van februarij zijn, om de leerstellingen die zij toen hebben verkondigd, aansprakelijk voor het in junij stroomsgewijs vergoten bloed, en op de regering van heden alhier zal de verantwoordelijkheid berusten der onheilen welke, door het opdringen van een kwalijk verborgen radicalisme over Nederland zullen worden gebragt. Pitt meende niet dat de leer zijner wederpartij, over het kiesregt, in de Britsche staatsregeling haar grond had: `The question [then] is, whether you will abide by your constitution, or hazard a change, with all that dreadful train of consequences with which we have seen it attended in a neighbouring kingdom?'35

Maar waartoe bepaaldelijk van het kiesregt gesproken! Het zamenstel der milde en vrijzinnige begrippen, in zijn ganschen omvang, wordt door Pitt gebrandmerkt als de verzaking van al wat aan de Engelsche constitutie ten grondslage verstrekt heeft. Aan het einde eener beraadslaging over de parlementshervorming, in eene dier ontboezemingen waarin de helderheid van het verstand, door het gevoel der verontwaardiging, in dubbelen overvloed licht en warmte over de onnavolgbare voortbrengselen zijner welsprekendheid verspreidt [zegt Pitt]: `The system of French Liberty is represented as a new light diffusing itself over [all] the world, and spreading in every region happiness and improvement. [Good God! is the House to be told, after the benefits which have been derived from the revolution in this country that other and more essential benefits are to be added by adopting the principles of the French revolution? From such lights, however, I hope we shall ever protect this constitution, as against principles inconsistent with any government. If we are to be relieved from any evils under which we may at present labour, by means of this new light, I for one beg leave to enter my solemn protest against the idea. The doctrines upon which it is founded, are, as I have already said, false, shallow, and presumptuous, more absurd than the most pestilent theories that were ever engendered by the disordered imagination of man; more hostile to the real interests of mankind, to national prosperity, to individual happiness, to intellectual and moral improvement, than any tyranny by which the human species was ever afflicted. And, for this new luminary, shall we abandon the polar star of the British constitution, by which we have been led to happiness and glory, by which the country has supported every danger, which it has been called upon to encounter, and risen superior to every difficulty by which] it has been assailed?'36

Ik behoef deze mannen niet vrij te waren tegen de verdenking, alsof zij, door vooroordeel en vrees, om het hoofd te bieden aan overdrijving, in sommige opzigten den aard hunner vaderlandsche instellingen hadden miskend; alsof vooral Burke, van Whig bijkans Tory geworden, zich aan verandering van zienswijs, aan verloochening zijner medestanders, aan verzaking zijner eigen begrippen, had schuldig gemaakt. Want vooreerst mag en moet ik kortheidshalve verwijzen naar hetgeen zij zelven hierover zoo menigwerf met de hun eigene kracht betoogd hebben; vooral ook naar het geschrift van Burke: Appeal from the new to the old Whigs.37 Ten anderen is veelheid van woorden, nu althans, ten eenemaal overtollig; want de ongelijksoortigheid der Engelsche en der revolutionaire constitutiën is thans dikwijls genoeg door de wederpartij zelve erkend; ook volgens hen moet zij, om bruikbaar te worden, geen hervorming, maar herschepping ondergaan; en later zijn de voorbeelden talrijk geweest van hetgeen reeds door Burke aangeteekend werd: `Your leaders in France began by affecting to admire, almost to adore, the British constitution; but as they advanced they came to look upon it with a sovereign contempt.'38

De Britsche staatsregeling die ik eerbiedig is dezelfde welke, op christelijk‑historischen bodem geworteld, in den loop der eeuwen ontwikkeling en wasdom verkreeg; door de politieke stormen werd bevestigd; een getemperden regeringsvorm te voorschijn bragt uit de vastheid van den troon, het vermogen der aristocratie, den wezenlijken en regelmatigen invloed, niet van het gepeupel, maar van de kern der landbevolking en der burgerij; de staatsregeling die ik waardeer is dezelfde welke een zeldzaam voorbeeld opgeleverd heeft van echten vrijheidszin, van public spirit, van dien waarlijk nationalen geest die, door eendragtige liefde voor het vaderland, gelijk dit uit de historische herinneringen, uit het lijden en strijden der vaderen zijn dierbaarheid ontleent, de krachten eener natie, waar zij ter navolging van voorvaderlijke moed en trouw geroepen wordt, in onberekenbare mate verhoogt. Dezelfde staatsregeling is het die over dweepzucht en geweld, ook met den onvermijdelijk geworden val van een vorstelijk stamhuis getriumfeerd, en de vereeniging van Groot‑Brittannië en Nederland mogelijk gemaakt heeft, waardoor, onder Willem III de heerschzuchtige ontwerpen van Lodewijk XIV zijn verijdeld; waardoor, indien de raadgeving[en] der Fagels en Slingelanden niet voor kleingeestig eigenbelang hadden moeten wijken39, de republiek in de achttiende eeuw een minder verachtelijke rol dan wij nu in haar gedenkschriften betreuren, zou hebben gespeeld. Dezelfde staatsregeling is het waarmeê Engeland tegen revolutionaire leerstellingen en revolutionaire wapenen bestand was; waarmeê als in een veilige wijkplaats der verdrukten, de bevrijding van het vasteland voorbereid en bewerkt is, en welke ook thans nog, ofschoon men reeds ver in het ondermijnen van haar grondslagen is gevorderd, aan de eischen eener volledige omwentelingstheorie wederstand biedt.

En nu de Britsche staatsregeling mijner tegenpartij? Het is die, welke aangeprezen en van lieverlede ingevoerd wordt, wanneer men, uit overtuiging of toegeeflijkheid, niet naar de uitspraak van regt en billijkheid, niet naar de wisselende behoefte van plaats en tijd, niet om gelijken tred met den wenschelijken voortgang der nationale ontwikkeling te kunnen houden, maar, ten gevolge eener volkomen ondergeschiktheid aan de wanbegrippen der eeuw, in revolutionairen zin, de roomsch‑catholijken emancipeert, de Israëlieten in de volksvertegenwoordiging opneemt, de onafhankelijkheid en verkregen regten der nationale kerk in Schotland uit het oog verliest; een parlementshervorming, op vroeger in Engeland ongehoorde grondslagen tot stand brengt; aan elk revolutionair gezag in het buitenland, zoodra de overmagt onloochenbaar is, de vriendschappelijke en, waar het belang spreekt, de bondgenootschappelijke hand biedt, en zich overgeeft aan een conservatisme, hetwelk waant de instellingen te kunnen behouden, wanneer en dewijl het de beginselen verzaakt.



Aan u schrijvende, zal ik mij niet vermeten in bijzonderheden te willen nagaan of er voor den staat in Engeland waarschijnlijkheid is van slooping of van behoud. Dit evenwel is blijkbaar voor iedereen, dat Engeland bij de gedachte, om slechts een drietal zwarigheden te noemen, aan Ierland, aan het armwezen, en aan de chartisten, geen dagen van onbezorgdheid beleeft. Dit slechts durf ik, op grond der gelijke werking waar de oorzaken gelijk zijn, voor uitgemaakt houden dat geen bloot conservatisme, met volharding in het spoor eener liberale politiek, tegen de juistheid ook der uiterste gevolgtrekkingen van het radicalisme beveiligen zal; dat de ingenomenheid met het schrander overleg eener tusschen de uitersten, zoo het heet, doorzeilende kunst, ook wat de Engelsche regering sedert den val van Napoleon betreft, hetzelfde lot zal ondergaan als nu reeds de geestdrift met de onvergelijkbare wijsheid van Lodewijk‑Filips; dat geen land kan worden gered dan door het opvolgen der christelijk‑historische begrippen waarin, van den beginne af, de levensdraad ook der Britsche volkseenheid en staatsregeling geweest is, en dat de geschiedenis van Engeland, in herstel of ondergang, mede een bewijs opleveren zal voor de waarheid der opmerking van Stahl: `Die bestehende Ordnung [, die erworbenen Rechte, die Conservation ohne dieses christliche Motiv sind nichts Anderes als eine vis inertiae, welche eine Zeit lang den Erfolg des Andrangs verzögert, ihm eben blosz den Stoff gewährt, den er des passiven Widerstandes ungeachtet in seiner stets erneuerten Woge vernichtet. Die blosze aristokratische Gesinnung oder die staatsmännische Mäszigung des Fortschrittes da, wo der Fortschritt ein Schritt nach dem Abgrund ist, sind immer und mit Recht im Nachtheil gegen die Begeisterung für Volksthum und gleiches Menschenrecht. Dieser ist keine Macht moralisch und darum keine thatsächlich für den letzten Erfolg gewachsen, als allein die Begeisterung für Gottes Ordnung und für die Heiligkeit der in ihr begründeten] Institutionen.'40

Doch bovenal moet ik uit het gezegde één punt op den voorgrond stellen, als slotsom der geheele beschouwing: namelijk dat er, bij het vergelijken der tweederlei rigting geenerlei voortgang is of ontwikkeling of hervorming; geen verscheidenheid van instellingen, geen wijziging van bijzaken, maar tegenstelling in wezen en in beginsel; strijd op leven en dood; dat de aard en voortreffelijkheid der Britsche staatsregeling, gelijk zij de glorie van Engeland uitgemaakt heeft, gelegen is in den pligtmatigen eerbied voor elk verkregen regt, in het te raden gaan met de historische gesteldheid der maatschappij, in de erkentenis der heiligheid van de ordeningen Gods; in alle die waarborgen eener orde met vrijheden vereenigd en door vrijheden bevestigd welke, onder den invloed van het evangelie, tot de eigenaardigheden bij uitnemendheid eener christelijk‑historische volksontwikkeling hebben behoord, maar thans, onder den invloed van het ongeloof, met verwijzing naar de eenheid en het alvermogen van den revolutionairen staat, als nietswaardige dwaasheden der nog onverlichte voorgeslachten terzijde worden gesteld.

Ik heb u lang bij dit tweede punt opgehouden. Ter verontschuldiging echter mag ik opmerken, dat ik, vergelijkenderwijs met den grooten omvang van het onderwerp, kort ben geweest, en dat ik, bij de behandeling van het tweede, op een zeer beknopte toepassing na, ook het derde punt afgedaan en het oogmerk dat ik mij voorstelde bereikt heb. Wij zullen het in den veldoverste niet misprijzen, wanneer hij, al is het door een verren omweg, de vijanden overvleugelt; het zal den zeeman niet ten kwade worden geduid, wanneer hij, langs een zijdelingschen koers, de klippen ontzeilt en den wil van den reis heeft. En evenmin zal ik afkeuring ondergaan, indien mij, na de omslagtigheid der uiteenzetting, thans het bewijs ligt valt dat, naar den eisch der Britsche staatsregeling het schoolwezen, waaraan ook uw zegel gehecht werd, eene strenge veroordeeling verdient.

Inderdaad, zoodra men op de hoofdstrekking dezer staatsregeling let, valt de eenvoudigheid van het door mij te leveren bewijs in het oog. Waaruit is, in de ontwikkeling van het systema van 1806, de rigting van willekeur en ongeloof ontstaan? Uit het revolutionair beginsel; uit de voorstelling van een staat, waarin naar het ontwerp in den Leviathan41 van Hobbes42, of in het Contrat social van Rousseau43 het regt der gezindheden en der ouders zich oplost in het veranderlijk goedvinden van den algemeenen wil; uit het middenpunt waarvan, zoodra men zich van geopenbaarde waarheid en historische ontwikkeling vrij waant, evenzeer de meest uiteenloopende meeningen uitgaan; `voorbijzage [van de natuurlijke en historische eigenaardigheid der dingen; ter zijde stelling, in het Staatsleven, van de Goddelijke wet; vorming en hervorming, schepping en herschepping van de maatschappij uit de willekeur der menschen; afgodische eerbiediging van den Staat, als vereeniging van vrije en gelijke individuën, in wier naam de Vertegenwoordiging of het Bewind, onder de menigvuldigheid der vormen, altijd naar eigen goedvinden, met een centraliserend administratief beheer, over eigendom en regt, over lijf en ziel van Souvereine en magtelooze bevolkingen] beschikt.'44

Maar de Britsche staatsregeling is antirevolutionair; zij snijdt dezen wortel der bitterheid af; zij streeft naar behoud en volmaking van den gegeven regtstoestand der maatschappij; zij heeft in het beschermen der vrijheden niets gemeen met die revolutionaire vrijheid welke met het afkondigen van losbandigheid begint, om spoedig over te gaan tot het regularizeren van dwingelandij; zij is het tegenovergestelde van den revolutionairen staat, welke, door het kunstig raderwerk van haar centralizerend beheer, partijdwang onvermijdelijk en volksleven onmogelijk maakt. Met de verkeerde notie van den staat vallen de voorwendselen weg wier ijdelheid zich achter de prachtige namen van staat en staatsbelang verbergt. Met de juiste opvatting van het wezen der maatschappij keeren, in hun volle kracht en eenvoudigheid, de redeneringen weêr, waarmeê, zonder voorbijzage der eigenaardige bevoegdheid van het openbaar gezag, de regten der ouders en der gezindheden, in verband met het gewigt en de dierbaarheid van het geloof, kunnen worden gestaafd.

Maar men heeft welligt, na al het gezegde, eene geduchte tegenwerping bij de hand. - In datzelfde Engeland, waarop ik mij beroep, is men op het vereenigen der gezindheden bedacht, op staatseenheid in het schoolwezen, op centralizatie onder gouvernementsbeheer, op overneming der hoofdtrekken waardoor het systema van 1806 zich onderscheidt.

Navolging van Nederland! Dit bevreemdt mij in geenen deele. Veeleer komt het mij voor natuurlijk te zijn dat al wat hier te lande met de revolutiebegrippen overeenstemt, overal waar men met de revolutionaire ondermijning van den staat aan het werk is, navolgenswaardig gekeurd wordt. Maar bovendien zij men gedachtig dat de poging ter navolging tot dusver is afgeweerd en dat er, zoo de eigenlijke gesteldheid van zaken alhier in Engeland met naauwkeurigheid bekend was, alle partijen door welke toen strijd gevoerd is, in hun verontwaardiging daarover zouden overeenstemmen. Het gewigtig voorstel om aan den staat meer of eigenlijk aan de kerk minder invloed op het onderwijs te geven, is in 1838 en 1839 te berde gebragt. Met heftigheid is er gestreden, en, zoo ik de nieuwsbladen en vlugschriften wilde te baat nemen, zou ik daaruit, zonder veel moeite, eene soort van bloemlezing kunnen maken, ter ondersteuning en opsiering van mijn betoog.



Om hen gerust te stellen die meenen dat ik geen zorg hoegenaamd van den staat over het onderwijs begeer, neem ik gaarne de woorden over van den bisschop van Londen45: `I am by no means disposed to deny or call in question the right, or the duty, of the State, to interfere in the important concern of education. Whatever of necessity affects the moral condition, the usefulness, the well‑being of the people at large, and in its results, the very existence of social order, must fall within the scope of the State's directing and controlling power . . . Education must needs be a State question.'46 Hij verlangt christelijk onderwijs: `a knowledge not sanctified47 and guided, in its use and application, by the restraints and motives of Christianity, may be, nay, rather, will be a curse to them rather than a blessing.'48 En door christendom bedoelt hij geen algemeenheid waarin de waarheid zich oplost. `If they are to teach any religion worthy of the name, and yet to be free from all peculiar doctrines, I shall be curious to see them.'49 Het zal geen voordeel zijn voor den staat, wanneer deze de pligten overneemt van de kerk en zich geroepen acht `to appoint inspectors, choose schoolmasters, select school‑books; in short, do every thing but chastise the boys in person.'50 Verderfelijk is de splitsing: `the attempt to separate religious education from secular is a fatal mistake. It is the union of the two, in all the sanctity of the one, and all the present usefulness of the other, which must constitute a complete and consistent education.'51 Teregt heeft de kerk, ook in de school, nooit uit het oog verloren `that it has in training a moral agent, an accountable being, a servant of God, a follower of J[esus] C[hrist], a[n] heir of immortality'52 . . .53 kwijning en ondergang? Zullen de roomschen zich niet met ijver van de verkregen vrijheid bedienen? Door de verzwaring der examens en de bezwaren welke uit den aard der zaak aan het oprigten van bijzondere scholen verbonden zijn, zou de concurrentie, in elk geval, aanmerkelijk worden beperkt; ook twijfel ik of de roomschen voor wie de openbare school thans zeer bruikbaar en de vereeniging der gezindheden op dien voet zeer wenschelijk is geworden, de vermenigvuldiging van bijzondere scholen noodig of nuttig zullen achten. Maar ik ontken niet dat deze en dergelijke tegenwerpingen gewigt hebben; ik beweer slechts dat ze tegen het regt en de behoefte der ingezetenen niet bestand zijn. Zoo de openbare school, hoewel door de regering ondersteund, evenwel hier en daar verloopt, waarom is haar inrigting van dien aard dat zij voor zeer velen niet meer geschikt is? Indien de school teniet gaat, dan is het een bewijs dat de bevolking een ander soort van scholen verlangt; niet dat men ze moet dwingen om de kinderen op te voeden tegen overtuiging en pligt. Ik betwist niet dat de ijver der roomschgezinden gevaarlijk voor de protestanten kan zijn; maar de gezindheden zijn gelijkgesteld; die gelijkstelling verlang ik ter goeder trouw; ik wensch niet aan medeburgers, door sluwheid van woord of daad te ontnemen wat hun op legale wijze verleend is; laat ijver tegen ijver, laat de Heilige Schrift tegen de voorschriften der geestelijkheid, laat niet willekeur tegen regt en billijkheid worden gesteld. Wij mogen54 het zonderlinge schouwspel beleven dat door de meerderheid van hen die met de zorg voor de regten en belangen van de kerk inzonderheid belast zijn, door synodale commissie en predikanten, de voortduring verzocht wordt van

een stelsel waardoor de bijbel en het christelijk onderwijs uit de scholen geweerd is, de ouders die met ernst gedachtig zijn aan den omvang der doopbelofte en aan de strekking van een onderwijs, niet aanstootelijk voor den roomsche of voor den Israëliet hebben op al de redeneringen der staatkunde en der kerkelijke politieke wijsheid, één genoegzaam antwoord: `ik ben voor de christelijke opvoeding mijner kinderen verantwoordelijk aan God.'55 Omdat, naar uw inzien, de roomschen geene school behooren te hebben, kan ik eene christelijke school niet missen. Omdat de roomschen bijgeloof zouden verspreiden, kan ik mij aan geen dwang onderwerpen in het belijden en beleven van mijn geloof. Omdat anderen aan hunne kinderen slecht voedsel zouden uitreiken, mag ik niet lijdelijk aanzien dat de mijnen of geen voedsel ontvangen, of een voedsel dat naar mij voorkomt, hun gezondheid en leven bedreigt. `La crainte de l'invasion des jésuites ne nous aveuglera pas à un tel degré, que nous consentions, pour l'éviter, à laisser nos fils sans éducation chrétienne.'56

Al wat ten behoeve der eenheid van nationaal onderwijs, der vereeniging van de gezindheden op de school, met terzijdestelling van de geloofsverscheidenheid kan worden gezegd, is evenzeer van toepassing op de eenheid van nationale godsdienst; van een godsdienst van staat; niet gelijk vroeger, toen ruimschoots verdraagzaamheid kon worden verleend, maar in revolutionairen zin, waarbij geenerlei afwijking door partikuliere meeningen geduld wordt. Of, juister, de verordeningen op het onderwijs waarbij de natie gehouden is zich, met terzijdestelling van ieders godsdienstige gevoelens, aan een veranderlijk gouvernementsformulier ten aanzien van wat onmisbaar of overtollig is, te onderwerpen, zijn reeds de aanvankelijke invoering dezer geloofs‑ of ongeloofseenheid van den staat.



Zoodanige eenheid kan door u niet worden voorgestaan of begeerd. Niet door een staatsman die, ten aanhoore der gansche natie, in een plegtig oogenblik, den waarborg eener betere toekomst gezocht heeft in `eene Staatsregeling gegrondvest op de beginselen der Britsche Constitutie, naar de behoeften van onzen landaard en van den tegenwoordigen tijd gewijzigd.'57

Ik erken dat ik terstond aan de meening van Necker gedacht heb die de rampen der eerste Fransche revolutie daaraan toeschreef dat men, in plaats van zich in beraadslagingen te verdiepen en te verwarren, niet terstond de Britsche constitutie voorgelezen had, om vervolgens zich, over de wenschelijkheid van deze of gene wijzigingen in haar overbrenging op Franschen bodem te verstaan.58 De strekking van uw voorstel was mij raadselachtig; omdat ik de onmogelijkheid eener plotselinge nationalizering van hetgeen tot de eigenaardigheden van Groot‑Brittannië en tot de langzame ontwikkeling der tijden en omstandigheden behoort, en uit den aard der zaak blijkbaar en uit de menigvuldigheid der proefnemingen gebleken meende te zijn. De Britsche constitutie gewijzigd in Franschen, Duitschen, Spaanschen, Portugeschen, ook Nederlandschen zin, is voor de volken tot dusver zoo weinig zegenrijk, zoo heilloos geweest dat ik inderdaad tegen de vernieuwde kunstbewerking opzag.59

Uw rapport heeft thans hetgeen in uwe redevoering60 geheimzinnig bleef, ontsluijerd. Het is vooral op de zamenstelling der Eerste Kamer dat door u gedoeld is. Ik vereenig mij gaarne met uw gevoelen dat de wijze van zamenbrenging harer leden, in het ontwerp der commissie, allerongelukkigst is. Zoodanige doublure der Tweede Kamer, beperkt tot de taak van vóór of tegen te stemmen, zonder wezenlijke kracht en als bevoorregte geldoligarchie gehaat, kan veilig worden gemist. Maar de Eerste Kamer welke door u voorgeslagen wordt! Zij is hoogstens met de Fransche Kamer der Pairs vergelijkbaar; en deze die in haar regt van vrije beraadslaging aan de Kamer der Gedeputeerden gelijk en buitendien erfelijk61 was, heeft nooit tegen het democratisch element eenigen weerstand kunnen bieden. Volkomen beaam ik dus uwe opmerking dat zoodanige Eerste Kamer `aan het Britsche Hooger‑huis niet volkomen gelijk is.'62 Namelijk, zooals de gestalte der dwergen niet volkomen aan die der reuzen gelijk is; zooals een molshoop niet volkomen gelijk is aan een berg, noch een papieren bolwerk aan een ijzeren borstweering; zooals de uiterlijke vertooning niet aan het wezen der dingen volkomen gelijk is.

Daarbij heeft uw voorstel, zelfs vergelijkenderwijs met dat der commissie, een radicaal gebrek: de onuitvoerlijkheid bedoel ik. Mijns inziens, gelden hier de woorden van Mignet over Necker en de zijnen: `ce qu'ils ne voyaient pas, c'était le peu d'à‑propos de leurs idées dans un moment de passions exclusives. La lutte était commencée, la lutte qui devait faire triompher un système, et non amener un arrangement.'63 Uw voorstel is in de zuiver‑democratische rigting, welke door den februarijorkaan ook tot ons overgewaaid is, eene ware en onverdragelijke anomalie.

Eindelijk, al mogt eene dergelijke Eerste Kamer worden gevormd, zouden wij ons daarom op het bezit eener naar de eigenaardigheden van onzen landaard versneden Britsche staatsregeling kunnen beroemen? Ik veroorloof mij, ter openlegging van mijn gevoelen, eenige regels over te nemen van een schrijver wiens werken ik wenschen zou dat in Nederland meer bekend waren, van Fiévée: `Nous croyons pouvoir imiter la constitution anglaise; la connoissons‑nous? Nous ne connoissons de cette constitution que ce qui se voit; comme on ne juge, au premier aspect, un bâtiment que par la partie qui s'élève au‑dessus des fondations. Nous voyons deux Chambres, et nous disons: C'est là que réside la liberté. Il seroit plus sage de dire: C'est là qu'elle se montre. Mais elle est dans toutes les institutions anglaises; et si les institutions nous manquent, nous croirons avoir un système représentatif, et nous n'aurons réellement qu'une fausse représentation.'64

Doch ik ben, met u, zoo ik vertrouw, een voorstander van de Britsche constitutie; dat is, van hetgeen zij, volgens haar historischen oorsprong en grondslag inderdaad is, niet van hetgeen men er in de geschriften van Fransche [geschiedschrijvers?] en Fransche sofisten65, met al de willekeur eener vrije bespiegeling, van gemaakt heeft. Noem den staatsvorm eene getemperde monarchie, of een aristocratisch gemeenebest, waarin ook het democratisch element is opgenomen, en de voornaamste der aristocraten koning of koningin heet. Ik waardeer daarin die gelukkige mengeling der bestanddeelen welke, blijkens de ervaring, zoo zelden bereikt wordt. Doch bovenal waardeer ik in die constitutie wat nog meer tot haar wezen behoort; de beginselen waaruit zich, onder den loop der gebeurtenissen, de staatsregeling allengskens heeft ontwikkeld: de onmisbaarheid der heiliging van den staat, door de onderwerping van overheid en volk aan het evangelie; den eerbied voor verkregene vrijheden en regten; de verscheidenheid der standen; de zelfstandigheid en vastheid van het gezag; de vrije werking van gemeenten, corporatiën en bijzondere personen in al wat eigen regten en belangen betreft. Uit die Britsche constitutie acht ik dat wij veel zouden behooren over te nemen; of liever wij behoeven niets ervan over te nemen, omdat het evenzeer tot de grondslagen van onze eigen historische staatsregeling behoort. Het zijn geene voorregten van Engeland, het zijn de kenmerkende trekken der christelijk‑Germaansche vrijheden en regten, gelijk zij in Engeland meer getrouw gehandhaafd zijn geworden; en wanneer Burke aan de Franschen hunne ligtzinnige najaging eener denkbeeldige en bedriegelijke vrijheid verwijt, schrijft hij: `niet op onzen, maar op uwen bodem hadt gij de fundamenten kunnen terugvinden, waarop uwe gewijzigde staatsinrigting, om deugdelijk en duurzaam te zijn, had moeten worden gebouwd.'66

Doch er is eene andere voorstelling der Britsche constitutie: het is die volgens welke Engeland op de verlichting der achttiende eeuw reeds zou hebben geanticipeerd; reeds bij voorraad de lessen der Fransche wijsgeeren zou hebben gevolgd; zoodat zij niet anders is dan de aanvankelijke verwezenlijking van de liberale theoriën; zoodat de koning eigenlijk de hoogste ambtenaar en het parlement de vertegenwoordiging van het souvereine volk is.67 Dit is de Britsche constitutie van Montesquieu en Delolme68; gelijk ze, eerst naar het type der nieuwe leer mismaakt en verwrongen, met ongemeenen ophef als een schitterend bewijs van haar voortreffelijkheid en als een algemeen model aangeprezen werd. Het is deze constitutie welke aan degene die ik zooëven schetste, lijnregt tegenovergesteld is; welke tegen haar een kamp op leven en dood voert, en wier ontwikkeling niet anders wezen zou dan de toepassing der voorschriften van de revolutionaire politiek. Indien deze constitutie naar onzen landaard moet worden gewijzigd, dan zie ik niet waarom wij de zegeningen der Fransche wijsheid over Londen en in Engelschen dosch moeten ontvangen, en niet regtstreeksch en zuiver uit Parijs. Indien gij een voorstander zijt der Britsche constitutie, dan zeg ik: eerbiedig ook in het schoolwezen de beginselen die gij voorstaat. Onderwerp het regt der gezindheden niet aan de willekeur van het wereldlijk gezag; belemmer de volksontwikkeling niet door de natie, in godsdienst en opvoeding, te willen doen gaan aan den leidband van het bewind; onthoud u van elken maatregel die met de gewetensvrijheid onvereenigbaar is; welke voor christelijke ouders het nakomen der pligten welke hun van God opgelegd zijn, onmogelijk maakt. Men verlangt ook in Engeland dat het schoolwezen worde gewijzigd: men zou ook daar vereeniging der gezindheden, men zou ook daar meerderen invloed van het gouvernement wenschen. Inderdaad, hoewel de verdedigers van dergelijke ontwerpen, zooals J. Russell69 en lord Brougham70 het gebruik van den bijbel op den voorgrond hebben gesteld en slechts concurrentie van den staat nevens de kerk wenschelijk achten. De strijd daarover in 1839 is merkwaardig geweest, Vele nuttige wenken zouden er ter beoordeeling van onzen toestand kunnen worden opgezameld. De bisschop van Londen zeide in het parlement teregt71: In eene meeting te dier zake in Edinburg gehouden.72 Address.73

Men zal spoedig weldra de poging hernieuwen. Ik twijfel er niet aan. Doch wie zullen dit verrigten? De vijanden der Britsche constitutie; de voorstanders van het revolutionair beginsel; de hervormers wier ontwerp het vernietigen der staatsregeling ten doel heeft die op christelijk‑historischen bodem geworteld, door politieke stormen bevestigd, een74 beschermer in Willem III tegen bijgeloof en tyranny, in William Pitt tegen revolutie en despotisme gehad heeft. Degenen wier staatkunde, uit overtuiging of uit toegeeflijkheid, de roomsch‑catholijken geëmancipeerd, de parlementshervorming doorgedreven heeft, de onafhankelijkheid der Schotsche kerk miskent, de joden in het parlement brengt, en zich overgeeft aan een conservatisme, hetwelk waant de instellingen te kunnen behouden wanneer het de beginselen prijsgeeft.75 Wat Engeland onder de vroegere staatkunde geworden is, heeft de wereldgeschiedenis in onuitwischbare trekken geleerd. Wat het onder de veranderde staatkunde worden zal, ligt in de toekomst niet zoo verborgen of het wordt reeds in de woelingen van Ierland en in de chartistische bewegingen, als in een soort van veelbeteekenend voorspel, gezien. En nog, bij al dit verschil van begrippen, bij den verregaanden invloed der revolutieleer, nog ben ik overtuigd dat de afkeuring over hetgeen hier te lande plaatsheeft, algemeen wezen zou; dat76 wanneer de gesteldheid der zaken door u opengelegd wordt: bij ons is het beheer van het onderwijs bij den staat; de staat rigt scholen op voor allen, waar niets mag worden geleerd dat aan eenige gezindheid aanstootelijk zij; de kerk, wanneer zij deze vereeniging met roomschen, met Israëliten afkeurt, wanneer zij de kinderen der gemeente wil opvoeden overeenkomstig haar geloof, wanneer zij een positief‑christelijk en bijbelsch onderwijs verlangt, wanneer zij voor de christelijke vorming van het kinderlijk gemoed de catechisatie‑uren ongenoegzaam en de school noodzakelijk rekent, de kerk mag, evenmin als ieder ingezeten, op eigen kosten eene school oprigten, overeenkomstig haar eisch en behoefte, ten ware zij door het plaatselijk of gewestelijk bestuur worde geautoriseerd; zelden wordt de autorisatie verleend; sommigen beweeren dat, zoodra men meer godsdienstige opleiding dan op de gouvernementsschool verlangt, de autorisatie nimmer mag worden vergund ; de klagten der christenen blijven onbeantwoord; men ziet liever een aantal brave landgenooten naar Noord‑Amerika vertrekken dan dat men aan hun bezwaar tegemoet komen zou, en de partij welke dezen stand van zaken begeert, beroemt zich dat men in Nederland juist die mate van vrijheid van onderwijs bezit, waarmeê men noch door het teveel in verwarring, noch door het te weinig in onbillijkheid vervalt. Engelschman, Whig of Tory, conservatief of radicaal, wat dunkt u? Waarlijk ik ben overtuigd dat in Engeland ontzag voor de godsdienst, regtsgevoel, gezond verstand, en traditionele vrijheidszin nog over den invloed der valsche theoriën genoeg de overhand behoudt om iedereen, zonder onderscheid van politieke kleur, te doen uitroepen: dit is niet anders dan een consciëntiedwang, waarvan wij ons tot dusver geen voorstelling hadden gemaakt, en die de afkeuring van alle weldenkenden verdient.

Doch ik vermoed dat er bij u nog een bezwaar is, waarop menige redenering afstuit, omdat het met de gevoelens van uw hart en met de nagedachtenis van uw' vader die de wet van 1806 uitgevaardigd heeft, in verband is. Ik zou met de opmerking kunnen volstaan dat ook kinderlijke eerbied eene nadeelige strekking heeft, wanneer bezorgdheid voor hun goeden naam voor hunne feilen, ook waar ze ons tot leering moesten verstrekken, blind en aan hunne dwalingen, waarvan wij afstand behoorden te doen, gehecht maakt. Voor den eisch der waarheid mag geen offer te kostbaar worden geacht. Doch ik behoef geen offer van u te vergen; ook naar mijn inzien behoort de wet op het onderwijs tot de prijzenswaardige maatregelen van een staatsman, wiens verdiensten ik, zoo dikwerf zich de gelegenheid opdeed, met welgevallen herdacht en vermeld heb77; ik meen niet enkel met de onderwerping van uw verstand, maar met de vrijwillige toetreding van uw hart mij te mogen vleijen, omdat ik, niet tegen de wet maar tegen de ontwikkeling der wet van 1806, uw' vader tegen u als bondgenoot oproep.

Laat ons toch, in het beoordeelen van een maatregel, op het verschil van tijden en omstandigheden acht geven. Zoodra wij dit doen, zal er ook over die wet een gansch ander licht opgaan. Zij was, vergeleken met hetgeen voorafging, eene ware verbetering; zij was, ter voldoening aan de toenmalige behoefte, niet ongeschikt. Zij was eene reactie van vrijheid en godsdienst tegen de wet van 1803.78 Deze had zich kortaf van het geheele onderwijs meester gemaakt; door alle scholen, zonder uitzondering, onder het openbaar onderwijs te brengen. Zij had een onderwijs voorgeschreven, geschikt om, door ontwikkeling der verstandelijke vermogens, de kinderen tot redelijke wezens te vormen. Er was een deïstisch en dus antichristelijk monopolie. Geenerlei vrijheid van eigen inrigtingen, geenerlei inachtneming van het christelijk beginsel. Leg daarnevens de bepalingen van 1806. De onderscheiding van openbaar en bijzonder onderwijs, door eene opzettelijke verdeeling der scholen, hersteld; de bevoegdheid tot het oprigten van scholen der Eerste klasse, met een eigen beheer en eene bijkans volledige onafhankelijkheid in den aard en de strekking van hetgeen er geleerd wordt, uitdrukkelijk verleend; de opleiding tot christelijke deugden ten regel gesteld; aanbeveling van den bijbel, voorschrift van christelijke gebeden; opwekking aan de leeraars der verschillende gezindheden om voor het onderrigt in de stellige geloofsleer te zorgen; overweeg dit alles, vergelijk het met hetgeen twee jaren tevoren afgekondigd was, en gij zult de onmiskenbare sporen ontwaren van terugkeerende behoefte aan de christelijke godsdienst, van vrijheidlievende tegemoetkoming aan bezwaren, ofschoon men daarin welligt enkel bekrompenheid en vooroordeel meende te zien, en van de godsvrucht en verdraagzaamheid van sommigen dergenen welke op deze niet geringe wijzigingen van het bestaande den meesten invloed hebben gehad. De wet was niet slechts een loffelijk protest tegen twijfelarij en verdrukking; zij was in overeenstemming met de begeerten en denkwijze van dien tijd. De naauwgezette en gemoedelijke hervormden waren over de aanvankelijke hulde aan betere begrippen verblijd; de onverschilligen waren tegen overdrijving, door de terzijdestelling van het dogma, gerust. De roomschen wenschten zich geluk van, te midden der diepe vernedering hunner kerk tegen de overheersching der hervormden gewaarborgd te zijn; de protestant zag in de gemengde school het middel ter protestantizering van het geheele volk; de staatslieden beroemden zich eene eenheid van nationaal onderwijs tot stand gebragt te hebben, waarin de hier en daar overgebleven afwijking der partikuliere inrigtingen en zienswijzen zich van lieverlede oplossen zou. Zij was het nationaal gewrocht vn den tijd waarin, van het volk waarvoor zij gemaakt werd; zij was het afdruksel en de afspiegeling der gesteldheid van de natie; en, vermits ingenomenheid met zichzelf een zwak ook van de volkeren is, kan de langdurige en bijkans traditionele gehechtheid aan dit nationaal pronkjuweel niet onder de onverklaarbare verschijnselen worden geteld. De wet was het werk meer welligt van het voornaamste deel der natie dan van het gouvernement; zelfs twijfel ik eraan of, bij den revolutionair‑Bataafschen broederzin en bij de minachting, waarin de geloofsverscheidenheid geraakt was, bij de overtuiging bovendien van Romes naderenden val, eene afscheiding der scholen mogelijk geweest ware.

Maar is de wet van 1806, omdat zij door de tijdgenooten voortreffelijk geacht werd, ook voor de nakomelingschap goed? Was haar hoofdbeginsel tegen de wisselingen van politieke en godsdienstige zienswijze bestand, of zou men, door het te willen handhaven, tot geheel andere uitkomsten dan men bij de uitvaardiging bedoeld had, worden geleid? Zoo haar lof met den aard der toenmalige omstandigheden in verband stond, zou zij dan niet even daarom bij veranderden toestand laakbaar en verwerpelijk kunnen zijn? Vereeniging der gezindheden, eenheid der natie door eenheid van onderwijs, dit was de hoofdgedachte aan wier verwezenlijking al het overige ondergeschikt werd. Vereeniging der gezindheden, zeer wel, zoolang er omtrent de leerbegrippen dezelfde onverschilligheid was, zoolang men aan het onderscheid niet hechtte, zoolang men alleen aan een algemeen zamenstel van verhalen en zedelessen genoeg had. De keten knelt niet als men onbewegelijk is, en men heeft van het zaamverbonden zijn geen hinder wanneer men denzelfden weg begeert te gaan. De band dien men naauwelijks bemerkt had, wordt, als verschil van denkwijs en behoefte zich openbaart, een ondragelijk juk. Zoo ook hier. De vereeniging der gezindheden, wanneer zij van gouvernementswege onvoorwaardelijk begeerd wordt, bevat een kiem van ongeloof en dwang. Men wil eerbied voor christendom en vrijheid, in zoover die met het voortduren der vereeniging mogelijk is. Laat de roomschen gedwee blijven; laat de protestanten zich met een zedeleer en geschiedenis vergenoegen, waarbij de eenheid der geloofswaarheden met de feiten en voorschriften der openbaring miskend wordt; laat de bloei der openbare school en de welvaart van den onderwijzer tegen eene concurrentie die onbeduidend is, in veiligheid zijn, gij zult van den eenigzins meer godsdienstigen zin en van de liberaliteit der bepalingen omtrent het bijzonder onderwijs genot hebben. Dit genot zal duren, zoolang men bij bestrijding van het evangelie en bij weering van bijzondere scholen geen belang heeft. Maar, als het tegendeel gebeurt; als men, gelijk in Belgißëß, met eene roomschgezinde bevolking en met eene magtige geestelijkheid, aan welke men den zegen der nieuwere verlichting opdringen wil, te doen heeft; of als men, gelijk in Holland in 1840, om de klagten der roomschen over bijbellezing en protestantschen invloed, der roomschen en der hervormden over de rationalistische rigting van het onderwijs, de noodzakelijkheid van wijzigingen erkent; of, als men, gelijk in de laatste jaren, bij eenige verlevendiging van geloof en ijver, van behoefte aan christelijke en bijbelsche opleiding, de waarschijnlijkheid eener voor de gemengde school gevaarlijke mededinging berekent; als men, bij den wensch om zich uit de verlegenheid te redden, aan de zamenblijving der strijdende gezindheden, als aan eene conditio sine qußâß non gehecht is; dan wordt spoedig de eigendunkelijkheid der wet in de rek‑ en plooibaarheid van het woord christelijk, zoowel als in het misbruik der autorisatie openbaar; hoe meer weßêßrstand men ontmoet, hoe meer willekeur men bezigt; hoe dreigender het gevaar is, hoe meer de felheid bespeurd wordt, zoo natuurlijk waar men om zelfbehoud strijdt; dan gaat de eerbied voor christendom en bijbel, voor vrijheid en geweten van anderen in deze worsteling teloor; dan neemt men in Belgißëß den bijstand van het ongeloof te baat; dan komt men in Holland tot het louter burgerlijk‑maatschappelijk onderwijs van 1842, tot het verbod van den bijbel door den gouverneur van Zuid‑Holland79, en ten laatste tot

het systema der regering van 's Gravenhage, waarmee het weefsel voltooid en de zaak afgedaan is.80 Dit zeg ik, heeft uw vader niet gewild. Christelijk onderwijs; geen verbod van al wat aan eenige gezindheid aanstootelijk is. Aanprijzing, geen verbod van de Heilige Schrift. Vrijheid voor andersdenkenden; geen dwang waarbij men tot het monopolie van 1803 teruggeleid wordt.

Maar het ligt toch in het beginsel? Ongetwijfeld: het weeren van de Heilige Schrift, het verbieden van al wat christelijk is, het verzwijgen van de eigenlijke toedragt onzer historie, is, wanneer men de vereeniging wil, de tenuitvoerlegging van de wet van 1806 ter goeder trouw. Ongetwijfeld: het verbod aan de kerk om het kroost der gemeente, het verbod aan de ouders om hunne kinderen op te voeden naar Gods Woord, is, wanneer men het schoolwezen van den staat tegen partikulieren invloed in veiligheid wil stellen, een zeer rationeel behoedmiddel en een onvermijdelijke dwang.



Het revolutiebeginsel wordt in zijn ontwikkeling, door geen belangen van de godsdienst, door geen verkregen regten der gezindheden, door geen ouderlijk gezag gestuit. Maar uw vader zou dergelijke consequentie niet gewild hebben. Hij zou een stelsel dat in 1806 voor Holland goed was, noch aan België hebben willen opdringen, noch in 1840 en 1848 voor Holland wenschelijk hebben gekeurd. Wat in 1806 naauwelijks zigtbaar was, is in 1848 duidelijk geworden. Dat uw vader den kiem der ongeregtigheid niet gezien heeft, is zeer verklaarbaar; dat wij den boom der ongeregtigheid niet zien, zou minder begrijpelijk zijn. Het karakter van uw vader zou hem tegen de gevolgtrekkingen der leerstellingen, waarvan ook hij een warm voorstander geweest is, hebben behoed. Zie het in mannen die ik nevens uw vader zou mogen stellen: in Kemper81, in Falck.

Het revolutiebeginsel brengt meê dat de staat eene kerk beschouwt en behandelt als een kerkgenootschap, waar de leer van het veranderlijk goedvinden der meerderheid afhankelijk is. En toch, zoodra het aankwam op de praktijk, heeft Kemper de ongeregtigheid van dit beginsel, en het regt van het oorspronkelijk kerkgeloof, als kenmerk der gemeente, onbewimpeld in het licht gesteld: degenen die aan de historische belijdenis getrouw zijn, maken de kerk uit; aan de anderen moet vrijheid ter oprigting eener nieuwe en afzonderlijke gemeente worden verleend.



Het revolutiebeginsel brengt meê dat men in een centralizerend bewind de concentratie der kerk en in degenen welke zich aan het reglementair gezag niet onderwerpen, weerspannelingen aanschouwt. En toch, toen in Nederland de hervormde Afgescheidenen als weerspannelingen behandeld zijn geworden, zei Falck, wien Nederlandsche vrijheidszin in het hart lag: ik schaam mij Nederlander te zijn.82

Uw vader zou gesproken hebben, als Kemper, als Falck. Door deze onderstelling geloof ik beter voor de eer zijner nagedachtenis te zorgen dan wanneer ik aanneem dat hij ook de uitersten waarover sprake is, zou gewild hebben, indien hij ze voorzien had. Wilt gij voor het schoolwezen verbanning van de Heilige Schrift, verzwijging van de groote daden Gods en van den evangelischen zin en de levensovergaaf der vaderen op Nederlandschen grond? Mij dunkt, aan u behoef ik niet te betoogen dat het antwoord ontkennend zou geweest zijn. Zoudt gij, wanneer evenwel, om den nood der omstandigheden, zoo‑



danig onderwijs op de openbare school nuttig en noodig gerekend en van gouvernementswege ingevoerd werd, de oprigting van eigen scholen aan andersdenkenden beletten? Het zij mij vergund u te herinneren wat uw vader, indien we hem zoodanige vraag voorlegden, antwoorden zou. Hij zou ons verwijzen naar al hetgeen hij, met zooveel nadruk en klem, van het overdrijven der centralizatie, van het misbruik der beginselen van eenheid en ondeelbaarheid gezegd heeft. Nooit heb ik eene applicatie van die eenheid gewild waaruit de vernietiging volgen zou der civiele vrijheid. Indien ik voor de departementen het billijk zelfbestuur van hunne huiselijke belangen, als het ware kenmerk van die burgerlijke vrijheid, gewild heb, meent gij dat ik de verstooring van dit zelfbestuur tot in den kring van het familieleven zou hebben begeerd? Indien ik in zaken van financieel en oeconomisch belang mij met verontwaardiging tegen eene gedrochtelijke eenheid die het alvermogen in de hand van weinigen speelt, verklaard heb, breng dan op belangen en regten van meer tederen en heiligen aard met dubbelen ernst, de uitdrukkingen over waarvan ik mij bediend heb: `Indien men uit dit principe van eenheid nog meerdere consequentiën wil trekken; indien men daardoor alle zelfbestuur [, ook in locale en oeconomische belangen (waarmede het belang van het geheel in geen verband staat),] wil vernietigen, dan overdrijft men de beginselen; men zal [dan] weldra alle eenheid brengen tot eene eenheid van onderdrukking en overheersching; men zal onder de vlag van zoodanige eenheid weldra een Oostersch despotismus invoeren, en van de ware vrijheid en gelijkheid zal er onder zulk een[e] orde van zaken niet anders te vinden zijn dan welligt alleen de gewone opschriften op de plakkaten; en daarmede zal op den duur het Volk van Nederland niet te vreden zijn. Liever zou ik onder de [meest] woeste volken willen wonen dan in zoodanig een ondeelbaar Gemeenebest'.83

-------
Noten bij no. 68. Aan graaf Schimmelpenninck.


1 

ARA, G.v.P., no. 66 (De Vries no. 76), eigenhandig ontwerp. Aant. van Groen op de omslag: `Vervolg. Onuitgegeven. Misschien gedeeltelijk bruikbaar. 1875. Thans twijfel ik weer.' Met de marginale aantekeningen van Groen is bij de annotatie rekening gehouden. Ten dele bleken ze reeds in de tekst verwerkt te zijn.

2 

Groen bedoelt het Algemeen Verslag van de Commissie van Rapporteurs voor de wets‑ontwerpen, gezamenlijk bevattende een volledig ontwerp van Grondwets‑herziening, uitgebragt in de zitting van den 9den Augustus 1848, in Hand. T.K. 1847/8, 599‑606. Op p. 600 § IV. Het onderwijs. De bewerker dankt deze noot aan drs. G. J. Hooykaas.

3 

Zie Hand. T.K. 1847/8, 473. Groen citeert hier vrijwel letterlijk uit het op p. 471 beginnende Voorloopig verslag van de Commissie van Rapporteurs omtrent de wets‑ontwerpen tot herziening der Grondwet: `Desniettemin zou diezelfde meerderheid hare toetreding niet kunnen schenken, indien zij vreezen moest, daardoor mede te werken tot het doen verflaauwen van die aanhoudende zorg voor het openbaar onderwijs in zijnen geheelen omvang, welke bij art. 224 der bestaande Grondwet aan de Regering als een dure pligt is opgelegd.'

4 

Cf. Aan G. graaf Schimmelpenninck, p. 11; Grondwetherziening, passim; Ong. en rev., 2e dr., p. 224; 234; 274; 367(*). Ook in Groens andere werken komt dit woord veel voor.

5 

Het gesubstantiveerd adjectief laat zich verklaren uit de oorspronkelijke lezing: `protestantschen en roomschen, jesuïten met radicalen.' Cf. Vrijheid, gelijkheid, broederschap IV, 2: `Roomsche of Protestantsche Jezuiten.' Zie over de jesuïten ook Aan G. graaf Schimmelpenninck, p. 22; 103; Briefw. II, 888.

6 

Cf. 1 Tim. 6, 20.



7 

Cf. Aan G. graaf Schimmelpenninck, p. 8 waar vijf punten genoemd worden. Als vierde punt zou aan de orde komen op welke gronden Groen meende op de adhaesie van Schimmelpenninck te kunnen rekenen. Op p. 73 kondigt hij aan dit punt `in de eerste weken althans' te moeten laten rusten `ten gevolge van bijzondere omstandigheden'.

8 

Cf. Het regt der Hervormde gezindheid, p. 148 e.v.; Aan G. graaf Schimmelpenninck, p. 29.

9 

Cf. Briefw. II, 872, 3.

10 

Cf. Hand. T. K. 1848, p. 267; Schimmelpenninck, Rapport en missive, p. 30.

11 

Zie n. 86 van no. 39.



12 

Willem II.



13 

De tekst is hier mede gebaseerd op de oorspronkelijke versie, omdat Groens fragmentarische correcties niet tot een begrijpelijke zin geleid hebben.



14 

Cf. Ong. en rev., 2e dr., p. 272; 307.

15 

Cf. Ong. en rev., 2e dr., p. 286*; 296; 337.

16 

Cf. Mignet, Histoire I, 106; Ong. en rev., 2e dr., p. 307 (waar abusievelijk II, 109 wordt opgegeven.)

17 

Zie n. 10.



18 

Dit woord is abusievelijk ook doorgestreept. De oorspronkelijke lezing was: `. . . voor de democratie wijken.'



19 

Toespeling op de `gemengde staatsvorm'; cf. Aalders, Die Theorie, p. 129 e.v.; Zwaan, G.v.P., p. 352 e.v.

20 

Versta: onvergelijkelijke.



21 

Cf. Ned. Ged. III, 42; Ong. en rev., 2e dr., p. 26‑28; 407; Grondwetherziening, p. 350; Le parti, p. 42; Briefw. I, 279.

22 

Cf. Burke, Reflections I, 86 (= Works V, 125). Cf. Parkin, The moral basis, p. 15. Hier en in het vervolg worden Groens marginale bladzijaanduidingen van de editie van 1820 van Burkes Reflections benut. Naar die editie wordt (ook door de bewerker) in het onderhavige stuk geciteerd. Gemakshalve worden de overeenkomstige bladzijden uit de achtdelige uitgave van Burkes werken, die door Groen gewoonlijk gebruikt wordt, erbij vermeld.

23 

Cf. Burke, Reflections I, 41 (= Works V, 71).

24 

Cf. Burke, Reflections I, 138 (= Works V, 187); Ned. Ged. III, 43.

25 

Cf. Burke, Reflections II, 45 (= Works V, 273): `There are in England abundance of men who tolerate in the true spirit of toleration. They think the dogmas of religion, though in different degrees, are all of moment; and that amongst them there is, as amongst all things of value, a just ground of preference. They favour, therefore, and they tolerate. They tolerate, not because they despise opinions, but because they respect justice.'

26 

Cf. Burke, Reflections I, 62/3 (= Works V, 97): `The power of the house of commons, direct or indirect, is indeed great . . . The power, however, of the house of commons, when least diminished, is as a drop of water in the ocean, compared to that residing in a settled majority of your National Assembly.' Cf. Ong. en rev., 2e dr., p. 312, 2.

27 

Cf. Burke, Reflections I, 49 (= Works V, 81): `These opposed and conflicting interests, which you considered as so great a blemish in your old and in our present constitution, interpose a salutary check to all precipitate resolutions; they render deliberation a matter not of choice, but of necessity; they make all change a subject of compromise, which naturally begets moderation; they produce temperaments, preventing the sore evil of harsh, crude, unqualified reformations; and rendering all the headlong exertions of arbitrary power, in the few or in the many, for ever impracticable.'

28 

Cf. Burke, Reflections I, 132 (= Works V, 180): `But one of the first and most leading principles on which the commonwealth and the laws are consecrated, is lest the temporary possessors and life‑renters in it, unmindful of what they have received from their ancestors, or what is due to their posterity, should act as if they were the entire masters . . .'; Reflections I, 46 (= Works V, 78): `People will not look forward to posterity who never look backward to their ancestors'; Parlementaire studien III, 44; Ned. Ged., 2e serie, V, 331. Onduidelijk is het waarom het cijfer 121 door Groen in de tekst gezet is. Vermoedelijk verwijst hij naar Reflections I, 121 (= Works V, 167) waar Burke van de Engelsen zegt: `We are afraid to put men to live and trade each on his own private stock of reason, because we suspect that this stock in each man is small, and that the individuals would do better to avail themselves of the general bank and capital of nations and of ages.'

29 

Cf. Burke, Reflections I, 109 (= Works V, 152); Ong. en rev., 2e dr., p. 129, 1; Le parti, p. 43.

335).

30 

Cf. Burke, Reflections II, 92 (= Works V, 335).

31 

Cf. Pitt, Speeches II, 309. Zie over de betekenis van deze Speeches Ong. en rev., 2e dr., p. 27.

32 

Cf. Pitt, The Speeches II, 61; Ong. en rev., 2e dr., p. 239(*). Groen citeert uit Pitts rede van 30 dec. 1794 over het adres van antwoord op de troonrede.

33 

Cf. Pitt, The Speeches I, 445 (rede van 7 mei 1793 over de door Grey bepleite hervorming van het stelsel van vertegenwoordiging des volks in het parlement).

34 

Cf. Pitt, The Speeches I, 449/50. Groen heeft t.a.p. in zijn eigen exemplaar (in K.B.) aangetekend: `De N[ederlander no.] 821'. In dat no. van 28 febr. 1853 vindt men hetzelfde citaat in het Nederlands vertaald.

35 

Cf. Pitt, The Speeches I, 448/9.

36 

Cf. Pitt, The Speeches II, 309/10.

37 

Works VI, 69‑264; cf. Verscheidenheden, p. 98; Nederlander no. 179 (28 jan. 1851); Ong. en rev., 2e dr., p. 27, 2; Ned. Ged., 2e serie, V, 323; Maurice et Barnevelt, p. 146*; 158*.

38 

Cf. Burke, Reflections I, 77 (= Works V, 114).

39 

Cf. Handboek, p. 453.

40 

Cf. Stahl, Der christliche Staat, p. 17; Ter nagedachtenis, p. 35, 1. Groen verwijst in margine naar Evangelische Kirchenzeitung [1847], kol. 638. In die krant publiceerde Stahl zijn artikelen voordat ze in boekvorm verschenen. Het citaat staat evenwel in kol. 642/3. Naar kol. 638 verwijst Groen in Grondwetherziening, p. 110, 1.

41 

Zie n. 34 van no. 28. Cf. Verscheidenheden, p. 82; 251; Adviezen 1856/7 I, 134; 144; 169; 433.

42 

Cf. Ong. en rev., 2e dr., p. 123 e.v.; 194; 207; 227; 231; Grondwetherziening, p. 508‑529; Le parti, p. 40; Ter nagedachtenis, p. 75.

43 

Du contract social, ou principes du droit politique (Amsterdam, Rey, 1762). Cf. Ong. en rev., 2e dr., p. 192 e.v.; 231.

44 

Cf. Ong. en rev., p. VIII.

45 

Charles James Blomfield; cf. Briefw. II, 358; 368, 6.

46 

Cf. Blomfield, Speech in the House of Lords, July 5, 1839, p. 15. Bij Blomfield staat tussen `power' en `Education': `Looking at it only as it concerns the duty incumbent upon every Government, to prevent, and thereby to obviate the necessity of punishing crime, . . .'; De Raadt, Lager onderwijs (1843), p. 355 biedt een Ned. vert. van deze passage.

47 

De nu volgende bladzij is verkeerd gebonden en bevindt zich in het hs. achter vel 24.



48 

Cf. Blomfield, Speech, p. 10.

49 

Cf. Blomfield, Speech, p. 12.

50 

Cf. Blomfield, Speech, p. 17; De Raadt, Lager onderwijs (1843), p. 289; 356.

51 

Cf. Blomfield, Speech, p. 26.

52 

Marginale aant. van Groen: `Sermon on Febr. 18, 1838.' Bedoeld is Blomfield, National education; a sermon, p. 44.

53 

In het hs. ontbreken hier twee bladzijden.



54 

Concessieve bijzin.



55 

Vermoedelijk geen citaat.



56 

Cf. De Gasparin, Intérêts, p. 578; Aan G. graaf Schimmelpenninck, p. 22.

57 

Zie n. 10.



58 

Cf. Necker, De la révolution françoise I, 2, 69; Ong. en rev., p. 317. Groen geeft t.a.p. `II, 109' op. De raadpleging van diverse edities van Neckers werk heeft niet tot de oplossing van dit raadsel geleid. Blijkens Ong. en rev., p. 108, 1 gebruikte Groen de Parijse editie van 1797. Hetzelfde citaat ook bij Lourdoueix, De la restauration, p. 509 met verwijzing naar Necker, Oeuvres complètes IX, 299.

59 

Marginale aant. van Groen: `Ik m[een] dat mijne bed[enking] t[egen] uwe overnem[ing] v[an] E[ngeland] juist is. Mag ik, ter regtv[aardiging] v[an] m[ijn] gev[oelen] nog even op uwe ingen[omenheid] m[et] een quasi H[ooger‑]h[uis] wijz[en?] Ongetw[ijfeld] zou uwe E[erste] Kamer v[erre] verkies[lijk] zijn. Ongelijkheid van verspr[eide] repres[entatie] v[an] vele soorten; bestend[igheid]. Doch, ce n'est pas j[urer] gr[os]. Wie heeft ooit! Geen eenst[emmige] eenvoud. Maar wat nu. Fr[ansche] Pairs? Eng[elsche] P[eers]; geef eerst zood[anige] arist[ocratie]. Niet volkomen gelijk. Doch een gansch ander iets. Gekozen. Daarbij de volkswil. Fiévée [, Correspondance politique] I, 3 Beg[in].' Met deze verwijzing is het citaat van n. 64 infra bedoeld. In zijn excerpt van dit werk (bewaard in zijn exemplaar van Fiévée's Histoire de la session de 1815) heeft Groen bij deze bladzij aangetekend: `imitation de la const[itution] angloise: [I,] 20; 90; III, 67; 68; 73; 89; V, 25; 102; trois pouvoirs: exécutif, législ[atif], judic[iaire].' Fiévée zegt op p. 3: `Une espèce de jargon politique et sentencieux a proclamé comme un principe au‑dessus de toute contestation, qu'il y avoit trois pouvoirs: le pouvoir exécutif, le pouvoir législatif, et le pouvoir judiciaire. La grande chimère des facteurs de constitutions est de balancer ces trois pouvoirs de manière qu'ils se pondèrent.' De overige plaatsen hebben eveneens betrekking op de diepgaande constitutionele verschillen tussen het revolutionaire Frankrijk en het conservatieve Engeland. Groen `vertaalt' in Nederlander no. 457 (22 dec. 1851) de uitdrukking `ce n'est pas jurer gros' met: `die lof beteekent niet veel'. Cf. no. 52 (29 aug. 1850); Adviezen 1856/7 II, 206; Briefw. IV, 350. Zie ook Da Costa, Het oogenblik, p. 21 over de hersenschim van `een Britsche Kamer der Pairs' in Nederland.

60 

In de zitting van 25 maart 1848; cf. Hand. T.K. 1848, p. 267/8.

61 

Cf. Ned. Ged. I, 124; III, 118; Aan G. graaf Schimmelpenninck, p. 6.

62 

Cf. Schimmelpenninck, Rapport en missive p. 17.

63 

Zie n. 16.



64 

Cf. Fiévée [, Correspondance politique] I, 3.

65 

Cf. Zwaan, G. v. P., p. 115 e.v.

66 

Cf. Burke, Reflections I, 50; 51 (= Works V, 80‑82). Hoewel Groen een (vertaald) citaat suggereert, is sprake van een samenvatting. Zie ook n. 86 van no. 39.

67 

Marginale aant. van Groen: `Pitt [, The Speeches] II, 309.' Zie n. 36.

68 

Cf. Ned. Ged. I, 123; III, 42; 163; Handboek, p. 500; Ong. en rev., 2e dr., p. 204(*); Briefw. II, 17, 2. Blijkens de Jeugdcatalogus, p. 15 bezat Groen een Engelse vertaling: The constitution of England (1821).

69 

Cf. Adviezen 1840, p. 85; Aan de kiezers [De Vries no. 96] VI, 2; Parlementaire studien I, 5, 12, 1. Russell ondertekende de brief van koningin Victoria aan de National Society for educating the children of the poor in the principles of the established church. Zie voor deze `Queen's letter' de bibliografie sub Blomfield, National education. Zie ook Nederlander no. 1147, 1156, 1403 (20 en 30 maart 1854, 19 jan. 1855).

70 

Cf. Nederlander no. 1403 (19 jan. 1855); Briefw. II, 358, 5.

71 

De marginale aantekeningen verwijzen o.a. naar de bij n. 46 e.v. genoemde plaatsen uit Blomfields Speeches. Van het vervolg is slechts bruikbaar: `1839. Men erkent de misbruiken; men wenscht herstel; de vraag is omtrent de wijs waarop men ertoe geraakt. a) Government Board ([gebaseerd?] op the voluntary principle to exclude the Church of E[ngland] from the general education of the E[nglish] poor.' Zie ook n. 54 van no. 59.

72 

Op 8 juli 1839. Zie bibliografie sub Speeches on the governmentplan of national education; cf. Briefw. II, 369. Zie ook n. 41 van no. 69.

73 

Bedoeld is `An address from the committee of the Lay Union for the defence of the established church, on the subject of the education of the poor' d.d. 25 juli 1838. Dit adres waarschuwt voor de voorstellen van de (liberale) `Central Society of Education': `these plans would establish an Education without Religion.' Zie ook het vlugschrift d.d. 1 mei 1839 van hetzelfde comité o.d.t. National education (waarvan p. 2 over Russell).

74 

Hs.: `van'.



75 

Vrijwel letterlijke herhaling van p. 162.



76 

De met dit voegwoord ingeleide bijzin vindt pas zijn voltooiing in de zin: `Waarlijk ben ik overtuigd dat' etc.



77 

Cf. Briefw. II, 721; 764.

78 

Cf. De Nooij, Eenheid, p. 21 e.v.

79 

J. A. van der Heim van Duivendijke. Zie ook n. 33 van no. 61.



80 

Cf. Stukken betreffende de afwijzing, passim.

81 

Cf. Het regt der Hervormde gezindheid, p. 117; Grondwetherziening, p. 412 e.v.

82 

Cf. Het regt der Hervormde gezindheid, p. 125; Grondwetherziening, p. 413; Adviezen 1849/50 I, 120; Nederlander no. 1489 (1 mei 1855).

83 

Groen citeert hier Schimmelpenninck, Rutger Jan Schimmelpenninck I, 96/7.
69
1   ...   33   34   35   36   37   38   39   40   ...   78


Dovnload 7.64 Mb.