Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina39/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   35   36   37   38   39   40   41   42   ...   78
Aanteekeningen vóór het begin van de Kamerwerkzaamheid. 1849.1

[inleiding]


Te midden der algemeene rampen die Nederland met geheel Europa ondervindt en, naar alle waarschijnlijkheid, tegemoet gaat, heb ik voor deze bijeenkomsten2 een onderwerp ontleend aan de behoefte van den tegenwoordigen tijd. Ik wilde met u, ten aanzien van het antirevolutionair beginsel, het verband nagaan tusschen wetenschap en praktijk; ik wilde met u onderzoeken in hoever en op welke wijs de leer waarvan ik in het staatsregt, op grond van Gods Woord en van de ervaring der eeuwen, als verdediger optreed, bepaaldelijk ten huidigen dage en hier te lande in praktijk kan worden gebragt. In dit avonduur wensch ik vooreerst een blik op de omstandigheden te werpen; ten anderen te doen opmerken hoe mijne keuze daarin haar regtvaardiging vindt; en eindelijk u bekend te maken met de hoofdomtrekken die ik mij ter regelmatige verdeeling en geleidelijke behandeling voorgesteld heb.

Waar ik van de omstandigheden gewag maak, zal ik voorzeker niet beproeven u de geschiedenis der laatstverloopene maanden, in haar plotselinge uitbarsting en uitgebreiden omvang en ontzettende toedragt3, te schetsen. Ik vergenoeg mij, wat haar algemeene strekking aangaat, met de aanduiding van het verband dezer gebeurtenissen tot de wanbegrippen wier voortdurende werking wij vroeger in de historie van het gansche revolutietijdperk hebben aanschouwd. Wij hebben toen in de geschiedenis der laatste halve eeuw de opkomst en ontwikkeling van het revolutiebeginsel in de verderfelijkheid en onvermijdelijkheid der gevolgen erkend. Wij hebben gezien dat dit beginsel een uitvloeisel was van het ongeloof, hetwelk met verloochening der waarheid, gelijk die in Jezus Christus is4, begonnen, naar een stelselmatig Godverzaken, eerst in de wetenschap, daarna in regeling en bestuur van staat en maatschappij geleid heeft. Dat alzoo het ongeloof de bron geweest was eener revolutie die zich in eene menigvuldigheid van revolutionaire toestanden openbaart. Dat er geen mogelijkheid was van herstel dan door terugkeering tot het eenvoudig evangelie. Dat er op die terugkeering weinig uitzicht bestond. Dat er op de voortduring van een status quo uit het eigenbelang der gegoede standen geboren weinig rekening kon worden gemaakt; dat veeleer het eigenbelang der minvermogenden, niet bevredigd door de eenzijdige toepassing van het beginsel, nieuwe omwentelingen zou doen ontstaan, gelijksoortig in het voortbrengen van losbandigheid en willekeur, maar vreesselijker tevens, omdat het minder om de wijzigingen der staatsvormen dan om de omkeering der maatschappij zou te doen zijn.

Februarij 1848 heeft, sneller dan wij verwacht hadden, getoond dat er in deze beschouwingen geen onjuistheid, in deze vrees geen overdrijving geweest is. Troonen omvergeworpen, staatsregelingen vernietigd, oorlog, burgerkrijg, volken tegen volken in het harnas gejaagd; de losgelatenheid der driften; tooneelen wier toedragt aan de woestheid der middeneeuwen of aan de barbaarschheid van cannibalen herinnert; de voortgezette verwezenlijking van hetgeen in 1830 door Niebuhr gezegd werd: `wij hebben nu voor ons, ten ware God wonderbaar te hulp komt, een tijd van verwoesting, gelijk die tegen het midden van de derde eeuw in de Romeinsche wereld gezien werd: vernietiging van welvaart, van vrijheid, van beschaving, van wetenschap.'5 Wij gedenken aan de treffende voorspelling van onzen godvruchtigen landgenoot van Alphen: `Komt Europa in dien toestand, dat de Christennatiën hun nationaal Christendom [, door verzuim, of stellige verloogchening, geheel] verliezen, dan wordt het[zelve gelijk aan den toestand van Israël, toen zij den Verlosser der waereld, met versmading, verwierpen; en daardoor, even gelijk deze natie,] rijp voor eene groote en gedugte omwenteling, waarvan wij [ons] zo min een volledig denkbeeld vormen, als de grenzenlooze gevolgen berekenen kunnen.'6

Doch ik wensch u terstond, overeenkomstig mijn oogmerk, inzonderheid te bepalen bij hetgeen in Nederland plaatsgehad heeft. Niemand zal ontkennen dat er sedert maart . . .7


I een onderwerp ontleend aan de behoefte van den tegenwoordigen tijd
In [18]45 de geschiedenis als de ontwikkeling der revolutiebegrippen. Deze als uitvloeisels van het ongeloof. Dit de verloochening der waarheid die in Jezus Christus is. De terugkeering tot het evangelie de bron ook van waarheid en regt in de politiek. Weinig kans op die terugkeering. Dezelfde beginsels. Dus nieuwe uitbarsting; alsdan dezelfde losbandigheid en willekeur. Maar ook sociale omwenteling, Februarij [18]48.7a In de beginselen nec plus ultra. In de middelen. En nu ook in de reactie. Maar het begin. Zoo spoedig geen bedwang. Thiers c.s. [baseren zich op] de theorie van het eigenbelang.8 Daartegenover Proudhon c.s.9 Ook eigenbelang en consequent. De junijmannen [hadden] gelijk, niet enkel begin10. Lamartine11, enz. In geheel Europa! In Nederland. Van maart af. Volkomen onderwerping aan het radicalisme. Veel goede tegenwerpingen gemaakt; maar finalement toegeven. Geen volslagen omkeering; dit is ook vooralsnog niet begeerd. Maar onderwerping aan de beginsels: in den grond waarop en in de zoogenaamde hervormingen zelve. Volkswil oppermagtig (de koning12, de Kamers, buigen of de heilige opstand). De regtstreeksche verkiezingen; als ter uitoefening dezer oppermagt onmisbaar.13 Bijkans de monarchie van 1791, ook in den vorm. Het tegenovergestelde van hetgeen in 1847 verlangd werd; nagenoeg niemand zou die verandering oirbaar hebben gekeurd; algemeene weêrzin. Ook in 1848. Was het de triumf van begrippen, wier waarheid door overleg en ervaring duidelijk gemaakt was? Niets hiervan. Het contrecoup van hetgeen te Parijs gebeurd is. Het huldebetoon aan eene coterie, een maand tevoren bij de meesten in geen tel, door welke nu de geest der Parijsche omwenteling gerepresenteerd werd. Een terreur panique.14 Het weerstand bieden is inderdaad onmogelijk, wanneer iedereen meent dat er geen weerstand bieden te pas komt. Met alles [is het gesteld] als met de regtstreeksche verkiezingen (Thorbecke, Rede).15 Dit is de leus. En onder die leus het offerfeest van politische overtuigingen.16 Bijkans niemand wilde in Frankrijk de republiek. Bijkans niemand17 de regtstreeksche verkiezingen enz. Een zeer klein getal meester van de centralisatie en het consequente [deel]. In zeker opzigt kon het niet anders; omdat de revolutionaire vooruitgang volgt op revolutionair behoud; omdat in de betere beginselen geen kracht gezocht werd. De koning, de Staten‑Generaal, allen; alsof troon en vaderland met de onmipotentie van één man viel. En welligt [is dit] eenigzins waar, omdat er geen gouvernement meer bestond.18

Wat nu voor de toekomst? Als de willekeur in Frankrijk blijft bestaan, zullen dan niet de naauwelijks verworven vrijheden in de organieke wetten wederom teniet gaan? En zoo het socialisme tijdelijk triumfeert, zoo hier de republiek, de verdrijving van het huis van Oranje, en de wijziging van het eigendom verlangd wordt, waar is de waarborg tegen de voortzetting van het in [18]48 aangevangen werk? Waarom [zou] hier niet [gebeuren] wat in Parijs [gebeurd is]? Alsdan un fait accompli; l'ordre établi; de banier der eensgezindheid. Welligt zouden wij dan vernemen dat de pijnlijkste offers de meeste verdienstelijkheid openbaren. Een losgelaten stroom waardoor ook het vaderland wordt medegesleept. Ten onregte maakt men zich illusiën. De vorm moge dragelijk zijn, het zijn de beginsels die u leiden naar den afgrond. Moedeloosheid? Niet onverklaarbaar.19

Edoch, is er niet ook openbaring in de bevestiging der waarheden, ook wanneer zij worden miskend? Geen leerrijker cursus van antirevolutionair staatsregt dan de historie der laatste zegepraal van de revolutie. De volken hebben wederom van deze beker gedronken en de nadeelen der dronkenschap zijn wederom proefondervindelijk betuigd. Belangrijke bijdrage voor de wetenschap. Door wetenschappelijke verkondiging bedoel ik niet eene behandeling die binnen de grenzen der geleerde wereld beperkt is; maar eene behandeling die met de toepassing van het oogenblik in geen regtstreeksch verband staat. Er kan dus eene wetenschappelijke behandeling zijn ook op populairen trant. Geen wetenschappelijke Schadenfreude zij er. Magtige werking: de praktijk volgt. Deze wetenschappelijke behandeling vormt de openbare meening en voert gebied over de nakomelingschap.

Treffende voorbeelden. Wie heeft de revolutie voorbereid? De wijsbegeerte der achttiende eeuw. Wie de socialistische omwenteling? La Mennais20, etc., etc. Dit geeft bemoediging ook ten goede. Zou er dan bij de kinderen des lichts21 alleen geen belangeloosheid zijn, geen volharding? De moedeloosheid [wordt] gesystematizeerd. Wat zouden wij thans vermogen? Laat ons acht geven op de teekenen der tijden.22 Nu liever als individu, in onzen kring, het evangelie belijden en beleven. Zoo wezenlijk nut. Voorwaar dit is pligt voor iedereen. Maar is het de eenige pligt voor allen? Zijn wij niet leden van kerk en staat?23 Moet de koning zijn scepter neerleggen? De curator eener academie afstand doen van zijne betrekking? De predikant de kerk verlaten? Of moeten zij te meer standhouden, naarmate het gevaar grooter is? En wij dan, die behalve onze individuele pligten, als mensch en als christen, pligten hebben die stand, vermogen, wetenschap, aanzien ons oplegt; die ontstaan is uit den invloed die ons toebetrouwd is, moeten wij dat wapen uit de hand laten vallen, nu wij, in den buitengemeenen nood, met dubbelen aandrang, opgeroepen worden tot den strijd? Doch ik bedoel nog iets anders. Ik acht dat zij die het christelijk historisch staatsregt belijden, thans hier te lande een meer regtstreekschen invloed behooren uit te oefenen op de praktijk.24

Zal Nederland nog langer, in elke beweging door den geest die uit het revolutionaire Frankrijk of uit het oproerige Parijs tot ons overwaait, worden bezield? Altijd een satelliet van dat noodlottig gesternte? Altijd in die oscillatiën? Altijd in die atmosfeer? Zal het altijd in de magt van de eene of andere coterie staan, om zich op te werpen tot woordvoerders van een volk waarvan zij geen mandaat heeft; van een volk aan hetwelk zij haar eigen woord en wil in den mond legt; en om, zoodra zij het bestuur van het revolutionaire raderwerk in de hand heeft, aan de natie, met misbruik van haar naam alle evolutiën, alle kromme sprongen tot aan het salto mortale te doen maken, welke met het voorschrift der Parijsche balletmeesteren overeenkomstig, maar met het godsdienstig en politiek geloof, het belang, en het verlangen der natie in strijd zijn? In de zwakheid der welgezinden ligt de grootste kracht der tegenpartij. Laat ons ook de gunstige omstandigheden in het oog houden. De opwekking ten goede. Het wankelbare der overtuiging van velen door wie tevoren elke twijfel aan hun gevoelen als het gevolg van onkunde en huichelarij beschouwd werd. De noodzakelijkheid eener beslissende keus. Minachting voor de termes moyens.25 Illusiën telkens meer door de gebeurtenissen vervallen. Zelfs de hevige radicalen hebben nu een quatenus. Erkenning van een hooger wet boven alle geschrevene wetten. Meer eerbied voor de nationaliteiten.26 Frankrijk meer in toom gehouden. Belang in de doctrines (Fiévée, Correspondance et relations II, 236).27

Invloed. Maar dan geen op zichzelf staande coterie; geen wetenschappelijk systema slechts. Er moet vloeibaarheid zijn. Het punt van aanraking dient er te zijn. Indringen, infiltreren. De toepassing. Invloed is ook geen geweld.28 Maar dan behooren wij allereerst zelven juiste begrippen te hebben omtrent den aard en de mogelijkheid van dezen invloed.29

Hiertoe wenschte ik iets te kunnen bijdragen. Eenige gedachten in het midden brengen omtrent

a. den toestand waarin wij geraakt zijn (revolutionair socialisme); zich oriënteren;

b. de noodzakelijkheid der christelijk historische beginsels;

c. de algemeene grondregels der toepassing;

d. de praktijk die ten huidigen dage in Nederland te pas komt.

Allereerst, altijd en overal de valsche beginselen tegenspreken (Fiévée, Histoire de la session de 1815, p. 225).30 Wel moedelooze berusting, mais pas dégoûtés des principes (Fiévée, Correspondance et relations I, 14331; Histoire de la session de 1815, p. 92).32Men moet weten wat men wil. Daartoe eerst weten wat men gelooft. Partij vormen (in een goeden zin). Geene factie. Partij; gemeen overleg: Evangelische Kirchenzeitung [18]46, 129.33 Wat is onpartijdigheid? Geen afscheiding van den staat, evenmin als van de kerk. De beginsels van den Nederlandschen historischen christelijken staat maintineren. Spreken over de bijzondere quaestiën van constitutie, wetgeving, enz.; omdat daarbij de gelegenheid [zich voordoet] om de beginsels te doen uitkomen, die ons alleen kunnen staande houden in den ontzettenden strijd. Een station afgelegd op den revolutionairen weg, achter de Parijsche locomotief.34 Vrijmoedigheid is noodig; the true republican spirit (Burke, Works VII, 320).35 De grondwetherziening van [18]48 is het edict eener partij. Niet de koning, of de Dubbele Kamer heeft ze gemaakt, maar eenige ellendelingen. Veel zal nu afhangen van de wijs waarop de organieke wetten gemaakt worden: Gazette de France 29 dec. [18]40.36 Willem III bij Burke.37 Gentz, Voorrede.38 Pitt in 180639 (Luther ).40 Energie van weinigen (Burke, Works VII, 318).41


II in welken toestand wij geraakt zijn
De aard der gevaren, waarin de staat en de maatschappij verkeert. De revolutie van 1848 is voortzetting en wijziging der algemeene revolutie. Voortzetting ten aanzien van den staat; wijziging ten aanzien van de maatschappij. Voortzetting. In Frankrijk. Revolutie van februarij 1848. Dat het de voortzetting is, blijkt bij het letten op de oorzaak en op het gevolg.

Oorzaak: Men heeft die in personen en omstandigheden gezocht. Veel tegen Guizot, tegen Louis‑Filippe; zoo men de troonrede zachter had ingerigt; zoo er meer troepen geweest waren; zoo, enz. Een stelsel van geweld, van corruptie, steunende op een deel van het volk; onwil om concessiën en hervormingen te verleenen. En vroeger zoo geroemd. Geen lof genoeg voor de bekwaamheid, het beleid, de energie van den eenigen vorst, bewaarder voor gansch Europa van orde en vrede. Men heeft teveel toegeschreven aan den persoon. Er was, gelijk vroeger aan een Napoleon, zoo later aan een Louis‑Filippe behoefte. Vandaar hunne kracht. Neem Louis‑Filippe weg in 1831: het zou groote ongelegenheden hebben gebaard; men danke de voorzienigheid die hem behoed heeft; maar toch, de omstandigheden zouden welligt spoedig een anderen Louis‑Filippe hebben gevormd of op den voorgrond gebragt. Avantage de position.

Doch nu gaat men wederom te ver aan den anderen kant. `Et je n'ai mérité [ni cet excès d'honneur ni cette] indignité.'42 Hij had moeten toegeven, zegt ge. Maar het doel der wenschen, die als eischen geformuleerd werden, is nu bekend. Had men dan zoo gaarne 1848 eenige jaren vroeger gehad? Was de proef van een ministerie Thiers in [18]36 en [18]40 zoo uitlokkend? Zijt gij hem geen dank schuldig dat hij zoo lang de schutsheer van rust en vrede geweest is? Hij heeft de ontwikkeling tegengehouden; maar zoo dat op den duur het zwichten onvermijdelijk werd. En ook dat kon niet anders. Hij had geene keus. De beginselen waarvan hij uitging, gaven hem de middelen aan de hand waarvan hij zich bediend heeft. De schuld lag in de beginsels. In 't voorbijgaan mag ik doen opmerken dat de meest behendige politiek, waar zij aan wanbegrippen ondergeschikt is, slechts een omweg is naar het verderf. De politiek van les faits accomplis, van de juste milieu, enz., door Louis‑Filippe gevolgd en door de mogendheden erkend en ondersteund, als het eenige redmiddel, werd langen tijd toegejuicht. Vergelijkenderwijs heeft zij die toejuiching verdiend.43 Maar wat heeft zij op den duur gebaat? Het was een sluiten, geen genezen van de wond. Zoo men in 1830, zonder met onverstand op Frankrijk los te rukken, met waardigheid en kalmte het onregt afgekeurd had, zou men tot eene goede en bestendige uitkomst hebben kunnen geraken; terwijl nu integendeel ellende, op ruimer schaal, voorbereid werd.

Doch, eenmaal het revolutionair rigtsnoer aangenomen zijnde, houde men in het oog:

1. het stelsel van behoud was alleen mogelijk (Ong. en rev., p. 392)44;

2. het is met ongemeene bekwaamheid ten uitvoer gelegd. Systema; steunpunt in de bourgeoisie. Middelen en taktiek;

3. daarbij was al datgene onmisbaar waardoor men ten val werd geleid:

a. de centralizatie. Alles geconcentreerd in Parijs. Het bewind wordt door une journée gestort. Sedert 14 julij 178945 altijd. Moniteur46 en telegraaf is genoeg. Nu treffender dan ooit. Maar hoe kon Louis‑Filippe dit instrument missen! Ook hem ontbrak het niet aan vijanden. Ook zijn bestuur was eigenlijk eene partij, gedurig meer eene triumferende coterie. En de centralizatie is steeds het middel geweest waardoor het revolutionair bewind de talrijke wederpartij in toom houdt.47

b. Het fictieve der volksvertegenwoordiging. Het was erg, vergeleken met de eischen der volkssouvereiniteit. Doch het eigenaardige van het systema is handhaving der revolutie op het standpunt dat zij bereikt heeft; en in de toepassing der beginsels het quatenus dienovereenkomstig. De gansche staatsvorm berustte op een fictieven volkswil. Het wegnemen der fictie was de vernietiging der magt waardoor burgerkrijg en algemeene oorlog belet werd.

c. De misbruiken. Geweld; de septemberwetten48; de forten, enz.49 Corruptie. Voorbijzage der algemeene belangen. Strijd over portefeuilles. Vooral ook daardoor wrevel en afkeer.50 Maar regeer eens met dezelfde beginselen, op andere wijs (Napoleon, Ong. en rev., p. 378).51 Als het lot van den staat afhangt van de meerderheid eener Kamer, en als gij met die meerderheid u staande moet houden tegen partijen wier magt, ook omdat zij tegenover u regt hebben, geducht is. De revolutie van februarij 1848 was even onvermijdelijk als die van julij 1830, als de val van Napoleon, van het Directoire, van Robespierre. Elk dezer revolutionaire gouvernementen had zijn kracht in een systema waarvan de ontwikkeling zoowel onvermijdelijk als verderfelijk was. Deze omwenteling is dus ook eene schrede op den revolutionairen weg. Zeer verklaarbaar, zeer natuurlijk. De voortzetting der revolutie op het sedert 60 jaren ingeslagen spoor.52

Gevolg. Eene republiek. Welk eene transitie. Zoo langen tijd een koning. Niemand bijkans wilde eene republiek. Hoe is het mogelijk dat, tegen den wil van allen, een nietig hoopje zoodanige omkeering teweeg heeft gebragt! Eene omkeering ware op die wijs niet mogelijk geweest. Geen plotselinge revolutiën. De uitbarsting moge onverwacht en de vernieling in een oogenblik voltooid zijn, eene revolutie is slechts de openbaarwording van hetgeen volbragt is. Alle constitutionele gouvernementen waren revolutionaire republieken. Onder de Restauratie evenzeer. En Louis‑Filippe! Waarin lag zijne kracht? Immers niet in de koninklijke prerogatieven van het gewijzigd charter, maar hierin dat hij, aan het hoofd van een parlementair gouvernement, als president eener republiek, uitnemend gemanoevreerd heeft. Le gouvernement personnel; hijzelf de eigenlijke voorzitter van het ministerie. Maar juist dit is eene anomalie. Voor een constitutioneel koning is dit teveel; de concentratie van het revolutionair alvermogen in één persoon. Een revolutionaire autocratie; en, om in den zin der ouden het woord te gebruiken, eene erfelijke tirannij.53 Het was te voorzien dat men zich, bij de eerste gelegenheid, van het overtollig en schadelijk element zou ontdoen. Wegwerping van een staatsvorm, die tot miskenning van het wezen der zaak geleid had. De proeve met den burgerkoning was mislukt. Men had een medeburger onder den naam van koning, de koning had onderdanen, met den naam van medeburgers gewild. Louis‑Filippe usé. Afkeer van die bestendige dictatuur eens konings, zoowel als van de bekrompen kieswet. Behoefte aan de realiteiten van gemeenebest en volkssouvereiniteit. La république met de suffrage universel had nu in de aaneenschakeling der revolutionaire gebeurtenissen haar eigenaardige plaats.

Dit over den staatsvorm; maar nu het gevolg, ook in het wezen der zaak. In dit opzigt de voortzetting, eenigermate de repetitie zigtbaar. Gelijk in [18]30 en [18]31 onder Laf[f]itte54, hebben wij, onder Lamartine c.s. de strekking naar regeringloosheid [ge]had. Gelijk zij, bij de oproeren van februarij [18]31 voor Casimir‑Périer55 en geweldige willekeur plaats gemaakt heeft, zoo thans, na den junijstorm, wederom eene eenhoofdige dictatuur, die de ontwikkeling der geproclameerde beginselen met spanning van materieel geweld in bedwang houdt. Sterker dan in [18]47. Zooals Louis‑Filippe de Rehabeam56 was, zoo moet Cavaignac57 nog willekeuriger dan het vorig bewind zijn. Actie en reactie. Het terrorisme en Bonaparte. Het liberalisme en de doctrinaires.58 Het herlevend jacobinisme en het juste‑milieu. Het socialisme, van februarij tot junij, en het militair bewind. Mouvement et résistance.59 De tegenstand evenredig aan de heftigheid van den vooruitgang. Telkens met eene variatie op hetzelfde thema gespeeld.


IIIa wijziging
In die wijziging zelve de eigenaardigheid van het revolutionair beginsel. Vroeger politieke vraag, nu sociaal. Vroeger om de staatsvormen, nu om het wezen der maatschappij. Vroeger wie zal regeren? Nu, wat moet van elke regering ten behoeve van het volk worden verlangd? Vroeger het regt, nu het genot der volkssouvereiniteit. Vrijheid, gelijkheid, broederschap.60 Het socialisme, het communisme. Vernietiging van eigendom, en huisgezin. Eene secte! Vreemd, buitensporig, onzinnig; een excentriciteit. Niets van dit alles. Dan was het gevaar minder. Neen, geen revolutie, maar de evolutie van het beginsel. Het corollarium van hetgeen men sedert lang voor politieke axiomata houdt. Eenheid met alle vroegere revolutionaire rigtingen. De conventionele staat, de volkssouvereiniteit, het algemeen belang. Geen verkregen regt tegenover dat regt. Indien allen regt hebben op vrijheid en gelijkheid, dan moeten zij ook vrij en gelijk zijn. De vorsten, de adel, de privilegiën weg; maar nu ook verder. Geen verschil der stenden. Deze rigting volkomen analoog met al het vroegere. Reeds Rousseau, Robespierre. Toen tusschenstand. Nu wederom beproeven. Louis Blanc, Lamartine.61 Quaestie enkel van toepassing, niet van beginsel. Het is onregt, het is despotisme, het is miskenning van het wezen en doel van den staat. Volgens antirevolutionaire beginselen voorzeker, maar sedert lang zijn de tegenovergestelde begrippen gevolgd. Iedere partij heeft ze voor zich geutilizeerd. Nu hetzelfde despotisme van den revolutionairen staat (Ong. en rev., p. 241)62, ten dienste niet van eene politieke meening, maar van de behoefte van het deerniswaardige en te lang door fraaije woorden en vertoon van regten bedrogene volk.

Absolute staat. Het revolutionair beginsel in zijn ganschen omvang en met vermenigvuldigde kracht. De armen tegen de rijken. Die niets hebben tegen hen die iets bezitten. En dan met die beginsels, met dat fanatisme. Wraak en begeerlijkheid63 als pligtbesef. Strijd tegen gewapende beginsels64; strijd tegen de geestelijke boosheden in de lucht (Appel).65 Waar zijn nu de middelen ter verdediging? Het gezag. Maar gezag bestaat eigenlijk niet meer. Geweld. Het regt des sterkeren. O ja, zoo gij op den duur de sterkere zijt. De redenering. Thiers en Proudhon. Thiers levert ons een uitmuntend betoog: de beginselen waarop elke maatschappij rust.66 Maar palinodie.67 Hij wil ook hooger beginselen, de vroome man! Maar instrumentum regni.68 Eigenbelang. En geestdrift, voorzeker: de geestdrift van het eigenbelang. Adorer la propriété, zooals Lamartine.69 Zeer persuasief voor degenen die ook verontwaardigd zijn, als over eene miskenning van het algemeen welzijn, over hetgeen met hun eigen welzijn in strijd is. Ook bij Proudhon c.s. eigenbelang en fanatisme. Fanatisme ook voor revolutionaire waarheid en regt. In de Nationale Vergadering slechts eene stem voor Proudhon. Zeer begrijpelijk. Het is niet te midden der vijanden dat men goedkeuring en ondersteuning verwerft. Doch hij heeft ook vrienden. Zullen deze de redenering van Thiers c.s hooren, verstaan, willen begrijpen? Zijn er geen blinde hartstogten? Die blind en doof tegelijk zijn, en waarop de logica geen vat heeft. Er is hier een oorlog, een regtsgeding, een wetenschappelijk verschil. Ziet men het dikwerf dat een krijg reeds in den aanvang voorgekomen wordt door de uitnemendheid van een manifest; dat de tegenpartij door de pleitmemorie overtuigd van de erfenis afziet; dat spoedig, waar tweederlei opvatting is, de eensgezindheid op een voortreffelijk betoog volgt?

1   ...   35   36   37   38   39   40   41   42   ...   78


Dovnload 7.64 Mb.