Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina4/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   78

a. Leerstellig onderrigt der gezindheden. Voor de leeraars, voornamelijk: het hoogere; dus ook een lager. De school is voorbereiding.

b. Onderrigt in vakken, waarop de bijzondere denkwijs der gezindheden een onvermijdelijken invloed heeft; de geschiedenis, de zedekunde en ook dat lagere leerstellig onderwijs. Catechismus, Kort begrip79; voor de protestanten de bijbellezing. Dit is eene conditio sine quâ non. Ik dacht dat dit gezamenlijk kon. De roomsch‑catholijken [zijn] tegen onze vertalingen, niet tegen den bijbel; tegen de lezing van sommige boeken, niet tegen allen. Hieronymus80, Augustinus.81 In Ierland81a en elders. Wij hechten daaraan. Onderzoekt de Schriften.82 Tim[otheüs] van kindsbeen af.83 Maar dus ook in afzonderlijke uren. Doch een integrerend deel van het schoolonderwijs.

c. Lezen, schrijven, taal, rekenen. Te zamen. Doch ook hier moet de geest der school godsdienstig, dat is: christelijk zijn. Is het noodig? Cousin [, De l'instruction publique I,] p. 41.84 Is het mogelijk? Ik ben niet voor leerstellige verdraagzaamheid. Christus onder een deksel; maar Christus85! De uitspraken van den Heer zelf, van Johannes, de brieven van Paulus zelf.86 Maar hier is de quaestie over leerstellige overeenstemming. Philipp[enzen] 3 v. 16.87 Genoeg overeenstemming om aan de kinderen eene christelijke opleiding te kunnen geven. Ne[i]gebaur, [Das Volks‑Schulwesen,] p. 43.88 Zeer geringe wijziging in de Wet van 1806.89

Objectie: Het behoeft dáár niet.

Refutatie: Er is geen quaestie van een meester die één uur les geeft; maar kinderen te zenden jaren achtereen in eene school, een groot deel van den dag. Welke scholen zullen dat zijn! Hoe is het uitvoerlijk! In dergelijken omvang. Hoe zal men daarvoor meesters vinden!

Objectie: Het zal elders geschieden.

Refutatie: Het moet geschieden op de school. Anders onzeker, ongenoegzaam.

Objectie: De onderwijzers onbekwaam, onbevoegd hiertoe. Het wezen der school vervalt.



Refutatie: Onbekwaam. Thans welligt; doch waarom? Zij zijn door het vigerend stelsel achteruitgegaan: Visser, Brieven, p. 69.90 Anno 1822. Normale school91 op dien voet. Onbevoegd, dewijl zij nu in geen verband [staan] tot de kerk.

Objectie: Verward, onbestemd.



Refutatie: Zie Cousin, [De l'instruction publique I,] p. 51; 88.92

Objectie: Het is niet geoorloofd volgens de grondwet. Deze moet daarstellen eene gemengde school voor allen, ook voor de joden.



Refutatie: Verschillende explicatiën van de grondwet. Hetzelfde vague93 als op vele plaatsen. Zorg is zeer onbepaald; openbaar onderwijs evenzeer.94 Art. 19195: bescherming.96 Maar althans niets meer dan dat het gouvernement verpligt is scholen daar te stellen gelijkelijk voor alle de gezindheden. Geenszins dat zij zamengedreven moeten worden in ééne en dezelfde school. Eene school die aan alle gezindheden mishaagt. Ik beroep mij op den bisschop van Luik, [Exposé,] p. 11.97 Ook op den onzen.98 `Alleen op afzonderlijke scholen kan zoodanig onderwijs gegeven worden als de grondwet waarborgt.'99 Eene goede school, waar joden en christenen te zamen opgevoed worden, is bijna ondenkbaar. Doch een gouvernement mag gemengde scholen daarstellen, indien dit plaatsheeft met genoegen der gezindheden. Ik herhaal niet wat ik omtrent de exceptionele positie der joden, de vermelding van het christelijk beginsel in de Wet van 1806, enz. gezegd heb.

De grondwet is voorzeker niet christelijk, gelijk100 zij dit behoorde te zijn in verband met ons nationaal101 karakter; maar zij heeft het christelijk beginsel niet zoo stellig verloochend. Hier zou het zijn: la loi est athée102; practicale godverloochening; toepassing daarvan op de instellingen van den staat. Mogen wij dit? Wij kunnen trachten zulks door private inrigtingen te verhelpen; maar mag het daargesteld worden? Neem aan dat de grondwet dezen zin heeft. Welk christen zou deel kunnen nemen aan het bewind? Zou een eed op die grondwet kunnen doen? Dan zouden wij allereerst herziening der grondwet aan Z.M. moeten vragen.

Er zijn er geweest die met den heer van H[ugenpoth] meenden dat de school voor alle gezindheden toegankelijk moest zijn. Maar waarom? Omdat zij het niet verpligtend, maar raadzaam keurden, op hun standpunt meenende dat allen door eene algemeene zedekunde, het best zouden opgevoed worden. Zulke scholen of geene scholen is hetzelfde. Zij kunnen niet blijven bestaan. Alle christenen die prijs stellen op hun geloof, zouden een afkeer hebben van dergelijke inrigting. Van de Roomsch‑Catholijke kerk is dit blijkbaar. Zooveel mogelijk, overal instellingen ertegen.103 Ik laat u edelmoedig het leven; maar ik omring u met magtige vijanden; ik ontneem u uwe wapenen; ik geef ze aan uwe tegenpartij in de hand. Het is een omweg om tot de splitsing te geraken. Voor mij hangt van dit punt alles af. Daarom, zal ik met het overige wachten.

Eén punt nog. Kan de zaak geregeld worden bij Besluit? In 't algemeen een onderwerp van wetgeving: art. 226104; 145.105

Objectie: Er is veel bij Besluit geschied.

Refutatie: Zijn dit navolgenswaardige antecedenten? Er is geen onderwerp waarbij de natie meerder belang heeft.

Objectie: De Wet106 blijft in haar geheel.

Refutatie: Het gansche systema wordt ten ondersteboven geworpen. Algemeen opzigt van den staat. Scheiding van staat en kerk. Toenadering der gezindheden. Strenge beperking der vrijheid. Het is eene alteratie, eene vernietiging der Wet, maar die opgeteekend zou worden in een nieuw reglement. Mijn sustenu omtrent de noodzakelijkheid eener wet is steeds door de bekwaamste en ijverigste roomsch‑catholijken verdedigd. De Staten‑Generaal [zijn] lastig, omslagtig; zij kunnen tegenhouden, weigeren106a; de spanning kan hiertoe medewerken. Maar de grondwet.107 Maar zij kunnen ook nuttig zijn. Bijvoorbeeld zoo de Besluiten van 1825108 aan de wetgeving waren onderworpen. Het is zoo gemakkelijk met één persoon109 te doen te hebben. Gemakkelijke triumf is wel eens een kortstondige triumf en de voorbode van een nederlaag. Men wil dien weg heen; bij Besluit. Maar . . .

Objectie: Onze werkzaamheden zullen ijdel zijn.



Refutatie: Er zijn sommige punten die de regering zelve kan doen, ter billijke executie van de Wet. In die hypothese110, zou men dan een stelsel willen doordrijven hetgeen men erkent aan de meerderheid der nationale vertegenwoordiging te mishagen. Des te meer reden tot nadere overweging. Noodwendige matiging onzer eisschen. Ik zou welligt in abstracto ook zijn, zoo niet voor splitsing, toch voor meerdere concurrentie. Maar ik zou meenen thans door het systema van christelijke gemengde scholen veel gewonnen te hebben. Waarmede verklaarden de roomsch‑catholijken in 1836 tevrede te zullen zijn? Met minder dan hetgeen zij nu verkrijgen zouden (Gev[aarlijke] str[ekking,] p. 72).111

Op dat punt is vereeniging der commissie mogelijk. Zoo er bij ons geene vereeniging is, zal er die ook bij de natie niet kunnen bestaan. Door dit plan wordt het bezwaar der roomsch‑catholijken weggenomen; de bezwaren verdwijnen die tot dusver aangeheven zijn. Nu zou er bevrediging kunnen wezen. Thans geen gebed, geen lofzang, geen leesboek. Niets gemeen. Maar, gaat men nu veel verder, dan brengt men zichzelven, Z.M. en den staat in onoverkomelijke moeijelijkheden. De zaken kunnen niet zóó blijven. Het eenige remedie is gediscrediteerd: de wezenlijke hervorming der gouvernementsscholen; op zoodanige wijs dat er voor eene positieve christelijke opvoeding worde gezorgd. Het meerdere112 zou bij de protestantsche bevolking een onverwinbaren tegenstand ontmoeten.
28/?/dec. 1840.
[I.] Maatregelen die Z.M. zou kunnen nemen ook zonder uitdrukkelijk Besluit. Door dispositiën van Binnenlandsch Departement op last des konings. De evenredigheid113 tusschen de gezindheden meer in het oog houden bij de aanstelling der schoolopzieners, der onderwijzers.

Revisie der boekenlijst. Gemengde commissie. Ieder erkend kerkgenootschap [moet worden] uitgenoodigd om een afgevaardigde te zenden. Uitgaan van het beginsel: vermijden wat voor eenige gezindheid aanstootelijk is. Op den voorgrond stellen wat alle gezindheden gemeenschappelijk aannemen.



Circulaires ter bekendmaking van den geest waarin de regering wenscht dat het onderwijs plaatshebbe. Daaraan de meeste publiciteit [geven].

II. Maatregelen bij Besluit. Deze kunnen plaatshebben ter executie van de Wet. Ampliatie en alteratie der reglementen in den geest der Wet.114

In aanmerking nemende de bezwaren welke, tegen den aard en de strekking van het godsdienstig onderwijs in de lagere scholen, op onderscheidene wijs ter onzer kennis zijn gebragt115; willende al aanstonds, in afwachting eener eventuele herziening van de wetten en reglementen op het lager onderwijs, de uitvoering dezer verordeningen in meerdere overeenstemming brengen met derzelver geest en bedoeling115a; gelet op art. 32116 van het Reglement; op het rapport der commissie, enz.; den Raad van State gehoord:

Art. 1. De artikelen 22117 en 23118 van het Reglement voor het Lager Schoolwezen worden vervangen als volgt:

22119. Alle schoolonderwijs zal moeten strekken om, onder het aanleeren van gepaste en nuttige kundigheden, de kinderen op te leiden tot die zedelijkheid welke op de geloofswaarheden en voorschriften der openbaring berust.

23. Ten aanzien der openbare120 scholen wordt bepaald:

a. De onderwijzers zijn verpligt zich te onthouden van al wat hetzij aan elke, hetzij aan eenige gezindheid120a billijken aanstoot zou kunnen geven. Ten waarborge der rigtige nakoming dezer verpligting zal

aa.121 De school toegankelijk zijn voor de leeraars van elke gezindheid, waarvan een kind ter schole gaat.

bb. In elke gemeente eene plaatselijke schoolcommissie zijn, waarvan de121a leeraar der meest talrijke protestantsche gezindheid, ter keuze van den kerkeraad, en de roomsch‑catholijke pastoor, zoodra een kind zijner gezindheid ter schole gaat, voor die school regtens medelid is.121b

cc. Eene gemengde staatscommissie worden benoemd122, aan wier beoordeeling elke klagt tegen den onderwijzer, schriftelijk aan den schoolopziener en door dezen, met zijne c[onsideratiën] en a[dviezen]123 aan Binnenlandsch Departement opgezonden, ter beoordeeling123a zal worden voorgelegd. De onderwijzer zal door vermaning, intrekking der speciale admissie, intrekking der algemeene toelating, naar gelang der omstandigheden, kunnen worden bestraft.

dd.124 Dezelfde staatscommissie zal worden belast met eene jaarlijksche revisie der gebeden, gezangen en boeken die, bij uitsluiting van alle anderen, ten dienste der scholen worden bestemd.

b. Elk onderrigt dat, uit den aard der zaak, de kenmerkende leerstellingen eener bijzondere gezindheid regtstreeksch of zijdelings betreft, zal voor de kinderen dezer gezindheid afzonderlijk en met overleg der respectieve kerkelijke besturen, plaats moeten hebben.125

c. Het eigenlijk leerstellig onderrigt zal, in of buiten de school, door den leeraar of van zijnentwege geschieden.126

2.127 Normale scholen. Afzonderlijk voor de roomsch‑catholijken en voor de protestanten, zoodra wij onderwijzers verlangen die voor de geheele school geschikt zijn.

3. Welligt familiescholen.128
[Het] verzuim [moet] aan de kerk worden herinnerd.129 In 't bijzonder moeten wij, protestantsche leden, aan Z.M. verzoeken dat bij deze gelegenheid voor de dagelijksche bijbellezing worde gezorgd. Eerst hierdoor wordt een der grootste bezwaren van de protestanten uit den weg geruimd. Gods Woord weder op de scholen. Velen zeggen ons: `die lezing is in den geest der Wet'; zie de Instructie van Van den Ende130; het geschiedt op vele plaatsen. Het is ook niet onmogelijk. De roomsch‑catholijken waren er vroeger niet zóó tegen. Maar zoo het voor catholijken niet mag zijn, laat dan tenminste voor protestanten gehandeld worden in den geest der Wet, en overeenkomstig het geloof dat wij belijden. Dat zijn de Schriften die ons en onze kinderen wijs kunnen maken tot zaligheid.131 Zware verantwoordelijkheid, indien wij daaromtrent thans niet een algemeenen maatregel provoceerden.132
28 dec. [1840].
Nu de wettelijke bepalingen. Het advis133 stellig en toch algemeen. Wij komen hier toch eenigzins als partij; als representanten eener bepaalde opinie; de catholijken, de protestanten die geklaagd hebben, de voorstanders van het bestaande134; een bemiddelaar.135 In een zeker opzigt onpartijdig. Vatbaar voor overtuiging, inlichting, teregtwijzing. Verlangend naar toenadering en overeenkomst, maar toch behoudens onze beginsels, onze denkwijs. Wij kunnen die beginsels niet terzijde stellen, onze individualiteit niet verloochenen; niet afgaan van ons standpunt. Zoodanig compromis zou ook niet doeltreffend zijn. Wederzijdsche opofferingen, maar binnen den kring onzer grondbeginsels. Zoo wij ons afscheiden van onze partij, zal onze partij ons niet erkennen; en het tractaat hier gesloten zal door de natie niet worden geratificeerd.

De verbetering der gemengde scholen is niet genoeg. Er moet ruimer vrijheid zijn om bijzondere scholen daarnevens te stellen. Anders blijven de bezwaren bestaan.

a. Gesteld al eens het systema der gemengde christelijke scholen kon overal goed ten uitvoer worden gelegd, zoo zullen er toch velen zijn die meer verlangen: eene meer doorgaande protestantsche of roomsche strekking. Vrees voor onderwijzers van eene andere gezindheid.

b. De uitvoering zal, vooral in den beginne, zeer gebrekkig zijn. Vastgewortelde verkeerdheden worden niet eensklaps uitgeroeid. Niettegenstaande alle bepalingen en waarborgen, zullen er op vele plaatsen scholen zijn, die niet aan den eisch van de thans klagende roomsch‑catholijken en protestanten voldoen.

c. Die klagten zullen, bij de beperking der bijzondere scholen heviger worden:

aa. omdat er geen uitweg is;

bb. omdat de meesters niet voor de mededinging zullen vreezen: het krachtigste middel om hen in toom te houden.

Dezelfde tegenstand zal zich weder verheffen. En wel van den kant dergenen die, om den aard hunner bezwaren, al deelt men er niet in, het meest verdienen te worden gehoord.

Eene herziening der wetten en reglementen op het lager onderwijs is volstrekt noodig.

1. Om die wetten duidelijker te maken en in verband en zamenstemming te brengen. Ook de Raad van State dringt erop aan.136 Verouderde zaken. De straf van inbanning.137 Gebrek aan behoorlijke definitiën. Lager onderwijs.138 Openbaar onderwijs en openbare scholen. Aldus antinomiën. Verbeteringen: vernieuwing van het examen.

2. Om die verordeningen in overeenstemming met de grondwet te brengen, die het onderwijs aan de zorg der regeering, maar als een onderwerp van wetgeving, toevertrouwd heeft. Bijvoorbeeld de autorisatie in het Besluit van 27 mei [1830].139 De koning heeft in 1829140 eene wet voorgedragen. Het onderscheid tusschen wet en besluit behoort niet willekeurig te zijn.

3. Om, met behoud van het goede, wijzigingen daar te stellen in het systema der Wet van 1806. Teruggave van een regtmatigen invloed aan de kerk; geen uitsluitende leiding van het gansche onderwijs door het gouvernement.

Nader en ronduit mijn gevoelen over die Wet. Zoo men zegt dat zij het onderwijs uit een diep verval opgebouwd heeft, erken ik het; groote schuld rust op den staat en de kerk: volkomen verwaarloozing; het godsdienstonderrigt geschikt om tegenzin te verwekken. Vergelijkenderwijs voortreffelijk; doch zoo het, bij elk voorstel, genoeg is te zeggen: in de achttiende eeuw was het niet beter, was het erger dan nu, dan zou elke poging nutteloos zijn. Die Wet is een kleinood, een troetelkind der natie, uit den boezem der natie ontstaan, eene echt nationale wet. Niet door een gouvernementsbevel, [maar,] allengskens, uit maatschappijen, uit het volk. Maar [die Wet verdient] niet den naam van nationaal in een hoogeren zin. Zij was de natie niet meer; zij verloochende de grondtrekken van haar bestaan. Wat is het kenmerk der Nederlandsche natie geweest? Gehechtheid aan het christelijk geloof en zucht naar eene vrijheid bestaanbaar met de orde in de maatschappij. En, zonder een te ongunstig oordeel te willen vellen, zoo is de invloed van het ongeloof en van de revolutionaire theoriën onmiskenbaar in de achttiende eeuw ook hier te lande. De verwezenlijking dezer theoriën sedert 1795. Onverschilligheid met miskenning van de regten der kerk, jagen naar eene valsche vrijheid, welke in de willekeur eindigt van een centraliserend beheer.



De afspiegeling dezer twee antinationale hoofdtrekken vind ik terug in de Wet van 1806. Vereeniging der gezindheden op de school, niet uit christelijke verdraagzaamheid, maar uit philanthropie141; uit onverschilligheid omtrent het roomsche of protestantsche, ook wel omtrent het christelijke dogma.141a Weggenomen verband tusschen school en kerk, kerkleeraar en schoolonderwijzer. Deelneming der geestelijkheid, maar bij toelating; daarna poging tot uitsluiting. `On craint l'intervention du curé.'142 Willekeur. Ik vraag niet of zij zacht is in de praktijk; maar naar het beginsel. Art. 12 der Wet van 1806.143 De Raadt, [Lager onderwijs,] p. 233.144 Niet in het allerminste opgelost, ofschoon hij het ongerijmd noemt.145 Die ongerijmdheid ligt geheel in den geest der revolutionaire wetgevingen. Zoo in Frankrijk. Royer‑C[ollard] zegt: `L'Université a [donc] le monopole146 de l'éducation, à peu près comme les tribunaux ont le monopole de la justice'; Van Bommel, [Exposé,] p. 170.

De resultaten van de Wet van 1806. In België. Dat stelsel van scheiding tusschen school en kerk, en van eigen algemeen beheer van het schoolwezen is welligt de voornaamste oorzaak der revolutie van 1830 geweest. In de Vereenigde Nederlanden. Het is de oorzaak der tegenwoordige spanning. Wat is de natie door dit stelsel geworden? De toestand der klassen die het volksonderwijs ontvangen. Algemeene klagten over toenemende onkunde in het ééne noodige147; over zedeloosheid en armoede.147a Maar is hier oorzaak en gevolg? `Non post hoc = propter hoc.'148 Zoo het onderwijs goed is, dan zou de gevolgtrekking verkeerd zijn; maar als hierover verschil is, zou dan de gesteldheid der natie geene praesumtie149 zijn? Even zooals Cousin in omgekeerden zin.150

De Wet van 1806 is het troetelkind der natie geweest. Ik wensch verandering, niet slechts der bepalingen, maar ook der beginsels. Ook van dat stelsel kan gezegd worden wat Royer‑Collard zegt van de Fransche universiteit: `elle151 a été élevée sur cette base fondamentale que l'instruction et l'éducation publique appartiennent à l'Etat': Van Bommel [, Exposé,] p. 170. Op dien valschen grond heeft de staat zich maar al te zeer meester gemaakt van de regten van de ouders en van de kerk. Ons medelid K[ist]152 heeft deze aanmatiging verdedigd. In zijn oog is zij een regt. `De staat, niet de kerk heeft de verpligting om het onderwijs op zich te nemen.' Want, zeide hij, de kerk is in den staat en niet de staat in de kerk. Elders door hem ontwikkeld.153 Doch ik protesteer ertegen, en hijzelf weet dat deze meening door zeer velen verworpen wordt. De staat in de kerk leidt tot theocratie, in den ongunstigen zin van het woord154, de kerk in den staat tot cesaropapie.155 Kerk en staat zijn beide onafhankelijk in hun kring156; zij hebben vele aanrakingspunten; regten en belangen doorkruissen zich; er moet wederkeerige eerbiediging en ondersteuning zijn.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   78


Dovnload 7.64 Mb.