Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina40/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   36   37   38   39   40   41   42   43   ...   78

Ziet bij dit alles de wezenlijke ellende der lagere klassen. Bedenkt dat zij nu vermeerdert; en dat met het klimmen der revolutionaire driften het klimmen der armoede onvermijdelijk is. En dan `ventre affamé', en `Mourir en combattant'.70 Het praktisch atheïsme. Daartegen is alleen het christelijk geloof bestand.

Het tafereel, zegt men, ondanks zijn somberheid, is juist. Maar voor Frankrijk; wanneer men het op Nederland overbrengen wil, niet. Laat ons zien of er genoegzame reden bestaat voor deze meer gunstige beschouwing. Nu in Nederland. De revolutie van maart 1848. In hoever ook deze voortzetting en wijziging. Dat Nederland een gerevolutioneerd land is, dat het de verschillende stations, achter de Fransche locomotief afgelegd heeft, is eene uitgemaakte zaak. Maar de revolutie van maart 1848! Was er eene revolutie? Mij dunkt ja: als het voertuig door de hollende paarden bergaf wordt geslingerd, is de vraag of de teugels met geweld ontrukt of wel uit de hand gevallen zijn, van ondergeschikt belang. Voortzetting.



Oorzaak. De revolutionaire vooruitgang het gevolg van het revolutionair behoud. Ik wil onzen vorigen regenten niet hard vallen: alleen, wanneer zij smalen op hetgeen nu gebeurt, moet ik hun doen opmerken dat de politiek die zij afkeuren door de politiek die zij gevolgd hebben, ten zetel gebragt is. Hoedanig was het behoud bij ons? In zekeren zin, hier het nec plus ultra.71 In Frankrijk wijzigingen, uitzigten; weinig, het is zoo; maar hier volkomen onbewegelijkheid. Geen grondwetherziening; maar ook, binnen het constitutioneel terrein, geen beweging, geen leven, geen verbetering, geen overleg. In Frankrijk eenige vrijheid; hier volslagen willekeur, gebleken in kerk en onderwijs. Administratie, geen regering; au jour le jour. De nationale glorie resumeert zich in de wet van 184472, dat men wel betaald heeft. Status quo; maar als men stilstaat, wordt men overvleugeld. Behoud, maar behoud van het revolutionair beginsel is ontbinding van de maatschappij. Deze staatkunde, alsof de staat een voorwerp was dat voor licht en lucht moet worden bewaard. Dit kan zeer lang duren; namelijk, zoolang het licht en de lucht er niet bijkomt; als in Herculanum73; maar dan ook, als het systema van behoud uit is, vindt men voor het welgeconserveerde ligchaam, bij de minste aanraking, stof. In Frankrijk was er veel talent bij de regering. Hier niet, ik zeg niet in de administratie, maar in de regering; niet omdat er geen bekwame menschen aan het bewind zijn geweest, maar omdat voor de behoefte der conservatieve politiek, om de zachtheid en zoetheid der oppositie, in en buiten de Kamers, eigenlijk niet veel inspanning vereischt werd.74 Er was ook hier eene revolutionaire autocratie, somtijds gesmaldeeld tusschen de ministers; krachtig door routine, egoisme, apathie; maar zonder betrekking op de consequente liberalen, of op degenen die hooger beginsel belijden. Eene vis inertiae. Eene autocratie op zichzelve staande; een boom zonder steun of wortel, die bij de eerste windvlaag zou bewijken. Met de taktiek van het behoud was geen redding mogelijk. Geen weerstand en geen concessie meer kon baten. De 27 wetten75; de quantiteit was er; analogie met de vijf wetten van 1840.76 En toch voor het behoud eene ontzagchelijke concessie. Het water moest zijn loop hebben. Een dijk dwars tegen de stroom baat niet.77

Gevolg hier te lande. De republiek. Nu toch wel geene monarchie, omdat er jaarlijks vijftien ton aan iemand die koning heet en, naar den wensch eener vergadering, eenige benoemingen doet, worden betaald. Ik laat de bedoelingen daar.78 Ik wil die heeren als royalisten en Oranjelui beschouwen; evenwel op hun eigen wijs. Une république plus une roi.79 Daarbij eene revolutionaire republiek, met veel vrijheid in beloften en vooruitzigt. Het regt wordt wederom erkend: in de theorie, later zal men de praktijk zien. Inderdaad slechts voortzetting en ontwikkeling van hetgeen ook reeds bij ons was. Erfelijkheid eener revolutionaire autocratie kon op den duur niet. Nu hebben wij een parlementair gouvernement; in een slechten vorm, maar toch een parlementair gouvernement. Een waarborg van bestendigheid in een staatsvorm minder goed dan die welke in Frankrijk weggevaagd is. Daarbij in verband met den volkswil: uitbreiding van den census normaal en de koning zelf eene anomalie. Zal de republiek ook hier, en misschien spoedig afgekondigd worden? Onzeker. Verplaats u in maart; overdenk wat er in de laatste maanden plaatsgehad heeft; aan wie Nederland onderworpen geweest is. Vergelijkenderwijs veel rust in Nederland. Heugelijke zaak; evenwel ook de rust kan te duur worden betaald. De rust is niet goed, wanneer zij aantoont, dat een volk voor het ondergaan van elke vernedering, voor het dragen van ieder juk rijp is. Rust omdat de veer brak; stilte, omdat de snaar sprong. Rust ook wanneer men straks wegneemt wat met Nederland naauw vereenigd, maar in het constitutioneel zamenstel overcompleet is? Deze quaestie, vroeger van het hoogste gewigt, is thans van ondergeschikt belang. Het gevaar heeft gansch andere proportiën in onzen tijd.

De wijziging. Hier nog geen socialisme op den zetel. Maar wel in het vooruitzigt. Wij worden voortgetrokken; wij volgen na. Dus spreekt het vanzelf dat anderen ons vooruit zijn. Zoo de mijn is aangestoken, zullen wij dan gerust blijven, omdat de ontploffing nog verwacht wordt? Dezelfde beginsels ook hier. Het liberalisme, het radicalisme. Dezelfde toestand der maatschappij. Behoefte en ongodsdienstigheid.80 Vreesselijkheid der gevaren hier en elders. Ook thans wederom illusiën. Het socialisme buitensporigheid en overdrijving. Het zal zoo erg niet loopen. In Nederland een uitgelezen volkje; een oasis in de revolutionaire woestijn. In de doos van Pandora lag de hoop; maar men heeft daarvoor de illusie in de plaats gesteld81; de troost die aan het menschdom toegedacht was, is alzoo in een oorzaak te meer van rampspoed en ellende verkeerd. De illusie brengt afleiding teweeg. Men zoekt de hulp waar zij niet is. Ook Nederland [zoekt de hulp] weder in de vormen. Om den voortgang te stuiten, moeten wij niet zelf worden medegesleept. Alleen in een hooger beginsel, alleen in de christelijk historische waarheid ligt onze kracht.82 Deze in verband brengen met den toestand waarin de staat en de maatschappij verkeert.


IIIb positie‑nemen tegen revolutie. behoud en vooruitgang
Geene toevallige partijen; de eenvoudige en noodwendige openbaarwording van het revolutionair beginsel. De een [is de] voortgezette toepassing, de ander het statu quo. Men kan niet vooruitgaan zonder omverwerping; men kan niet behouden zonder stationair te zijn. Beiden gaan uit van een beginsel hetwelk verderf aanbrengt en knellen den staat en de maatschappij in vormen waardoor alle ware ontwikkeling en wenschelijke instandhouding onmogelijk wordt. Mouvement et résistance. Wij wenschen behoud der onveranderlijke wetten van natuur en regt in Gods wil gegrond, in Gods ordening blijkbaar. Behoud van al wat daarmede overeenkomt. In dezen weg vooruitgang. Conservatie en hervorming.

Behoud. Met aanneming van het revolutionair beginsel.83 Ook in landen die nog niet gerevolutioneerd zijn. Men handhaaft de bestaande orde; maar verbetering wordt onmogelijk, omdat zij in revolutionairen zin en geest plaatshebben zou. Bijvoorbeeld in Nederland [17]87‑[17]95. Evenzoo in gerevolutioneerde landen. Dan handhaving der revolutionaire wanorde op het punt dat zij bereikt heeft. Men laat het ware beginsel verloren gaan. Men behoudt alles; goed en kwaad. Vis inertiae;ongenoegzaam. Lijdelijk afwachten (Gespräche, p. 432; 434).84 In gevaar geen ander redmiddel dan geweld. Het [behoud] geeft niet wat het belooft; instandhouding en orde (de staat wordt eene mum[m]ie). Het onthoudt de goederen waarop de tegenpartij teregt het oog vestigt; het behoudt niet op den duur. Integendeel. Het is tijdelijk nuttig en onmisbaar. Napoleon in 1799. Louis‑Filippe in 1830. La Martine tegen de roode vlag. Cavaignac in junij. Maar Napoleon moest als tyran vallen; het juste‑milieu was ongenoegzaam. Het behoud van [18]48, met l'état de siège en de gebonden drukpers, [was] ook niet zeer bestendig. Dus geen alliantie mogelijk. Aanneming der weldaden, niet teregtwijzing en protest. Zoo [was het] behoud hier. Danken dat er geen radicalisme geduld werd. Maar afkeuren dat op die wijs de weg naar het radicalisme gebaand werd.



Vooruitgang. Op een verderfelijk spoor. Geeft geen vrijheid. Het schrijft de aanneming voor van een stelsel dat losbandigheid teweegbrengt en verdrukking van al wie deze valsche vrijheid niet begeert.85 Onthoudt ons orde en rust; brengt noodwendig reactie teweeg. Het is ook tijdelijk nuttig en brengt eenige verbeteringen. Dank ook aan het liberalisme, in zoover het tot den val van Napoleon heeft medegewerkt. Maar telkens weder nieuwe onrust. De beide rigtingen [hebben] tegen elkander gelijk. Scylla en Charybdis. De girondijnen tegen de jacobijnen; maar ook vice versâ; Napoleon tegen de anarchisten; maar ook [de anarchisten tegen Napoleon]. De constitutionelen tegen de radicalen, maar ook de radicalen tegenover het fictieve. Beide verderfelijk. Wij kunnen ons niet onvoorwaardelijk verblijden in den val van het behoud; als dam tegen de radicalen. Wij kunnen niet met vreugd en vertrouwen de weldaden aannemen, omdat het schijn is. Dus geen onderwerping, geen alliantie, geen capituleren met beginsels. Stelselmatige oppositie. Eigen politiek. Het beginsel bestrijden ook in de gevolgen. Wat heeft men nu sedert maart gedaan? Aan de bedoelingen en maatregelen regt doen wedervaren. Niet vergeten dat er sympathie en affiniteit is.86 Dat ons systema alleen aan beide[n] kan toonen en geven wat voor beiden verlangd wordt. Alleen in die beginselen de ware eenheid van behoud en vooruitgang.87
IV overzigt der wetenschap in haar revolutionaire afwijking
Protest der wetenschap (Ong. en rev. II).88 Hoe is dan de valsche wetenschap ontstaan, ontwikkeld, overmagtig en bijkans alleenheerschend geworden?89 De genealogie der wanbegrippen90 toonen. De opvolging der systemata.91 De ouden. Ideale en empirische wijsgeerte; Plato en Aristoteles. De staat het geheel, waarin de burger zich oplost. Doch de godheid. Middeneeuwen. Augustinus. Vertegenwoordiger van zijn tijd. Naauwe vereeniging van kerk en staat; maar zóó dat de staat eigenlijk alleen om de kerk daar is; in dienst van de kerk; dus teregt tegen eene scheiding; maar tevens een kiem van de theocratie, van de hierarchie, volgens welke de kerk den staat vormt, en het geloof met burgerlijke strafwetten handhaaft. Het pauselijk systema (tevens de wetenschap). De twee zwaarden. Paus en keizer (59).92 De Hervorming. Heeft deze dwaling der theocratie weggenomen. De zelfstandigheid van den staat. Het ware droit divin. Het ambt heilig; niet elke verrigting. Gods Woord de toetssteen. De overheid bevestigd (Triglandt). Grotius en Descartes. Deze zijn verder gegaan. Wegnemende het theocratisch karakter, maar ook den band met de godheid zelve. Eigen vrijheid, subjectiviteit. De genoegzaamheid en onbedorvenheid van rede en zedelijk gevoel voor wetenschap en moraal. De reflexie uitnemend; maar het verkeerde lag in de onderstelling der genoegzaamheid van het denken, zoodat openbaring en geschiedenis konden worden gemist. Dit lijnregt tegen de Hervorming (72). Dit beginsel van rationalisme en revolutie (72).93 Groote verdiensten van De Groot voor het volkenregt, enz. Maar oorsprong van den staat in een contract. Theoretische volkssouvereiniteit; nu wordt hij inconsequent (p. 164). Desniettemin de kiem voor de revolutieleer (165; 169; 170). Hobbes. Absolute staat (176).94 Monarchomachi (287).95 Sidney. Locke. Eindelijk Rousseau (295).96 Contrat social. Helvetius97, enz. (atheïsme, genieting). Uit hem98 alle de politieke wanbegrippen. Souvereine volk. Volkomen democratie (république rouge?).99 Uit hem evenzeer alle de socialistische dwalingen (in verband evenwel met Locke en Helvetius, enz.). Communisme (302; 320, sqq.).100 Affiniteit met alle de heerschende dwalingen. Uit één wortel gegroeid. Een vrucht die alles in zich resumeert. Allen, in zeker opzigt, gedwongen bondgenooten te zijn. Geene theorie, naar de omstandigheden: à la Talleyrand: Mignet, [Notices et] mémoires I, 145.101

Herinneren dat de actuele volkssouvereiniteit met den aankleve van dien (volkomen scheiding van kerk en staat, overheid uit den mensch, wegneming der stenden, geen continuïteit) met de openbaring, geschiedenis en wetenschap van alle tijden in strijd is102; dat de valsche notie van den staat in de wetenschap en in de praktijk eene oorzaak van valsche systemata en van despotisme en revolutiën geweest is; [dat] de oorzaak van de revolutie in het ongeloof ligt; en de oorzaak van het ongeloof minder in de wetenschap dan in den algemeenen afval ligt; [dat] deze afval niet in de Hervorming [geworteld is]; dat de valsche wijsbegeerte dien afval geformuleerd, gesystematizeerd heeft; afval van den levenden God; dat de ergste stelsels en revolutionaire misdrijven der ongeloovige politiek en zedeleer slechts de ontwikkeling geweest zijn en - uit het oogpunt der ongeloo‑

vige politiek en zedeleer - regt, waarheid en deugd (Helvetius en communisme; Kant, Fichte, enz.103); dat er dus geen redmiddel is dan terugkeering tot den Heer.104
V de historische school105 en de wijsbegeerte der revolutie
Wat is het verschil? Waar ligt het kenmerk? Het punt van uitgang? Het primum verum of falsum? De historische school. Men beweert dat zij vraagt enkel naar bestaan en niet naar regt; dat al wat is, even daarom goed en regt is. Gerigt enkel op de dingen die men ziet; op hetgeen voorbijgaat. Hulde aan de overmagt. Vraagt naar hetgeen is, niet naar hetgeen behoort te zijn. Geen algemeen staatsregt, enkel individuele staten, waarin het regt door de omstandigheden gevormd wordt. Een zoogenaamd stelsel waaraan het eerste vereischte van een stelsel, eenheid en zamenhang ontbreekt.

Dit is eene karikatuur. De historische school wil ook het wezen der dingen. Zij heeft haar algemeene begrippen; een regt dat zich afdrukt en afspiegelt in de historische toepassing.106 Algemeen staatsregt. Het regt wordt niet door de omstandigheden gevormd; maar wel de verscheidenheid der regten door het onveranderlijke regt, gelijk het zich, in verband met de omstandigheden, belichaamt107 en ontwikkelt. Gezegde van Schelling (Beschouwingen, p. 74).108

Maar nu de revolutionaire wijsbegeerte? Men zegt: zij stelt de historie geheel terzijde. Zij ontwerpt theoriën voor een ander soort van schepselen. Zij laat zich aan de ervaring niet gelegen liggen. Louter bespiegeling, droombeelden, beuzelarij. Ook dit is onjuist. De historische school heeft haar algemeene regtsbeginselen; wat in den loop der gebeurde dingen daartegen strijdt, noemt zij misbruik en onregt. Evenzoo de philosophie der omwenteling. Zij verwerpt of veracht de historie niet; maar zij beweert dat, zoo haar algemeen regtsbeginsel goed is, zij door geen menigvuldigheid van historische feiten welke daarmede in tegenspraak zijn, moet worden bedwelmd. Hierin heeft zij gelijk. De historische school wil ook filozofisch, de filozofische wil ook historisch zijn.

Er is een hooger realiteit waarvan de eigenlijk gezegde historie slechts de afschaduwing is. Een hoogste regt, waarvan de toepassing pligt is. De strijd is niet tusschen eene abstracte theorie en eene beginsellooze praktijk. Maar wat is waarheid, wat is regt? Eigenlijk waar ligt de grondslag en de oorsprong van waarheid en regt? In de openbaring of in de rede? In den wille Gods of in het goedvinden van den mensch? Geloof en revolutie. Geen verscheidenheid van standpunt, maar bron van alle waarheid en regten; of van alle dwalingen en verkeerdheid. Bovenaan het aanzijn van den levenden God; bodem en oorsprong van alle wezenlijkheid. De schepping naar Gods beeld; de val, de zonde en dood, de gestadige belofte van verlossing. God de hoogste wetgever; eigendom, huwelijk, erfregt, overheid, staat zijn heilige instellingen Gods; voorwaarden van de ontwikkeling der menschheid. Zijn dienst in kerk en staat. De natuur der dingen is tevens de ordeninge Gods. Dus is de mensch daaraan onderworpen. Geen verandering dezer wetten, maar inrigting en wijziging en hervorming der maatschappij dienovereenkomstig. Dit is gegeven, vastgesteld, bepaald. Onafhankelijk van de goed‑ of afkeuring van den mensch. Beginsel van wetenschap en rigtsnoer van bedrijf. Altijd dus onomstootelijke waarheden en verkregene regten. Voortduring en aaneenschakeling. Geen losbandigheid van een wetgever. Het spoor, de rigting is afgebakend. Continuïteit. Die beginselen zijn geen onderwerp van conventie.109 Vrijheid, omdat men in den band der verkregene regten een waarborg tegen willekeur heeft.

Maar nu de wijsbegeerte der revolutie. Ongeloof. God niet. Dus menschvergoding (Stahl, Die Philosophie2 I, 305); geen steunpunt dan in de rede en dan wel van ieder mensch. Altijd een valsche onderstelling en een onuitvoerlijk ontwerp. De mensch goed; dus het kwaad enkel door de verkeerdheid der inrigtingen. Verbetering der inrigtingen, zoodat er een volkomen ontwikkeling van den mensch zij. Vrij en gelijk; dus regt en staat enkel door conventie. Werking van den algemeenen wil als wil van allen. Alles gebouwd op hetgeen niet is. Dus een stelselmatige omkeering van al wat waar en regt is. Onvervreemdbare regten van den mensch. Telkens den staat scheppen naar het goeddunken des oogenbliks. Geen zamenhang. Pouvoir constituant.110 Alvermogen der meerderheid. Strijd tusschen christendom en atheïsme (Stahl, Die Philosophie2 II, Pr. 7).111 Deze vraag omtrent de historische school112 of de revolutionaire wijsbegeerte domineert alle politieke quaestiën omtrent staatsvormen, enz. Geene utopiën, maar realiteit.
VI vastheid van beginselen
Dan kunnen wij al wat billijk is toetsen. Elke concessie van dien aard wordt dan een middel ter bevestiging .

1. De misbruiken en verkeerdheden erkennen. Geen verbloemen; geen panegyricum. Daarin de afwijking [aanwijzen]; de kracht van het beginsel desniettegenstaande. Geen laudatores temporis acti.113 Van der Palm.114

2. De verdiensten waarderen der tegenpartij.115 Niet moedwillig verkleinen; maar bovendien, zonder het beginsel goed te keuren, de daden prijzen; moed en dapperheid, al is de zaak onregtvaardig. De omstandigheden in het oog houden, waardoor een daad, niet lofwaardig op zichzelf, verschoonbaar of prijselijk wordt. Bijvoorbeeld Montesquieu. Langen tijd een orakel. Nu bij velen in minachting (Haller).116 Oppervlakkig; heeft de Engelsche constitutie niet begrepen; de auteur van een wonderlijk constitutionalisme . Maar toch verdiensten.117 Hij wil waarborg tegen willekeur der vorsten; analogie der wetten met den geheelen toestand van een volk. Geen vereeniging van wetgevende, regterlijke en uitvoerende magt in één persoon of vergadering. Schleiermacher. De individuele vrijheid in geloofszaken. Te ver gegaan. Alles subjectief gemaakt; den band van kerk en staat vernietigd; geenerlei openbaarwording van volksgeloof toegelaten. Eene zijde evenwel der waarheid.118 In ons vaderland: Van der Palm. De handelingen en gewrochten van het revolutietijdperk; bekwame mannen; loffelijke daden. In 1795 de energie tegen de jacobijnen. In 1801‑[180]6 pogingen ter nationalizering. In 1813. Een Schimmelpenninck. De wet van 1806. Mits wij ons wachten voor de onverschilligheid van het fatalisme.

3. De voordeelen erkennen die de revolutie aangebragt heeft. Het ongeloof heeft de doode orthodoxie te schande gemaakt. De liberale filozofie het vroeger despotisme. Of was de regering van een Lodewijk XIV of van de meeste Duitsche vorsten zeer begeerlijk? Ook in Nederland was er na 1725‑1747 verademing. De revolutie. Erkenning van de menschenregten; erkenning van het volk als eenheid; waarde van het volk. Niet volkssouvereiniteit (Stahl, Die Philosophie2 II, 2, 407).119 Princip der Humanität (Stahl, Die Philosophie2 II, 1, 274). Socialisme en communisme. Gevolg eener wezenlijke behoefte. Het kan zoo niet langer; een streven naar eene betere staathuishoudkunde (Stahl, Die Philosophie2 I, 323). Iedereen is absoluter Zweck (Stahl, Die Philosophie2 II, 2, 82). Geen vrije concurrentie (Stahl, Die Philosophie2 II, 2, 84). Doch het zijn voordeelen waarvan men enkel door terugkeering tot de hoogste waarheid (het antirevolutionair beginsel) genot heeft. Geen beter geloof. Geen minder despotisme. Geen eerbiediging der regten van den mensch. Geen verbetering van den toestand der armen.120

4. Erkennen dat de revolutie, in menig opzigt, het goede verlangt. Zij dwaalt niet in hetgeen zij zoekt, maar in de wijs waarop.121 Zij zou anders den schijn hebben van alleen de voorstanderes te zijn van hetgeen waar, goed, schoon is.

Vrijheid. Wij verlangen die; maar de revolutie maakt haar onmogelijk om dat zij

a. het gezag wegneemt;

b. vrijheid met gelijkheid wil;

c. vrijheid voor eene meerderheid; van een Collectiv‑Wesen (Stahl, Die Philosophie2 I, 305);

d. eene anarchie teweegbrengt, die zelve despotiek is en een ander despotisme der reactie voorbereidt.122

Gelijkheid. Echte, zeer behartigenswaard; die in het verschil van stand en betrekking haar bevestiging vindt (Stahl, Die Philosophie2 II, 1, 265). Valsche (Stahl, Die Philosophie2 II, 1, 264; Fiévée, Correspondance politique X, 70).123

Algemeen belang. Dit heeft men altijd gewild. Maar de revolutie

a. verheft het tot onvoorwaardelijk voorschrift; geen eerbiediging van regt en waarheid, als zoodanig;

b. laat de bepaling over aan eene meerderheid; aldus het eigenbelang eener coterie;

c. stoort zich aan geen bijzondere belangen en verkregene regten, in wier behartiging en handhaving iedereen belang heeft;

d. stelt het algemeen belang in de verwezenlijking van theoriën waardoor algemeene ellende onvermijdelijk wordt.

Nationaliteit. Een krachtige hefboom. Maar wat kan de revolutie voor de nationaliteit verrigten?124 Volk is haar eene vereeniging van vrije en gelijke menschen. Een beginsel van

a. ontbinding: het volk van Zeeland, van Zwol, enz.;

b. dwang;

c. onverschilligheid omtrent het nationale;

d. vijandschap, waar het hinderlijk is;

e. in het volkenregt conventie, convenientie; geen verkregene regten tegen het Europesche salut public.



In Nederland aan den leidband van Frankrijk. Met Frankrijk vereenigd; zamensmelting met België. De natie onder het juk eener revolutionaire overmagt. Van haar dierbaarste panden ten behoeve der revolutie beroofd. Protestantisme, christelijk onderwijs. Maar nu zal dan voor de nationaliteit worden gezorgd. De verbrokkeling of aaneenhechting tegen den eisch van volksgeest was revolutionair. Frankrijk belooft eerbiediging der nationaliteit. Duitsche eenheid. De nationaliteit verward met een centraal bewind, dat andere nationaliteiten weinig eerbiedigt (evenals de Hongaren de Croaaten) - een nieuw soort van frontières naturelles -, de natie aan eene revolutionaire factie onderwerpt. De eenheid van eene staatsmachine; van een revolutionair despotisme, in plaats van de eenheid des geestes. Was er geen eenheid in Nederland in 1572 en 1672; ook toen de staat in provinciën en steden was versnipperd? Waren wij meer nationaal van 1795‑1813, onder een volkomen unitarisme? De eenheid in Frankrijk onder le comité de salut public en onder Napoleon was ook eene eenheid der natie, doch in welken zin? Duitschland. Bezweek het in [17]94, enz. voor Frankrijk, omdat het onder verscheidene vorsten bestuurd werd? [En?] om den invloed der beginsels was het in 1813 onder één bewind? Ontbrak het toen aan eenheid en kracht? Was de verdeeling van het gebied of wel het liberalisme de oorzaak eener willekeurige en flaauwhartige politiek van [18]15‑[18]48? Is deze eenheid niet de leus en het begin eener schroomelijke verdeeldheid, zoodat Duitschland alleen door geweld tegen ontbinding kan worden behoed?
1   ...   36   37   38   39   40   41   42   43   ...   78


Dovnload 7.64 Mb.