Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina45/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   41   42   43   44   45   46   47   48   ...   78

112 

Marginale aant. van Groen: `Historische Rechtsbildung: Gespr[äche, p.] 251. Stroom der tijden. Stahl [, Die Philosophie2] I, 564; in het heden ook het verledene: [I,] 569; de hist[orische] sch[ool] wil dus ook eene voortdurende ontwikkeling: [I,] 581.' Radowitz zegt p. 250/1: `Eben so wenig willkürlich, eben so wenig vom menschlichen Fürwitze gewollt und gemacht, als der Gang der Geschichte überhaupt, eben so wenig ist es die historische Rechtsbildung.' Stahl zegt op p. 564: `Es geht eine Ueberlieferung und eine Fortbildung der Zustände und der Begriffe vom Anfang des Menschengeschlechts durch seine ganze Geschichte durch. Die Gegenwart ist nur ein Moment in dieser ununterbrochenen Strömung . . .'; op p. 569: `die Vergangenheit is nicht blosz transitorische, sie ist immanente Ursache der Gegenwart, sie ist als Vergangenheit, als das, was sie war, noch in ihr enthalten'; op p. 581; `Das kann nicht genug hervorgehoben werden: es ist wahrhaft geschichtlich, dasz die Geschichte nicht auf die Vergangenheit zurückgewiesen, sondern das unausgesetzte Werden in ihr erkannt werde . . .' Dezelfde passages worden in 1872 benut bij de polemiek tegen Fabri; cf. Ned. Ged., 2e serie, IV, 252 e.v.

113 

Cf. Zwaan, G.v.P., p. 277; 624 s.v.

114 

Groen volgde blijkens zijn dagboek een college van Van der Palm over Horatius' Ars poetica (zie n. 33 en 34 van no. 2). Waarschijnlijk heeft de hoogleraar er ook over vs. 173 uitgeweid.

115 

Marginale aant. van Groen: `Geen bedilzieke miskenners van hetgeen de revolutie goeds gehad heeft.'



116 

Cf. Haller, Restauration der Staats‑Wissenschaft I, 56‑60; Restauration de la science politique I, 62‑67.

117 

Marginale aant. van Groen: `St[ahl, Die Philosophie2] I, 340; II, 2, 177.'

118 

Marginale aant. van Groen: `St[ahl, Die Philosophie2] I, 539.' Stahl behandelt op p. 515‑541 de wijsbegeerte van Schleiermacher. Op p. 539 prijst hij diens op de menselijke individualiteit gebaseerde ethiek.

119 

Men leest t.a.p.: `Dennoch liegt der Lehre von der Volkssouveränität eine Wahrheit zum Grunde, und sie zur Erfüllung zu bringen ist der Beruf der neuern Zeit. Es soll nämlich das Volk zwar nicht Souverän seyn, wohl aber Mitträger und Mitbürger des sittlichen Reiches, das der Staat ist.' Cf. Verscheidenheden, p. 266 met het citaat uit Stahl, Die Revolution (1. Aufl.), p. 64.

120 

Marginale aant. van Groen: `St[ahl] gaat in zijn éloges wel wat ver.'



121 

Marginale aant. van Groen: `Niet tegen de belofte; tegen de teleurstelling.' Zie voor het thema van de revolutie `op anti‑revolutionaire wijze' M. des Amorie van der Hoeven, Over het wezen der godsdienst, p. 15, 1; Zwaan, G.v.P., p. 235; 369 n. 79.

122 

Marginale aant. van Groen: `Fiévée [, Histoire de la] s[ession de 1815, p.] 103; vrijheden boven de wet; Nat[ionale] V[ergadering] IV, 642‑644.' In Groens uittreksel van Fiévée's Histoire vindt men bij p. 103 aangetekend: `nom de la liberté'. In het boek zelf onderstreepte Groen op p. 103: `Il y a des mots et des noms qui remuent le monde, de nos jours, le mot liberté est devenu un de ces mots‑là: c'est sous le couvert de la liberté que l'athéisme, la spoliation, la haine des anciennes institutions, de toutes règles et de tout frein, se sont propagés en France, et ont formé de toutes les passions viles en activité une espèce de doctrine nouvelle dans l'histoire du Monde, et qu'on appelle la révolution'. In het Dagverhaal IV, 642‑644 (no. 349 van 30 jan. 1797) vindt men een verslag van de zitting van 26 jan. 1797, gewijd aan `deliberatien over de Verklaring van algemeene grondbeginselen der Constitutie'. Groen doelt vermoedelijk in het bijzonder op p. 644: `De President [W. Queysen] vraagt, of dan het idée van den Burger van Beyma was, dat ieder individu het recht zoude hebben, om de te makene Wetten aan de definitie der vryheid te toetsen? wat hier van het gevolg zoude zyn, zo eene Wet eens niet volkomen naar de gesustineerde opinien van het Volk, of een gedeelte van het zelve was ingerigt? C. L. van Beyma zegt: in zulk een geval is het Volk verpligt, tegens de Wet op te staan.'

123 

Stahl zegt. t.a.p.: `Die französische Revolution . . . erklärt die materielle Gleichheit der politischen Rechte für ein Urrecht, und damit ist denn Königthum, Staatsreligion, Bedeutung des Grundbesitzes ausgeschlossen, überhaupt der organische Bau des Staates aufgegeben.' Bij Fiévée leest men op p. 69/70: `Je suis persuadé que ceux qui réclament l'égalité dans le mode de placement et d'avancement à l'armée, n'ont pas réfléchi sur cette vérité qui explique toute la révolution française, savoir que l'égalité est la négation de toutes les situations sociales, de toutes les supériorités politiques et morales.'

124 

Marginale aant. van Groen: `St[ahl, Die Philosophie2] I, 311.' Stahl verwijt er aan het liberalisme, `dasz das Volk selbst nicht als gegliederte Einheit, sondern als blosze Kollektion der Masse aufgefaszt wird.'

125 

Men leest t.a.p.: `Es ist das grosze Zeichen und Gericht über die Revolutionstheorie, dasz ihre Verfassungen nicht blosz keine Dauer hatten, sondern fast alle gar nicht einmal zur Realisirung kommen konnten. Es ist keine Konstitution Frankreichs, um den celebren Ausdruck zu gebrauchen, eine Wahrheit geworden.'



126 

Men leest t.a.p.: `J'ai toujours eu pour règle qu'il faut séparer le gouvernement de la Révolution, c'est‑à‑dire accepter ce qu'il y a d'accompli dans les événements et condamner les principes. Tous mes écrits ont été dirigés dans ce sens . . .'



127 

Radowitz zegt t.a.p.: `Freilich ist die Contrerevolution immer auch eine Revolution, nur nach einer andern Richtung hin, als die gewöhnliche. Wer die Revolution, das heiszt die Vernichtung des Rechtsstandes zu Gunsten irgend eines Interesses oder irgend einer Lehre nicht will, darf auch nie eine Contrerevolution wollen.' Dit citaat ook in 88 no. 96 (19 oct. 1850), waar abusievelijk p. 308 wordt opgegeven.



128 

Marginale aant. van Groen: `Bijvoorbeeld standen, Thorb[ecke, Aanteekening] II, 19.' Men leest t.a.p. n.a.v. art. 127: `Keuze door standen is in onze hedendaagsche maatschappij eene vergissing. Standen, d.i. classen, die ieder, bij het genot van bijzonder regt, in eigenaardige betrekking zijn tot Staat of provincie, bestaan niet meer.'

128a 

Misschien toespeling op het gezegde van Mad. de Staël over de Franse adel vóór 1789: `Mais la majorité de la noblesse ne sortoit pas de ces trois mots: c'étoit ainsi jadis' (Considérations (1818) I, 196/7).

129 

Bedoeld is de 179 bladzijden tellende `Introduction', die voorafgaat aan de eigenlijke Correspondance et relations. Fiévée zegt t.a.p.: `On ne refait pas le passé; toute tentative à cet égard ne tarde pas à devenir une hideuse caricature.' Cf. Verscheidenheden, p. 241; Nederlander no. 486 (28 jan. 1852); no. 811 en 1043 (16 febr. en 17 nov. 1853); no. 1243, 1301, 1349 (13 juli, 19 sept., 14 nov. 1854); Le parti, p. 75; Aan de kiezers [De Vries no. 125] XIX, 5, 1; Ong. en rev.,2e dr., p. 382*** ; Brieven van Da Costa II, 221; 269.

130 

Men leest t.a.p.: `l'on ne fait point du vieux à volonté, et . . . en croyant en refaire on n'adopterait que des formes.' Cf. Verscheidenheden, p. 241; Nederlander no. 1043, 1243, 1349 (17 nov. 1853, 13 juli, 14 nov. 1854); Le parti, p. 75.

131 

Men leest t.a.p.: `Il y a dans le passé de la France bien des choses qu'on peut rappeler avec bénéfice; mais . . . il y aura toujours la Révolution et ses conséquences entre le passé et le présent. Qui les réunira?'



132 

Fiévée begint `Note XV' (mei 1803) aldus: `Je dirais volontiers de l'Europe ce que, dans ma dernière Note, j'appliquais seulement à la France; on sent que rien n'y est complet; on sait d'une manière vague ce qu'on voudrait, mais on ignore comment on pourrait l'obtenir, parce qu'on veut ce qui était bien autrefois, sans pouvoir ou vouloir comprendre que l'autrefois n'était bien qu'à des conditions qui n'existent plus. Il faudrait procéder par analogie; on ne va que par souvenirs.' Cf. Verscheidenheden, p. 242; Nederlander no. 1043, 1243, 1349 (17 nov. 1853, 13 juli en 14 nov. 1854). Groen geeft in deze parallelplaatsen abusievelijk p. 159 i.p.v. 152 als vindplaats op.

133 

Men leest t.a.p.: `. . . telle est maintenant [mei 1806] la position de notre pauvre France que tout ayant été détruit, tout est à récréer; et comme en voulant faire comme autrefois on ferait réellement autrement, puisqu'il faudrait reconstruire à neuf et de main d'homme ce qui s'était établi de soi‑même et par la force du temps, on peut considérer toute création nouvelle par sa propre bonté.' Hierbij dezelfde parallelplaatsen als in de vorige noot. Fiévée sluit in zijn formulering aan bij een woord van Rabaut de Saint‑Etienne; cf. Burke, Works V, 301*.

134 

Het lange citaat is reeds gedrukt in Grondwetherziening, p. 482. De kern werd door Groen al aangehaald in Ned. Ged. III, 98(*) (Verspreide geschriften I, 140, 1). Het stamt uit De la monarchie selon la charte (1816), p. 60. Cf. Staël, Considérations (1818) III, 69; Fiévée, Correspondance politique VI, 18.

135 

Lamennais zegt t.a.p. van `l'ancienne monarchie restaurée par l'Europe absolutiste': `Impuissante à ressusciter le passé qu'elle représentoit, elle proposa un pacte au présent; elle lui demanda de sa vie, pour ranimer le squelette que venoit d'exhumer la diplomatie royale.'



136 

T.a.p. wordt van de (door Lourdoueix afgekeurde) Franse kieswet van 1819 gezegd: `il n'est pas inutile de remarquer que ce résulat fut le développement des fausses idées suggérées à Louis XVIII dans la première restauration. Si ce prince n'avait pas concentré dans son droit d'hérédité toutes les conséquences de ce principe de légitimité invoqué par la France après la chute de Bonaparte, s'il eût reconnu toutes les autres légitimités nationales que tant de siècles avaient consacrées, s'il n'eût pas pris pour lui le pouvoir constituant, usurpé en 89 par une assemblée factieuse, et créé ainsi en France des doctrines inconnues à nos pères, il n'aurait point divisé la nation en deux opinions contraires . . .'



137 

Op p. 142 zegt Mignet over het standpunt, dat Talleyrand in zijn onderhandelingen met tsaar Alexander I innam: `il se déclara hautement pour le retour des Bourbons, dont il voulut toutefois limiter l'ancien pouvoir par l'exercice des droits nationaux et la consécration des libertés publiques.' Op p. 144: `Il [Talleyrand] crut avoir opéré une transaction habile et générale, en signant pour l'Europe la paix, pour la France l'évacuation et l'indépendance de son territoire, pour les amis des Bourbons le rétablissement de leur royauté, pour les défenseurs de l'Empire la conservation de leurs intérêts, pour les partisans de la Révolution le maintien de ses résultats et le retour de ses idées.'



138 

Marginale aant. van Groen: `Legitimiteit, maar welke? Niet die van Thorbecke [, Aanteekening] II, 10; Appèl, p. 20.' N.a.v. art. 127 zegt Thorbecke t.a.p.: `En hoe kwam men aan de standen zelve? Men ging, gelijk in andere landen na den val van Napoleon, op het dwaallicht der legitimiteit, af: est quia fuit. Instellingen, waarvan het beginsel weg was, zouden, gelouterd, herleven.' Lourdoueix zegt t.a.p., dat Lodewijk XVIII zich liet bedwelmen door `le mot de légitimité, présenté comme exclusivement applicable aux droits de la royauté . . .'

139 

Mignet critiseert t.a.p. de royalist Michaud: `il devint l'adversaire déclaré d'une révolution qui, semblable à toutes les autres, menait au bien à travers le mal et accumulait les ruines pour fonder un ordre meilleur.' Groen heeft in margine een vraagteken gezet bij Mignets gunstig oordeel over de revolutie van 1789.



140 

In juli 1807 noteerde Fiévée t.a.p.: `. . . le pouvoir qui rend à la France unité de moyens vaut certes mieux que tout ce qui n'atteindrait pas ce but; ne sera‑t‑il pas permis de choisir entre les doctrines qui ont pour elles l'expérience des siècles et les doctrines qui n'ont encore pour elles que le mal qu'elles ont fait? Le gouvernement qui laisse à cet égard le choix n'est pas impartial, il est dupe.'



141 

In juli 1808 schreef Fiévée t.a.p.: `. . . entre les républicains et les royalistes d'intérêt, il y a la masse de la nation qu'il ne me paraîtra jamais indifférent de laisser flotter entre les opinions républicaines et les sentiments monarchiques . . . Le sentiment qui attache une nation à une famille peut se transporter à une autre, le temps usant le souvenir de ceux qui ne sont plus au profit de ceux qui sont. Il n'en est pas de même des opinions . . .' Marginale aant. van Groen: `de rev[olutionaire] beg[insels] bestrijden (Fi[évée,Correspondance et relations] I, 55); waarborg geven aan de belangen Fi[évée, Correspondance et relations] III, 349.' Fiévée schreef over de medewerkers van Napoleon in dec. 1802: `Par un étrange résultat des diverses phases de la révolution, le pouvoir qui travaille à la combattre par tous les faits de son existence est spécialement entouré des hommes qui y ont pris une part active, et qui ne consentiront jamais dans le fonds du coeur à voir condamner les principes sur lesquels ils appuyaient alors leur conduite. Cependant, quand on gouverne après de longs troubles civils, on ne doit pas oublier que, si les doctrines qui ont détruit le passé restent et ne sont contenues dans leurs effets que par la puissance d'un homme, elles reprendront bientôt leur premier ascendant' (I, 55). Fiévée wenste in 1836 voor Frankrijk `non une liberté idéale toujours remise en discussion, mais, à tous les intérêts sans exception, des garanties dont l'ensemble résiste aux fautes du pouvoir, comme aux passions des peuples' (III, 349).

142 

In juli 1807 schreef Fiévée t.a.p. over Napoleon: `Il m'accusait d'avoir le dessein de l'entraîner dans une autre monarchie que celle qu'il voulait former. Hélas! j'avais toujours eu la conviction qu'il ne comprenait pas plus la monarchie que la liberté, et qu'il ne saurait jamais faire que du pouvoir.'

143 

Zie n. 41 van no. 63.



144 

Groen heeft op p. 95 onderstreept: `Un souverain légitime, revenant à la suite de la république, auroit pu habilement opposer la majorité de la nation française aux prétentions et aux doctrines de la révolution; il auroit suffi pour cela d'organiser cette majorité de manière à lui donner assez d'influence politique pour qu'elle s'élevât au‑dessus de tous les partis; ce qui est possible, et ce que l'on ne comprendra probablement que quand il sera trop tard. Mais Buonaparte sentoit fort bien qu'il n'étoit qu'un usurpateur . . .' Op p. 244: `Nous [Les Français] trouvons fort mal que Buonaparte ait usurpé le trône de nos Rois; nos Rois trouveront fort mal qu'il ait usurpé les biens des communes, leurs libertés et les privilèges des provinces; et, dans cette réciprocité de sentimens, se fortifiera de plus en plus l'alliance entre la France et ses Princes légitimes.'



145 

Cf. Lourdoueix, Appel, p. 47 waar Groen aangestreept heeft: `Les systèmes à bascule qui semblent inventés par les gouvernemens mal posés pour les soustraire à la logique, ne font que les assujettir à deux logiques opposées qu'ils subissent alternativement, et attirent bientôt sur eux la déconsidération qui s'attache à la versatilité des opinions, aux contradictions du langage et aux actions humaines que des principes moraux ne déterminent pas.' Zie ook n. 285 van no. 42.

146 

Cf. Grondwetherziening, p. 217; 289, 1.

147 

Of: `de revol[utionaire] weg [verlaten]?'



148 

Waarschijnlijk hoort hierbij de aant. van Groen op de rechterbladzij: `Regten van den mensch (buiten de willekeur der meerderh[eid], geen mits); degageren van het revol[utionair] beg[insel] het individu.'



149 

Marginale aant. van Groen: `Constitutionele st[aat].'



150 

Marginale aant. van Groen: `eensgezindheid en broederlijke zamenwerking (H. W. Tyd[eman], V[an] d[er] Palm): voorzeker, m[aar] op welken grondslag?' Groen zinspeelt waarschijnlijk op de in hoofdstuk VIII voorkomende verhandeling van Tydeman en op het Gedenkschrift van Van der Palm.

151 

De schrijfster prijst t.a.p. de schaarse leden van de Franse adel, die voor de eer van hofdignitaris in het paleis van Napoleon bedankten: `ces courageuses personnes ont maintenu leur fierté, sans être obligées de renoncer à leur patrie.' De direct volgende, door Groen aangestreepte, zin moet de kritiek op de halfslachtige houding van Frederik Willem IV in maart 1848 inhouden: `En général, ne pas faire est presque toujours possible, et il faut que cela soit ainsi, puisque rien n'est une excuse pour agir contre ses principes.' Zie ook het citaat in dezelfde geest uit Considérations III, 44/5 in Ong. en rev., 2e dr., p. 168(**).

152 

Cf. Frederik Willem IV, Reden, p. 54‑64 waar 's konings toespraak bij de opening van de Verenigde Pruisische Landdag op 11 april 1847 afgedrukt is. De vorst verklaart op p. 57: `dasz es keiner Macht der Erde je gelingen soll, Mich zu bewegen, das natürliche, gerade bei uns durch seine innere Wahrheit so mächtig machende Verhältnisz zwischen Fürst und Volk in ein conventionelles, constitutionelles zu wandeln, und dasz Ich es nun und nimmermehr zugeben werde, dasz sich zwischen Unsern Herr Gott im Himmel und dieses Land ein beschriebenes Blatt, gleichsam als eine zweite Vorsehung eindränge, um Uns mit seinen Paragraphen zu regieren und durch sie die alte, heilige Treue zu ersetzen.' Cf. Von Gerlach, Aufzeichnungen I, 472; Von der Rev. I, 206, 13; Opzoomer, Volkswil, p. 16.

153 

Cf. Grondwetherziening, p. 56; 314; Nederlander no. 225 (22 maart 1851); Verspreide geschriften I, 322.

154 

Marginale aant. van Groen: `Historische grondwetten kunnen gewijzigd worden, maar [zijn] in wezen bestendig (Fié[vée, Histoire de la session de 1815, p.] 10; gevaar van het gedurig wetten maken (Fi[évée, Histoire de la session de 1815, p.] 20.' Fiévée betoogt op p. 10/1: `que le pouvoir qu'on appelle législatif est une idéologie dès qu'on veut le séparer des pouvoirs réels de la société, et en faire un pouvoir distinct. On ne conçoit pas cette manie de faire des lois, qui a tout à coup saisi les sociétés modernes. Les lois fondamentales d'un Etat sont inséparables de son existence; le temps les modifie; malheur aux nations qui ont besoin de les refaire!' Op p. 20: `C'est au moment où l'on a voulu que la loi régnât seule, où on s'est fièrement piqué de n'obéir qu'à la loi, qu'on s'est avisé de faire tous les jours des lois nouvelles, de donner le nom de loi au plus mince règlement; et l'étrange despotisme qui en est résulté, a été le prix inévitable et mérité de la bêtise de cette conception.'

155 

Groen heeft t.a.p. aangestreept: `Wäre Ihre schneidende Alternative [unbeschränkte Staatsgewalt oder die Repräsentativ‑Constitution] wirklich die einzige, vermöchten es unsere Fürsten nicht mehr, das Nessushemde des Staatsabsolutismus abzustreifen, ohne dadurch der Revolution selbst die Thüre zu öffnen, so wäre damit zugleich ausgesprochen, dasz es überhaupt keine andere Rückkehr mehr gibt, als das Aeuszerste des Uebels . . . Ich stehe noch nicht auf dem Puncte, der Hoffnung zu entsagen, dasz es einem Fürsten, der die Erkenntnisz mit dem Willen verbindet, unmöglich fallen sollte, seinen Staat auf der Grundlage wahrer Freiheit zu restauriren.'



156 

Marginale aant. van Groen: `De natie stellen tegen de revolutie (Fi[évée, Histoire de la session de 1815, p.] 109. In hoeverre wij de Britsche staatsreg[eling] verlangen? Wat is zij? Hoe toepasselijk? Nu het tegendeel.' Fiévée zegt t.a.p.: `Je ne cesserai de le répéter, c'est la nation française qu'il faut instituer contre la révolution; les hommes isolés n'y peuvent rien . . .'

157 

Bedoeld zijn vermoedelijk Tydemans Drie voorlezingen over de voormalige staatspartijen in de Nederlandsche republiek. Op p. 62 is over 1813 niets te vinden. Wel van toepassing is p. 162 waar betoogd wordt, dat een deel van de oude Oranjepartij in 1813 met behulp van `oude namen . . . nieuwe zaken' tot stand probeerde te brengen. Cf. Grondwetherziening, p. 287, 2; Adviezen 1849/50 I, 41.

158 

Wellicht doelde Groen op p. VI van deel I. Thorbecke zegt t.a.p.: `De Grondwetten v. 1814 en 1815 zijn niet als het werk van die jaren alléén te beschouwen, maar als het gemeenschappelijk werk der tijden, die ons Land sedert den val der Republiek beleefde.'

159 

Cf. Handboek2 I, 375/6.

160 

Cf. Handboek2 II, 520.

161 

Cf. Handboek2 II, 580. Bentinck wordt genoemd in § 634 (II, 591).

162 

Cf. Handboek2 II, 751‑753.

163 

Hs.: `Rev. en ong.' Groen handelt op p. 129 e.v. over `de valsche voorstelling van den Staat.'

164 

Zie n. 62.



165 

Groen citeert uit p. 3 in Grondwetherziening, p. 95, 2.

166 

Marginale aant. van Groen: `Stahl [, Die Philosophie2] II, 2, 307; 314 sqq.' Op p. 307 handelt Stahl over de moderne staat als `eine über Fürst und Volk stehende öffentlich‑nothwendige Ordnung', op p. 314 begint het hoofdstuk over `Ständische und Repräsentativ‑Verfassung.'

167 

De bedoelde citaten zijn reeds gedrukt in Grondwetherziening, p. 498 e.v.

168 

Het citaat is reeds gedrukt in Grondwetherziening, p. 115, 2. Marginale aant. van Groen: `Zelfs bij Robesp[ierre], La Ma[rtine, Histoire des girondins] IV, 329, L[ouis] Bl[anc, Révolution française; histoire de dix ans] II, 282'. Men vindt de citaten reeds gedrukt in Grondwetherziening, p. 116/7, waar in n. 2 van p. 117 abusievelijk p. 232 i.p.v. 282 opgegeven wordt. Beide citaten op p. 116/7 zijn enigszins aangepast. Cf. Ong. en rev., 2e dr., p. XIII, 1; Ter nagedachtenis, p. 85.

169 

De citaten zijn reeds gedrukt in Grondwetherziening, p. 501.

170 

Marginale aant. van Groen: `Zie B. Noël in the Free Church Mag[azine] 1849, Jan. p. 2.' Dit tijdschrift is in geen enkele Nederlandse bibliotheek aanwezig. Waarschijnlijk gaat het hier om Noëls `long essay on the union of church and state' (`early in 1849'); cf. Hauzenberger, Einheit, p. 308 n. 83.

170a 

Misschien reminiscentie aan De Rougemont, Les individualistes, p. 99: `. . . ce n'est point par cette voie détournée que nous voudrions arriver à déterminer les relations de l'Eglise et de l'Etat . . .'

171 

Marginale aant. van Groen: `Geen deïsme v[an] staat (N[ationale] Verg[adering] V, 277; 280; 333; 341; De Gasp[arin, Christianisme I], Pr[éface, p.] 9.' Cf. Dagverhaal V, 277‑280 (no. 436 van 22 maart 1797) over `den Godsdienst en het Publiek onderwys'. Op p. 333 (no. 443 van 25 maart 1797) betoogt P. L. van de Kasteele: `De Staat moet voor den Godsdienst zorgen.' Op p. 341 (no. 444 van 25 maart 1797) voert P. Bosveld over dit onderwerp het woord. Alle vier plaatsen hebben betrekking op de discussie van 20 maart 1797 over een nationale godsdienst van staat. Dat met Gasparins `Préface' de `Introduction' bedoeld wordt, blijkt uit Het regt der Hervormde gezindheid, p. 138, 1. Men leest op p. IX van de `Introduction': `Nos modernes incrédules ne le cèdent pas à Robespierre en dédain pour les diverses religions; aussi l'égalent‑ils en enthousiasme pour la religion dite nationale, pour la religion du peuple. Ne faut‑il pas que le peuple ait une religion? N'importe‑t‑il pas qu'il en ait une seule? N'importe‑t‑il pas que l'Etat ait la main sur cette religion unique, afin de la façonner à son guise, de la modérer, de traiter avec ses chefs, d'en faire enfin un moyen de gouvernement, instrumentum regni?'

172 

`Ni Dieu, ni maître'. Cf. Huizinga, Woorden, p. 215 s.v.

173 

Marginale aant. van Groen: `Dit kan (Stahl in de Ev[angelische] K[irchen‑] Z[eitung 18]48, 526. Men leest t.a.p. in Stahls Vortrag `über die Stellung der Kirche in ihrer Trennung vom Staate': `Die gleiche politische Berechtigung für die Bekenner aller Religionen ist eine starke Bresche in dem System des christlichen Staats, aber sie ist noch keineswegs eine völlige Entchristlichung desselben . . .' In een noot voegt Stahl eraan toe: `In derselben Weise habe ich mich früher in meiner Abhandlung: ``Der christliche Staat'' ausgesprochen.'

174 

Voor deze roomse provincies (en Luxemburg) heeft Groen vóór 1840 aan `een afzonderlijk Bestuur' gedacht. Cf. Bijdrage tot herziening, p. 3; 98; Adviezen 1840, p. 67/8; Nederlander no. 34 (8 aug. 1850); Briefw. II, 308, 4; Hoffman, Noord‑Brabant, p.96.

175 

Marginale aant. van Groen: `Toen welverkregen regt van zelfbehoud: zijn of niet te zijn; tachtigjarige strijd. Zetel van het protest[antisme]. Verdraagz[aamheid] bij de roomschen onbekend (Nantes, Egl[ise] du désert).' Zie Narede, p. 27; Adviezen 1856/7 I, 155 over in 1852 in Frankrijk gevreesde maatregelen in de trant van de herroeping van het Edict van Nantes (1685). Na 1685 hielden de Franse protestanten hagepreken in de onherbergzame Cevennen. Cf. Nederlander no. 381 (24 sept. 1851); Le parti, p. 7; 62; 65; A nos lecteurs, p. 4; Brieven van Da Costa II, 111; Evangelische Kirchen‑Zeitung 1848 kol. 174 over de `Kirchen der Wüste'.

176 

Genoemd naar Johannes Ronge (1813‑1887); cf. Heussi, Kompendium, p. 449. Zie over deze roomse rationalisten Het regt der Hervormde gezindheid, p. XV; 101; 172, Grondwetherziening, p. 410; Adviezen 1856/7 II, 338; Briefw. II, 676, 4; Radowitz, Gespräche, p. 480; Noch einmal Johannes Ronge in de EKZ van 1848.

177 

Marginale aant. van Groen: `Gespr[äche, p.] 413.' Radowitz zegt t.a.p. over de gemengde huwelijken: `Auch dieser [Zwist] wird nicht mit einem wahrhaften Frieden enden, so lange man es in den mannichfaltigsten Formen versucht, der katholischen Kirche zu nehmen, was sie festhalten musz, statt der protestantischen zuzulegen, was ihr mangelt: Beiden nämlich die volle Freiheit ihren Segen zu verweigern, wenn den kirchlichen Erfordernissen nicht genügt ist.'

178 

Marginale aant. van Groen: `Niet slechts om de geringer misbruiken en bijgeloovigheden.'



179 

Radowitz wenst t.a.p., `dasz jeder Christ, auf welcher Seite er stehe, sich mit dem gläubigen Theile der andern Confession bis dahin verbunden erkenne, wo die Differenz beginnt, und dasz er daher dessen Sache zu der seinigen mache, wo sie von dem gemeinsamen Feinde, dem Unglauben in jeglicher Gestalt, angetastet wird.'



180 

Radowitz zegt op p. 309: `Erinnern Sie sich nur, mit welcher Freude wir vor zehn Jahren die augenfällige Erscheinung begrüszten, dasz zwischen den kirchlichen Katholiken und den offenbarungsgläubigen Protestanten eine Gemeinschaft allenthalben hervortrat, wo es sich um politische Principien handelte.' Op p. 310/1 worden 26 roomse en protestantse politici genoemd, die `einen gemeinschaftlichen Kampf gegen das revolutionaire Princip für möglich und zulässig hielten.'



181 

Groen heeft hier bovengeschreven: `Montalembert.' Cf. Adviezen 1856/7 I, 78 waar hij de `toenadering van Roomschen en Onroomschen' bepleit en zich beroept op `De Montalembert te Parijs en von Radowitz te Berlijn.'

182 

De vrouw van stadhouder‑koning Willem III; cf. Handboek, p. 324.

183 

Cf. Matth. 6, 33; Grondwetherziening, p. 247; Ong. en rev., 2e dr., p. 413. Zie ook n. 7 van no. 102.

184 

Stahl betoogt t.a.p.: `Trennung vom Staate ist jetzt so wenig als zu irgend einer Zeit Beruf der Kirche. Ihrem Herrn ähnlich trennt sich die Kirche von Niemandem, der sich nicht von ihr trennt. Sollte die Kirche es etwa ablehnen, wenn der Staat ihrem Kultus und seinen Dienern öffentliche Autorität verleiht, wenn er ihre Feiertage beobachtet, ihren Urkunden gerichtlichen Glauben beilegt, auf Volksschule und höhere Bildungsanstalten ihr einen Einflusz gestattet, sie aus öffentlichen Mitteln unterstützt? Das aber wäre es, wenn die Kirche auf Trennung dringen wollte.'



185 

Cf. Nederlander no. 130, 144 (28 nov., 14 dec. 1850); 355, 425, 432, 436, 438, 444, 452 (25 aug., 14, 22, 27, 29 nov., 6, 16 dec. 1851); Zwaan, G. v. P., p. 634 s.v.

186 

Stahl verlangt t.a.p. van de staat `Garantie für das Bekenntnisz, sohin geradezu für den Fortbestand der Kirche selbst' (532). `Dieses Recht, auf Grundlage ihres Glaubens und Bekenntnisses als Kirche fortzubestehen, kommt der Evangelischen Kirche nicht blosz nach der Natur der Sache zu, sondern ist ihr durch ausdrückliche Staatsakte auf das Entschiedenste verbürgt worden . . . Darum, wenn etwa die Mehrzahl der Synode diesen Glauben nicht mehr als den ihrigen anerkennen sollte, so kann sie denen, die auf ihn beharren, nicht durch Überstimmung ihr bisher bestandenes und verbürgtes kirchliches Gemeinwesen aufheben, sondern musz ein neues kirchliches Gemeinwesen gründen, und kann dann die Scheidung in der friedlichsten und ehrenhaftesten Weise und in der billigsten Auseinandersetzung der äuszeren Ansprüche erfolgen' (536).



187 

Versta: identiteit; cf. Brieven van Da Costa I, 275, 1; 324; 348, 1; II, 223, 1.

188 

Waarschijnlijk hoort hierbij de marginale aant. van Groen, die zich in verso van het hs. van hoofdstuk XIV bevindt: `Alles door de revolutie geïsoleerd, geïndividualiseerd (Fi[évée, Histoire de la] s[ession de 1815], p. V; 310.' Op p. V draagt Fiévée zijn werk op `Aux vrais français' en betoogt `qu'on n'a pu traiter les propriétaires comme des esclaves qu'en les isolant, et que, pour les isoler, il a fallu jeter au milieu d'eux, comme brandons de discorde, des systèmes et des opinions.' Op p. 310 haalt hij een uitspraak van Michaud aan: `Nous trouvons en France vingt‑cinq millions d'individus, mais aucune classe de citoyens . . .'

189 

Men leest t.a.p.: `Dévoués du fond de nos entrailles à la patrie que Dieu nous donna pour mère, nous appelons tous les peuples à se fondre peu‑à‑peu dans l'unité humaine; nous appelons les individus dont se compose chaque peuple à se fondre également, pour leur commun bonheur, dans l'unité nationale.' Groen heeft `fondre' in beide gevallen onderstreept. Cf. Verscheidenheden, p. 237.

190 

T.a.p. begint chap. VIII o.d.t. Des droits individuels, aldus: `Tous les Français possèdent des droits individuels, indépendans de toute autorité politique.'

191 

Citaat reeds gedrukt in Grondwetherziening, p. 372; Adviezen 1849, p. 90.

192 

Op p. 175 e.v. handelt Groen over de `openbare meening'; op p. 199 over de liberale `Volksrepresentatie', die door de grondwet van 1815 in het leven geroepen werd.



193 

Cf. Ong. en rev., 2e dr., p. 330‑337.

194 

Cf. Grondwetherziening,p. 173; Ong. en rev., 2e dr., p. 373; 378; 395; Nederlander no. 690 (25 sept. 1852); no. 1481 en 1530 (21 april en 20 juni 1855); Le parti, p. 47. Zie ook n. 82 van no. 35.

195 

Groen doelt op de afwisseling van `mouvement et résistance', ook m.b.t. de persvrijheid. Cf. Ong. en rev., 2e dr., p. 382: `la restauration n'avait plus que deux alternatives devant elle: le triomphe complet de l'école démocratique . . . ou la réaction violente de l'école despotique . . .'

196 

Zie n. 48.



197 

Groen kritiseert deze uitspraak ook in Verscheidenheden, p. 63. Niet gevonden bij welke gelegenheid Cavaignac deze uitspraak gedaan heeft. Het werk van A. Deschamps, Vie de Cavaignac ontbreekt in de C.C. Zie over de breideling van de pers onder Cavaignac Bastid, Doctrines II, 25 e.v.

198 

Groen heeft op p. 40 aangestreept: `It is the scholastic establishment of our land, that has called its people out of that quiescence and lethargy, in which every people are, by nature, so firmly imbedded. It has drawn them forth of this strong‑hold; and awoke from their dull imprisonment, those higher and greater faculties which lie so profoundly asleep among a people, who, till addressed by some such influence, are wholly engrossed with animal wants and animal enjoyments.'



199 

Cf. Aan G. graaf Schimmelpenninck, p. 42; Nederlander no. 226 en 242 (24 maart en 11 april 1851); Zwaan, G.v.P., p. 240 n. 114. Zie ook n. 72 van no. 69.

200 

Zie over Gervinus Grondwetherziening, p. 118; Ong. en rev., 2e dr., p. 202(*); Ned. Ged., 2e serie, II, 64; 77.

201 

Lamartine bespreekt op p. 233 de denkbeelden van Robespierre over de volksopvoeding: `En rendant cette éducation primaire obligatoire pour toutes les familles, et en jetant dans le même moule toute la génération de cinq à douze ans, il établissait, à défaut du communisme des biens, le communisme des enfants et le communisme des idées.' Op p. 417 handelt Lamartine over de hiertoe door de staat uit te oefenen dwang.



202 

Blanc bestrijdt t.a.p. de onderwijspolitiek van Guizot als te liberaal: `En matière d'enseignement la centralisation ne saurait être trop forte. Permettre, dans un pays déchiré par les factions, la folle concurrence des écoles privées, c'est inoculer aux générations nouvelles le venin des discordes civiles, c'est donner aux partis rivaux le moyen de se continuer, de se perpétuer au milieu d'une confusion croissante d'opinions et de principes, c'est semer dans le chaos . . . ce qu'on appelle la liberté de l'enseignement n'est que la gestation de l'anarchie.'



203 

Marginale aant. van Groen: `Christelijk toezigt.'



204 

Groen heeft op p. 354 aangestreept: `We trust that the legislature is now awakening to the truth, that no popular education can be of avail for the well‑being of the community, which is not based upon religion.'



205 

Groen heeft op p. 297 onderstreept: `. . . should, in particular, the monstrous proposition ever be entertained, not to tolerate (for that is quite as it should be) but to endow Popery‑not perhaps to abolish, but at least to abridge the legal funds for the support of Protestantism, and at all events to uphold an antiscriptural, and with this aggravation, that it should be at the expense and with the diminution of a scriptural faith, let us hope that there is still enough, not of fiery zeal, but of calm, resolute, and withal enlightened principle in the land, to resent the outrage - enough of energy and reaction, in the revolted sense of this great country, to meet and overbear it.'



206 

Groen heeft op p. 346 aangestreept: `Must the conveniences of an object so mighty as the Christian education of the people, be on this account trampled under foot; and we ask, whether it would not be far more beautiful and good, that these distinctions between sect and sect should be offered up a sacrifice on the altar of one common faith, and for the well‑being of our common and general humanity - than that a cause so dear, both to piety and patriotism, as a universal schooling in the lessons of sound principle for all the people of the land, should be given to the winds? This were really straining at a gnat, and swallowing a camel.'



207 

Van Dam van Isselt toont zich t.a.p. tevreden met het christelijk gehalte van het lager onderwijs en fulmineert tegen de `bijzondere scholen', waar de kinderen z.i. gevormd worden tot `godsdienstige dweepers'. Zie over zijn opvatting van christelijk onderwijs ook Adviezen 1840, p. 79; Nederlander no. 385 (29 sept. 1851); no. 576, 598 (13 mei, 10 juni 1852); Adviezen 1856/7 II, 27 e.v.; Aan de kiezers [De Vries no. 96] II, 3 en het in de bibliografie vermelde geschrift van Rijkens.

208 

Men leest t.a.p. de volgende, door Groen onderstreepte beschrijving van de revolutionaire centralisatie: `Ses élémens sont une assemblée souveraine qui fait elle‑même ses électeurs, un pouvoir exécutif dépendant de cette assemblée, une administration fortement organisée, un personnel innombrable nourri et entretenu par la France, et une capitale qui recèle dans son immense population des instrumens intelligens ou aveugles pour préparer par des journaux et accomplir par des journées tout ce qui est nécessaire au maintien de la domination commune.'

209 

Marginale aant. van Groen: `burgerlijk persoon, zedelijk ligchaam.' Cf. Handboek, p. 795; Het regt der Hervormde gezindheid, p. 45; Adviezen 1849, p. 151; Nederlander no. 1315 en 1390 (5 oct. 1854 en 4 jan. 1855).

210 

Fiévée hekelt in jan. 1812 de centralisatie bij de belastinginning: `C'etait un extrême de dire au peuple qu'il pouvait se gouverner lui‑même; c'est un extrême d'un autre genre de poser en principe et en fait qu'une ville n'est pas capable de faire la recette de ses revenus.'



211 

Constant betoogt t.a.p.: `Les intérêts de localité contiennent un germe de résistance que l'autorité ne souffre qu'à regret, et qu'elle s'empresse de déraciner.' Het goede beginsel is z.i.: `La direction des affaires de tous appartient à tous, c'est‑à‑dire aux représentans et aux délégués de tous. Ce qui n'intéresse qu'une fraction doit être décidé par cette fraction . . .'



212 

Marginale aant. van Groen: `B[enjamin] C[onstant, Cours] I, 149.' Men leest t.a.p.: `Aujourd'hui l'admiration pour 'unité absolue . . . est reçue comme un dogme religieux, par une foule d'échos assidus de toute opinion favorisée.'

213 

Marginale aant. van Groen: `Fi[évée, Histoire de la] s[ession de 1815, p.] 318.' Groen heeft t.a.p. onderstreept: `Qu'on me rende seulement les droits et privilèges dont jouissoit un bourgeois de Paris sous Louis XIV . . .'

214 

Op p. 186 heeft Groen onderstreept: `nécessité de recourir à ces anciennes administrations provinciales et municipales qui régissoient si paternellement les peuples qui leur étoient confiés.'



215 

Marginale aant. van Groen: `M[ada]me de St[aël, Considérations sur les principaux événemens de la] rév[olution françoise] II, 370.' Men leest op p. 370/1: `Toutes les autorités locales, dans les provinces, ont été par dégrés supprimées ou annulées; il n'y a plus en France qu'un seul foyer de mouvement, Paris . . . si l'on pouvoit se mêler de l'administration de sa ville ou de son département; si l'on avoit l'occasion de s'y rendre utile, d'y mériter de la considération, et de s'assurer par là l'espoir d'être un jour élu député, l'on ne verroit pas aborder à Paris quiconque peut se flatter de l'emporter sur ses concurrens par une intrigue ou par une flatterie de plus.'

216 

De verwijzing is vreemd. Chalmers handelt t.a.p. over verhoging van het peil van het wetenschappelijk onderwijs. Groen heeft onderstreept: `To uphold the severe intellectual training of our land, there must be endowments for the teacher, and compulsory statutes of apprenticeship for the taught.' Het is mogelijk, dat Groen - evenals in Aan G. graaf Schimmelpenninck, p. 21, 1 - deel 14 en 17 van Chalmers' Works verwisseld heeft. Hij citeert vaak uit deel 14. Daarvan lijkt p. 150 eerder van toepassing dan p. 50. Op p. 149 leest men: `it is the misfortune both of a civic and a national legislator, that he deals so much in generalities.' Op p. 150 kritiseert hij de `vague generalities' van de `philanthropists'.

217 

Fiévée citeert t.a.p. de rede van De Villèle over de gevaren van de vernietiging der gemeentelijke autonomie: `on détruit l'esprit public . . . on laisse le champ libre aux novateurs et aux turbulens, en ne fixant les idées des citoyens sur rien qui les rassure et les intéresse ; on n'établit entre eux et le gouvernement aucun de ces liens qui font partout la force et la stabilité des institutions; on prépare le retour inévitable et prochain de l'anarchie, si le gouvernement est foible; du despotisme, s'il devient fort.' Hierbij een marginale aant. van Groen: `de steun van het gezag: `Fi[évée, Histoire de la] s[ession de 1815, p.] 189.' Groen heeft t.a.p. onderstreept: `Ces libertés [des communes et des provinces] ont fait la gloire de notre monarchie; quand la royauté les eut détruites, elle crut avoir un pouvoir sans bornes; l'événement n'a que trop prouvé qu'elle restoit sans appui.'



218 

Op het citaat uit I, 148 in Nederlander no. 215 en 280 (11 maart en 27 mei 1851); Adviezen 1856/7 I, 349 volgt onmiddellijk: `Tandis que le patriotisme n'existe que par un vif attachement aux intérêts de localité, d'aveugles patriotes ont déclaré la guerre à ces intérêts. Ils ont tari cette source naturelle du patriotisme, et l'ont voulu remplacer par une passion factice envers un être abstrait, une idée générale, dépouillée de tout ce qui frappe l'imagination et de tout ce qui parle à la mémoire.'

219 

De Villèle zegt t.a.p.: `. . . en rompant ainsi les liens qui nous unissent à notre commune, à notre ville, à notre département, en tuant l'intérêt que nous prenons à nos administrations secondaires, à nos édifices, à nos chemins, à nos promenades, à nos monumens, on achève d'anéantir parmi nous l'amour si fortement ébranlé de la patrie . . .'



220 

Marginale aant. van Groen: `Benj[amin] C[onstant, Cours] I, 151. Men spreekt altijd van zelfstandigheid der besturen . . . somtijds als gunst 97'. Constant zegt in I, 151: `En principe donc, l'autorité nationale, l'autorité d'arrondissement, l'autorité communale ont chacune leur sphère et doivent y rester, et ceci nous conduit à établir une vérité que nous regardons comme fondamentale. L'on a considéré jusqu'à présent le pouvoir local comme une branche dépendante du pouvoir exécutif; au contraire, il ne doit jamais l'entraver, mais il ne doit point en dépendre.' Cf. Nederlander no. 217 (13 maart 1851). Niet duidelijk welke afkorting er na `besturen' staat [Kte?] en waarop `97' betrekking heeft. Zie ook n. 236.

Hierbij past ook de aant. van Groen op de rechterbladzij van het hs.: `Bijblad [18]48, p. 575. Zelfstandigheid schenken; regten toekennen; vertegenwoordigingen gunnen. Instellingen? Hogendorp, Bijdr[agen] VIII, 298 veel beter: de Staten zijn in betrekking gebragt tot het alg[emeen] bestuur. Bijblad [18]49‑50. E[erste] Kamer, p. 56: afdeelingen die men provinc[ien] noemt.' Op p. 575 van het Bijblad (1847/8) leest men in de Memorie van beantwoording van het voorloopig verslag der commissie van rapporteurs voor de wets‑ontwerpen tot herziening der grondwet: `In dit IVde hoofdstuk der Grondwet is het moeijelijke vraagstuk van het Nederlandsche staatsbestuur opgelost, te weten om aan de provincien en gemeenten zekere zelfstandigheid te schenken; ten gevolge daarvan bijzondere gewigtige regten aan dezelve toe te kennen; en ter uitoefening van die regten, aan de ingezetenen van die provincien en van die gemeenten afzonderlijke vertegenwoordigingen te gunnen.' Van Hogendorp zegt in zijn commentaar op de grondwet van 1815 t.a.p.: `De Staten der Provincien zijn in zekere betrekking gebragt tot het algemeen bestuur, welke van te veel gewigt is, om te worden overgeslagen, en die wij daarom vooraf willen beschouwen, eer wij tot het eigenlijke Provinciale bestuur overgaan. Deze betrekking bestaat in de uitvoering der wetten, en is te vinden in Art. 145, dat wij hier letterlijk inlasschen.' Op p. 56 van het Bijblad (1849/50) betoogt minister van Justitie Nedermeyer van Rosenthal: `Meermalen is het gezegd dat een der grondzuilen van onze vrijheid daarin bestaat, dat die afdeelingen die men provincien noemt, die afdeelingen die den naam van gemeenten dragen en die verschillende inrigtingen die wij waterschappen heeten, eene zekere mate van zelfstandigheid hebben tegenover een gehate centralisatie.' Cf. Adviezen 1849/50 II, 135.

221 

Lourdoueix betoogt t.a.p. n.a.v. de in 1828 geconcipieerde `loi municipale et départementale', dat gemeentelijke en provinciale vrijheid niet kan bestaan zonder een ruime mate van zelfstandigheid en bevoegdheid op locaal niveau.



222 

Fiévée zegt op p. LXIII: `C'est un grand malheur pour les nations de confondre l'administration avec le gouvernement . . .' In III, 186 waarschuwt Fiévée voor `confondre ce qui est de gouvernement avec ce qui est d'administration publique, et les choses d'administration publique avec les choses d'administration locale . . . Cette confusion est incompatible avec un régime de liberté, et le plus grand obstacle à la durée de tout pouvoir.' In III, 210 betoogt hij, dat men niet kan besturen per decreet: `il faut administrer les grandes choses avec équité, et laisser les petites aux localités . . .'



223 

Op p. 261 schrijft Von Radowitz: `die Regierungen sollen erstens viele Dinge gar nicht mehr regieren, sondern sie Denen zu besorgen überlassen, die es angeht.'; op p. 263 wordt betoogd, `dasz die centralisirende Allesregiererei eine der gefährlichsten Krankheiten des modernen Staatswesens ist . . .'



224 

Reeds aangehaald in n. 214.



225 

Cf. Adviezen 1849, p. 44.

226 

Marginale aant. van Groen: `M[ada]me de St[aël, Considérations sur les principaux événemens de la] rév[olution françoise] II, 371.' Men leest t.a.p. over Napoleon: `Il vouloit se montrer comme présent partout, comme suffisant à tout, enfin comme le seul être gouvernant en ce monde. Toutefois un homme ne sauroit parvenir à se multiplier à cet excès que par le charlatanisme; car la réalité du pouvoir tombe toujours entre les mains des agens subalternes qui exercent le despotisme en détail.' Groen heeft in zijn eigen exemplaar achterin deel II n.a.v. deze bladzij aangetekend: `decentralisatie'.

227 

Groen heeft t.a.p. de volgende klacht van De Villèle onderstreept: `c'est ainsi que nos administrations municipales et départementales ont été dépouillés de toute influence et de toute attribution . . . cette autorité, si malheureusement enlevée à nos conseils de ville, de commune, d'arrondissement, de département, nous avons la douleur de la voir exercée par des commis subalternes.'



228 

Kemper vreesde reeds in 1813, toen Willem I na het aannemen der souvereiniteit aan een commissie opdroeg een constitutie te ontwerpen `welke die Souvereiniteit zoude wijzigen': `, dat zich sommigen deze gelegenheid zouden pogen ten nutte te maken, om hunne gevoelens als waarborgen der burgerlijke vrijheid te doen voorkomen, en hierdoor tusschen den Vorst en het Volk, een middenligchaam van provinciale en stedelijke Souvereiniteit te plaatsen, hetwelk op den duur even gevaarlijk voor den Vorst, als nutteloos voor het Volk zoude zijn' (III, 99/100).



229 

Kemper zegt t.a.p.: `Geloof mij, Doorluchtige Vorst en Heer! het is eene dwaling van het verstand, wanneer men niet doorziet, dat het zenden door de Steden van afgevaardigden in de provinciale Staten, en van deze in de algemeene Staten, onbestaanbaar is met het aangenomen beginsel van Souvereiniteit. Volgens dit beginsel toch kunnen stedelijke en provinciale autoriteiten niet anders dan administratief zijn. Men kan in het huiselijk beheer grootere ruimte toestaan, dan zij onder de Fransche overheersching hadden, en men behoort dat zelfs ruimschoots te doen; maar het regt, om afgevaardigden in het algemeen wetgevend ligchaam van den Staat te zenden, kan aan haar niet toegekend worden, zonder hun zelven stilzwijgend eenig regt op die wetgevende magt toe te kennen; . . .'



230 

Art. 2 van de grondwet van 1848 luidde: `De wet kan provinciën en gemeenten vereenigen en splitsen. De grenzen van den Staat, van de provinciën en gemeenten kunnen door de wet worden veranderd.'



231 

Thorbecke zegt op p. 51: `Een zelfstandigen werkkring, alle bijzondere belangen van het departement omvattende, kreeg het departementaal Bestuur echter uit de Staatsregeling v. 1801'; op p. 78: `Zonder een bedrijvig locaal en provinciaal burgerregt mist de werking van het Staatsburgerregt haren grondslag.'



232 

Thorbecke constateert t.a.p. `wat de provincien volgens de Grondwet [van 1815] zijn: zelfstandige leden namelijk, niet enkel breuken , van den Staat; niet slechts geographische afdeelingen voor het algemeene bestuur, maar politische ligchamen of gemeenten.'



233 

Bij Thorbecke, Aanteekening II, 7 volgt op de in onze voorgaande noot aangehaalde zin: `Hiertoe schenkt zij aan ieder provincie eene Vertegenwoordiging onder den ouden naam van Staten. ' Cf. Nederlander no. 413 (31 oct. 1851); Adviezen 1856/7 I, 341.

234 

Cf. Thorbecke, Aanteekening II, 78: `Art. 143 [van de grondwet van 1815] beschrijft de provinciale magt, in zoo verre zij werktuig is van het algemeene Gouvernement.' Cf. II, 83: `Het [departement van algemeen bestuur] heeft, behalve den gouverneur, binnen de provincie bijzondere werktuigen . . .'

235 

Het is onduidelijk, waarom Groen naar Dagverhaal V, 76 verwijst. In nr. 78 (van 1 juny 1796, zitting van 30 mey 1796 = Dagverhaal II, 1‑8) houdt B. Nieuhof een betoog over `Monisme of Unisme en Federalisme': `. . . en hier betuige ik alleen nog niet geheel vry te zyn van die staatkundige kettery, welke, in elk byzonder gewest, vertegenwoordigers van het Volk in dat zelfde erkent: maar nog meer, dat ik zelfs myn plicht zou verzaaken, zo ik die anders kende, immers voor als nog. Juist dit dunkt my gevaarlyk te ontkennen, dat, in deze onze tegenwoordige Vaderlands‑gesteldheid, Neerlands Volk ten zelfden tyd, niet zou tweemaal vertegenwoordigd wezen, namelyk in 't gemeen, als Volk van Nederland, in deze ééne Vergadering, - en te gelyk, voor zoo ver het zelfde in zyne bezondere gewesten afzonderlyk door zyne bepaalde gewestelyke bestuurders wordt vertegenwoordigd; schoon geenszins in die zelfde betrekking. Naar deze wel onderscheidene betrekking oefent de Vertegenwoordiger van 't Volk van Nederland uit de aan hem opgedragene verrichtingen van Oppermacht, - naar die zelfde oefent de Vertegenwoordiger van elks bezonder gewest uit dat geen, 't welk aan hem is opgedragen' (p. 6/7).

236 

Marginale aant. van Groen: `Over de individ[ualiteit] slechts een oppertoezigt. Maar de gouverneur heeft veel meer dan dit over de administr[atieve] afd[eeling]: Kte [?] 99. Zie n. 220.

237 

Marginale aant. van Groen: `Historie bij ons: Thorb[ecke, Aanteekening] II, 79. 1798 zuiver rev[olutionair]. 1801 reactie. Weldra prefectensysteem. In 1813 anders. Maar de praktijk: Th[orbecke, Aanteekening] II, 83; 94. Schimmelp[enninck], Rutger Jan Schimmelpenninck] I, 96 sq. Zeer tegen de valsche uniteit; en toch is zij alleen consequent. Als het noodig is, moet het gedeeltelijke wijken (unitar[issen] en fed[eralisten].' De bedoelde plaats uit R. J. Schimmelpennincks rede is reeds aangehaald in no. 68 bij n. 83. Hierbij hoort een aant. van Groen op de rechterbladzij van het hs.: `Het verschil ligt eigenlijk tusschen ons en de hevige unitarissen: Nat[ionale] V[ergadering] IV, 190; 418.' Blijkens het Dagverhaal IV, 190 (no. 292 van 14 dec. 1796) doelt Groen op P. Hartog en P. Vreede. Eerstgenoemde zegt t.a.p. `Ik wil eene volstrekte éénheid, zoo dat die negen Volken welken thans dit Gemeenebest uitmaaken, maar één éénig Volk zullen uitmaaken, één éénige ondeelbare Republiek, en tot één éénig Opperbestuur gebragt worden.' In Dagverhaal IV, 418 (no. 321 van 13 jan. 1797) vindt men de bron van het door zijn zoon in Rutger Jan Schimmelpenninck I, 96/7 aangehaalde citaat: `dat men zich in geenen deele moest voorstellen dat het oogmerk was, dat door het Decreet der één en Ondeelbaarheid alle Departementale Machten gebouleverseerd of geconfundeerd stonden te worden, en dat dit de intentie der voorstanders der volstrekte eenheid zoude zyn: ofte ook iets, waar door de Burgerlyke Vryheid zoude worden aangerand; dan nimmer het idée van hun geweest was zoodanig eene totale Universiteit daar te stellen; dan zoude hy zich liever op de plunderstranden van Africa, dan wel in zoo een één en Ondeelbaar Gemeenebest bevinden.' Tegenover Schimmelpenninck houdt P. Gevers t.a.p. vol: `dat 'er maar een eenige Souveraine Wetgevende Vergadering in de Bataafsche Republiek zal zyn en alle andere machten zuiver administratief'. Cf. Handboek, p. 703 e.v.

238 

Thorbecke zegt n.a.v. art. 128 op p. 25: `Een Vertegenwoordiging . . . niet geroepen om besluiten van regering te nemen, zal dra zich zelve tot last en wezenloos zijn.' In een noot licht hij het woord `regering' aldus toe: `Regeren is, meen ik, niet enkel besturen. Bestuur is een deel der regering. Men regeert in de eerste plaats door wetten.' Op p. 86 betoogt hij n.a.v. art. 143: `Het is de vraag niet, of het gouvernement, waar het de uitvoering van algemeene wetten geldt, in de provincie regeren, maar of het dit onmiddellijk, of door 's Konings commissaris, dan door middel der provinciale Staten, zal doen. Dit laatste wil de Koning zoo ver mogelijk uitgebreid hebben.'

239 

In de anonieme rec. van Groens Bijdrage tot herziening leest men op p. 334: `Hetgeen in 1813 werd opgericht, een Monarchie te noemen, is deels historisch onjuist, deels met den aard der toenmalige Grondwet in strijd, die overal het woord Souvereine Vorst gebruikt, en volgens welke dus de Staat een Souverein Vorstendom zoude moeten genoemd zijn. In de Grondwet van 1815 werd de benaming van Souverein Vorst in die van Koning veranderd, en de Staat heette dus in plaats van Vorstendom, Koninkrijk. Het niet Nederlandsche woord Monarchie, dat in de Grondwet niet voorkomt, en dat aan de Fransche Royalisten schijnt ontleend te zijn, zouden wij daarom liever vermijden, dewijl het als van zelf aan een Patrimoniëel Rijk schijnt te doen denken; . . .' Groen schreef deze rec. toe aan Da Costa; cf. Brieven van Da Costa I, 62, 1.

240 

Marg. aant. van Groen: `Geene alleenheersching of absolutisme.'

241 

Op de dag van de vlucht van Lodewijk XVI naar Varennes meenden verschillende girondijnen, `que cette fuite du roi était son abdication, qu'il fallait en profiter pour préparer les esprits à la république. Robespierre . . . demandait ce que c'était qu'une république.'



242 

Lamartine noemt t.a.p. als tweede grondbeginsel van de Franse revolutie sinds april 1791: `que ce mouvement philosophique et social de démocratie chercherait sa forme naturelle dans une forme de gouvernement analogue à son principe et à sa nature, c'est‑à‑dire expressive de la souveraineté du peuple: république à une ou à plusieurs têtes; . . .' Cf. Grondwetherziening, p. 109; Ong. en rev., 2e dr., p. 196(*).

243 

Men vindt het bedoelde citaat (= Stahl, Der christliche Staat2, p. 10) in Grondwetherziening, p. 110, 1. De daar aangebrachte cursivering is van Groen.

244 

Hetzelfde nummer wordt aangehaald in Ong. en rev., p. 370; 384; Grondwetherziening, p. 289, 1.

245 

Misschien Kant bedoeld; cf. Ong. en rev., p. 244; Grondwetherziening, p. 518; Haller, Restauration de la science politique I, 78‑83. Een andere mogelijkheid is, dat Groen [De Bosch] Kemper bedoelt door wie hij als `anti‑constitutioneel' afgeschilderd werd; cf. Grondwetherziening, p. 370.

246 

Lamartine noemt het koningschap t.a.p. `une majestueuse inutilité de la constitution.' Groen heeft t.a.p. ook onderstreept: `Voilà le vrai vice de la constitution de 1791. Elle ne fut pas conséquente. La royauté embarrassait la constitution' en `. . . la royauté de 91, très‑peu différente de la royauté d'aujourd'hui . . .' Cf. Grondwetherziening, p. 16; 21.

247 

Men leest t.a.p.: `l'institution de 1791 . . . n'a pas péri parce que le veto du roi était suspensif au lieu d'être absolu, elle n'a pas péri parce que le droit de paix ou de guerre était enlevé au roi et réservé à la nation. . . L'amoindrissement du pouvoir royal n'était pas pour la royauté de 91 le principal danger: c'était plutôt son salut si elle eût pu être sauvée.' Cf. Grondwetherziening, p. 23.

248 

Hs. abusievelijk: `I, 179'. Lamartine tekent in II, 179 de gedachtengang van de republikeinen in de Conventie aldus: `De deux choses l'une: ou ce roi constitutionnel aura un droit propre et une volonté personnelle, ou il n'en aura aucun. S'il a un droit propre et une volonté personnelle, ce droit et cette volonté du roi, en opposition souvent, et en lutte quelquefois, avec la volonté du peuple, n'auront fait qu'enfermer un germe de contradiction, de guerre intestine et de mort dans la constitution . . . Ou le roi n'aura point d'autorité ni de volonté personnelle: et alors, impuissant, inutile et méprisé, il ne sera que l'aiguille dorée qui marque l'heure sur le cadran de la constitution, mais qui n'en règle et n'en modère en rien le mécanisme. Dérision du titre de roi et avilissement du signe du pouvoir!'



249 

Marginale aant. van Groen: `Verwarring omtrent het historische; overneming van afgesleten instellingen; van namen. Rev[olutionaire] vooroordeelen; tegen de gemeenten en gewesten; vrees voor het radicale. Incompleet systema.'



250 

Zie n. 110.



251 

Dit woord is weggebonden in het hs.



252 

Men leest t.a.p.: `Die Unverletzlichkeit, d.i. dasz der Fürst für seine Person nicht zur Verantwortung und also auch nicht zur Strafe gezogen werden kann, versteht sich in der ächten Monarchie, wo der Fürst über dem Volk steht, ganz von selbst; denn wer könnte ihn hier rechtlich zur Verantwortung ziehen? Wird dieses dennoch als Artikel in unsern neuen Constitutionen aufgenommen, so ist es überflüssig, oder ungereimt.' Marginale aant. van Groen: `Le roi règne et gouverne. Gaz[ette] de Fr[ance], 29 déc. [18]40.' Zie n. 244 supra en n. 168 van no. 83.

253 

Versta: burelisten (loketbeambten). Groen bezigt hier het Franse woord.



254 

Stahl zegt t.a.p.: `Es besteht hier [in den deutschen konstitutionellen Staaten] die Ministerverantwortlichkeit blosz zum Zwecke der Verfassungsmäszigkeit, nicht wie in England zum Zwecke der parlamentarischen Regierung.'

255 

Stahl hekelt t.a.p. het parlementaire stelsel, dat de invloed van de koning vrijwel tot nul reduceert: `Der König . . . darf als constitutioneller König keine eigene Meinung haben, weil das eine dem Volke unverantwortliche Meinung wäre, und auf die Regierung nichts einwirken darf, das dem Volke nicht verantwortlich ist . . .' Marginale aant. van Groen: `Minist[eriële] zelfstandigheid: St[ahl, Die Philosophie2] I, 360. Budget fixeren: Gespräche, p. 276; St[ahl, Die Philosophie2] II, 2, 340.' Radowitz zegt t.a.p.: `Die jetzigen Einnahmen sind daher als fester Ausgangspunct anzunehmen, über welche, als dem langjährigen, erfahrungsmäszigen Bedürfnisse, keine Transaction gestattet ist.'

256 

Cf. Stahl, Die Philosophie2 II, 2, 302; Verscheidenheden, p. 268.

257 

Cf. Büchmann, Geflügelte Worte, p. 619; Ned. Ged., II, 7; Handboek, p. 849; Nederlander no. 478 (19 jan. 1852); Adviezen 1856/7 I, 234; Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. 62; Parlementaire studien II, 459; III, 96.

258 

Lourdoueix roemt t.a.p. de vrijheidlievende besluiten van `la majorité de 1815'. Fiévée wijdde een heel boek aan deze zitting (Histoire de la session de 1815).

259 

Zie n. 244.



260 

Marg. aant. van Groen: `Burke [, Works] VII, 308.' Men leest t.a.p.: `in that unfortunate book of mine, which is put in the index expurgatorius of the modern whigs, I might have spoken too favourably not only of those who wear coronets, but of those who wear crowns.' Cf. Vrijheid, gelijkheid, broederschap, p. 115/6; Brieven van Da Costa I, 316.

261 

Vermoedelijk doelt Groen op Pitts optimistische uitspraak over zijn antirevolutionaire vaderland: `Engeland and its constitution were safe to the day of judgment.' Cf. Ong. en rev., 2e dr., p. 28, 3; Ned. Ged., 2e serie, V, 324, e.

262 

Misschien slaat dit op de uitspraak van de ex‑koning over de `antirevolutionaire' politiek van de president der republiek Lodewijk Napoleon: `Mais, ou je m'abuse étrangement, ou la politique suivie depuis le mois de juin 1848, se rapproche, le plus qu'elle le peut, de la politique pratiquée par mon gouvernement . . .' Men vindt deze woorden in Lemoine, Abdication du roi Louis Philippe, p. 38. Het boekje is een vervolg op zijn brochure van 1848: Une visite au roi Louis‑Philippe.

263 

Misschien doelt Groen op 's konings toespraak van 12 jan. 1849, waarin hij verzekert niet van plan te zijn `die Besitzenden ihres Eigenthums zu berauben und es an die Besitzlosen zu vertheilen' (Frederik Willem IV, Reden, p. 90).

264 

Willem II of Willem III?



265 

In de `Koninklijke boodschap' van 11 dec. 1829; cf. Lipman, Nederlandsch constitutioneel archief I, 120.

266 

Toespeling op het aan Lodewijk XVIII bij zijn terugkeer uit de ballingschap toegeschreven gezegde: `Rien n'est changé en France; je ne vois qu'un Français de plus!' Cf. Alexandre, Le musée, p. 209‑212; Nederlander no. 1311 (30 sept. 1854); Alison, History X, 252; Lourdoueix, Appel, p. 20. Marginale aant. van Groen: `Souv[erein] vorst. Gaf eene gr[ond]w[et].'

267 

Art. 12 van de grondwet van 1815 werd art. 11 bij de herziening van 1840. Het luidde: `De kroon der Nederlanden is en blijft opgedragen aan Zijne Majesteit Willem Frederik, Prins van Oranje‑Nassau, om door Hem en Zijne wettige nakomelingen te worden bezeten erfelijk, overeenkomstig de navolgende bepalingen:'. Cf. Verscheidenheden, p. 113‑150; Nederlander no. 371 en 372 (12 en 13 sept. 1851); no. 376 (18 sept. 1851); Adviezen 1856/7 I, 191‑195.

268 

Marginale aant. van Groen: `Burke [, Works] VII, 316.' Men leest t.a.p.: `Formerly, where authority was founded, wisdom and virtue were presumed. But now the veil was torn, and to keep off sacrilegious intrusion, it was necessary, that in the sanctuary of government something should be disclosed not only venerable, but dreadful. Government was at once to shew itself full of virtue and full of force.'

269 

Cf. Lamartine, Histoire des Girondins II, 278: `La révolution a pour mission de substituer la raison au préjugé, le droit à l'usurpation, l'égalité au privilège, la liberté à la servitude dans le gouvernement des sociétés, en commençant par la France. La royauté est un préjugé et une usurpation subis depuis des siècles par l'ignorance et par la lâcheté des peuples.' Zie ook Ong. en rev., 2e dr., p. XV, 2; 213; Le parti, p. 37; 47; Briefw. I, 455,3 in verband met Chateaubriand Etudes I, 127; Burke, Works VI, 60; VII, 316; 439; VIII, 401; Haller, Restauration de la science politique I, 164; Rousseau, Oeuvres complètes III, 425; Lourdoueix, De la restauration, p. 510.

270 

Deze laatste zin staat in het hs. in hoofdstuk XVI, maar lijkt op deze plaats thuis te horen. Cf. Adviezen 1856/7 I, 407; Capadose, Ontboezeming, p. 31.

271 

Niet duidelijk waarop dit slaat.



272 

In de Tiendaagse veldtocht van 1831.



273 

Niet duidelijk of hier Willem II, Willem III, Lodewijk Filips of Karel X bedoeld is. Over laatstgenoemde gaat het in Lourdoueix, Appel, p. 91 e.v. Op p. 92 heeft Groen onderstreept: `Il faut bien reconnaître, dans cette conduite sans exemple, le dernier triomphe du principe d'isolement auquel on avait livré le roi.'

274 

Hoewel men ook hier aan koning Willem III kan denken, ligt het meer voor de hand hierin een hulde aan de stadhouder‑koning te zien. Cf. Ned. Ged. II, 128a.

275 

Die namen duiden in art. 11 van de grondwet van 1840 koning Willem I aan. De context wijst eerder in zijn richting dan naar Willem II, die deze namen eveneens droeg. Als laatstgenoemde bedoeld is, mag men aannemen, dat deze passage vóór zijn sterfdag (17 maart 1849) geschreven is.



276 

Art. 13 van `Die Deutsche Bundes‑Akte vom 8 Juni 1815' luidde: `In allen Bundesstaaten wird eine Landständische Verfassung statt finden.' Cf. Quellen zum Staatsrecht I, 26.

277 

Groen haalt dit geschrift van Jarcke ook aan in Beschouwingen, p. 200; Adviezen 1840, p. 135, 1 en prijst diens denkbeelden over `eene ware volksvertegenwoordiging' ook in een brief aan De Bosch Kemper (Briefw. II, 663). Cf. Stahl, Die Philosophie2 II, 2, 314 e.v. Bedoeld lijkt p. 18: `Im Hintergrunde der Zukunft jedes Landes, in dem der Repräsentativstaat Gestalt und Daseyn gewonnen hat, liegt demnach nur die Wahl zwischen der Restauration der ständischen Monarchie und der revolutionären, auf dem Prinzip der Volkssouverainetät beruhenden Republik.' Op p. 19 heeft Groen de volgende beschrijving van het wezen ener revolutionaire volksvertegenwoordiging onderstreept: `beispielloser und unerhörter Despotismus eines Tyrannen, der nicht altert, nicht stirbt, seines Treibens nicht müde wird, und mit der Persönlichkeit auch des Gewissens ermangelt.'

278 

Het citaat is reeds gedrukt in Grondwetherziening, p. 222 (waar abusievelijk naar I, 17 verwezen wordt); cf. p. 210; Verscheidenheden, p. 236/7; 243; Ned. Ged., 2e serie II, 293.

279 

Op p. 36 betoogt Radowitz, dat ook na de invoering van constituties alle heil in de Duitse staten van de regeringen kwam en niet van de stenden: `Wo diese eingegriffen, hat sich ihre praktische Wirkung fast nur dadurch gezeigt, dasz die Anordnungen verzögert, verstümmelt worden sind'; op p. 72/3 `dasz in allem dem Kammergetreibe von dem Volke und seinem Schicksale ernstlich die Rede sey, dies läugne ich gänzlich . . . Das ganze Wesen der constitutionellen Monarchie ist nichts als eine grosze Lüge . . . der Bürger, wie er sich gern nennen hört regiert, nicht das Volk . . . Weg mit Euch . . . Ihr Arbeiter! Nicht für Euch ist die Verfassung.'



280 

Hierbij hoort wellicht de aant. van Groen op de rechterbladzij van het hs.: `Eigenlijk moet er vertegenw[oordiging] zijn der standen: Die ständ[ische] Verf[assung], p. 45.' Groen heeft t.a.p. onderstreept: `Das Repräsentativsystem, wo es zu seiner vollen Entfaltung gediehen ist, erkennt nur Individuen, geometrische Figuren und Ziffern an. Die Verschiedenheit der Stände und Interessen is ihm ein Gräuel, und nur die Vertretung des allgemeinen Wohles der atomistischen Masse der zerbröckelten Nation findet Gnade vor seinen Augen.'

281 

Hierbij hoort waarschijnlijk de aant. van Groen op de rechterbladzij van het hs.: `Zonderlinge verdediging der regtstr[eeksche] verkiez[ingen] bij Thorb[ecke], bij Opzoomer, Volkswil, p. 15; 17; 19; 20.' Cf. Grondwetherziening, p. 11 e.v. Zie ook n. 13 en 15.

282 

Men leest t.a.p.: `De Constitutionele vergaderingen van onze eeuw zullen, dunkt mij, een van beide, òf geneutraliseerd worden, of genationaliseerd; . . .' Cf. Grondwetherziening, p. 8, 4; Nederlander no. 445 (8 dec. 1851).

283 

Radowitz zegt op p. 224/5: `Meine Vorwürfe gegen den Repräsentativ‑Constitutionalismus beziehen sich daher nicht sowohl auf die Schranken, welche er den Regierungen setzen will, sondern auf die Befugnisse, die er den sogenannten Volksvertretern beilegt . . . die unbeschränkte Gewalt, die dem constitutionellen ``Staate'' wieder vindicirt wird, diese ist es, in welcher der verwerfliche Character des Systemes an den Tag tritt.' Op p. 252 handelt hij over de rampzalige praktijk van de `unselige Theorie von einer Staatsgesetzgebung, die zu Allem berufen und berechtigt sey . . .'



284 

Hierbij waarschijnlijk de aant. van Groen op de rechterbladzij van het hs.: `House of commons: Burke [, Works] VI, 59.' Burke schrijft in zijn Letter to a member of the National Assembly of France (1791), dat de Franse revolutionairen geen echte Kamer van Pairs kunnen vormen en vervolgt dan: `But if you are not in a condition to frame an house of lords, still less are you capable, in my opinion, of framing any thing which virtually and substantially could be answerable (for the purposes of a stable, regular government) to our house of commons. That house is, within itself, a much more subtle and artificial combination of parts and powers than people are generally aware of.'
71
1   ...   41   42   43   44   45   46   47   48   ...   78


Dovnload 7.64 Mb.