Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina46/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   42   43   44   45   46   47   48   49   ...   78
Verslag op eene prijsverhandeling over Oldenbarneveld. 1850.1

Een leven van Oldenbarneveld te schrijven is eene zoo moeilijke taak, eene zoo zeldzame vereeniging van kundigheden en gaven wordt daarvoor vereischt, dat het Instituut voorzeker op geen volledige bevrediging zijner wenschen rekening heeft gemaakt, en dat, ten aanzien van het ingekomen opstel, geen buitengemeene gestrengheid van oordeelvelling te pas komt.

Dit evenwel schijnt ter bekrooning onmisbaar: dat stijl en zamenstelling niet beneden het middelmatige en met den aard van het onderwerp in overeenstemming zij; dat de schrijver2 op de hoogte der wetenschap sta; dat hij blijk geve van historische kritiek en van onpartijdigen zin.

Wat stijl betreft, moet ik in 't voorbijgaan doen opmerken dat de schrijver met den eisch en eigenaardigheid der Hollandsche taal weinig bekend is3: dat juistheid, kracht, bevalligheid, levendigheid of warmte der voordragt bijkans allerwege gemist wordt; dat loomheid en eentoonigheid het doorgaand karakter van het geschrift uitmaakt, en dat er geen zweem is en van die deftigheid en waardigheid, en eenvoudige sierlijkheid, waarin teregt het kenmerk van den historischen stijl gezocht wordt.

De schrijver schijnt zich voorgesteld te hebben dat het Instituut in het leven van Oldenbarneveld eene eenvoudige opteekening verlangt, jaar op jaar, van al hetgeen hij verrigt heeft; en van het merkwaardigste dat te gelijker tijd in de provincie Holland, of ook in de Vereenigde Nederlanden, gebeurd is. Met de hoogere eisschen eener biographie is hij, in de praktijk althans, niet bekend. Nergens bespeurt men de poging zelfs om hooger eenheid en verband in de opteekening te brengen; om terzijde te stellen wat niet, om op den voorgrond te brengen wat vooral tot de bekendmaking behoort van den persoon aan wien het geheele geschrift gewijd is; om in de beschrijving te doen uitkomen de hoofdtrekken van zijn handelwijs en denkwijs en inborst; om uit de gebeurtenissen zelve het beeld en de individualiteit van den vermaarden staatsman te doen oprijzen; om datgene in het oog te doen vallen wat in het portret het treffende der gelijkenis teweegbrengt; datgene wat, in het biographisch overzigt, om het dus uit te drukken, het leven van het leven mag worden genoemd.

Ik meen dat ik eene zeer zachte uitdrukking bezig, wanneer ik zeg dat de schrijver niet op de hoogte der wetenschap is. Het komt mij voor dat hij bijkans geen enkel der menigvuldige schriften waarmeê, in den laatsten tijd, menig gedeelte van zijn onderwerp toegelicht is, kent, of althans (want sommigen zijn er die men een enkele maal aangehaald vindt), met eenigen ernst onderzocht en bestudeerd heeft. - Ik bepaal mij bij enkele voorbeelden: de briefwisseling van Leicester4, welke in de beschouwing zijner landvoogdij zooveel heeft opgehelderd, aangevuld of gewijzigd; de Lettres et négociations de S[eigneu]r de Buzanval5 door den hoogleeraar Vreede in het licht gezonden; het leven van Maurits, door Van der Kemp6, waarin zoo menige wenk voorkomt die overweging zou hebben verdiend.

Doch ik meen eene meer algemeene strekking te moeten geven aan dit billijk verwijt. Het is alsof de verhandeling, niet in 1849, maar zestig jaren vroeger, was zamengesteld. En toch de studie der laatste halve eeuw is voorzeker niet, in allen opzigte, onvruchtbaar geweest. Veel dat vroeger onbetwistbaar scheen, is onverdedigbaar geworden; veel, dat ongerijmd geacht werd, wordt door een iegelijk erkend. Om een voorbeeld te kiezen: het is geen ongerijmdheid meer te beweeren dat Leicester grovelijk in zijne daden en bedoelingen miskend is; dat de Synode van Dordrecht de Hervormde kerk tegen de overmagt van onchristelijke leerbegrippen behoed heeft; en dat Nederland het smooren der reeds allerwege opkomende vonken van den burgerkrijg aan den moed, het beleid en de pligtbetrachting van Maurits heeft te danken gehad. Ook de tegenpartij ontveinst niet meer dat dergelijke voorstelling, ofschoon zij haar niet beaemt, evenwel allezins opmerkenswaard is, en ernstig onderzoek en wederlegging behoeft. De schrijver, daarentegen, is omtrent de onwrikbaarheid zijner tegenovergestelde inzigten nog even gerust, alsof de steunsels van het gebouw niet reeds aan het wankelen waren gebragt.

Ook op dit standpunt eener verouderde beschouwing, draagt de verhandeling geen sporen van historische kritiek. Menigvuldige citatiën vindt men; maar noch in het onderzoek naar de geloofwaardigheid der geschriften, noch in de vergelijking van hun betrekkelijke waardij, noch in 't algemeen in eenige juistheid van opgaaf en beoordeeling der bronnen, vindt men eenig blijk dat er eene toetsing der getuigenissen, die kritisch zou mogen heeten, plaatsgehad heeft.

Het zou niet moeijelijk vallen menige bijzonderheid [aan] te wijzen waarin gebrek aan oordeelkunde zich openbaart. Wanneer bijvoorbeeld de schrijver de telkens herhaalde wenschen van Oldenbarneveld om van den ondragelijken last te worden ontslagen, voor goede munt houdt.7 Wanneer hij een toeleg tot sluipmoord ontwaart door het letterlijk opvatten van den schamperen uitval door iemand8 die met Aersens in betrekking scheen te staan, dat Maurits wel zou doen met Oldenbarneveld in een zak genaaid, in zee te doen werpen.9 Wanneer hij, met zekeren ophef, vermeldt dat de Staten - welke? dat de Staten van Holland geen schijn van wantrouwen tegen Oldenbarneveld hadden opgevat, en zich hartelijk verblijdden toen hij, in 1611, na eene ernstige ongesteldheid, weder ter vergadering verscheen.10

Het kan dan ook niet bevreemden, zoo er of geenerlei, of eene weinig beteekenende behandeling gevonden wordt der vragen omtrent het Nederlandsche staatsregt, van wier beantwoording de zienswijze aangaande de politiek van Oldenbarneveld, in het lofwaardige of berispelijke, zoo niet misdadige van haar strekking, afhankelijk is. In hoever was het gemeenebest, in de rigting die, vooral Barneveld eraan gaf, eene schadelijke afwijking van den oorspronkelijken staatsvorm? Was de provinciale souvereiniteit en het overwigt van Holland bestaanbaar met de bepalingen en onmiskenbare bedoeling der Unie van Utrecht? Hebben de Staten en stedelijke regenten, onder leiding van Barneveld, het gebouw hunner magt niet gevestigd op de puinhoopen van de regten der burgerij? Kwam de betrekking van overheid en kerk, zooals ze door Barneveld op hoogen toon en met een sterken arm begeerd werd, met de regten van de kerk en met den zin en geest, waarin men tegen Spanje krijg gevoerd had, overeen? Was de verheffing van het huis van Oranje, gelijk Oldenbarneveld ze gaarne zou gewild hebben, niet aan vernedering gelijk? Was daarin niet het overleg zigtbaar om dengene die zoo ligt opperhoofd der natie scheen te kunnen worden, onschadelijk te maken, als een dankbaar en gedienstig werktuig der aristocratie? Omtrent deze gewigtige punten, omtrent den aard, de beteekenis, de juistheid of onjuistheid der grondlijnen waarop de redenering en oordeelvelling berust, wordt of niets, of weinig gemeld; of wanneer de mededeeling meer uitgebreidheid erlangt, wordt alleen de eenzijdige beschouwing herhaald die aan iedereen bekend is.

Alleen uit deze onbekendheid met den stand der wetenschap en uit gebrek aan kritiek is het verklaarbaar dat de schrijver in het geheele opstel eene zoo verregaande partijdigheid aan den dag gelegd heeft. Het is eene levensbeschrijving van Oldenbarneveld door den nakomeling, die niets vergeten en niets geleerd heeft11, met de bewondering en tevens met al het vooroordeel, met al de bitterheid van een tijdgenoot en medestander, zamengesteld. Het is de eentoonige weêrklank van al hetgeen door degenen waarvan Barneveld het hoofd was, tot eigen lof en tot smadelijke veroordeeling van andersdenkenden, te zamengebragt is.

Neem het tijdperk van Leicester. Trek het medegedeelde bijeen, en het komt neêr op de traditionele voorstelling dat Leicesters eenig doel zelfverheffing was; dat hij zich aan de heeren Staten door weêrbarstigheid vergreep; dat hij in de predikanten (lastige roervinken, op hunne wijs even heerschzuchtig als hij zelf) een steun had; dat Oldenbarneveld met den Engelschman te dwarsboomen zich verdienstelijk gemaakt, en dag en nacht gelijk Leicester, ook zich zelven, ten oorbaar van den lande, gekweld heeft. Neem het volgende tijdperk tot aan het Bestand. Daar vindt men wederom alleen wat sedert lang in het geschiedverhaal van elken remonstrantschgezinde herhaald werd. Eene opgaaf der voornaamste gebeurtenissen van landsbestier en krijg; de gewone gissingen omtrent hetgeen tot spanning tusschen Maurits en Barneveld aanleiding gaf12; vooral een onophoudelijk vermelden hoe wijsselijk vredelievend de advocaat, hoe halsstarrig oorlogsgezind de stadhouder was.

Het was te vermoeden dat deze partijdigheid zich, vooral in de tijden van de jammerlijke religietwist lucht geven zou. Dit vermoeden wordt door den inhoud der verhandeling ruimschoots bevestigd.

Heftigheid verraadt zich reeds in de wijs waarop men de wederpartij qualificeert. De predikanten, die tegen de kerkelijke suprematie der Staten bezwaar hadden, zijn `een hoop dweepzieke leeraars'13, wien het om dwingelandij te doen is14; de leden der synode zijn `Dordrechtsche santen'.15 Maurits had het voornemen om Oldenbarneveld en de zijnen `zoo fijn te vermalen als stof'16, ofschoon men later te kennen geeft dat `laffe krijgsmanseer' hem in het schenken van genade weêrhield17, en tegen Aerssen worden de smaadredenen zijner felste vijanden te berde gebragt, op een toon van minachting en verguizing, min voegzaam ten aanzien van den man die door een bevoegden regter18, onder de drie grootste der hem bekende staatslieden gesteld werd.

De beschrijving der gebeurtenissen is, gelijk ze bij dergelijke voorstelling van de hoofdpersonen kan worden verwacht. Het aanwijzen der partijdigheid is overtollig, vermits ze, bij de inzage van het stuk, schier op elke bladzijde in het oog valt. Ik moet evenwel bepaaldelijk doen opmerken dat, terwijl de vervolging tegen de remonstranten breed uitgemeten en hoogelijk afgekeurd wordt, er zeer terloops en naauwelijks melding wordt gemaakt van de verdrukking die vooraf ging; van een last der Staten tot opneming van anti‑gereformeerde begrippen, niet nevens, maar in de Gereformeerde kerk; zoodat ze wel verkondigd, maar niet mogten worden wederlegd. Van het onregt en den gewetensdwang waarmeê de voorstanders van de aangenomen kerkleer uit de kerken verjaagd, ook in de huizen en schuren waar zij ter godsdienstoefening bijeenkwamen, werden vervolgd. In één woord van die vervolging om der godsdienst wille, waartegen Maurits zich, niet op grond van eigen geloofsovertuiging, maar ter voldoening aan den eed tot bescherming der gereformeerde religie, verklaard en verzet heeft.

Het hoogste bewijs eener poging om billijk te zijn is de verklaring van geen geloof te hechten aan het sprookje dat Maurits, met wraakgierig welbehagen de onthoofding van Barneveld aanschouwd heeft19; eene poging die wel aan het hart van den schrijver eer doet, maar tevens zijne onbekendheid doet uitkomen met de volledigheid der bewijzen waardoor het alibi van Maurits gestaafd en dus het vasthouden aan het geliefd en hatelijk verdichtsel onmogelijk gemaakt is.

Natuurlijk dat de partijdigheid der beschouwing, waar het den lof en de verdediging van Oldenbarneveld zelven betreft, haar nec plus ultra bereikt. Alle redeneringen en beschouwingen zijn aan Oldenbarneveld gunstig; geen wonder dewijl men zich op hetzelfde standpunt heeft geplaatst waarop Oldenbarneveld zelf gestaan heeft. Menigwerf wordt van de goede trouw van Oldenbarneveld melding gemaakt20; waarschijnlijk niet ten onregte, wanneer door die hoedanigheid aangeduid wordt het voortgaan met ingenomenheid en overtuiging in de eenmaal gekozen rigting; maar men schijnt vergeten te hebben dat die goede trouw geen waarborg is van de juistheid der begrippen; men schijnt het onderzoek bijkans noodeloos te hebben gekeurd of Oldenbarneveld, bij het aannemen van die rigting, aan de fundamenteele beginselen van het Nederlandsche staatsregt getrouw was.

Vandaar dat de geheele handelwijs van Barneveld, daar zij telkens aan zijn eigen stelsel ter toetse gebragt wordt, telkens zuiver gekeurd, telkens tot een voorwerp gemaakt is van onvoorwaardelijken en uitbundigen lof. Vandaar dat zijne houding tegenover Leicester als `een kloek bestaan' geroemd wordt.21 Vandaar dat de schrijver in de pogingen tot verheffing van Maurits groote verdienstelijkheid ontwaart, en het den stadhouder zeer ten kwade duidt zoo weinig erkentelijk jegens Oldenbarneveld geweest te zijn; jegens den man op wiens raad de Staten tot een onderhandelen met hem, als met zijn vader, niet ongezind waren.22 Hij vergeet daarbij dat de graaflijkheid, gelijk die aan Willem I met ophef aangeboden werd, in den grond der zaak tot nietsbeduidendheid toe beperkt en besnoeid was, en dat de verhooging van Maurits, met het vaste voornemen om hem aan den leiband der Staten te doen gaan, slechts een kunstgreep te meer was waardoor het gezag der Staten, in den persoon van hun stadhouder, of eerste onderdaan, zou worden verhoogd. Vandaar dat de schrijver, als algemeene regtvaardiging van Oldenbarneveld's gedrag tegen de regtzinnige predikanten, de verklaring te berde brengt die Oldenbarneveld zelf goed vond op den voorgrond te stellen: dat `de betwiste punten de grondvesten der Hervormde kerk noch schokten, noch ondermijnden.'23 Vandaar dat hij ook de verdraagzaamheid van Oldenbarneveld hoogelijk verheft; zonder in het oog te houden dat die kerkelijke verdraagzaamheid betoond werd aan een leer die, volgens de vastgestelde grondregels der gezindheid, met het kerkgeloof in regtstreekschen en openbaren strijd was; dat die verdraagzaamheid uitliep op een dwang, waarvoor geen verontschuldiging gezocht werd dan het beweeren aangaande de nietsbeduidendheid van het verschil; alsof de meening van Oldenbarneveld en heeren Staten billijkerwijs ten maatstaf van kerkelijke regtzinnigheid gesteld was. Hij vergeet dat deze politieke verdraagzaamheid in onafscheidelijk verband stond met de algemeene suprematie waardoor én het huis van Oranje, én de Unie der Zeven Gewesten, én de burgerij, én de kerk aan het goedvinden der Staten van Holland, onder de leiding van hun talentvollen advokaat, zou worden ondergeschikt. Hij vergeet dat dit stelsel doorgedreven werd met uitnemende schranderheid en welberekend overleg; met een volharding, waarbij zelfs voor het bezigen van geweld en het ontsteken van den burgerkrijg niet teruggedeinsd werd. Die onbuigzaamheid is bijkans het eenige dat de schrijver berispelijk vindt.24 Hier nu schijnt hij voorbijgezien te hebben dat zij, in iemand van dien stempel, getuigenis draagt van hetgeen aan Oldenbarneveld welligt het meest tot verontschuldiging, zoo niet tot eer, verstrekt; van die onwrikbaarheid der overtuiging welke, op den weg der vermeende pligtbetrachting, liever dan een duimbreed terzijde te gaan, met eere bezwijkt.


Het is mij ondoenlijk, waar het Instituut, met het oog op den eisch der wetenschap, een leven van Oldenbarneveld verlangd heeft, tot bekrooning te adviseren van eene verhandeling die, onder den vorm van een lijvig boekdeel, in zich vereenigt de omslagtigheid eener compilatie, de eenzijdigheid eener apologie, en de scherpheid van hetgeen men, in de ongunstige beteekenis van het woord, een pamphlet noemt. Ik heb daarin geenerlei bijdragen tot naauwkeuriger kennis en beter waardeering van het karakter en de politiek van Oldenbarneveld ontmoet. Met meer juistheid en levendiger trekken wordt hij in het eerste gedeelte zijner loopbaan geschetst, in weinige bladzijden van den historischen roman waarmeê onze begaafde landgenoote25, onder den naam van Leicester26, de Nederlandsche letterkunde verrijkt heeft. De tegenstelling tusschen Barneveld en Maurits wordt korter en beter kenbaar gemaakt in het gezegde van Barneveld: `ik kom in een tijd waarin men andere regels van regeeren volgt dan men plag'27 - met het antwoord van Maurits: `de Advokaat heeft die grondregels in den Staat niet gevonden, maar zoeken in te voeren.'28 En wanneer ik, aan het einde der verhandeling, lees dat Oldenbarneveld `met den Hemel in het hart, de martelaarskroon in het gezicht, op het schavot stond', dan geef ik de voorkeur aan het eenvoudige bijschrift in het Resolutiënboek der Staten van Holland ten dage der teregtstelling: `een man van grooten bedrijve, arbeidzaamheid, geheugen, en beleid, ja, singulier in alles; die staat, zie toe dat hij niet valle: en zij God zijner ziele genadig! Amen.'29

------
Noten bij no. 71. Verslag op eene prijsverhandeling over Oldenbarneveld.


1 

ARA, G.v.P., no. 72 (De Vries no. 83), eigenhandig ontwerp.



2 

De identiteit van de schrijver is moeilijk meer vast te stellen. Het Notulenboek Tweede Klasse 1844‑1851 (VII) p. 253 (vergadering van 7 febr. 1850) vermeldt weliswaar, dat de prijsverhandeling en de afschriften van de drie beoordelingen zouden `worden gesteld onder berusting van den kommies, ten burele der Klasse', maar alleen deze afschriften bevinden zich nog in het archief van de Tweede Klasse (in de Bibliotheek van de KNAW) onder no. 34 van Rapporten IX. De twee andere adviezen (resp. 14 en 7 blz.) kwamen van H. Beyerman, die op 26 maart 1846 het onderwerp opgegeven had (Notulenboek p. 84), en J. C. de Jonge. Ze waren van gelijke strekking als dat van Groen. Zo valt te verklaren, dat de naam van de schrijver der onder een motto ingezonden verhandeling nergens in de notulen genoemd wordt (cf. p. 237, 240, 253/4, 257).



3 

Aant. van Groen (hij heeft deze en de volgende met de letters a‑o aangeduid): `Zoo leest men bijvoorbeeld dat Oldenbarneveld het leven was der Staten van Holland. bl. 58; van verblijdende oogen voor blijde oogen. bl. 214; van een aanstaan op erkentenis. bl. 151.'



4 

Zie bibliografie s.v.



5 

Zie bibliografie s.v.



6 

C. M. van der Kemp, Maurits van Nassau (zie bibliografie s.v.).



7 

Aant. van Groen: `bladz. 148.'



8 

Vermoedelijk Hendrik IV van Frankrijk; cf. Den Tex, Oldenbarnevelt III, 225; Arend, Algemeene geschiedenis des vaderlands III, 2 p. 790, 3.



9 

Aant. van Groen: `bl. 147'.



10 

Aant van Groen: `bl. 199'.



11 

Toespeling op het gezegde van De Panat: `Personne n'a su ni rien oublier ni rien apprendre.' Cf. Büchmann, Geflügelte Worte, p. 625; Alexandre, Les mots, p. 9; Thomas, L'esprit, p. 58 no. LXXXVI; Ong. en rev., 2e dr., p. 384; Nederlander no. 21, 32, 117, 385, 388, 652, 1020 (24 juli, 6 aug., 13 nov. 1850, 29 sept., 2 oct. 1851, 12 aug. 1852, 21 oct. 1853); Adviezen 1856/7 II, 572; Brieven van Da Costa II, 104, 2; Briefw. III, 184;IV,439.



12 

Aant. van Groen: `bladz. 234.'



13 

Aant. van Groen: `bladz. 200.'



14 

Aant. van Groen: `bladz. 200.'



15 

Aant. van Groen: `bladz. 186.'



16 

Aant. van Groen: `bladz. 119.' Cf. Van der Kemp, Maurits IV, 75.



17 

Aant. van Groen: `bladz. 242. '



18 

Richelieu; cf. Handboek, p. 227; Archives, 2me série, III, p. V, 1; Fruin, Het oordeel van Richelieu, p. 127/8; Den Tex, Oldenbarnevelt III, 261.



19 

Aant. van Groen: `bladz. 241.'



20 

Aant. van Groen: `bijvoorbeeld bl. 148, 169.'



21 

Aant. van Groen: `bladz. 39.'



22 

Aant. van Groen: `bladz. 39, 155.'



23 

Aant. van Groen: `bladz. 185.'



24 

Aant. van Groen: `bladz. 228.'



25 

A. L. G. Toussaint, in 1851 gehuwd met J. Bosboom.



26 

De graaf van Leycester in Nederland (zie bibliografie s.v. Bosboom‑Toussaint). Cf. Briefw. II, 799, 10.

27 

Cf. Handboek, p. 214.



28 

Cf. Handboek, p. 214.



29 

Cf. Handboek, p. 212.


72 Diaconie in 's Hage. ± 1852?1

Welligt ware het beter geweest zich, zonder distinctie van geboorte en inwoning, eenvoudig te houden aan het wezen eener diaconie, om de liefdegaven uit te reiken naar christelijke beginsels. Ten einde getrouw aan deze bestemming te zijn, had men aan het stedelijk bestuur een voorstel en subordinatelijk2 eene mededeeling kunnen doen.



Voorstel. Om het subsidie, geheel of gedeeltelijk, te blijven geven, maar tot die uitreiking naar christelijke beginsels, welke alleen aan de diaconie, om den aard dezer instelling geoorloofd is; hetzij zonder rekenpligtigheid, in het vertrouwen dat de keus tot deze kerkelijke bediening, voor het stedelijk bestuur evenzeer als voor particulieren, een genoegzamen waarborg oplevert van pligtmatig en naauwgezet beheer; hetzij behoudens rekenpligtigheid, in verband met bovengemelden eenigen leiddraad van christelijke en diaconale administratie. Zoo niet, eenvoudige mededeeling dat de diaconie genoodzaakt is af te zien van een subsidie, aan hetwelk voorwaarden gehecht zijn, die zij met de natuur zelve van haar kerkelijk ambt en christelijke verantwoordelijkheid onvereenigbaar acht.

Aldus zou de diaconie een vaster standpunt gekozen en de ongerijmdheid der eischen van het stedelijk bestuur duidelijker hebben gemaakt. Thans is er wel eenigzins voet gegeven aan de verkeerde opvatting alsof zij, door een onderscheid dat inderdaad bezwaarlijk van willekeur kan worden vrijgepleit, zich eigendunkelijk van een deel der haar opgelegde verpligtingen, ten nadeele van het burgerlijk bewind, zou willen ontslaan. Daarentegen, wanneer men blijft bij het regt en de verpligting der diaconie om de gaven die haar toevertrouwd zijn, voor zoover dezelve reiken, zonder eenig onderscheid dat niet op kerkelijk voorschrift gebouwd is, tot onderhoud der armen te besteden, dan blijkt al spoedig dat de vordering van het bestuur op eene verwarring van begrippen berust, dat het bestuur zeer ten onregte uitgaat van de onderstelling eener verpligting van de diaconie om de zorg van alle de armen der gemeente, behoudens eenig subsidie, op zich te nemen; verpligting waartoe zij, of de gemeente althans van regeringswege bijna zou kunnen worden geconstringeerd; dat het bestuur alzoo, bij voortduring misleid door denkbeelden welke in deze en in andere aangelegenheden reeds te lang heerschend zijn geweest, bij zoogenaamde scheiding van kerk en staat, eene wezenlijke en noodlottige onderwerping van de kerk, die in haar eigen zaken onafhankelijk behoort te zijn, teweegbrengen zou; en dat, om bepaaldelijk bij het onderhavige onderwerp te blijven, elke dwang om liefdegaven aan de kerk geschonken, in strijd met haar geest en voorschrift, ter aanmoediging van zedeloosheid te besteden, eene verregaande miskenning is van gewetensvrijheid, zelfstandigen werkkring der kerk, en eigendomsregt; waarvoor, zoolang er, hetzij voor de grondwet, hetzij voor de algemeene en onveranderlijke beginselen eenig ontzag is, zelfs uit wetten of Koninklijke Besluiten, al mogt daarin het regt der diaconiën niet altijd in het oog zijn gehouden, geenerlei bevoegdheid zou kunnen worden ontleend.


Voorstel tot het overgeven van eenige categoriën van armen.

De démarche der diaconie is ook nu veeleer eene kennisgeving geweest dat zij overlaat.



Vaste subsidie voor drie jaren. Wat zal het afdoen? De zwarigheid ligt niet zoozeer in de veranderlijkheid van het subsidie als in de zamensmelting van giften en subsidie tot eene soort van armbedeeling die, naar veler oordeel, en naar de kerkelijke tucht, ongeoorloofd en hoogst schadelijk is. Ook de afzonderlijke bestemming van het subsidie voor het diaconiehuis zou hierin geene verandering maken, zoolang de regering op het voortduren dezer armbedeeling blijft staan.

Het hangt geenszins van het gevoelen of begrip van diakenen af wien zij gehouden zijn te bedeelen. Voorzeker niet van hun individueel begrip; maar voorzeker wel van hetgeen daaromtrent door de kerk, waarvan zij dienaars zijn, als rigtsnoer hunner werkzaamheden vastgesteld is.

Beroep op vroegere contracten. Het is niet denkbaar dat daarbij aan de diaconie de verpligting zou opgelegd zijn om zoodanige ondersteuning te verstrekken als, volgens haar overtuiging, de zedeloosheid aanmoedigen zou; zoo ja, dan zou dergelijke overeenkomst, als blijkbaar immoreel en met de roeping van diakenen in strijd, vanzelve vervallen.

De uitsluitingen hoogst onchristelijk, zoo niet erger, enz. De uitsluiting geschiedt niet omdat men aan de kinderen de zedeloosheid der ouderen wijt, maar omdat het ongeoorloofd is, door wegneming der natuurlijke gevolgen van het wangedrag der ouders, een der krachtigste waarborgen te vernietigen die de voorzienigheid Gods tegen het vermenigvuldigen van ondeugd en zedenbederf gesteld heeft. Het toegeven aan zoogenaamde algemeene christelijke philantropische beginsels, het verwaarloozen der vereeniging van evangelischen ernst en liefde heeft, onder voorgeven van het ligchaam te verzorgen, menige ziel ten verderve geleid.

Alle invloed zou ophouden zoo zij, als uitgeworpenen uit de gemeente, bij de stedelijke administratie hulp moesten zoeken. En zoo deze administratie de gelden, door de ingezetenen opgebragt, zonder geest des onderscheids, aan het geven van hulp aan de zoodanigen besteedt.

De collecten, enz. ophouden of voortaan enkel bij leden der gemeente. Waarom? Op welken grond zou die beperking, als de diaconie enkel verklaart met nog grooter naauwgezetheid te werk te zullen gaan, worden gewettigd?

Geene geneeskundige hulp, geen teruggave van belasting, geen deel in de algemeene armenkas. Maar waarom niet? Het is ligter een schrikbeeld van deze en dergelijke vexatiën voor te houden dan een reden bij te brengen waarom, als de diaconie haar onafhankelijkheid herneemt, zij niet bij voortduring met de overige gezindheden, naar evenredigheid, genot zou mogen hebben van die emolumenten, welke ieder bewind, zoolang zich de Nederlandsche aard niet ten eenemale verloochent, zoo gaarne ter ondersteuning van kerkelijke armverzorging verleent.

Splitsing der legaten. Die legaten zijn gemaakt aan de diaconie; aan een zedelijk ligchaam, dat voorzeker zijn aanzijn niet verliest, omdat het de eigenaardige kenmerken van dat aanwezen scherper in het oog houdt. Die gelden zijn voorzeker niet verleend op voorwaarde of in de onderstelling dat zij ter aanmoediging der ondeugd zouden worden verspild. Moeijelijk is het te berekenen hoevele giften en legaten de diaconie, ten gevolge van het misbruik waaraan zij een einde poogt te maken, reeds gemist heeft.

Jaarlijks grooter getal armen. Zoolang tenminste de regering niet inziet dat de toeneming der armen door eene bedeeling zonder onderscheid in onberekenbare mate wordt bevorderd, en dat enkel door handhaving der zedelijkheid, naar den wensch der diakenen, de voortgang van het kwaad, in het belang van kerk en maatschappij, kan worden gestuit.

Alle maatregelen van het stedelijk bestuur moeten voor alle armbesturen gelijkelijk werken. Er is hier quaestie van een maatregel, niet van het stedelijk bestuur, maar van de diaconie in den kring van haar eigen regt.

De raad neemt het voorstel niet aan. Vergissing omtrent den aard der mededeeling.

-----
Noten bij no. 72. Diaconie in s'Hage.


1 

ARA, G.v.P., no. 37 (De Vries no. 68), eigenhandig ontwerp. Titel ontleend aan de omslag. Cf. Briefw. II, 757. Niet gevonden op welk stuk van de Hervormde diakonie deze opmerkingen betrekking hebben. De tijd heeft ontbroken om de klappers te doorzoeken die sub Diaconie (van 's Gravenhage) vermeld worden in De archieven van de N.H.K. II, 8. De datering is daarom ook onzeker. Misschien 1852; cf. Moll, Zes eeuwen armenzorg, [p. 8]. In ieder geval moet zij vóór 23 nov. 1854 gesteld worden (zie n. 1 van no. 66). Zie voor Groens ideeën over `Christelijke liefdadigheid' en `de onafhankelijkheid der diakoniën' o.a. Adviezen 1856/7 I, 420 e.v.; II, 248.



2 

Versta subsidiair, als tweede keus òf in tweede instantie. Cf. Grondwetherziening, p. 28; Ned. Ged., 2e serie, I, 337; Brieven van Da Costa III, 103.


73
1   ...   42   43   44   45   46   47   48   49   ...   78

  • Diaconie in s Hage.

  • Dovnload 7.64 Mb.