Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina47/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   43   44   45   46   47   48   49   50   ...   78
Over christelijke volksopvoeding. 1856.1

[I.] Zal het evangelie uit de volksschool worden geweerd?2 Zal christelijke volksopvoeding, in het openbaar schoolwezen voortaan onmogelijk zijn? Zal een wettelijke maatregel aan de Nederlandsche natie, op haar scholen, een algemeene godsdienst ten regel opleggen, die christendom en openbaring, als eenzijdige en kerkelijke, als dogmatieke en sectarische rigting3 verbant?

De behandeling van de conceptwet over het lager onderwijs4 heeft deze huiveringwekkende vragen aan de orde gesteld in de Tweede Kamer en, gelukkig! ook bij het Nederlandsche volk. Ik wensch niet mij wederom te werpen in den stroom der dagelijksche polemiek. Ik maak mij omtrent de mogelijkheid eener in het overtuigen van felle wederpartijders doeltreffende gedachtenwisseling geen illusiën meer. Doch ik gevoel tevens dat het zwijgen niet vergund is; om den aard en het gewigt der zaak, in verband met de welwillendheid en het vertrouwen dat mij jaren achtereen betoond werd en zich ook thans, in menige vraag en inlichting en raadgeving, openbaart.

Ik wensch, als lid der Tweede Kamer, gebruik te maken van elke gelegenheid ter voorspraak van de dierbaarste regten der natie; maar die gelegenheid is, naar onze parlementaire gebruiken, zeldzaam, en het is mij vooral behoefte over eene volkszaak5, zoolang de levensvraag niet beslist is, nu en dan een woord te rigten aan het volk. Omdat ik vooral daar op vaderlandsche en christelijke sympathieën reken. Omdat in dergelijke onderwerpen eene natie bijkans altijd het overwigt heeft, wanneer zij uit pligtbesef met bedachtzaamheid en volharding van haar regten en invloed gebruik maakt.

Deze voordragt is gerigt tegen al hetgeen ik sedert twintig jaren voor het welzijn van Nederland en Oranje begeer. Zij is de getrouwe toepassing der leer wier verderfelijkheid, in de lotgevallen zoo der christenheid als van ons vaderland, ik naar vermogen getoond heb. Telkens, en reeds in 1837 heb ik mij tegen het binnensluipen van een algemeen christelijk onderrigt, voor niemand zelfs niet voor de joden aanstootelijk, verzet.6 Zoodanig onderrigt zal thans normaal zijn. Telkens en ook bijvoorbeeld in 1848, heb ik gewaarschuwd tegen de stelling, uitvloeisel van de omwentelingsleer: `dat de Staat [, afgescheiden van de Kerk het regt en de pligt heeft om, naar eigen goedvinden en inzigt, de Volksopvoeding te bestieren. Dat er, in het belang der eenheid van den Staat, eenheid ook van Nationaal onderwijs behoort te zijn, en dat deze eenheid niet mogelijk is, zoo men niet, zonder op regten en gewetensbezwaren van de Kerk of van de Ouders te letten, voor het vereenigd zijn der kinderen van alle kerkgenootschappen op dezelfde Volksscholen] zorg draagt' (Aan [G.] graaf Schimmelpenninck, p. 34 al. 3 r. 2‑einde).7
Regten. Geen v[olks]souvereiniteit, geen polit[ieke] r[egten] m[aar] godsd[ienst], gewet[ens]vrijheid. Regt[en] en pligten der familie. Volksregten. Kerk en sch[ool]8. Geene natie is vrij, wanneer ze niet overeenk[omstig] de grondtr[ekken] v[an] het hist[orisch] v[olks]bestaan gereg[eerd] w[ordt]. De school m[oet] inger[igt] zijn volgens de g[odsdienstige] behoefte en althans n[iet] tegen het geloof der bev[olking]. De school is onafscheidelijk v[an] de kerk.
N.B. N[iet] zwijgen; spreken t[ot] het volk (N[a]rede [, p.] 121).9 Volkszaak. Alle gez[indheden]; christ[enen]‑protest[anten]‑orthod[oxen]. Orth[odox] (Amst[erdamsche] adr[es]).10 - Reform[atie]. - Bijb[el] en v[olks]hist[orie].11 Alleen staan. Bekend m[aken], met h[et]g[een] gebeurt; met h[et]g[een] te doen valt. De wet. De petit[iën].
Niet zwijgen. Als lid der Tw[eede] K[amer]. Aan de orde der beraadslag[ing] v[an] het Ned[erlandsche] volk. Volkszaak. Een onderwerp hetwelk met de regten v[an] den staat, van de kerk, van het huisgezin in verband is; de tederste belangen der ingezet[enen] raakt, en onberekenb[aren] invloed heeft op de toekomst der natie.12 Waaromtrent wij eene goede uitk[omst] mogen tegemoet zien; zoo de christ[elijke] (ofwel zoo bij voortdur[ing] de r[oomsch‑] c[atholijk] tegen eigen beginsel aan den vrijz[innige] de hand reikt) de protest[antsche] bevolking van de regten die zij door gr[ond]w[et] en hist[orie] bezit, met vastberadenheid en m[et] volharding gebruik m[aakt]. De grondbegins[els] v[an] st[aats]regt. In het algemeen: Zijn we niet meer eene chr[istelijke] n[atie]?13 Deze vr[aag]: Wat is de sch[ool]? Zonder verband tot de kerk? Vijandsch[ap] in stede v[an] verst[and]h[ouding]. De Herv[ormde] k[erk]; de protest[antsche] k[erk]. Welke is de verhouding tot de r[oomsch‑] c[atholijken]? Concessie?14 Tot de medeprotest[anten]? In welken zamenhang met den toest[and] eener gemeente? V[an] leeraars? De bijb[el] en de v[olks]hist[orie]. Raakt de dierb[aarste] regten.
Wanneer de volksschool niet door christelijk onderwijs, met het geloof der gezindheden in overeenstemming, bruikbaar voor het volk is, wanneer de overheid aan de klagten der ouders ten dien opzigte geen gehoor geeft, dan is dat een gewetensdwang zoo schrikverwekkend als er ooit een geweest is. Dit is het oordeel van Stahl.15 Het volk, wanneer dergelijk gevaar dreigt, wakker te schudden, wel verre van afkeuring te verdienen, is een eisch van elken staatsvorm waarin aan het volk op de behandeling der openbare aangelegenheden, invloed verleend is. Dezen wenk geeft Macaulay.16

Wanneer eene regering op de invoering van een met den eisch der H[eilige] Schrift en de handhaving van het protestantisme strijdig schoolwezen bedacht is, `laat ons dan hopen dat er nog een genoegzame mate, ik zeg niet van hartstogtelijken ijver, maar van kalme, vastberaden en verstandige trouw aan hooger beginsel in het land is om zoodanige beleediging niet onopgemerkt te laten voorbijgaan; genoeg veerkracht en weerstand in de verontwaardiging der natie om zich tegen dien toeleg te verzetten en het verwezenlijken daarvan onmogelijk te doen zijn.' Deze krachtige taal, die, naar de leer van een hedendaagsch conservatisme, schier met laakbaar ophitsen van volksdriften zal gelijk worden gesteld, is de taal van een man die wist aan den keizer te geven wat des keizers, maar ook Gode wat Gods is17; het zijn woorden van den wijzen en godvruchtigen verdediger van de volksregten ter gehoorzaamheid aan den hoogsten wetgever onmisbaar: de woorden van Chalmers.18
[II.] Zal het evangelie uit de volksschool worden geweerd? Zal een zoogenaamde g[ods]d[ienst] w[aar]bij christ[endom] en openb[aring] als eenzijdige en kerkelijke rigting [terzijde] gesteld w[orden], op de v[olks]sch[ool] w[orden] gebragt? Of zal de v[olks]sch[ool] geen pl[aats] v[an] opv[oeding] en g[odsdienst]loos z[ijn]? Mag de v[olks]sch[ool] z[onder] g[odsdienst]onderrigt z[ijn]? M[oet] dit g[odsdienst]ond[errigt] strijden of overeenkomen met h[et]g[een] in de k[erk] en in het huisg[ezin] geleerd w[ordt]? Deze belangrijke, deze huiveringwekkende vraag is in de Tw[eede] K[amer] aan de orde van den dag. Ik verheug mij dat zij aan de orde gest[eld] w[ordt], alth[ans] bij een groot gedeelte v[an] het Nederl[andsche] v[olk]; dat de zegeningen G[ods] over N[ederland] waardeert. Ik verlang niet mij wederom te werpen in den stroom der dagbladenpolemiek. Ik heb daarvoor evenmin opgewektheid als beschikbaren tijd. Niet twisten, n[iet] overtuigen, m[aar] ralliëren.19 Eendragt m[aakt] magt. Maar ik gevoel dat, bij de crisis die wij tegemoet gaan, het zwijgen onverantwoordelijk zijn zou; onverantwoordelijk, in verband ook met de welwillendheid en het vertrouwen dat mij van velen, in een dikwerf moeitevollen strijd te beurt viel. Ik wensch in eene volkszaak het woord te rigten tot het volk. Ik wensch dat het onderwerp worde gepopularizeerd.20 Geen kunstmatige opgewondenheid, maar chr[istelijke] en vad[erlandsche] opgewektheid, ernstige kennisneming verlang ik. Het onderzoek of christelijke volksopvoeding bij vereeniging van alle gezindheden21 op de school mogelijk is; of de christen aan een christendom dat den Israëliet niet ongevallig is, genoeg heeft; of voor den protestant de bijbel en de voordragt der volkshistorie gelijk ze met de Kerkhervorming in verband is, kan worden gemist. Dit onderzoek is binnen het bereik van iedereen. Hetgeen hiertoe betrekking heeft, kan aan de uitspraak van het gezond verstand, van Gods Woord, en van het christelijk geweten ter toetse worden gebragt. Er wordt vereischt waarschuwing tegen misverstand en vooroordeel; bekendmaking met den loop dien de behandeling der zaak neemt; raadgeving omtrent hetgeen te doen valt. Ook ik wil gaarne hiertoe mede werkzaam zijn. Welke inrigting der volksschool wordt door ons begeerd? Met welke inrigting der volksschool wordt Nederland bedreigd? Waarom is de waarschijnlijkheid eener doordrijving zelfs van dergelijk stelsel zoo groot? Hoe kan het gevaar nog worden gekeerd?

------
Noten bij no. 73. Over christelijke volksopvoeding.


1 

ARA, G.v.P., no. 79 (sub [8]). Aant. van Groen op de omslag: `1855‑1856. Hoe de Onderwijswet van 1857 tot stand kwam.' De overige stukken zijn ten dele reeds uitgegeven (cf. Verspreide geschriften II, 190‑204; Briefw. III, 213; Brieven van Da Costa II, 309) of herdrukt (Adres van Heldring c.s. d.d. 4 febr. 1856 in De Tweede Kamer en de verzoekschriften, p. 65‑68). De resterende komen niet voor uitgave in aanmerking, omdat ze - op enkele blaadjes met losse aantekeningen over 1854 en 1856 na - niet van Groens hand zijn. Van deze twee schetsen moet de eerste als voorbereiding op een Kamerrede beschouwd worden, terwijl de tweede een voorstudie lijkt voor de acht vliegende blaadjes Aan de kiezers [De Vries no. 96].

2 

Cf. Aan de kiezers [De Vries no. 96] o.d.t. Moet voortaan de Bijbel uit elke Volksschool worden geweerd?

3 

Cf. De Tweede Kamer en de verzoekschriften, p. II; VI; 57; 63; 104; Parlementaire studien I, 6, 11.

4 

Het tweede ontwerp van Van Reenen; cf. Langedijk, De geschiedenis, p, 101‑105.

5 

Cf.De Tweede Kamer en de verzoekschriften, p. 4: `het geldt hier eene volkszaak, een volksregt, het belang en regt van ieder huisvader, en het besef hiervan is levendig bij velen onder het volk.'

6 

Cf. De maatregelen3, p. 10.

7 

Dit citaat geheel of gedeeltelijk ook in Nederlander no. 434, 477, 577, 1403 (25 nov. 1851, 17 jan. en 14 mei 1852, 19 jan. 1855); De Tweede Kamer en de verzoekschriften, p. 100; Adviezen 1856/7 II, 38; 256*.

8 

Marginale aant. van Groen: `We zijn sterk genoeg, indien . . . (N[a]rede [, p.] 147; 115.' Men leest op p. 147: `De Christelijk‑historische rigting is niet onvermogend; zij zal magtig en welligt onweêrstaanbaar zijn, wanneer ze, bekend met haar krachten en pligten, van de regten die haar ten deel vielen, ter pligtbetrachting (met den Bijbel in de hand en in het hart, met het oog op de trouw en volharding van het voorgeslacht) gebruik maakt.' Op p. 115: `Zoo we zwak zijn, het is vooral aan ons zelven te wijten.'

9 

Men leest t.a.p.: `Op de regten en behoeften en op het oordeel van het Nederlandsche Volk, ook buiten den kring door de kieswet afgebakend, moet worden gelet.' Cf. Nederlander no. 1261, 1275, 1282, 1536 (3, 19, 28 aug. 1854, 27 junij 1855); De Tweede Kamer en de verzoekschriften, p. 94, 25; Adviezen 1856/7 II, 184; Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. XVIII; Aan de kiezers [De Vries no. 125] I, 6/7; Parlementaire studien II, 160.

10 

Bedoeld is het door Wormser gestelde `Amsterdamsche Eind‑protest' waarin orthodoxie omschreven wordt als `de handhaving . . . van die waarheden welke, de gansche Schrift door, als de grondslag en de kern der Goddelijke Openbaring aan een afgevallen menschengeslacht, worden voorgesteld . . .' (cf. Vos, G.v.P., I, 374).

11 

Cf. De Tweede Kamer en de verzoekschriften, p. III; VI; 41; 42, 1; 74; 81, 7; 100.

12 

Marginale aant. van Groen: `Het zw[ijgen] bij h[et]g[een] we aanzien en tegem[oet]gaan, is n[iet] verg[und].'



13 

Toespeling op een uitspraak van Van Reenen; cf. De Tweede Kamer en de verzoekschriften, p. 94, 26 (zie ook p. 57); Aan de kiezers [De Vries no. 96] I, 3; III, 3; Adviezen 1856/7 II, 138; 250* ; De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. 135, 1.

14 

Cf. Verspreide geschriften II, 178 over de `wederzijdsche concessie', waardoor protestanten en katholieken de christelijke opleiding op de openbare school `grootendeels vernietigd hebben.' Zie ook Aan de kiezers [De Vries no. 96] V, 4/5; Adviezen 1856/7 II, 239*; Over het ontwerp, p. 101, 2 (= Adres, 2e dr., p. 33/4).

15 

In een noot verwijst Groen naar diens Parlamentarische Reden, p. 101. Het hs. geeft dan slecht leesbare aanwijzingen omtrent de lengte van het citaat uit Stahls rede van 8 oct. 1849 over de christelijke volksschool. Uit de vele parallelplaatsen blijkt duidelijk genoeg welke woorden Groen tot de zijne wenste te maken. Cf. De Tweede Kamer en de verzoekschriften, p, 102, 38; Adviezen 1856/7 II, 275*, 1; Ter nagedachtenis, p. 22, 1; L'empire, p. 51, 3; Ned. Ged., 2e serie, II, 1, 3; IV, 175; Nabrings, Friedrich Julius Stahl, p. 146 n. 490.

16 

In de noot a.l. citeert Groen hem aldus: `I hold that we have [owed to agitation a long series of beneficent reforms which could have been effected in no other way. Nor do I understand how any person can reprobate agitation, merely as agitation, unless he is prepared to adopt the maxim of Bishop Horsley, that the people have nothing to do with the laws but to obey them. The truth is that agitation is inseparable from popular government. If you wish to get rid of agitation, you must establish an oligarchy like that of Venice, or a despotism like that of] Russia' (Speeches, p. 193 r. 2‑12). `What is agit[ation but the mode in which the public, the body which we represent, the great outer assembly, if I may so speak, holds its debates? It is as necessary to the good government of the country that our constituents should debate as that we should] debate' (Speeches, p. 194 r. 8‑12). Dezelfde bladzijden worden aangehaald in De Tweede Kamer en de verzoekschriften, p. 93, 23; Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. 134, 1 en Studien en schetsen, p. 97, 1. Cf. Aan de kiezers [De Vries no. 125] VIII, 23, 1; XIX, 27; XX, 3, 1.

17 

Cf. Matth. 22, 21.



18 

In de noot a. l. leest men: `Let us hope that there is still enough, not of fiery zeal, but of calm, resolute, and withal enlightened principle in the land to resent the outrage - enough of energy and reaction in the revolted sense of this country, to meet and overbear it'. Zie n. 205 van no. 70.



19 

Zie over de politieke betekenis van dergelijk `ralliement' om de persoon van Groen Parlementaire studien I, 17, 6.

20 

Cf. De Tweede Kamer en de verzoekschriften, p. 11; Adviezen 1856/7 II, 123/4; 155; 231*; Over het ontwerp, p. 111, 1; 119; Parlementaire studien I, 4, 9; 18; 6, 1; Briefw. V, 353.

21 

Cf. De Tweede Kamer en de verzoekschriften, p. IV, 1; VIII, 1; 34; 91, 19. Zie ook n. 417 van no. 47 en n. 221 van no. 96.
74 Naschrift. 1857.1

Er is thans geen Ontwerp van wet meer. Het is voegzaam de bestrijding van het Ontwerp2 met een naschrift te besluiten. Omtrent den aard en loop der beraadslagingen in de Tweede Kamer veroorloof ik mij te verwijzen naar de dezer dagen in het licht verschenen aflevering mijner Adviezen.3 Voortaan is minder de kritiek dan de invoering en toepassing der Wet aan de orde van den dag. In verband hiermede is het noodig wel te doen uitkomen wat er omtrent de beteekenis van christelijk gezegd is. Al wat het christendom kenmerkt, moet uit de school worden geweerd. Geen christelijke deugd dan in den zin der verslagen van 1856 en 1857.4 Geen christelijke deugd dan volgens de omschrijving der heeren Thorbecke en Godefroi.5

De regering heeft zich hiermede vereenigd. Zij heeft op de meest plegtige wijs verzekerd dat door het woord geenerlei inbreuk geschieden zou op de onzijdigheid der school. De minister van Binnenlandsche Zaken6 verklaarde het betoog van Thorbecke, boven zijn lof verheven, geheel te onderschrijven.7 De minister van Justitie8 gaf insgelijks zijne adhaesie aan den spreker uit Deventer9: `Opleiding tot christelijke deugden mag op de gemengde school [in geen anderen zin worden opgevat, dan dat alle leerstellige en dogmatische bestanddeelen, alles met één woord wat tot het begrip des Christendoms, van zijne waarheden, van zijne feiten, van zijne geschiedenis behoort, van de gemengde school verwijderd] moet blijven.'10 Zoodra de verwonderlijke overeenstemming in beginsels, reeds bij het adres11, aan Thorbecke was gebleken12, kon gereedelijk de vergunning om het woord13 in te lasschen worden verleend. Het was te voorzien dat ze met het prijsgeven van het systeem omtrent de vrije werkzaamheid van den christelijken faktor zou worden betaald.14 De heer van der Brugghen heeft zich volkomen bij de beschouwing van den heer van Rappard gevoegd.

De oppositie van 1856 heeft over elke rigting van het petitionnement15, evenzeer over Ds. [van] Koetsveld16 en het Nederlandsch onderwijzersgenootschap17 als over degenen die zich bij de adressen van de acht predikanten18 of van den heer van Beeck Calkoen19 gevoegd hebben, de zege behaald. Strijdig met de Wet is het beweeren dat men den stijf orthodoxen Israëliet20 ergeren mag; dat `van Gods [oppermagtig en alomvattend bestuur, van zijne werken, zijne oordeelen en ook zijne genade den kleinen kan gesproken [worden; dat] Christus, zijne geschiedenis, zijne krib en kruis en graf, zijne prediking en wonderdaden, zijne vernedering en heerlijkheid als voor de oogen geschilderd kunnen [worden; dat] de gelijkenissen van den Heer in hoofd en hart ingeprent, de lessen des Evangelies voorgezegd en tot opwekking van eenen godsdienstigen, christelijken zin] aangewend [kunnen] worden'21; het stelsel dat het onderwijs met leerstellig[e] of positive waarheid in verband moet zijn. Strijdig met de Wet het beweeren dat op de gemengde school het onderwijs plaats mag hebben met erkenning en aanneming van Hem die op de aarde kwam om zondaren te redden en dat de gewijde geschiedenis als een voertuig mag strekken om het kind tot christelijke deugden op te leiden.22

Dus de neutrale, de louter burgerlijk‑maatschappelijke, de godsdienstlooze school. Neen. De deïstische school. Het christendom boven geloofsverdeeldheid23 ook van Israëliet en christen. Tot groot misnoegen der roomsch‑catholijken heeft Thorbecke aldus zijne opvatting van het christendom ten grondslage der volksopvoeding gelegd.
De Eerste Kamer. Bijkans eenparige [aanneming]24 zou ik niet hebben verwacht. Men zegt: dit was wenschelijk om zedelijke kracht te geven aan de Wet. Me dunkt, de juistheid dezer opmerking zal van den aard en de waardij der Wet afhankelijk zijn. Wanneer eene vergadering bijkans eenparig wetten goedkeurt die, bij nader overleg, blijken met de hoogste volksbelangen te strijden, zou niet de zedelijke kracht der wet winnen, maar de zedelijke kracht der vergadering grootendeels verloren kunnen gaan. Het onderwerp der hoofdbeginselen van de Wet scheen, door de uitvoerige behandeling en discussie25 in de Eerste Kamer als uitgeput26 te kunnen worden beschouwd. Inderdaad? Ik betwijfel het; doch ik acht dat er tusschen de discussiën in de beide Kamers eenig verband behoort te zijn; in zoover althans dat men in de Eerste Kamer uit een advies van een lid der Tweede geene zinsnede aanhale in een zin waartegen hijzelf geprotesteerd heeft. De heer van Nispen van Pannerden27 citeert de woorden van den heer van Lijnden uit de zitting van 17 october 184828, er bijvoegende: `ik beroep mij met voordacht op dien spreker', om te komen tot dit besluit: `Gij ziet dus dat men in 1848 erkende dat de openbare [school gelijkelijk geschikt moet zijn voor Christen, Jood en Mohammedaan. Ik mag dan ook niet verbergen, dat de vooringenomenheid voor kerkelijke scholen, naar mijne overtuiging, alleen de aanleiding is dat men, door verwringing van woorden, in de Grondwet heeft willen vinden hetgeen men wenschte dat er in stond. Men schijnt daarbij geheel te hebben vergeten dat tijdens de grondwetsherziening velen met de vrijheid van onderwijs niet waren ingenomen, en dat men deze alleen verworven heeft onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat daartegenover worde gesteld een staats‑onderwijs, voor allen bruikbaar, voor allen] toegankelijk.'29 Ik laat daar dat de spreker geenerlei gewag maakt van hetgeen omtrent zijne radicale opvatting van de grondwet door den heer van Nispen van Sevenaer30 en anderen gezegd is; maar ik herinner slechts dat in de zitting van 4 julij 1857 hetzelfde citaat door den heer van Akerlaken31 is te berde gebragt en onmiddellijk door den heer van Lijnden beantwoord met ophelderingen32 waarvan de slotsom was: `Het is dus [onjuist te beweren op grond van de debatten in deze Kamer ter gelegenheid van de grondwetsherziening gevoerd, dat art. 194 zou zijn aangenomen met de bedoeling, dat het Christelijk element zou worden] uitgesloten.'33

Het ministerie. Het ministerie Van der Brugghen.34 Verontwaardiging.35

Aan den christen.36 Gij moogt niet beweeren dat eene school christelijk is zonder bijbel, zonder bepaald leerbegrip, en een gebed christelijk waar de naam van Christus niet in voorkomt. `De heer van der Brugghen [heeft gezegd, dat een gebed zeer wel christelijk zijn kan, al komt er de naam van Christus ook niet in voor. Dit stem ik volkomen toe. Maar wanneer de gezegende naam van Christus met studie, met opzet37, uit het gebed weggelaten wordt, en zulks ten gevalle van degenen die Hem haten, dan is zulk een gebed, van welke stichtelijke uitdrukkingen overigens ook wemelend, niet alleen onchristelijk, maar zelfs antichristelijk, ja eene verfoeijelijke Christusverloochening. En eene school kan zeer wel in eenen bijbelsch christelijken geest gehouden worden, al is er juist wegens eene of andere onvoorziene oorzaak geen bijbel aanwezig. Maar wanneer er de bijbel, ten gelieve dergenen die hem haten, verboden en met opzet geweerd wordt, dan is die school niet alleen onbijbelsch, maar zelfs een openbaar protest tegen den bijbel. De redenering van den heer van der Brugghen op dit punt is een droevige drogreden op een valsche voorstelling der feiten gebouwd. De questie gaat hier volstrekt niet over den hoorbaar uitgesproken naam van Jezus en den zigtbaar aanwezigen bijbel, maar over den geest, die in de school heerschen zal. En dan is het openbaar, dat de wet thans zulk eenen geest in de school verlangt, die het uitspreken van 's Heeren naam in het gebed, en het aanwezen van den bijbel in de school niet] duldt.'38 Gij moogt het niet ten kwade duiden dat men hieromtrent zich op uwe vroegere verklaringen beroept. De bijbel. Het gebed.39

Aan den staatsman.40 Ik laat daar het voorbeeldelooze feit.41 Ik kan begrijpen dat gij uw eigen meening verdedigt: de stricte neutraliteit42 en de vrijheid voor bijzonder onderwijs. Ik wil thans ook niet spreken van de variatiën43 in dit ééne jaar. Gij zijt tot de neutraliteit wedergekeerd en hebt welligt op de strekking der eisch van Thorbecke44 minder gelet. Maar dat gij na de verwerping van alinea 345 zijt minister gebleven, dit heeft mij verbaasd. Hierin lag het eenige verschil. Hierdoor waart gij ten eenemale geëffaceerd.46 Doch er is meer. Uwe rede.47 En nu legt gij aan den koning voor.48 Dit49 [hebt gij] ook gevoeld. Daarom art. 3 en50 het vierde alinea.51 Art. 3 valt weg.52 Nu de laatste uitzondering.53 Wederom verandering van opinie? Neen. En t[och?]54, enz. En dit ter teekening [voorgelegd aan den koning.55] Wat wordt dan een gouvernement?56 Een ministerie dat zich voor elke nederlaag niet slechts onverschillig, maar dankbaar betoont.57 Een treffend voorbeeld in de wisseling van ged[achten] bij de Eerste Kamer. In het V[oorloopig] verslag.58 Bijkans algemeen de goedk[euring] van hetgeen de r[egering] verderf[elijk] rekent, de verwerping van hetgeen zij begeert. `Zeer aangenaam dit te vernemen.'59 Eerste Kamer uitgeput. Nader onderz[oek] uit een ander st[and]p[unt] en eigen politiek. Eene gezindheid.60 34‑1.61 Zedelijke k[racht] der K[amer62] verloren z[ou?] k[unnen?63] gaan[;] de disc[ussiën] zelve. Van Nispen van Pannerden.64

Adressen aan Z.M.65 Publieke afkond[igingen]. Revolut[ionnaire] daad.66 De adressen [zijn] vreemd; m[aar] de hoofdged[achte is juist]. Wormser.67 Zelf [heb ik hem] n[iet] aangemoedigd. Maar [hij heeft] het regt voorzeker. Edelste roeping v[an] d[en] k[oning].68 Persoonlijke tusschenk[omst].69 Monarchie. Minist[ers zijn] ver[antwoordelijk].70 Hier omgekeerd: k[oning] weg; minist[ers oefenen het] gezag [uit]. Hier [is het zoo] dat de k[oning] wil h[et]g[een] door de oppos[itie] beg[eerd] w[ordt].71 Liefst [heeft men hier een] koning welke ad[ministreert].72 Maar nu niet.

Gedragingen73; onregt aan de roomsch‑catholijken74; de ond[erwijs]wet als een voertuig v[an] polit[ieke] bed[riegerij75]; in de K[amer gebragt] door de kathol[ieken76]; Harderw[ijksch] progr[amma] ver[worpen77]; Bijbel78; steun bij de geh[eime] genootsch[appen gezocht in] 1853 en 1856.79 Er is bij ons geen gestadigh[eid] van polit[ieke] besch[ouwing].80 Zoodanige laster81; m[aar] De B[osch] K[emper]; dagbl[ad]art[ikel82]; petitie83; hist[orische] crit[iek84]; de Wet van 180685; de theorie86; interventie.87 Alle stukken [inzien;] d[an] elkaar w[ederleggen].88 De Wet is er.89 Onderwerping. Gebruik.90

-------
Noten bij no. 74. Naschrift. 1857.
1 

ARA, G.v.P., no. 3, eigenhandig ontwerp.



2 

Groen bestreed het in Over het ontwerp; anonieme rec. in Vier brochures over het onderwijs.



3 

Cf. Adviezen 1856/7 II, 215*‑293*; rec. van C. in de Boekzaal 1857 II, 503‑506.



4 

Samenvatting hiervan bij Van Hoorn, De Nederlandsche schoolwetgeving, p. 329/30; cf. Adviezen 1856/7 II, 215*; Over het ontwerp, p. 113.



5 

Cf. Adviezen 1856/7 II, 176: `De heer Godefroi beweerde dat, volgens de Grondwet, in de volksschool het Christendom niet kon worden geduld; wel opleiding tot Christelijke deugden, mits hiermede niet bedoeld wierden ``beginselen van positief Christendom, van eenige positieve godsdienst''.' Zie over de rol van deze vrijzinnige jood ook p. 233*‑276*; Over het ontwerp, p. 20, 1; 116; Antwoord aan J. de Bosch Kemper, p. 28/9; Dupliek, p. 14‑20; Briefw. III, 254, 3; 958; De Bosch Kemper, Open brief, p. 39; Repliek, p. 16‑18; Van Otterloo, Bijdragen, p. 276‑302; Goslinga, Het conflict, p. 302‑372; Het conflict . . . opnieuw bezien, p. 302.



6 

A. G. A. van Rappard. Zie de monografie van De Bosch Kemper over deze `ontwerper en verdediger van de schoolwet van 1857'. Cf. Briefw. III, 963; 966/7.



7 

Cf. Adviezen 1856/7 II, 275 i.f.; Van Otterloo, Bijdragen, p. 302, 1.



8 

J. J. L. van der Brugghen.



9 

Thorbecke; cf. Dupliek, p. 16/7.



10 

Cf. Adviezen 1856/7 II, 276*; Wet op het lager onderwijs, p. 46; Vos, G.v.P. I, 456.



11 

De discussie over het adres vond plaats van 24‑26 sept. 1856. Cf. Adviezen 1856/7 II, 166‑185; Over het ontwerp, p. 10; 55; Open brief, p. 4; Brieven van Da Costa III, 66; Brieven van Wormser II, 200; H.O.W., p. 49; 88, 2; 97; Briefw. III, 246, 3; Van Otterloo, Bijdragen, p. 189‑192; Goslinga, Het conflict, p. 301‑303; 328; 332; Het conflict . . . opnieuw bezien, p. 299; Brouwer, Het binnenste, p. 192‑195.



12 

Cf. Adviezen 1856/7 II, 177.



13 

Sc. het woord `christelijk(e)'. Het kwam in de voorgaande wetsontwerpen voor en was in het gewijzigd ontwerp van 16 juni 1857 te vinden in de eerste alinea van art. 22: `Het schoolonderwijs wordt, onder het aanleeren van gepaste en nuttige kundigheden, dienstbaar gemaakt aan de ontwikkeling van de verstandelijke vermogens der kinderen en aan hunne opleiding tot alle Christelijke en maatschappelijke deugden'. Het hele art. 22 (in febr. 1857 nog 21, in de Wet 23) wordt aangehaald in Briefw. V, 347, 3. De bron is Hand. S‑G 1856/6 II, 1037a; Bijlagen 1856/7 T.K., p. 1010b. Zie over dit `woordenspel' Aan de kiezers [De Vries no. 96] III, 8; IV, 3; Adviezen 1856/7 II, 125; 215*‑280*; Over het ontwerp, p. 8‑209; Open brief, p. 4; Antwoord aan J. de Bosch Kemper, p. 24‑27; Dupliek, p. 20/1; Studien en schetsen, p. 32; Parlementaire studien II, 349; H.O.W., p. 78; 144; 160; 164; 168; 176; 183; Briefw. III, 221; 232; 267; 283; 954; 964; V, 323; 346; 348; 350; 369; 372; Van Otterloo, Bijdragen, p. 262/3; 281; 290‑299; 303; Goslinga, Het conflict, p. 307‑362.



14 

Cf. Adviezen 1856/7 II, 218*; 222*; 266*; 273*; Over het ontwerp, p. 85; 107; 113; 116; 121; 139; 162; 199; 201; Antwoord aan J. de Bosch Kemper, p. 24; H.O.W., p. 160; 170; 172; 1; Briefw. III, 270, 2; Van Otterloo, Bijdragen, p. 235‑237; 247; 296.



15 

Cf. Adviezen 1856/7 II, 147 (16 april 1856): `Wij hebben niet enkel petitien, maar ook (ik bedien mij met opzet van een woord, dat in gunstigen en ook ongunstigen zin gebruikt wordt) een petitionnement'. Het woord komt zeer dikwijls voor bij Groen.



16 

Zie De Tweede Kamer en de verzoekschriften, p. 9; 88 n. 15; 101; Aan de kiezers [De Vries no. 96] II, 7; V, 4, 2; VI, 6, 2; Adviezen 1856/7 II, 154; 163; 165; 232*; 239*; 245*; 251*; Over het ontwerp, p. 23, 1; 25, 2; 69‑75; 89‑91; 130; Briefw. III, 225; Van Otterloo, Bijdragen, p. 165; 171; 183; 264; 277; Onstenk, `Ik behoor bij mezelf,' p. 93/4; 180, 9.



17 

Het stond onder invloed van de Groninger richting; Hofstede de Groot was voorzitter; cf. Aan de kiezers [De Vries no. 96] I, 6, 1; II, 7; III, 5, 1; Adviezen 1856/7 II, 113‑115; 152; 232*; 245*; Over het ontwerp, p. 168, 1; Antwoord aan J. de Bosch Kemper, p. 25; Briefw. III, 216, 3; 219, 4; 223; 282; Merens, G.v.P., p. 10; 17; Van Otterloo, Bijdragen, p. 138; 141; 157; 199; 228; 260; 264; 277; Buddingh, Aan alle onderwijzers.



18 

Langedijk, Bibliographie, no. 242. Tekst in De Tweede Kamer en de verzoekschriften, p. 65‑68; opgave van vier andere plaatsen waar het adres gedrukt is in Briefw. III, 217, 5. Naar de eerste ondertekenaar vaak het adres van Heldring genoemd; cf. Aan de kiezers [De Vries no. 96] II, 6; VI, 11, 1; Adviezen 1856/7 II, 141; 146; 151; 250*; 255*; Over het ontwerp, p. 31; 69/70; 83, 1; 91; 139; 165; Briefw. III, 218, 2; 220; 222/3; 247, 1; Brieven van Wormser II, 191; H.O.W., p. 26; 93; 141; 153. Op laatstgenoemde bladzij noemt Groen de tweede ondertekenaar L. J. van Rhijn als `Steller van het Adres der predikanten in 1856'. Dit feit wordt bevestigd door Van Rhijn zelf (Briefw. III, 217): Groen bracht slechts enkele correcties aan. Onjuist is dus de verzekering van Heldring (Briefw. III, 953), dat dit adres - op twee volzinnen van Van Rhijn na - door Groen gesteld was. Het stuk van Van Rhijn was echter wel gebaseerd op een uitvoerig advies van Groen (Verspreide geschriften II, 190‑204); cf. Honders, Doen en laten, p. 41‑43; Van Egmond, Consequent christendom, p. 112, 1; Goslinga, Het conflict, p. 288; Het conflict . . . opnieuw bezien, p. 295; Van der Giezen, Een halve eeuw, p. 247. Men verwarre dit adres niet met dat van de `acht predikanten' (L. J. van Rhijn c.s.) van 1857; cf. Over het ontwerp, p. 109, 1; Van Otterloo, Bijdragen, p. 241.



19 

Tekst in De Tweede Kamer en de verzoekschriften, p. 69‑72; cf. Aan de kiezers [De Vries no. 96] III, 7, 1; Adviezen 1856/7 II, 146; 151; Briefw. III, 218, 2; 220. Groen duidt het ook wel aan als het `Adres uit Utrecht'; cf. Over het ontwerp, p. 69/70; 91. Van Beeck Calkoen adresseerde ook in 1857; cf. Adviezen 1856/7 II, 231*; Over het ontwerp, p. 111, 1.



20 

Terminologie van De Bosch Kemper; cf. Adviezen 1856/7 II, 255*; Over het ontwerp, p. 42; 118; 130; Antwoord aan J. de Bosch Kemper, p. 25; 27; Dupliek, p. 20; De Bosch Kemper, Open brief, p. 39.



21 

Tekst aangevuld met behulp van Van Voorst en Spijker, Tweetal memoriën, p. 59; ook (met kleine wijzigingen) door Groen aangehaald in Aan de kiezers [De Vries no. 96] II, 7; cf. Van Otterloo, Bijdragen, p. 54.



22 

Toespeling op de rede van De Brauw; cf. Adviezen 1856/7 II, 258*.



23 

Formule van Thorbecke (Hand. S.‑G. 1856/7 II, 1095a); cf. Adviezen 1856/7 II, 259*; 291*; Parlementaire studien II, 350: `sedert 1857 shibboleth tegenover het Kruis'. Cf. Merens, G.v.P., p. 27/8; Van Otterloo, Bijdragen, p. 293; Goslinga, Het conflict, p. 341; Brouwer, Het binnenste, p. 206. Van der Brugghen was er echter geen `aanhanger' van voor zover het zijn kerkbegrip betrof; cf. Van Egmond, Consequent christendom, p. 59.



24 

Dit woord is doorgestreept ten gunste van de volgende marginale aant. van Groen: `Eene aanneming in zoo letterlijken zin'. Alleen Van der Oudermeulen stemde tegen. Op het fiat van de Eerste Kamer had Groen overigens wel gerekend; cf. Open brief, p. 10, 1; Over het ontwerp, p. 113; Brieven van Da Costa III, 114; H.O.W., p. 193.



25 

Versta: discussie in de Tweede Kamer. De Eerste was na enkele uren aan de stemming toe. Cf. Lion, De wet, p. III.



26 

Van Nispen van Pannerden begon zijn rede aldus: `Het onderwerp . . . is gewigtig, en moeijelijk. Het is uitgeput door eene sinds jaren opgevolgde behandeling bij den anderen tak der wetgevende magt, door eene discussie van meerdere weken, door een tal van geschriften' (Hand. S.‑G. 1856/7 I, 189a). Het woord was ook al gebruikt door de commissie van rapporteurs, die haar verslag op 10 aug. 1857 uitbracht; cf. Hand. S.‑G. 1856/7 I, 178a.



27 

Zijn rede van 12 aug. 1857 op p. 189‑192; cf. Van Otterloo, Bijdragen, p. 338; Goslinga, Het conflict, p. 316; 344.



28 

Het hs. heeft hierna nog `aan', kennelijk een contaminatie, veroorzaakt door het voorafgaande `aanhalen'. Lees i.p.v. 17 7 october; cf. p. 255 n. 32 en Briefw. II, 934. Het citaat uit Van Lijndens rede in Hand. T.K. 1847/8, p. 991.



29 

Marginale aant. van Groen: `Bijblad. Eerste Kamer, p. 189 kol. 2 r. 9 v.o.‑p. 190 kol. 1 r. 2 [van Hand. S.‑G. 1856/7]'.



30 

Zijn `merkwaardige woorden' haalt Groen aan in Over het ontwerp, p. 53, 2; cf. p. 114;Adviezen 1856/7 II, 176‑178; 207; 233*; 238*a; 244* a; 293*b: hij stemde tegen de Wet.



31 

Cf. Adviezen 1856/7 II, 250*.



32 

Marginale aant. van Groen (die Van Lijnden aanhaalt): `In die [voorstelling is waarheid en onwaarheid of, om parlementair te spreken, juistheid en onjuistheid; zij is juist, in zooverre ik mij geen denkbeeld heb kunnen maken van de school, die onder de bepaling van art. 194 in de wereld zou komen. Ik heb mij zelfs veroorloofd daaromtrent gedachten te uiten die voor die school niet vleijend konden zijn. Zij is onjuist, in zooverre ik altijd heb gesproken in de onderstelling, dat die uitkomsten konden plaats hebben en evenzeer niet konden plaats hebben. Maar wat ik heb verwacht of niet verwacht: dit is zeker, dat vele van mijne toenmalige medeleden geheel andere gevoelens dan ik waren toegedaan. Dit blijkt onder anderen uit de in diezelfde vergadering van 7 October gehoudene redevoeringen van de heeren Nienhuis, van Rijckevorsel en van Dam van Isselt, alle welke leden bepaaldelijk hebben gezegd, dat zij volstrekt niet met mij instemden, dat door die bepaling van art. 194 het Christelijk en godsdienstig element van de school zou worden] verbannen. [Groen laat hierna 18 regels uit het Bijblad weg.] En wat [zeide nu de Minister van Justitie bij die gelegenheid? Hij voerde daarop onmiddellijk het woord en zeide, dat ik geheel in het ongelijk was, dat mijn gezigtspunt faalde, dat hij het volkomen eens was met de heeren die na mij het woord gevoerd hadden, en op grond van die verzekering der Regering is het wets‑ontwerp met zoo groote meerderheid] doorgegaan. Bijblad [1856/7] p. 1043 kol. 2 alinea 1 r. 8‑24 en alinea 3 r. 1‑6. Bijblad [1856/7] p. 1043 kol. 2 alinea 3 de vier laatste regels'. Groen laat de hierop volgende zin weg: `Mij was het destijds hoofdzakelijk om de vrijheid van onderwijs te doen, en daarom stemde ik voor.' Van Lijnden vervolgt dan met de in onze tekst nu volgende `slotsom'.



33 

Dit zijn de `vier laatste regels' van de voorgaande noot.



34 

Gefken schreef op 17 nov. 1857 aan Groen, dat hij van `een ministerie‑Van der Brugghen' geen hoge verwachtingen koesterde. `Maar van dit ministerie‑Van der Brugghen, dat een speciaal mandaat van den Koning ontvangen had, ja van dit Ministerie had iets beters mogen verwacht worden' (Briefw. V, 373). Zie ook Adviezen 1856/7 II, 656 s.v. Brugghen.



35 

De marginale potloodaant. van Groen hierbij is onleesbaar. Uiteraard was er verontwaardiging bij Groen c.s. Ook Van der Brugghen en De Bosch Kemper bedienden zich echter van het woord `verontwaardiging'; cf. Adviezen 1856/7 II, 290*/1* resp. p. IV; De Bosch Kemper, Open brief, p. 39; Antwoord aan J. de Bosch Kemper, p. 2; 11; De strijd om de school, p. 9.



36 

Van der Brugghen had onderscheid gemaakt tussen zijn plicht als christen en zijn taak als staatsman; cf. Adviezen 1856/7 II, 198; Over het ontwerp; p. 72; 144/5; 161; 170; 179; 180; 185; Parlementaire studien III, 195; Brieven van Da Costa III, 105;Briefw. III, 267; 946; 957; Van Otterloo, Bijdragen, p. 89, 1; 195, 1; Brouwer, Het binnenste, p. 197. Ook na zijn ministerschap voerde Van der Brugghen dat onderscheid aan ter rechtvaardiging van zijn staatkundig optreden (Briefw. III, 962).



37 

Treffend is de overeenkomst met Van der Brugghens eigen woorden over samenwerking met niet‑christenen. Deze is onmogelijk `als ze opzettelijk zonder Christus willen doen, hetgeen het Evangelie zegt alléén te kunnen . . .' (geciteerd naar De Jongste, De beginselen, p. 139).



38 

Marginale aant. van Groen: `Volksmagazijn [voor burger en boer; tweede serie, eerste jrg. nov. 1856‑nov. 1857], p. 476 al. 1 r. 3‑p. 477 r. 9'. Het citaat is uit het art. van J. de Liefde over De Wet op het Onderwijs.



39 

Afzonderlijk komen beide woorden natuurlijk zeer veel voor. Zie voor de combinatie (in schoolverband) Aan de kiezers [De Vries no. 96] II, 6; V, 5; 8; VI, 9/10; Adviezen 1856/7 II, 168; 276*; Open brief, p. 11; Antwoord aan J. de Bosch Kemper, p. 27; Dupliek, p. 20; Briefw. III, 957; Van Otterloo, Bijdragen, p. 307; Goslinga, Het conflict, p. 314; 367. Marginale aant. van Groen: `Nijmeegsch schoolblad V, 70'. Men vindt in no. 9 van maart 1849, p. 65‑70 een art. van V[an] d[er] B[rugghen] o.d.t. Een nieuw gesprek van Mr. van A. met Mr. van B. Op p. 67 laat Van der Brugghen een voorstander van `eene opleiding tot Christelijke en maatschappelijke deugden' zeggen: `. . . maar kan dat dan niet geschieden zonder al dat bidden en Psalmen zingen en zonder de kinderen alle dagen het hoofd met Bijbel en Bijbelsche geschiedenissen op te proppen?' Het art. eindigt op p. 70 aldus: `En nu ziet gij dan ook, lieve vriend, dat, indien dit alles waar is, (en het is eeuwige, onomstootelijke waarheid Gods,) het even onmogelijk is, dat men op scholen waar Gods Woord niet gehoord wordt, de kinderen zoude kunnen opleiden tot alle maatschappelijke deugden, als om met de hand aan den hemel te reiken: en dat degenen die toch zeggen, dat zij dat kunnen, daardoor toonen dat zij noch zich zelven, noch de kinderen, noch God, noch Christus, noch zijn Woord kennen en dat zij dus zeer beklagenswaardige menschen zijn, met welken wij wel hartelijk medelijden mogen hebben, - zoo wij maar niet zelven nog tot hen behooren!' Dat het Nijmeegsch schoolblad niet alle inzichten van Groen deelde, is bekend genoeg. Zie b.v. Brieven van Wormser I, 146, waar Groen scherpe kritiek oefent op het art. van Van der Brugghen over Gezindheidsscholen in het sept.‑nummer van 1849.



40 

Zie n. 36. Toespelingen op Van der Brugghens (gebrek aan) staatsmanschap (ook) in Adviezen 1856/7 II, 208; 211; 282* 286*; Over het ontwerp, p. 148; 156/7; 172/3; 193; Antwoord aan J. de Bosch Kemper, p. 12, 1; 31, 1; Dupliek, p. 18; H.O.W., p. 116; 122; 138; 181, 1; 185, 1; 198. Cf. De Bosch Kemper, Repliek, p. 9; Goslinga, Het conflict, p. 305; 336; Het conflict . . . opnieuw bezien, p. 309; Prof. Kohnstamm, p. 7. Marginale aant. van Groen: `Nijm[eegsch] sch[oolblad] 2. j[rg.] p. 34'. Van der Brugghen schrijft t.a.p. (in no. 4 van oct. 1845): `Wij zullen niet ophouden er op aan te dringen, als op den éénig mogelijken, den éénig billijken uitweg. De Regering kome er toe, om rondweg, alle, volstrekt alle vermelding van iets dat naar Godsdienst zweemt, op de openbare scholen te verbieden: maar daarentegen, als de opening eener door die hermetische sluiting des te noodzakelijker geworden veiligheids klep, de handen vrij te laten aan het Bijzonder onderwijs: daar, waar zulks verlangd wordt, de oprigting van Bijzondere scholen der 1e klasse, op loyale wijze toetestaan, en deze, zoowel als de Bijzondere scholen der 2e klasse, te laten onder het beheer der tegenwoordige wetgeving, die voor haar voor als nog, volkomen toereikend is. Wordt ons door dezelve het vrij gebruik van den Bijbel, en het Christelijk gebed, met onbekrompenheid vrijgelaten, gelijk die wetgeving ze ons verzekert, dan zullen wij ons met dezelve gaarne te vreden stellen, en niet benijden, maar wel van harte beklagen, degenen die aan een Openbaar, louter Burgermaatschappelijk onderwijs, zonder God en Zijn Woord, de voorkeur geven'. Het eerste deel van het citaat (zonder bronvermelding) ook in Antwoord aan J. de Bosch Kemper, p. 14, 1; Dupliek, p. 21.



41 

Nl. `het stellen van eigen beschouwing in de plaats van het sedert jaren bekende systeem der rigting door wier invloed een Minister aan het bewind komt' (Adviezen 1856/7 II, 285*). Cf. Studien en schetsen, p. 33.



42 

Cf. Adviezen 1856/7 II, 222*‑280*; Over het ontwerp, p. 176 i.f.; 177, 1; Antwoord aan J. de Bosch Kemper, p. 26; Dupliek, p. 21; Parlementaire studien III, 189; 204; H.O.W., p. 160; Briefw. V, 364/5; De Jongste, De beginselen, p. 132; Vos, G.v.P. I, 459.



43 

Cf. Adviezen 1856/7 II, 263*: `Ik vermoed dat velen, gelijk het bij de variatiën van politieke atmosfeer gaat, zonder het te weten, door verlegenheid en zucht om eene wet tot stand te brengen, tot de meest radicale opvatting gebragt zijn'. Meer klachten over Van der Brugghens `veranderlijkheid', `ongestadigheid', `versatiliteit' etc. in Adviezen 1856/7 II, 208; 235*; 285*; Over het ontwerp, p. 6, 45; 93; 131; 143; 148; Antwoord aan J. de Bosch Kemper, p. 23, 2; H.O.W., p. 95, 2; 151; 168 i.f.; Briefw. III, 958; 963; 965; Vos, G.v.P. I, 458; 460.



44 

Zie n. 5. Cf. Briefw. III, 957; V, 348 initio. Thorbecke's eis culmineerde in zijn amendement op art. 22. In zijn rede op 8 juli 1857 bepleitte hij de eerste twee alinea's te vervangen door de volgende: `Zoowel bij de ontwikkeling van verstand en kennis, als bij de opleiding tot alle Christelijke en maatschappelijke deugden, onthoudt zich de onderwijzer van al hetgeen met den eerbied, aan de godsdienstige begrippen van anderen verschuldigd, strijdig is' (Hand. T.K. 1856/7 p. 1095/6). Cf. Adviezen 1856/7 II, 257*; Van Otterloo, Bijdragen, p. 287. Op p. 269* omschreef Groen de eigenlijke strekking van dat amendement aldus: `zooveel mogelijk te doen uitkomen dat, op de zoogenaamde neutrale school, zijn Christendom, in tegenstelling van het Christendom dat ik zoo even beschreef, tot grondslag der volksopvoeding gelegd wordt'. Het amendement werd overigens verworpen met 35 tegen 30 stemmen op 11 juli 1857 (Hand. T.K. 1856/7 p. 1132b).



45 

Waarschijnlijk bedoelt Groen al. 3 van art. 3 volgens de formulering van het amendement van J. C. Baud (15 juli 1857), die de derde en vierde alinea wilde vervangen door de volgende zin: `Aan bijzondere scholen kan van wege de gemeente, de provincie of het Rijk, hulp worden verleend, onder zoodanige voorwaarden, als door het bestuur der gemeente of der provincie of door Ons zullen worden noodzakelijk geacht' (Hand. S.‑G. 1856/7 II, 1178b). Cf. Van Otterloo, Bijdragen, p. 316/7; Brouwer, Het binnenste, p. 204/5. Dit amendement werd verworpen met 57 tegen 6 stemmen. Groen c.s. stemden voor. Het vier alinea's tellende art. (Hand. S.‑G. 1856/7 II, 1177a; Bijlagen 1856/7 T.K., p. 1009a) werd onveranderd aangenomen met 49 tegen 14 stemmen. Groen c.s. stemden tegen (Hand., p. 1180). In de Tweede Kamer werd art. 3 behandeld nadat de beslissing over art. 22 gevallen was. Dat Groen aan de subsidiemogelijkheid van art. 3 meer waarde hechtte dan aan de `subsidie‑alinea' (4) van art. 22 (21) blijkt uit zijn bespreking in Over het ontwerp, p. 27 e.v. en 199 e.v.



46 

Cf. Adviezen 1856/7 II, 207, waar Van Zuylen van Nijevelt dit woord gebruikt om Van der Brugghens `transformatie' en `abdicatie' aan te duiden; Brieven van Da Costa III, 58. Chantepie schreef in 1858, dat Van Rappard de man was die Van der Brugghen `effaceerde' (Briefw. III, 963). Kemink vergelijkt Van der Brugghen op 3 juli 1857 met een bij `die haar eenigen angel verliest' (H.O.W., p. 183).



47 

Groen kàn doelen op de teneur van Van der Brugghens eerste rede op 10 juli 1857 (Hand. T.K. 1856/7, p. 1113b‑1116b; cf. Adviezen 1856/7 II, 276*), maar waarschijnlijk heeft hij de felle uitval tegen Groen die hij zich direct na diens - op dezelfde dag uitgesproken - rede veroorloofde, op het oog (Hand., p. 1120; cf. Adviezen 1856/7 II, 289*/90*; Antwoord aan J. de Bosch Kemper, p. 11; 24; Van Egmond, Consequent christendom, p. 138; Brouwer, Het binnenste, p. 206/7.



48 

Cf. Antwoord aan J. de Bosch Kemper, p. 22: `Nooit werd met meer logische juistheid het vonnis over de wet, die hij zelf in 1857 aan Z.M. ter sanctie voorgelegd heeft, geveld.'



49 

Versta: dat uw ministerie althans iets moest doen om aan de bezwaren van de petitionarissen en de koning tegen het ontwerp‑Van Reenen tegemoet te komen.



50 

Men kan ook lezen: `in'.



51 

De vierde alinea van art. 3 (zie de volgende noot) kan hier moeilijk bedoeld zijn. Het ligt in de rede te denken aan al. 4 van art. 22, de z.g. `subsidie‑alinea'. Deze luidde: `Waar de kinderen van het bezoeken der openbare school, uit hoofde van godsdienstige bezwaren der ouders, worden teruggehouden, en deze bezwaren, na een zorgvuldig onderzoek, niet kunnen worden uit den weg geruimd, wordt, indien hieraan kan te gemoet gekomen worden door de oprigting van eene bijzondere school tot het oprigten en onderhouden van zoodanige school, des gevorderd, hulp verleend door middel van een rijkssubsidie. Het verleenen van zoodanig subsidie geschiedt door de wet'. Zie voor het complete art. n. 13 supra. Over het belang van dit `verzoeningsmiddel' zie men Adviezen 1856/7 II, 215*; 223* 234*; 260*; 278*; 282*; 292*; Over het ontwerp, p. 8; 26‑28, 1; 32; 40; 42/3; 51; 59; 80; 195;199‑203; Open brief, p. 4; Antwoord aan J. de Bosch Kemper, p. 24; Brieven van Da Costa III, 114; H.O.W., p. 140; 153; Briefw. III, 261, 7; 266/7; 276, 5; V, 347; De Tijd van 30 juli 1857; De Bosch Kemper, Repliek, p. 20; Goslinga, Het conflict, p. 308‑369; Het conflict . . . opnieuw bezien, p. 301‑306; Prof. Kohnstamm,p. 8; 13; Merens, G.v.P., p. 14; De Vries, De ontslag‑aanvrage, p. 10; Van der Giezen, Mr. J. J. L. van der Brugghen, p. 34‑36; Van Egmond, Consequent christendom, p. 133.



52 

Versta: De reële mogelijkheid om het bijzonder onderwijs te subsidiëren gaat in rook op. Wat in de aangenomen al. 3 schijnbaar gegeven werd, ging immers in feite teniet door al. 4 van art. 3: `De aldus gesubsidieerde scholen zijn toegankelijk voor alle kinderen, zonder onderscheid van godsdienstige gezindheid. Het 1ste en 2de lid van art. 22 zijn op die scholen toepasselijk'. Met soortgelijke bepalingen werd ook in de jaren na het K.B. van 2 jan. 1842 de stichting van bijzondere christelijke scholen door de locale en provinciale autoriteiten belemmerd.



53 

Aangenomen dat ook hier aan al. 4 van art. 22 gedacht wordt, heeft `laatste' betrekking op de volgorde van het wetsontwerp niet op de chronologie van de behandeling in de Tweede Kamer (zie n. 45).



54 

Wellicht is de zin: En toch hebt ge na de verwerping van al. 4 het wetsontwerp niet ingetrokken. Cf. Adviezen 1856/7 II, 292*/3*; Briefw. III, 955 sub 18 (waar i.p.v. `12' wel `22' gelezen zal moeten worden); Van Otterloo, Bijdragen, p. 312; 315, 2.



55 

Cf. Adviezen 1856/7 II, 164/5; 199; 289*; Over het ontwerp, p. 8; 51; 155; H.O.W., p. 157; 190; Studien en schetsen, p. 32.



56 

Cf. Briefw. V, 348: `Aan den wensch van geen enkele der petitionarissen wordt voldaan; het koningschap wordt, meer dan ooit door Thorbecke geschied is, gecompromitteerd; de zedelijke grondslag van een constitutioneel gouvernement, dat op politieke eerlijkheid steunt, ondermijnd . . .' Zie ook Studien en schetsen, p. 28‑34 over een `Constitutioneel Gouvernement'.



57 

Cf. Antwoord aan J. de Bosch Kemper, p. 27: `meent men welligt dat, door het dikwerf loochenen van de meest volkomen neêrlaag, ten langen leste een overwinning geconstateerd wordt?' Marginale aant. van Groen: `Het ministerie Van der Brugghen heeft de hoofdstrekking dragelijk gerekend, alleen w[anneer] zij d[oor] begunstiging van het bijz[onder] o[nderwijs] verzacht werd'.



58 

Uitgebracht op 10 aug. 1857; cf. Van Hoorn, De Nederlandsche schoolwetgeving, p. 330; Wet op het lager onderwijs, p. IV.



59 

Men leest in § 1 van de Memorie van beantwoording: `Het was der Regering zeer aangenaam te vernemen, dat de wetsvoordragt tot regeling van het lager onderwijs bij de Eerste Kamer bijna algemeen met genoegen is ontvangen . . .' (Hand. S.‑G. 1856/7 I, 179b).



60 

Portée onduidelijk. Het woord komt talloze malen voor bij Groen. Hij wenste in zijn Advies geen `Gezindheids‑scholen, maar scholen voor de bestaande Gezindheden bruikbaar' (Verspreide geschriften II, 196). Sinds 1857 was het onderwijs nog meer dan voorheen `regtstreeks tegen alle Gezindheden gerigt' (Verspreide geschriften II, 7; Ned. Ged. 2e serie, V, 260). Zie ook Adviezen 1856/7 II, 270*. Niet onmogelijk is het, dat Groen hier preludeert op de door Van Nispen van Pannerden aan dit onderwerp gewijde woorden (Hand. S.‑G.‑1856/7 I, 189b). Men kan ook denken aan de eensgezindheid van de Eerste Kamer (zie n. 24).



61 

De Eerste Kamer nam de Wet aan met 34 stemmen vóór en één tegen; cf. Hand. E.K. 1856/7, p. 204.



62 

Vermoedelijk is hier de Eerste Kamer bedoeld.



63 

De conjectuur is gebaseerd op p. 254 r. 16 van onze tekst. Denkbaar is ook: z[oo] c.q. z[eer] k[ort] gaan etc. Cf. Van Hoorn, De Nederlandsche schoolwetgeving, p. 330; `De discussiën waren dan ook in die Kamer (12 Augustus) zeer kort, en duurden niet langer dan weinige uren . . .' Zie ook het scherpe oordeel over de Eerste Kamer, reeds voor de behandeling aldaar, in Brieven van Wormser II, 212 uitgesproken.



64 

Zie n. 27.



65 

Groen betwijfelde het nut ervan; cf. Open brief, p. 10, 1; H.O.W., p. 201; 206; 213/4; Briefw. III, 284, 1.



66 

Marginale aant. van Groen: `[De] Tijd [van] 4 aug. [1857]'. In het hoofdart. wordt de staf gebroken over de `oproeping' van `de Groenen' o.d.t. Volk van Nederland, `die overal langs de straten der hoofdstad, in groote letters tot het volk spreekt ter plaatse waar de publieke afkondigingen gewoon zijn de muren te bekleeden . . .' Een dergelijk beroep op het volk achter de kiezers is gevaarlijk. `Wie dat over 't hoofd ziet, wordt geleid en verblind door hartstogt; hij kan een sektaris zijn, maar hij is geen goed Christen. En zijne daad, zij moge met een anti‑revolutionnair doel worden gesteld, blijft desniettemin eene zuivere revolutionnaire daad'. Het art. was van Smits; cf. Peijnenburg, Judocus Smits, Bijlage sub De Tijd nr. 3117.



67 

Cf. Brieven van Da Costa III, 111‑114; Brieven van Wormser II, 209‑217. Groen drukt Wormsers adres grotendeels af op p. 213‑215.



68 

Sc. om de minderheden te beschermen en de gewetensvrijheid te handhaven; cf. Adviezen 1856/7 II, 289*.



69 

Cf. Adviezen 1856/7 II, 233*; 281*; Over het ontwerp, p. 58, 2; H.O.W., p. 32; Goslinga, Het conflict, p. 289 e.v.; Lens, G.v.P., p. 767.



70 

Of: minist[erieele] ver[antwoordelijkheid]. Groen handelt daarover in Adviezen 1856/7 II, 40; 42; 75; 112; 145; 172; 233*; 274*; 278*; 284*; Over het ontwerp, p. 7.



71 

Misschien toespeling op de situatie die - volgens Thorbecke - reeds onder het kabinet‑Van Hall ontstaan was: `de Oppositie is geworden regerende partij' (Aan de kiezers [De Vries no. 96] IV, 1‑3; VII, 1; 4/5).



72 

Zie n. 16 van no. 36. Cf. Verscheidenheden, p. 20; 57; 313; Zwaan, G.v.P., p. 33.



73 

Marginale aant. van Groen: `27 julij [1857]'. Hij doelt op een fel art. (van Smits) tegen Groen in de Tijd van die datum blijkens Adviezen 1856/7 II, p. IV, 1. Het was het derde van drie artikelen over `de wet op 't lager onderwijs' (24, 25, 27 juli). Het begin luidt: `De gedragingen van den heer Groen van Prinsterer. Wij vinden aanleiding om daarover te spreken in den stap, dien hij, toen de beraadslagingen over de wet op het lager onderwijs waren afgeloopen, niet zonder opzien te baren gesteld heeft. De heer Groen heeft onmiddellijk na de aanneming der wet zijn ontslag genomen als lid van de Tweede Kamer. Wij begrijpen die daad en billijken haar . . .' Smits had zelf Eenige bezwaren tegen de voordragt van wet ingebracht; cf. Over het ontwerp, p. 168, 1.



74 

Cf. art. III: `Intusschen heeft de heer Groen, althans voor eenigen tijd, door eigen schuld zijne loopbaan gebroken - hij heeft daarmêe tevens aan ons Katholieken een onberekenbare schade gedaan. Door dezelfde bemoeijingen, waardoor hij de vrucht van al zijn streven heeft te loor geworpen, heeft hij tevens de godsdienstige belangen der Katholieken doen deelen in het lot, dat hem en de zijnen treft'.



75 

Smits verweet Groen, dat hij `de quaestie van het onderwijs' had verlaagd tot `een voertuig van politieke intrigues'; cf. Adviezen 1856/7 II, p. IV. De conjectuur is gebaseerd op vergelijking met Groens terminologie van `(politieke) mystificatie'; cf. Open brief, p. 6; Adviezen 1856/7 II, 278*; Over het ontwerp, p. 44; 112; Brieven van Da Costa III, 59; H.O.W., p. 147; 154/5; art. II en III van de Tijd. Groen spreekt ook wel van `politieke kunstbewerking' (Adviezen 1856/7 II, 287*), `politieke kunstenarij', `politieke berekening' (Aan de kiezers [De Vries no. 96] I, 2, 4, 2 resp. III, 6, 1). Misschien moet men aanvullen: `polit[iek] bed[ing]' in de zin van `koehandel'.



76 

Cf. art. III: `De heer Groen van Prinsterer, in de Kamer gebragt door de Katholieken, gebruikte zijne plaats niet slechts om de Katholieken te bestrijden - maar om ze als wrijfpaal te gebruiken, waarop men de hoornen der onverdraagzaamheid bij een zeker deel onzer bevolking trachtte te scherpen'.



77 

Het woord `Harderwijksch' komt in geen van de drie artikelen van de Tijd voor; wel echter de klacht, dat Groen het programma van de Tijd `vroeger aangenomen, later verworpen' had. Dit programma beoogde `alle partijen gelijkelijk in het bezit van hun regt te handhaven'. Volgens de Tijd had Groen in de Nederlander aanvankelijk zijn zegel gehecht aan dit programma. Het `Harderwijksch programma', alias het `programma der kiezersvergadering te Harderwijk' komt wel voor in Verscheidenheden, p. 162‑165. Het behelsde `eene getrouwe en eerlijke uitvoering der gewijzigde Grondwet, zonder eenige poging tot terugwerking'. De beschuldiging van de Tijd komt dus overeen met die van Vreede in 1850, dat Groen een reactionaire politiek voorstond. Cf. Grondwetherziening, p. 178; Vreede, Nog een woord, p. 21.



78 

Cf. art. III: Het tot ergernis van de Tijd aan het programma door Groen toegevoegde art. `was geen ander, dan dat aan deze zijde van den Moerdijk de Bijbel op de school om de Katholieken niet mogt worden onthouden aan de Protestanten. Het was met andere woorden gezegd: de school moet protestantsch zijn'. Cf. Aan de kiezers [De Vries no. 96] I, 6, 1; V, 1,6.



79 

Cf. art. III: `De heer Groen‑zelf had meer dan iemand veroorzaakt, dat de wet tegen ons en tegen hem werd gerigt. Wat had hij gedaan? Hij had steun gezocht bij zijn aartsvijanden, bij de geheime genootschappen'. Zie ook art. II; Aan de kiezers [De Vries no. 96] I, 6, 1; Van Otterloo, Bijdragen, p. 41; Vos, G.v.P. I, 347/8.



80 

Cf. Aan de kiezers [De Vries no. 96] I, 3; Adviezen 1856/7 I, 146; 170; II, 139; Over het ontwerp, p. 52. Groen verweet op 3 dec. 1856 aan Van der Brugghen, dat deze getoond had vóór zijn ministeriële loopbaan `geenerlei gedachtenwisseling omtrent den politieken toestand te verlangen' (H.O.W., p. 109).



81 

Sc. van de Tijd van 27 juli 1857.



82 

Het eerste van de twee artikelen van De Bosch Kemper tegen Groen is bedoeld. In de Amsterdamsche Courant van 2 juli 1857 (no. 154) schreef hij Een laatste woord over de konceptwet op het onderwijs. Een overdruk hiervan in ARA, G.v.P., sub no. 125. Cf. Adviezen 1856/7 II, 245*‑250*; 287*, 2; Antwoord aan J. de Bosch Kemper, p. 1; 4; 6; 37, 1; Dupliek, p. 6; Brieven van Da Costa II, 108, 1; 116; H.O.W., p. 192; Briefw. III, 274, 2; 290‑294; 298‑301; V, 368. Het tweede art. in het Volksblad van 12 aug. 1857; cf. Antwoord aan J. de Bosch Kemper, p. 3, 1; 30/1; Dupliek, p. 15‑17. Zie voor meer dagbladartikelen van De Bosch Kemper tegen Groen in beide bladen Briefw. III, 260, 2; 264, 3; Brouwer, Het binnenste, p. 296 n. 217.



83 

Sc. de Nijmeegse, door Van der Brugghen getekende petitie. Tekst bij Van Otterloo, Bijdragen, p. 252/3. Volgens Groen had Van der Brugghen zich daarmee achter het adres‑Heldring gesteld. De Bosch Kemper en anderen hebben dit bestreden. Cf. Over het ontwerp, p. 91/2; 139; Antwoord aan J. de Bosch Kemper, p. 7‑10; Dupliek, p. 5/6; Briefw. III, 218, 2; 274; 955; 958/9; V, 806; De Bosch Kemper, Open brief, p. 7, 1; 10‑14; Repliek, p. 14/5; 26‑28; Merens, G.v.P., p. 7; De Beaufort, G.v.P., p. 490; Goslinga, Het conflict, p. 364; Het conflict . . . opnieuw bezien, p. 296; 298; Van Egmond, Consequent christendom, p. 93; 112.



84 

Cf. Dupliek, p. 7: `Dit is een vraag van historische kritiek'. Of `hist[oria] crit[ica]'. Cf. Antwoord aan J. de Bosch Kemper, p. 13: `Tweederlei Historia critica wordt, door U en door mij, uit dezelfde bescheiden ontleend.'



85 

Deze wet komt talloze malen bij Groen voor. Hij doelt vermoedelijk op de tegenstrijdige uitlatingen van Van der Brugghen over de wet van 1806. Cf. Briefw. II, 353/4; III, 936/7; 940; 946; 955; 958; 962; Adviezen 1856/7 II, 216*; 227*; 239*; Over het ontwerp, p. 134; Antwoord aan J. de Bosch Kemper, p. 2; 17‑20; H.O.W., p. 176; De Bosch Kemper, Open brief, p. 32‑37; Repliek, p. 8; Van Otterloo, Bijdragen, p. 334; Merens, G.v.P., p. 11; 28‑32; Brouwer, Het binnenste, p. 172; 187. Zie ook n. 132 van no. 96.



86 

Waarschijnlijk is de aan de Wet ten grondslag liggende `individualistische theorie' van de ethisch‑irenische richting bedoeld. Cf. Adviezen 1856/7 II, 229*; 265*; 286*; 288*, 5; Over het ontwerp, p.. 187; 194; 199; Antwoord aan J. de Bosch Kemper, p. 23; Dupliek, p. 8; Studien en schetsen, p. 28; H.O.W., p. 161; 182; De Bosch Kemper, Open brief, p. 20; 33.



87 

Zie n. 69.



88 

Deze conjecturen berusten op de vergelijking met Antwoord aan J. de Bosch Kemper, p. 23; 29; 34, 1; Dupliek, p. 15; Parlementaire studien III, 142/3.



89 

Tekst bij Van Hoorn, De Nederlandsche schoolwetgeving, p. 331‑353; met `toelichtingen' in Wet op het lager onderwijs.



90 

Cf. Dupliek, p. 19; Parlementaire studien III, 172; Briefw. V, 363: `we zullen nu de wet zelve, hoe slecht ook, zooveel mogelijk, ten goede moeten gebruiken'; 365; 383. In de `oproeping' aan het `Volk van Nederland' (De Tijd van 4 aug. 1857) wordt gesproken van `eene wet, waarbij Christus, de Bijbel en de Geschiedenis van het vaderland van de openbare school verbannen worden'.


75
1   ...   43   44   45   46   47   48   49   50   ...   78


Dovnload 7.64 Mb.