Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina48/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   44   45   46   47   48   49   50   51   ...   78
Over Willem I. ±1859.1

M. Vreede dans son intéressant ouvrage Inleiding tot eene geschiedenis der Nederlandsche diplomatie n'a pas toujours rendu justice à Guillaume I. Il persiste à lui attribuer des vues ambitieuses, là même où cette supposition comme dans l'acceptation du titre de comte, plausible en apparence est réfutée par une considération plus attentive de la nature et de la portée des droits que les Etats lui avoient conféré (`Men geeft Buys na, dat hij als boezemvriend van Willem I, vóór anderen geijverd heeft, om den Vorst tot Graaf van Holland te doen verheffen', p. 882). Il semble insinuer que le prince étoit extrêmement flatté de s'appeler gouverneur de Brabant (`naijverig op het voeren van den titel van Gouverneur van Brabant', p. 1593) et que des motifs de ce genre contribuèrent à lui faire suivre une politique opposée à celle des hommes d'état qui régissèrent la province de Hollande.

Le prince, d'accord avec ses confidents et ses amis des provinces méridionales, surtout avec Marnix, et convoitant le gouvernement général des Pays‑Bas, apprécioit la Hollande, la Zélande, et Utrecht, comme un point d'appui et dernier refuge, mais il s'obstinoit à rallier à sa cause l'universalité des Pays‑Bas, et c'est pour cela que le secours de la France lui paroissoit indispensable. Il se lançoit ainsi dans des projets aventureux et chimériques (`Het Register der Noordelijke Staatsbesluiten wijst aan hoeveel moeite het den Voorouders kostte den bekoorlijken droom uit 's Prinsen brein te verbannen', p. 1144). (`Nog in 1583 maakten Oranje en Aldegonde zich diets het luchtkasteel te zullen kunnen stichten', p. 1245). Il me paroit évident au contraire que le prince fut conduit par des vues d'intérêt général. Il ne falloit pas abandonner des provinces dont la cause n'étoit nullement désespérée; et même, afin de pouvoir se maintenir en Hollande, il étoit nécessaire d'étendre le foyer de la résistance et de s'appuyer sur un allié puissant. Le prince combattit les antipathies fort excusables des réformés et la politique étroite et quelquefois misérablement égoïste de la Hollande dans l'intérêt de l'état et de la religion.

Je ne puis entrer ici dans une réfutation détaillée; mais je dois sérieusement protester contre des jugements qui montrent que M. Vreede n'a pas pris connaissance des documents6 écrits par Guillaume I lui‑même, pour expliquer les motifs de son inclination vers la France.

-------
Noten bij no. 75. Over Willem I.
1 

ARA, G.v.P., no. 106, eigenhandig ontwerp. Titel ontleend aan de inhoud. De datering is gebaseerd op Briefw. V, 441 (19 dec. 1859). Bij zijn bewondering voor deel II, 1 (1858) verheelt Groen zijn bezwaren niet: `Maar met uwe lofrede op de Hollandsche politiek, tegenover die van Willem I en Aldegonde, kan ik mij ganschelijk niet vereenigen, en het is mij, bij de overweging van uw vertoog wel eens voorgekomen dat gij te weinig bewijs geeft van op de argumenten der wederpartij te hebben gelet.' Van de talrijke brieven van en aan Vreede zijn verder voor ons onderwerp van belang: Briefw. III, 322; 324; IV, 324; 736; V, 456; 496. Marginale aant. van Groen aan het begin: `Vreede over Willem I.' Enkele slordigheden van Groen zijn stilzwijgend verbeterd.



2 

Cf. Vreede, Inleiding, II, 1, 88.



3 

Cf. Vreede, Inleiding II, 1, 159.



4 

Cf. Vreede, Inleiding II, 1, 114.



5 

Cf. Vreede, Inleiding II, 1, 124: `Nog maakten zij zich diets' etc. Cursivering van Groen.



6 

Marginale aant. van Groen: `Archives 2[me série I,] p. 213.' T.a.p. een brief van Willem Lodewijk aan prins Maurits van jan. 1593 waarvan Groen de inhoud aldus samenvatte: `Sages conseils de Guillaume Premier, Prince d'Orange, relativement à l'alliance des Pays‑Bas avec la France et les Princes Réformés en Allemagne.'


76 Project‑Vereeniging voor christelijk‑nationaal school‑onderwijs. 1860.1

Art. 1. hoofdgedachten2, hier, m.i. juister.

a. Die qualificatie van volksramp moet telkens op den voorgrond worden gesteld; daarin ligt ons point de départ, onze kracht ter wakkerschudding; maar ze is te sterk om te worden opgenomen in hetgeen gerekend wordt uitdrukkelijk of stilzwijgend, door de leden te worden beaamd. Aan het herstel, op dit terrein, der breuke van 1856 moet niet door het vergen van eene soort van schuldbelijdenis, een voor de eigenliefde schier onoverkomelijk bezwaar in den weg worden gelegd.3

g.4 Aldus wordt de wenk, nu in art. 9 opgenomen5, nog meer duidelijk en algemeen.

Art. 3.6 Uit den aard der zaak submitteert men zich aan hetgeen in art. 1 en 2 voorkomt. Door het vergen van eene uitdrukkelijke adhaesie zou welligt menigeen worden geëffaroucheerd. Iets omtrent ruime giften enz. zou ik verlangen, om terstond te doen gevoelen dat, voor vermogende christenen, wanneer zij waarlijk de poging goedkeuren  5,- 's jaars en niets meer voor eene onderneming van zoodanigen omvang bijkans aan persiflage gelijk is. En ook, aan den anderen kant, dat de geringste bijdrage welkom kan zijn; niet slechts omdat uit vele kleine ééne groote gevormd wordt, maar ook omdat in de behartiging van volksbelang, volkssympathie steun geeft, en omdat men van het penningske dat met wezenlijke opoffering verstrekt wordt, dubbelen zegen mag tegemoet zien.

Art. 5. Ook en vooral te Amsterdam, moet eene afdeeling zijn. De regeling der betrekking van afdeeling en hoofdbestuur is een onderwerp van latere zorg; zie art. 7; maar de zelfstandigheid der afdeelingen moet m.i. in het belang eener organieke ontwikkeling van de Maatschappij voorop staan.

Art. 8 [en] volgende. Met inachtneming van art. 1 g moet, dunkt me, het hoofdbestuur veel meer de vrije hand hebben, zoowel in hetgeen waarvoor, als in de wijs waarop het tegemoetkoming verleent. Evenwel gevoel ik ook dat het hoofdbestuur niet geheel willekeurig moet kunnen te werk gaan. Het kan somtijds zeer wenschelijk zijn rentelooze voorschotten, ondersteuning voor meer dan één jaar enz. te verleenen. Een middenweg zou hier goed zijn. Het is ook niet overtollig te doen opmerken, dat men voor deze of gene specialiteit, bijvoorbeeld de normaalschool te Nijmegen, of de opleiding van onderwijzers een of twee jaren buiten 's lands, voor de stichting van beurzen, enz. enz. gelden aan het hoofdbestuur, als intermediair of zaakwaarnemer, toezenden kan.

Art. 14 wordt, om dezelfde reden als art. 15‑20 beter weggelaten.7

Art. 22. Het besluiten bij meerderheid en hoofdelijk behoeft, dunkt me, niet te worden vermeld. Gaarne zien wij hieromtrent uwe bedenkingen, ter nadere overweging, tegemoet.

Nog drie algemeene opmerkingen. Vooreerst, mij refererende aan onze gesprekken blijf ik zeer hechten aan het denkbeeld dat alles, zooveel mogelijk, moet voorgesteld worden als voorloopig, als voorbereiding, als proefneming, als eene Maatschappij eigenlijk enkel op het papier, zoolang die niet door de belangstelling en zamenwerking van hen, wien het evangelie dierbaar is, waarlijk in het leven wordt geroepen en die anders weinig meer zal kunnen zijn dan een collecte‑ en consultatiebureau, zonder wezenlijken invloed, totdat het bijzonder onderwijs op enkele uitzonderingen na, voor het finantieel en politiek overwigt van het openbaar schoolwezen verdwijnt. Waarbij tevens moet uitkomen dat de zaak niet aangevat wordt, omdat men verlangt zich op den voorgrond te stellen, maar omdat er nu drie jaren voorbij zijn, zonder dat er iets door hen, die bij voorkeur daartoe geroepen waren, geschied is.

Ten anderen acht ik, dat men bovenal de medewerking moet trachten te verkrijgen van de (pace Chantepie de la Saussaye dixerim) getrouwe predikanten.8 Laat ons toch niet onbillijk jegens hen zijn. De zonderlinge gebeurtenissen van 1856 en de vreemde toedragt van zaken in de bijeenkomsten van Ernst en Vrede hebben velen belet te verrigten wat zij gaarne zouden hebben gedaan. Velen onder hen hebben vroeger voor het bijzonder schoolwezen geijverd. Men moet zich met eenig vertrouwen, op grond van hunne speciale roeping, tot de zoodanigen wenden, hen en demeure stellen, opdat althans, indien zij weigeren, onze verantwoordelijkheid gedekt zij. Mij dunkt reeds nu zou het nuttig en bijkans noodzakelijk zijn dat een man als Hasebroek in onze overleggingen gekend wierd. In de rigting, die wij verlangen te volgen, mag hij m.i. niet worden gepasseerd.9

Eindelijk, wat uw10 vriendelijk woord omtrent mijne officieele medewerking betreft, wat zal ik u zeggen? Ik ben 59 jaar oud, heb velerlei werk, dat mij ter harte gaat, en ik gevoel dat, al wilden ook anderen zich op de meest welwillende wijs met de meeste werkzaamheden belasten, ik mij aan het gemeen overleg omtrent de hoofdrigting van den veelomvattenden arbeid niet zou kunnen of mogen of willen onttrekken. Aan den anderen kant erken ik dat er, ten gevolge mijner antecedenten, ook op mij eene eigen verantwoordelijkheid rust en dat ook mijn deelgenootschap aan de proefneming gunstig zou kunnen werken op sommigen, die met mij, ook bepaaldelijk in de zaak van het onderwijs, eensgezind zijn. Zoo het ulieden nuttig toeschijnt, ben ik bereid D.V. den 30n october de vergadering bij te wonen11 en de toelichting van het gewijzigd reglement op mij te nemen; maar ik zou dit niet kunnen doen, ten ware op uwe uitnoodiging; zoodat met open kaart gespeeld en aan de vrienden medegedeeld wierd dat gijlieden Van Rhijn12 en mij tot mederaadpleging over de u opgedragen taak verzocht hebt.


Art. 1

naar de volgende beginselen - Liever - en gaat daarbij van de volgende hoofdgedachten uit.

a. Liever: `De inrigting der openbare school, voor roomschgezinde en protestant, voor Israëliet en christen gelijk de wet van 13 aug. 1857 ze voorschrijft is voor de behoefte van eene christelijke natie, en althans van den protestantschen christen, ongenoegzaam.

g. Verleening van geldelijke tegemoetkoming, inzonderheid waar eigen belangstellling en veerkracht openbaar is.
Art. 2

c. behartiging van, liever: opwekking van gemeen overleg en zamenwerking omtrent.


Art. 3

De leden betalen eene jaarlijksche contributie van  5,-. Bovendien worden ruime giften vereischt en zal ook de geringste bijdrage aangenaam zijn.


Art. 4

Het hoofdbestuur, in eene algemeene vergadering gekozen door de leden der Maatschappij en bestaande uit hoogstens zeven personen, waarvan twee onderwijzers, is gevestigd te Amsterdam. Vier van hen, daaronder één onderwijzer, zijn aldaar woonachtig. Telken jare, volgens een daarvan op te maken rooster, treedt een lid van het hoofdbestuur af, terstond weder verkiesbaar.


Art. 5

Christelijke vrienden, te Amsterdam en elders, worden door het hoofdbestuur uitgenoodigd om plaatselijke afdeelingen te vormen, aan wie de regeling van eigen inrigting en werkzaamheid wordt overgelaten. Ook kan, waar geene afdeeling bestaat, door het hoofdbestuur een correspondent worden benoemd.


Art. 713

Het hoofdbestuur rigt zijne werkzaamheden, ook wat het verband met afdeelingen en correspondenten aangaat, in, naar een huishoudelijk reglement, waarvan in de eerstvolgende algemeene vergadering mededeeling gedaan wordt.


Art. 8

De fondsen, uit contributiën, giften, erfstellingen, enz. tezamengebragt, zijn voor al wat ter bevordering van christelijk schoolonderwijs kan strekken, beschikbaar en staan onder het beheer van het hoofdbestuur dat telken jare in de algemeene vergadering rekening en verantwoording aflegt. Twee derden der contributiën en der niet, òf ter vrije beschikking òf voor een bepaaldelijk aangewezen doel ingekomen giften, erfstellingen, enz., worden enkel voor ondersteuning, telken jare weder opzegbaar, besteed.


Art. 9

De belanghebbenden bij de oprigting of het onderhoud van eene school wenden zich tot de meest nabij zijnde afdeeling of correspondent. Deze doet onderzoek en geeft aan het hoofdbestuur verslag. Het hoofdbestuur bepaalt of en, zoo ja, welke ondersteuning verleend wordt.


Art. 10

Geen artikel wordt gewijzigd dan op de algemeene vergadering met goedkeuring van 2/3 der aanwezige leden, en nadat het voorstel eene maand tevoren schriftelijk bij het hoofdbestuur ingediend is.


Art. 11

De Maatschappij wordt opgerigt voor den tijd van 29 jaren.


P.S. Bij nader overleg komt het voor dat bij art. 10 geen artikel moet worden uitgezonderd. Dit zal ligt oppositie wekken en ook eene grondwet is voor herziening vatbaar.

--------
Noten bij no. 76. Project‑Vereeniging voor christelijk nationaal school‑onderwijs.


1 

ARA, G.v.P., no. 87, misschien in de nette hand van mevr. Groen. Het opschrift is in Groens hand. Ook de met potlood toegevoegde datering die door hem van vierkante haken is voorzien: `[22 sept.]' De ondertekening (`Gr. v. Pr.') is eveneens in zijn hand. Cf. Briefw. III, 430. Onder no. 87 vindt men behalve het door Smit t.a.p. vermelde `begeleidend schrijven' vrijwel het hele reglement uitgeschreven in de door Groen voorgestelde versie. Groens voorstellen zijn grotendeels overgenomen in concept‑reglement III. Vanwege de vele verschillen wordt Groens versie toch hierachter integraal afgedrukt.



2 

Dit woord is gehandhaafd in de concept‑reglementen III‑V; cf. De Vereeniging voor C.N.S.O., p. 92/3.



3 

Deze alinea ook in Briefw. III, 430, 3.



4 

Zie het infra afgedrukte reglement sub art. 1g.



5 

Waarschijnlijk houdt dit verband met wat de eerste zin van art. 6 is in concept I: `Gemeenten, waar werkdadige belangstelling in het bezit van eene Christelijke school wordt betoond, en die niet bij magte zijn deze uit eigene middelen op te rigten en te onderhouden, wenden zich tot het verkrijgen van ondersteuning tot de sub‑commissie, waaronder zij resorteren.' Met de `wenk' van art. 9 zal gedacht zijn aan de teneur van art. 9, waaruit blijkt, dat het hoofdbestuur niet lichtvaardig financiële steun zou verlenen aan `belanghebbenden'.



6 

Luidde in concept I: `Tot leden dezer Maatschappij worden toegelaten allen, die met bovenstaande beginselen instemmen en genegen zijn tot een jaarlijksche contributie van tenminste drie gulden.'



7 

Concept‑reglement I telt niet meer dan achttien artikelen, III niet meer dan vijftien. Daar het hier afgedrukte reglement met art. 11 eindigt, moet Groen doelen op het uitgebreider concept dat op 21 sept. in Amsterdam besproken werd blijkens Briefw. III, 430.



8 

Zie n. 155 van no. 78.



9 

Hasebroek bleek echter `weinig enthousiast'; cf. Briefw. III, 436, 2.



10 

In het begeleidend schrijven van Groen ontbreekt de adressering. Vermoedelijk zijn de `Amsterdamsche vrienden' bedoeld, die het voorlopig bestuur van de Vereeniging vormden; cf. De Vereeniging voor C.N.S.O., p. 62; Briefw. III, 432, 3; V, 436 over `De Neufville c.s.' Dan zou er één brief toegevoegd kunnen worden aan `de correspondentie tussen Groen en De Neufville in de periode van 21 sept. tot 9 oct. 1860' (Briefw. V, 430, 3).



11 

Zie over die vergadering Briefw. III, 440, 4; V, 428; 437.



12 

Cf. Briefw. III, 431 e.v.; 904 s.v.; V, 435; De Vereeniging voor C.N.S.O., p. 52; 66.



13 

Zie voor art. 6 concept‑reglement III (De Vereeniging voor C.N.S.O., p. 96).


77 Eenige staatkundige aanteekeningen, 1860 en volgende jaren. ± 1860.1

Individualiteit en individualisme.


`Que pensez‑vous de la société moderne et de la révolution qui l'a produite?2 La tenez‑vous pour une société en progrès ou en décadence? [17]89, origine de cette société, est‑il à vos yeux une date fatale ou le point de départ d'une ère glorieuse?': A. de Br[oglie, Questions de religion] I, 246.3
Schleiermacher bij Stahl [, Die Philosophie3] I, 546: `Es sind die beiden Polen der sittlichen Welt, die objektive Wahrheit und Nothwendigkeit und die Freiheit menschlicher Individualität.'3a
Vinet.4
Von Stein over 1830: De N[ederlander no.] 818 [24 febr. 1853].5 Pertz over ongel[oof] en revol[utie]: De N[ederlander no.] 817 [23 febr. 1853].6

De Barante: De N[ederlander no.] 801 [4 febr. 1853].7 Mallet du Pan en Saint Marc Gir[ardin]: De N[ederlander no.] 800 [3 febr. 1853].8


Opzoomer, Het teeken des tijds. 1859, p. 20: `De zegen der groote Fransche omwenteling, waarmeê de nieuwste geschiedenis aanvangt, wordt op het staatkundige terrein nog veel minder ondervonden dan op het sociale, en het hoofdwerk dat zij hier verrigt heeft, en dat telkens verbeterd en voltooid wordt, wat is het dan de vrijmaking van het individu?'
Cousin, [La] soc[iété] fr[ançaise au XVIIe siècle] Av[ant‑] pr[opos] célèbre les résultats de la révolution, quant à la liberté civile: l'égalité devant la loi, avec une hiérarchie puissante, la législation, etc.9 Mais sont‑ce des conquêtes de la révolution? Falloit‑il la révolution pour continuer l'oeuvre des Cujas10, des Pothier11, des Domat12, des D'Aguesseau?13 Puis la liberté polit[ique] viendra.14 Nous y parviendrons. Etes‑vous en route? Monarchie constitut[ionnelle] développement naturel des assembl[ées] nation[ales]?15 Oui, si le principe a[nti‑]r[évolutionnaire] n'étoit pas intervenu?
M. de Carné. `Faire la part de l'inspiration chrétienne dans sa fécondité, et du rationalisme dans son impuissance' (A. de Br[oglie, Questions de religion] I, 66.16
Velen zijn thans (1860) tevrede met de liberté civile. Was dit de bedoeling in 1789? Neen: zie De Rémusat, Polit[ique] lib[érale], p. 35117; Guizot, Mém[oires] T[ome] III, p. 3.18 In droit civil veel verkregen (maar traditioneel): A. de Br[oglie, Questions de religion] I, 70‑75.19 [Les] lib[ertés] civiles [sont] des lib[ertés] désarmées: A. de Br[oglie, Questions de religion] I, 82.20

`Il n'y a que les âmes faibles qui règlent leurs opinions en vue des succès probables de l'avenir . . . Pour se dévouer aux belles et aux bonnes choses, il n'est pas nécessaire de supposer qu'elles soient destinées à l'emporter.' E. Renan [, Revue des deux mondes] XVI, 684.21


`Je ne suis pas de ceux qui, comme la Mennais (Guizot, Mém[oires] III, 9622) attaquent indistinctement les principes comme les tendances de la société moderne'.23 Je ne veux pas arrêter la démocratie: Tocquev[ille, De la démocratie en] Amérique I, 9.24 Je ne repousse pas la liberté, l'égalité, la fraternité: l.l. 1725; l'idée du mal n'est pas indissolublement unie chez moi à celle du nouveau: l.l. 19.26

`Wenn nun die Philosophen Kant, Fichte, Schelling, Hegel, und die Dichter Schiller und Göthe offenbar Kinder ihrer Zeit waren, Erben eines mit der dogmatischen Kirchlichkeit tief zerfallnen Humanismus, und wenn sie mit vielen Saatkörnern des Irrthums sogar Anlasz zu antichristlichen Anschauungen und Bestrebungen gegeben haben, so haben sie dagegen auch in ihren besten positiven Ideen und Momenten den Humanismus wieder der Tiefe des kirchlichen Christenthums zugeführt, vielmehr als manche rationalistische Theologen und Pastoren in Amt und Kragen': Lange over [Van] Oosterzee.27



Fatalité? Saint‑Beuve relat[ivement] à Thiers: `Il faut bien que les faits accomplis, pour s'accomplir, ayent eu dans leur rapport et leur succession tout ce qui les rendait possibles, l'historien dans sa rapidité, peut être sujet à les si bien lier et enchaîner qu'à force d'être trouvés naturels, ils paraissent ensuite un peu trop nécessaires.'28 Mais il y a une véritable nécessité que le germe produise son fruit. Une doctrine peut devenir tellement prépondérante que ses développements dans l'opinion publique et dans les faits soient inévitables.
Restauratie. Had reeds veel voor de vrijheid, enz. gedaan. Villemain (Ned[erlander no.] 816) [22 febr. 1853].29
Vooruitgang. Openbare zaak; algemeen welzijn. Mitherrschaft der natie: St[ahl, Die Philosophie3] I, 363.30 Ook Burke was niet bloot conservatief: St[ahl, Die Philosophie3] I, 556. De a[nti]r[evolutionair] is conserv[atief] en hervormer naar dezelfde beginselen; vandaar de onbillijkh[eid] v[an] het tweederlei verwijt, bijv[oorbeeld] t[egen] Burke: St[ahl, Die Philosophie3] I, 556.31
In de dwaling moet men de waarheid niet voorbijzien. Niet van het liberalisme om de vrijheid te doen waarderen: Stahl [, Die Philosophie3] I, 328. Niet van het socialisme voor de oeconomia polit[ica]: St[ahl, Die Philosophie3] I, 328.32
Seine politische Ueberzeugung konnte sich trotz ihrer Ehrlichkeit und Festigkeit niemals zu jener Leidenschaft steigern, die unbedingt nothwendig ist, um grosze im Wege liegende Hindernisse mit Gewalt wegzuräumen; er scheute es, zur Erreichung groszer Zwecke grosze Mittel zu gebrauchen und das war der Hauptgrund der seine Politik zu Falle brachte. R[adowitz] hat sich auch dieser Erkenntnisz durchaus nicht verschlossen und in seinen Neue Gespräche aus der Gegenwart über Staat und Kirche (Erfurt, 1851) seinen Irrthum und seine Miszgriffe offen eingestanden, wobei er in Beziehung auf der Nicht‑Anwendung jener groszen Mittel sich damit zu entschuldigen sucht, dasz er `sie zwar erkannt habe, aber sie nicht habe anwenden wollen, weil sie gegen sein Gewissen gewesen.'33
The Economist Aug[ust] 13[1870].34 `If Germany and France both say Belgium must do this or that, shall belong to this or that, we could not attempt to withstand them. On continental soil we have not the power to resist both the armies now at Metz if united and turned against us. We hope if it were wanted we could again hold England against the Continent in arms; we hold it by means of the Channel. But we could not hold a bit of the Continent, we could not hold Belgium. And the present treaty does not bind us to try.'
De onlangs overleden minister van R[oomsch] C[atholieke] Eeredienst van Son35 is een van die roomschgezinde landgenooten wier nagedachtenis ook door protestantsche christenen in eer blijft. Naar ik onderrigt ben is van hem afkomstig eene merkwaardige reeks artikelen in De Tijd over de Ned. Ged. en, naar aanleiding hiervan, over mijne beteekenis in onze volkshistorie. Van persoonlijke verguizing geen zweem, veeleer overmaat van lof.

De Ned. Ged. van Mr. Groen van Prinsterer. In de staatkundige [geschiedenis36 van het Nederland der laatste vijftig jaren, zal de naam, dien wij daar zooeven neerschreven, bijna op iedere bladzijde worden genoemd. Aan al de wisselingen van den dan meer, dan minder hartstogtelijk gevoerden strijd, - wie zal beweren, dat onze staatkundige geschiedenis iets anders is dan een voortdurende partijstrijd? - heeft de drager van dezen naam deelgenomen. Deelgenomen in en buiten de Kamers, deelgenomen door het woord en de pen. Deelgenomen met een drift, die naar plotseling sluiten der staatkundige loopbaan deed uitzien, en die toch slechts hare wederga vond in zijn ijzeren standvastigheid.

Daar is niemand in Nederland, aan wien de naam en het bedrijf van Mr. Groen van Prinsterer onbekend bleef. In de meest afgelegen oorden wordt zijn naam genoemd; daar met den eerbied, die den Veldheer‑Ziener toekomt, hier met het feller gevoel, dat den krachtigen, nimmer rustenden vijand wordt gewijd. Voor sommigen is Mr. Groen niets meer dan een utopist, wiens heftige ideën zich in het leven door geene andere dan zeer onschijnbare daden vertolken; zij dwalen. Niet naar de onmiddelijk voortgebragte werking laat zich de kracht der idée beoordeelen en afmeten: hoe meer levenskracht de gedachte bezitte, des te langer misschien zal de werking verborgen blijven, als het smeulende vuur, dat op eenmaal in den vreeselijksten brand losbarst. Dweeper en ideoloog, als de heer Groen is, zoo ligt juist daarin het geheim zijner kracht. Terwijl anderen hun gedachten voegen en plooijen naar den gang der feiten, terwijl bij anderen de praktijk de theorie overheerscht en verdringt, staat bij hem de theorie, de gedachte, niet alleen op den voorgrond, maar beheerscht het geheel. Zij biedt weerstand aan den drang der gebeurtenissen, en zoo 't haar al niet gelukt de gebeurtenissen zelve te dwingen, zij tracht er ten minste naar. Dit trachten naar het bovenmenschelijke geeft der geheele verschijning een bovenmenschelijken toon. De aanhangers van Mr. Groen vinden, in en door hem, hun geheel bestaan; want niet aan iedere persoonlijkheid is het, als aan deze, gegeven zich zelven ten grondslag en ten steun te zijn.

In onze dagen van halfheid en tweeslagtigheid is het optreden van eene figuur als Mr. Groen eene ware] verkwikking.

Partij‑genoot [was de heer Groen nimmer; partijhoofd zoû hij kunnen genoemd worden, indien zijne partij niet opging in zijne individualiteit. Want individueel is de heer Groen boven alles; telken dage wordt hij meer en meer éénling. Hoewel bekend met en bedreven in het hanteren van alle wapenen, die de nieuwere tijd hem aanbiedt, heeft hij toch uit een vroegere periode der krijgskunst het op zich zelf staande, het meer individueele karakter behouden. In de gelederen en alleen als lid mede strijden kan hij niet. Daar ligt - boven werd er reeds op gewezen - het groote geheim zijner noch te ont‑ noch te miskennen kracht. Hij gelooft in zijne persoonlijkheid, geen wonder dat dan ook anderen er in] gelooven.

Uitnemend, maar . . . Ik verwijs naar het aangehaalde n[ummer].

Ziedaar [het artikel in extenso. Voor mij persoonlijk misschien al te gunstig. In het entweder oder allezins juist, en tevens naar den eisch der ultramontaansche regtzinnigheid, niet tegen mij, verre van dien! maar tegen de evangelische rigting, tegen de Reformatie, meedogenloos] fel.



Dweeper [en ideoloog heet ik. Den gang der feiten wil ik dwingen naar de theorie. Individueel ben ik boven alles; telken dage meer eenling. In mijne persoonlijkheid geloof ik; dit sleept ook anderen meê. Daarin ligt het groote geheim mijner kracht. Veel is hier door de Tijd over mijne individualiteit bijeengebragt en met verwonderlijken rijkdom van uitdrukking opeengestapeld, dat, zoo ik daaraan het oor leende, ter zelfverheffing verleidelijk zijn zou. Ook weet ik zeer wel dat een groot gedeelte der Natie mij een onwankelbaar vertrouwen betoont. Maar het is niet het geloof in mijne persoonlijkheid dat mij staande houdt en bijval verwerft. Zoo ik leidsman geweest ben, leader was en bleef ik, omdat ik zelf geleid werd. Neen, dan heeft een mijner meest principiële tegenstanders, Dr. Lamping37, het meer nederige en tevens oneindig meer krachtige van mijn standpunt beter gekenmerkt, toen hij (sprekend van mijne pijnlijke verhouding jegens mijne vrienden, leden der Tweede Kamer) verklaard heeft dat `zooveel slapheid van evangeliebelijders, waar het de levensquaestie der partij, de levensvraag der natie geldt, niet anders dan diepen weerzin kon opwekken bij den man wiens geheele leven, de getrouwe weerklank is geweest van zijn prachtig woord: In onvoorwaardelijke onderworpenheid aan een beginsel ligt alleen de wezenlijke kracht van elk die het] belijdt.'
Pierson, De lib[erale] p[artij op staatkundig gebied,] p. 6: `De school [is] de kweekplaats van het leven.' [Dit is slechts] 1/4 der waarheid. Het leven [is] veel meer de kweekplaats der school. Aristocraat zijt gij.38 Uw intellectualistisch Ik staat nog altijd oppermagtig boven de verschillende levensfeeren. De godsdienst is het middenpunt van al die sfeeren. Het positief, historisch christendom zal steeds blijven de wig die alles doet uit elkaar spatten, zoolang het niet in zijn plaats gesteld wordt als de levensbron van alle maatschaplijke en andere vraagstukken.

De staat [gaat uit van de] morale indép[endante].39 `Uwe positieve leer, o kerk! zij aanvulling van mijn meer algemeene stelling.'40 - Neen; vernieuwing van het algemeen zedelijk besef en wedergeboorte [is nodig]. - Dus die onhandelbare kerk bestrijden in naam der verkregen beschaving en van het thans verkregen niveau der humaniteit. - Het duizendjarig rijk als éénige oplossing der conflicten. - Ik geloof niet aan die verheven kalmte van den staat tegenover meeningen, die krachtiger en dus rustverstorende overtuigingen worden.

In 1869. In naam van het dogma der dogmenloosheid van den staat. Berisping der regering: p. 49 i[n] f[ine].41 Maar in 1873 welligt. Tegen Recht v[oor] allen het christendom, dat zich met andere levensmachten niet laat coördineren. Het wil suprematie. Dus strijd op leven en dood. Het christendom wil ook recht v[oor] allen, maar alleen op grond van zijn eigen suprematie. Geen vrijheid kan groeien op independenten (geloofloozen) bodem. Zijn levenswet is liefde en niet verdraagzaamheid, m.a.w. den naaste niet rustig in zijn dwaling laten, maar op geestelijke wijs ten einde toe bestrijden. - Het christendom [is] de groote rustverstoorder42 op elk gebied.
J[ules] Simon [, L'école, p. 169/70:] `Plus d'un citoyen, se croyant fort bon libéral, n'hésiterait pas à proscrire la religion, s'il en était le maître, comme l'ont fait les libéraux de 1793, et parmi ceux qui entendent la liberté d'une façon moins dictatoriale, beaucoup voudraient au moins exclure le clergé et les congrégations de l'enseignement. Cela ne ferait pas le compte des vrais libéraux, défenseurs naturels de la liberté de conscience, de la liberté d'association et de la liberté d'enseignement; mais s'il ne faut pas d'exception contre le clergé, il n'en faut pas non plus pour lui. Il se compromet en acceptant un véritable privilége. Il compromet ses écoles; bien plus, il compromet jusqu'à la liberté elle‑même. Il est cependant bien visible que la protection de l'autorité, qui a fait pendant longtemps la force de la religion, est devenue pour elle, par le progrès des idées, une cause de faiblesse. La seule égide des églises, leur égide inviolable, est désormais le principe de la liberté de conscience, qui implique l'égalité absolue devant la loi.'

`Après la Restauration, le clergé a réclamé non‑seulement [la liberté d'enseignement, ce qui était juste, mais l'abdication de l'Etat, ce qui était impossible et dangereux'.]43


[Allgemeine] Evang[elisch] Luth[erische] Kirch[en] Zeitung 27 Nov. 1868.44

Das Stichwort der gegenwärtigen Bewegung auf dem Gebiete der Volksschule ist die `konfessionslose Schule', das will sagen: Die religionslose Schule. Diese Bewegung und diese Forderung ist nicht zufällig, sondern steht im Zusammenhang mit der Entwicklung, welche das moderne Leben auf den verschiedensten Gebieten zu nehmen begonnen hat und immer entschiedener verfolgen zu wollen scheint. Es ist eine gemeinsame Tendenz, welche dem Allen zu Grunde liegt und sich nur in verschiedene Gestalten kleidet. Und diese Tendenz ist die Zerlösung des gesammten natürlichen Lebens von den Einflüssen des Christenthums, unter denen es bisher gestanden und durch die es verchristlicht worden. Zuerst hat das natürliche Geistesleben sich von dieser Herrschaft des Christenthums zu emancipieren und seinen Einwirkungen zu entziehen gesucht, um sich in sich selbst abzuschlieszen, indem es sich mit seinen eigenen Mitteln eine selbständige Weltansicht bildete, für welche das Christenthum unnöthig und überflüssig, vielmehr nur störend und verwirrend sei. Dies ist der eigentliche Kampf unsrer Tage `ob das Christenthum und seine Weltansicht die Geister ferner beherrschen und bestimmen soll, oder ob es aus dem Umkreis und Zusammenhang des geistigen Lebens ausgeschlossen werden soll, damit es so, würzellos geworden, allmählig vertrockne und abstirbe, wie man meint.' Daarom scheiding van kerk en staat. Het zij zoo. Maar dan mag de kerk zich de middelen niet laten ontrooven voor haar zedelijken invloed, prediking, en, niet het minst, het onderwijs.

-------
Noten bij no. 77. Eenige staatkundige aanteekeningen.
1 

ARA, G.v.P., no. 90, eigenhandig ontwerp. Titel ontleend aan Verslagen. De datering van de onderdelen varieert sterk en is vaak niet exact te bepalen. Onder no. 90 bevinden zich nog twee ongedateerde brieven van Groen in klad of afschrift. De eerste, aan de koning, gaat over het Huisarchief en moet in 1866 geschreven zijn; cf. Briefw. III, 801; IV, 42. In de tweede, gericht aan de president van de kiesvereniging `Vaderland en Koning' te Zwolle, W.S. van der Gronden, dankt Groen voor zijn candidaatstelling voor het district Zwolle. Deze brief dateert dus uit 1850; cf. Van Ette, Onze volksvertegenwoordigers 1849‑1888, p. 153 no. 123.



2 

Cursivering van Groen, zowel hier als in de volgende citaten.



3 

Zie over C. J. V. A de Broglie Briefw. IV, 764, 2.



3a 

Hetzelfde citaat uitvoeriger - naar de 2e dr. - in Grondwetherziening, p. 387; cf. p. 384; Briefw. III, 389, 2.



4 

Zie over Vinets `christelijk individualisme' o.a. Ter nagedachtenis, p. 49; Ong. en rev., 2e dr., p. 61; over zijn kruistocht tegen egocentrisch individualisme p. 438/9; Aan de kiezers [De Vries no. 125] XX, 22.



5 

Men leest t.a.p.: `We hebben ons veroorloofd, ter waarschuwing voor de toekomst, te wijzen op het onregt dat Nederland na 1830 van de Mogendheden, ook van Rusland, ondergaan heeft. Neen, zeiden sommigen, over de Mogendheden is er, wanneer men let op den verwarden toestand, waarin het Rijk der Nederlanden geraakt was, geen reden van beklag. De Vrijheer von Stein dacht anders over regten uit plegtige overeenkomsten ontleend. Hij schreef den 27. Nov. 1830: `Auch das Betragen der 4 paciscirenden Mächte ist tadelhaft. Hier ist nicht die Rede von unberufener Einmischung in die Angelegenheiten eines fremden Staates, sondern von Erfüllung vertragsmässiger Pflichten, der Garantie gegen einen Mitpaciscenten.' Daarna geeft Groen een vertaling van het citaat, dat stamt uit Stein, Die Briefe an Von Gagern, p. 324; cf. p. 328. Ook bij Pertz, Das Leben VI, 2, 1026. Met de vier mogendheden zijn Engeland, Rusland, Pruisen en Oostenrijk bedoeld, die op 31 mei 1815 met Nederland een verdrag sloten; cf. Stein, Briefe und amtliche Schriften VII, 940. De datum van de brief was - volgens Pertz en de moderne editie - niet 27 maar 7 nov. 1830.



6 

Men leest t.a.p.: `Treffend zijn omtrent dezen Roomsch‑Catholieken oorsprong der Fransche Omwenteling de volgende regels van Pertz in zijn voortreffelijk Leben des Ministers Freiherrn von Stein. `Seitdem Jesuitischer Einflusz durch Ludwig XIV, die Reformation in Frankreich gewaltsam unterdrückt und die christliche Denkfreiheit vernichtet hatte, war die Katholische Kirche in falscher Sicherheit befangen der Auflösung entgegengereift, wie sie jedesmal erfolgen musz, wo dem starren Aberglauben und der verlangten Werkheiligkeit der Massen gegenüber, in den höheren und mittleren Ständen der entschiedenste Unglaube mit Zucht‑ und Sittenlosigkeit eine grosze Verbreitung gewinnt. Und so wie die Gesinnung der Weltleute unter den Namen der Philosophie in materialismus und Sinnendienst aufgegangen, nicht nur den katholischen sondern einer jeden Kirche, jedem Glauben und sittlicher Freiheit den Krieg erklärte, so erhielt auch die politische Gesinnung, nachdem die angebliche Philosophie sich ihrer bemächtigt hatte, die entschiedene Richtung nicht auf verbesserung sondern auf Zerstörung der bestehenden Ordnung; eine Richtung die zwar bei den verschiedenen Ständen einen verschiedenen nächsten Gegenstand hatte, bei dem Adel gegen die Königliche Macht, bei dem dritten Stände gegen die beiden oberen ging, aber im Wesen und in den Wirkungen dieselbe war.' Ook deze passage [= Pertz, Das Leben I, 80] vertaalt Groen in een noot.



7 

Groen las `met genoegen de uitnemende voorrede van een merkwaardigen arbeid, Histoire de la convention nationale par Mr. de Barante. Aldaar vindt men, als slotsom zijner menigvuldige navorsching, eene korte en krachtige tegenspraak van het tweederlei verwijt. Niet de Mogenheden zijn aan het ontstaan der revolutie‑oorlog schuld . . . De binnenlandsche verdeeldheid is, door den strijd der revolutionairen onderling, ontstaan. Ze werden door de omstandigheden niet tegengewerkt, maar begunstigd . . . De gruwelen en jammeren der Revolutie zijn haar eigenaardige vruchten geweest. Aan de vrucht wordt de boom gekend.' Deze stellingen worden onderbouwd met lange citaten uit de Barante waarvan een deel ook voorkomt in Le parti, p. 50. Cf. Barante, Histoire I, p. VI‑VII; XIV‑XV.



8 

T.a.p. een anoniem ingezonden stuk over de Franse revolutie. De schrijver wijst op de overeenkomst tussen Groens Handboek en de geschriften van Mallet du Pan en St. Marc Girardin. Zie over Mallet Ong. en rev., 2e dr., p. 252(*); 263(**); 290(*); 298; 382; 404(*); 413; Le parti, p. 49; Nederlander no. 565 (30 april 1852); over St. Marc Girardin Ong. en rev., 2e dr., p. 286(*); 300, 3; 385(**); 400(*).



9 

Cf. Cousin, La société, p. XIII.



10 

Cf. Briefw. I, 30, 4.



11 

Groen bezat zijn Pandectae Justinianeae en Dupins uitgave van Pothiers Oeuvres (zie bibliografie).



12 

Zie n. 168 van no. 40.



13 

Groen bezat zijn Oeuvres complètes (zie bibliografie). Geen van deze vier Franse juristen wordt door Cousin in zijn avant‑propos vermeld.



14 

Cf. Cousin, La société,p. XV: `on le sait, nulle part la liberté politique n'a été l'oeuvre d'un jour. Il y faut de longs tatonnements et des expériences douloureuses.' Groen zinspeelt tegelijk op de belofte van Thiers: `La liberté n'est pas venue, elle viendra.' (Ong. en rev., p. 395).



15 

Cf. Cousin, La société, p. XIX.



16 

De Broglie citeert t.a.p. de Etudes sur l'histoire du gouvernement représentatif en France de 1789 à 1848 van L. de Carné.



17 

Groen heeft t.a.p. aangestreept: `A parler rigoureusement, la révolution française a échoué, du moins n'a‑t‑elle pas encore réussi.' Achterin zijn exemplaar heeft Groen behalve deze bladzij nog zeven andere passages over de `révolution de 1789' aangetekend.



18 

Men leest t.a.p.: `On parle sans cesse de 1789: oublie‑t‑on que c'était précisément un gouvernement libre, ses principes et ses garanties, que la France voulait en 1789?'



19 

De Broglie wijst t.a.p. op de continuïteit van het Franse recht `en matière civile'. De Constituante brak wel met het staatsrecht van het ancien régime, maar verstoorde geenszins de eeuwenlange ontwikkeling van het burgerlijk recht.



20 

Bij De Broglie volgt nog: `dont les institutions politiques sont les défenses naturelles et nécessaires.'



21 

Het citaat stamt uit Renans art. L'école libérale. Groen liet weg: `(avenir): je dirai presque que l'avenir n'importe pas à l'honnête homme, puisque, (pour)'. Op dezelfde bladzij komt de in Ong. en rev., 2e dr., p. 20(*) aangehaalde zin voor. Marginale aant. van Groen hierbij: `Je désire rétablir la vérité des faits.' Ook deze woorden zijn vermoedelijk van Renan afkomstig, maar komen niet voor in het genoemde art.



22 

Guizot schrijft t.a.p.: `L'abbé Félicité de la Mennais avait débuté et brillé en attaquant indistinctement les principes comme les tendances de la société moderne . . .'



23 

Op het vel ernaast schreef Groen: `Tocqueville, [De la démocratie en ] Amér[ique] VI, 164‑170.' Deze verwijzing is raadselachtig, omdat dit werk alleen de eerste drie delen van de Oeuvres complètes beslaat. Chapitre VI in deel I, 14e dr., loopt van p. 163‑175 en bevat niet de geciteerde zin.



24 

In Oeuvres complètes, 14e dr., op p. 8: `Vouloir arrêter la démocratie paraitrait alors lutter contre Dieu même . . .' Men vindt het citaat uitvoeriger in Verscheidenheden, p. 240, waar het gevolgd wordt door een aanhaling uit I, 9 (`Mais c'est - abîmes').



25 

Cf. Tocqueville, Oeuvres complètes, 14e dr., I, 16: `Le christianisme, qui a rendu tous les hommes égaux devant Dieu, ne répugne pas à voir tous les citoyens égaux devant la loi. Mais par un concours d'étranges événements, la religion se trouve momentanément engagée au milieu des puissances que la démocratie renverse, et il lui arrive souvent de repousser l'égalité qu'elle aime, et de maudire la liberté comme un adversaire . . .' Cf. Verscheidenheden, p. 240. Het is mogelijk, dat de ik‑figuur (Je) in beide gevallen Groen zelf is.



26 

In de 14e dr. p. 18: `dans leur esprit l'idée du mal est indissolublement unie à celle du nouveau.' In Verscheidenheden, p. 240 hetzelfde citaat vanaf I, 17 (`J'aperçois' etc.). Cf. Nederlander no. 179 (28 jan. 1851).



27 

J. P. Lange schreef dit in zijn `Vorwort' bij Van Oosterzee, Goethe's Stellung zum Christenthum, p. VII. Enkele slordigheden van Groen zijn stilzwijgend geëlimineerd.



28 

Cf. Sainte‑Beuve, Historiens modernes de la France IV. M. Thiers, p. 227/8; Portraits contemporains II, 449/50.



29 

Men leest t.a.p.: `Merkwaardig is het getuigenis van den vermaarden Villemain over Frankrijk in 1825.' Dan volgt een lang citaat uit Souvenirs de la Sorbonne, p. 351/2 (= Souvenirs contemporains I, 396/7: L'esprit français t/m ordre légal affermi). Groen besluit: `Zoo schrijft in 1853 de gewezen Minister van Lodewijk Filips. Daarbij mogen we niet vergeten dat de oppositie van het literarisch‑politisch driemanschap, Guizot, Cousin, en Villemain, aan het miskennen van die regeringen en aan het gewelddadig stuiten van den veelbelovenden vooruitgang bevorderlijk geweest is.'



30 

Stahl noemt t.a.p. de `Mitherrschaft des Volkes mit dem König . . . das wahre Wesen konstitutioneller Verfassung . . .'



31 

`Burke ist so der reinste Vertreter des Konservatismus. Das Erhalten, das die Aufgabe ist, erfüllt er vollkommen; aber in das Fortbilden, das auch die Aufgabe ist, geht er nicht im gehörigen Maasze ein. Indessen würde dieses irgendwie in lauterer Weise dargelegt ohne die irrthümliche Principien, so liegt in Burke's Lehre kein Grund es abzulehnen. Man kann ihm daher, was die Theorie anlangt, nur Mangel nicht aber Irrthum vorwerfen.'



32 

`Durch den Liberalismus sind die unabhängigen Menschen, die Besitzer, zur Anerkennung ihrer Würde und ihres gebührenden Antheils an Gestaltung des Gemeinwesens gekommen; die Socialtheorie wird wenigstens mit ein Anstosz seyn, dasz die Nichtbesitzer zu dem ihnen gebührenden Maasz der Lebensbefriedigung gelangen.'



33 

Hoewel Groen suggereert, dat hij dit citaat in de Neue Gespräche vond, blijkt het er niet in voor te komen. Wel de gedachtengang. Zie I, 147; 189; 205; II, 9‑13. Het is evenmin duidelijk aan welke bron Groen de hele Duitse passage ontleent.



34 

Het citaat op p. 999a in het (anon.) art. The new treaty as to Belgium.



35 

J. B. van Son overleed op 6 nov. 1875.



36 

De tekst is aangevuld overeenkomstig Groens aanwijzingen in margine. Hij verwijst naar Ned. Ged., 2e serie, III, 121‑124 waarvan hij het grootste gedeelte over wilde nemen.



37 

Cf. Briefw. IV, 203, 6; V, 710, 3; Ned. Ged., 2e serie, I, 19‑24.



38 

Cf. Pierson, De liberale partij, p. 54: `Zoo scheldt de heer de Bosch Kemper mij een ``aristocraat''.'



39 

Cf. Pierson, De liberale partij, p. 51: `. . . thans predikt de staat verdraagzaamheid in naam der onafhankelijke moraal.' De Franse terminologie komt in Piersons geschrift niet voor, wel echter reeds in Lamennais, Essai I, 118. E. Bersier hield een referaat over dit onderwerp op een vergadering van de Evangelische Alliantie in 1867 (cf. ARA, G.v.P., no. 102). Cf. Ong. en rev., 2e dr., p. 180(*); Parlementaire studien II, 112; L'empire, p. 21; La nationalité, p. 10; Wat dunkt u? II, 75, 1; Zelfstandigheid herwonnen II, 36; VI, 25; VII, 4; Ned. Ged., 2e serie, I, 37; 52; 191; II, 353; 375; IV, 149; 193.



40 

Ondanks de aanhalingstekens citeert Groen hier niet, maar formuleert zelf wat z.i. in Piersons beschouwingen opgesloten ligt.



41 

Pierson bestrijdt t.a.p. de `tirannie' van de verlichtingspolitiek: `Onder verlichtingspolitiek versta ik eene staatkunde, die, langs welke wegen dan ook, denkbeelden voorstaat en ingang poogt te doen vinden, waarvan de verwezenlijking niet door het groote beginsel van Recht voor allen gevorderd, maar uitsluitend door de abstrakte wenschelijkheid van hetgeen een Regeering vooruitgang en beschaving acht, aannemelijk gemaakt wordt.'



42 

Cf. Verspreide geschriften I, 220; Ong. en rev., 2e dr., p. 238.



43 

De laatste alinea is ontleend aan Simon, L'école, p. 232. Groen combineert hier twee zinnen. De hele passage wordt aangehaald in Parlementaire studien II, 371.



44 

Volgens de CCP is dit tijdschrift (1868‑1941) in geen Nederlandse bibliotheek aanwezig. Blijkens Kirchner, Bibliographie der Zeitschriften II, 125 no. 8610 is het alleen in de UB‑Erlangen. De bewerker heeft de tekst niet kunnen controleren. Waarschijnlijk is deze passage afkomstig uit een art. van hoofdredacteur C. E. Luthardt. Cf. Bijdrage voor kerkgemeentelijk overleg, p. 108, 3; Ned. Ged., 2e serie, V, 379.


78
1   ...   44   45   46   47   48   49   50   51   ...   78

  • Project‑Vereeniging voor christelijk‑nationaal school‑onderwijs.
  • Eenige staatkundige aanteekeningen, 1860 en volgende jaren.

  • Dovnload 7.64 Mb.