Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina5/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   78

`Imperium in imperio.'157 Ook dit is eene uitdrukking die tot politieke bangmakerij behoort. Eenheid van het oppergezag is de conditio sine quâ non van een staat. Maar, zoo men in den staat geen imperium binnen den kring van eigene regten erkent, vervalt men in ongerijmdheid. Vroeger berustte het denkbeeld van een welgeorganiseerden staat juist op de eerbiediging van status in statu. De revolutionaire theoriën hebben een revolutionair alvermogen daargesteld, hetwelk geenerlei zelfstandig aanwezen buiten zich erkent. Hiervan zal men terug moeten komen. Wij vragen voor de kerk eerbiediging van haar eigen regt. Dit is heilig, van corporatiën zoowel als van individuen.

`De kerk heeft geen regt van onderwijs.' Integendeel; zij heeft het regt, omdat haar de verpligting opgelegd is. Zij moet zorgen voor de zielen die haar toevertrouwd zijn. Die geestelijke belangen zijn van den aard en de strekking van het onderwijs onafscheidelijk. Juist daarom is het onderwijs altijd onder toezigt en grootendeels onder beheer der geestelijkheid geplaatst.

`De staat heeft ten allen tijde dit regt geoefend.' Ik behoef niet te onderzoeken of de scholen, waar Augustinus vóór zijne bekeering leeraar geweest is, volksscholen dan wel geleerde scholen zijn geweest; noch ook of Karel de Groote, bij het oprigten van scholen voor de geestelijkheid, uitgegaan is van de beginsels die men tweemaal158, met droevig gevolg, in België heeft willen toepassen; noch ook welke de geest der hoogeschool van B[elgië]159 geweest is. In 't algemeen is, door alle de middeleeuwen heen, het onderwijs uit den boezem der geestelijkheid voortgesproten.

De Hervorming in de kerk ging met hervorming in de scholen gepaard. De meest innige betrekking tusschen onderwijs en kerk. De vorsten en overheden rigtteden scholen op, maar als ledematen der kerk, ter ondersteuning van de kerk, volgens de belijdenis van de kerk, onder het toezigt en beheer van de kerk. Alleen voor de heerschende kerk; de andere gezindheden werden vrijgelaten; de heerschende had vrijheid en begunstiging. De staat had het toezigt: `vident ne quid resp[ublica] detrimenti capiat'160; maar geen verder beheer; of, zoo ja, dan werd het toevertrouwd aan de christelijke‑protestantsche overheid, die, als zoodanig, ledemate was der kerk. Men brengt dikwerf dergelijke regten op onzen tijd over, die van de vroegere gesteldheid onafscheidelijk zijn. Ik mag niet nalaten hier te citeren een boekske van prof. Hofst[ede] de Groot, [Bedenkingen,] p. 7.161

Wij willen meerdere vrijheid van onderwijs. Men valt ons hierover zeer hard. Vele belangen en vooroordeelen leiden zeer ligt tot overdrijving: de onderwijzers, de schoolopzieners, de anticatholijken, die meer op regtstreekschen of zijdelingschen dwang dan op de kracht der waarheid vertrouwen.



De quaestie, zegt men, is in 1829 behandeld en beslist. Belangrijke bundel.162 H[ofstede] de Gr[oot, Bedenkingen, ] p. 1.163 De provinciale commissiën waren overal en de Gedeputeerde Staten in vele provinciën in den zin der regering zamengesteld.
28 dec. [1840].
Ik heb de moeite genomen den bundel door te lezen: ziehier het resultaat:

`Bijna alle de Gedeputeerde Staten'164:

Noord‑Braband: voor164a (p. 21).

Gelderland: voor, behoudens examen met opene deuren (p. 47).164b

Luik: voor.165

West‑Vlaanderen: voor.166

Henegouwen: in den zin van het Besluit van 27 mei [1830].167

Zuid‑Holland: voor (p. 119).



Namen: voor in steden boven de 2500 zielen.168

Antwerpen: `eenige meerdere vrijheid'.169

Utrecht: gouverneur170 voor (p. 165); de Gedeputeerde Staten voor in de steden (p. 179).

`Alle de Commissiën van onderwijs':



Zuid‑Braband: verdeeld.171

Gelderland: als boven.172

Namen: als boven.173

West‑Vlaanderen: eenparig voor (p. 72 sqq). Merkwaardig: het wil deze vrijheid gepaard hebben met verbetering der communaalscholen.173a

Ik beschuldig den hoogleeraar niet van opzettelijk [liegen]. Maar slordigheid in de behandeling van zulk een onderwerp en op zulk een' toon. De wijs waarop de vraag gesteld werd, doet veel af. Anders indien dus was gevraagd: `Is het noodig dat, in het belang van godsdienstvrijheid, eenige meerdere gelegenheid ter oprigting van bijzondere scholen, onder toezigt van het gouvernement, worde verleend?'



`Wij hebben de vrijheid van onderwijs reeds!' H[ofstede] de Gr[oot, Bedenkingen,] p. 5.174 Vrijheid van keus voor de ouders? Vrijheid van oprigting van nieuwe scholen? Onder hoogere goedkeuring.175 Deze wordt evenzeer vereischt bij Besluit van 27 mei 1830.176 De vraag is niet of die vergunning doorgaans wordt verleend; maar of zij, naar goedvinden, kan worden geweigerd. De weigering kan plaatshebben uit partijdigheid, eigenbelang, vooringenomenheid. Wij wenschen dat, wanneer eene kerk of leden eener kerk, overeenkomstig haar belijdenis, scholen, onder toezigt van den staat en behoudens waarborgen van de bekwaamheid en zedelijkheid der onderwijzers, willen oprigten, zulks door geene hoogere of lagere autoriteiten willekeurig worde belet. Cousin [, Rapport‑Allemagne] II, 103.177

Wij zouden wel verlangen dat er scholen, naast de gemengde scholen, opgerigt wierden voor de gezindheden. Daarin weinig gevaar; groot voordeel. Men heeft als hoofdbeginsel der Wet van 1806 de eenheid van onderwijs geroemd; daarmede stond de eenheid der natie in verband. Indien, op die wijs, het onderrigt nationaal kon zijn en blijven [zou ik dat toejuichen]; doch kan dit? De kracht der natie bestaat in haar godsdienst en historie; en, wanneer nu, door de combinatie der gezindheden, het onderrigt juist daarin flaauw, oppervlakkig, krachteloos wordt, dan vormt men eene karakterlooze volksmassa. Uit gedwongene vereeniging is zelden wezenlijke eenheid ontstaan. De beginsels van tweedragt kunnen daardoor een tijdlang sluimeren; op den duur ontwikkelen zij zich met des te meer kracht. Zoo was het met de vereeniging van Holland en België. Men dacht eene natie te vormen omdat wij, met voorbijzage onzer eigenaardigheden, zamengedrongen werden in één constitutionelen band. De weerzin werd te grooter. Op andere wijs had er welligt eene Nederlandsche natie gevormd kunnen worden; op die wijs nimmer. Iets dergelijks zien wij reeds nu ten gevolge der vereeniging van de gezindheden op de school.



Men is in Pruissen voor de Confessions‑Schulen (Ne[i]gebaur, [Das Volks‑Schulwesen,] p. 69)178. Nooit wordt de vereeniging opgedrongen (Ne[i]geb[aur, Das Volks‑Schulwesen], p. 70179; Cousin [, Rapport‑Allemagne] II, p. 34)180. `De Stenden van Pruissen.'180a Wij zouden het verband der aanhaling moeten kennen. Vreemd; want `la constitution générale des écoles est la même pour tous les peuples d'origine diverse dont se compose la monarchie prussienne (Cousin [, Rapport‑Allemagne] II, 41)181. Ook eene andere aanhaling van Binnenlandsch Departement is onjuist. Namelijk van Cousin, l[oco] l[audato]182. Hieruit blijkt juist dat men niet ligt tot een Simultan‑Schule overgaat. Men lette ook op den strijd over de Agenda183, enz.

Nog iets over de goedkeuring van het Hollandsche stelsel in andere landen. Men admireert het, zegt men, in Pruissen; in Engeland; in België.183a Maar wie? Ik mag te vrijer spreken, omdat ons medelid184 ook in deze vergaderingen getoond heeft geen voorstander van ultraliberale of ultrarationalistische gevoelens te zijn. Het zijn de liberalen in België, de radicalen in Engeland, de rationalisten in Duitschland. Ook heeft men ons bijzonder gewezen op Man[n]heim en Heidelberg.185
Resumeren.
Groote bezwaren in de uitvoering en in de beginselen der Wet. Instandhouding der gemengde scholen en zuivering. Hieromtrent zijn wij het eens. Zuivering in algemeen‑christelijken zin. Hieromtrent eenig verschil: sommigen willen geheele uitsluiting van het godsd[ienstig]186 onderrigt. Doch wij wenschen allen spoedige voorziening, bij Besluit; en bij Besluit kan niet tegen den geest der Wet worden gehandeld. Vooralsnog, en zonder prejudicie voor het vervolg, moeten wij ook hierin overeenstemmen. Naast die verbeterde scholen vrijheid van onderwijs. Evenals de bisschop en de heer van H[ugenpoth]. Evenwel eenig verschil. De bisschop draagt de examens van bekwaamheid op aan de commissiën der gezindheden (art. 8 d).187 Ik integendeel eisch dit regt voor den staat; behoudens de noodige waarborgen van onpartijdigheid. De bisschop verlangt in de Wet opgenomen te zien de organisatie der hoofdcommissiën met al haar toebehooren.188 Ik zou de bijzondere scholen der gezindheden eenvoudig opnemen in de gewone categorie der bijzondere scholen van de eerste klasse, die vrij zijn van vergelijkend examen, vrij in de keus der leerboeken189; en die een eigen gevestigd opzigt (Reglement van het lager schoolonderwijs art. 13)190 hebben. Dit opzigt zou door elke gezindheid naar goedvinden ingerigt worden.

De bisschop verlangt de vergunning enkel voor de kerkgenootschappen; de heer van H[ugenpoth] voor de kerkelijke gemeenten. Dit vrij aanmerkelijke verschil zou nadere overweging vereischen. Ik zou bovendien die vergunning wenschen voor individuen, overeenkomstig de belijdenis hunner kerk. Een waarborg tegen de overheersching van eene kerkelijke overheid ten aanzien der leeken. Het stelsel van den bisschop en den heer van H[ugenpoth] zou de gemengde scholen doen vallen. Tegen de bedoeling van den heer van H[ugenpoth]. Volgens de bedoeling van den bisschop. Het is eene soort van gedaantewisseling. De openbare scholen worden in gemengde en niet‑gemengde verdeeld (art. 3a), en de mededinging wordt uitgelokt door de toegezegde ondersteuning eener eigene school die over de gouvernementsschool mogt hebben getriumfeerd (art. 3b; 3c).191 Ik wensch handhaving der gemengde scholen, overal, zelfs waar de bevolking geheel protestantsch of catholijk is. In de praktijk eenige oogluiking; maar het beginsel behouden. Anders [ontstaat] ligt misbruik: slechte behandeling van de minderheid, waar zich het uitzigt opent om spoedig eene eigene school te hebben. De catholijke leden wel.192 Maar mijne protestantsche medeleden? Versterking der openbare scholen. Vele bezwaren zijn weggenomen. Invloed van de kerk. Het lot der onderwijzers zou meer onafhankelijk van de schoolgelden kunnen zijn; de schoolgelden zeer laag stellen. De school meer gemeentelijk. Meer belangstelling der ingezetenen. Bij grooteren invloed op de keus der onderwijzers, [mag men de ingezetenen] ook verantwoordelijk stellen voor het lot des onderwijzers, bij het verloopen der school. Waarborgen tegen te groote concurrentie. Strenge examens. Verbod aan den onderwijzer om eenig ander beroep uit te oefenen. Welligt aanwijzing van een behoorlijk locaal.

De groote vraag is: kan het tegenwoordig systema geacht worden in het behoorlijk verband te staan tot de regten van staat, kerk en volk? De zorg der regering moet uitgeoefend worden, behoudens de regten van allen en de vrije medewerking en ontwikkeling der natie. De mededinging behoort moeijelijk, maar zij moet niet onmogelijk zijn. Op die wijs behouden wij het goede; en wij sluiten den weg tot aanvulling en verbetering niet. Dit [is] noodig; en alleen dit mogelijk.

Thans een tijdperk van transitie. Onze instellingen dragen het merk van den tijd waarin ze zijn gemaakt. De geest die toen heerschende was, is thans dezelfde niet meer. Er is hervorming noodig, geen omverwerping; maar, als men hervorming weigert, wordt omverwerping voorbereid. Dit is in andere opzigten, het is ook ten aanzien van het schoolwezen waar, `Nous ne voulons pas la contre‑révolution, mais le contraire de la révolution.'193 Wij nemen het bestaande aan; doch wenschen het in overeenstemming te brengen met de beginsels die vroeger altijd erkend en niet dan tot verderf der volkeren in de laatste tijden miskend zijn geworden. En ik geloof dat, zoo ons advies aan Z.M. daarhenen strekt, wij, onder Gods zegen, een wezenlijke en zeer groote dienst aan het vaderland zullen bewijzen.
29 dec. 1840.
Van der Hoeven.194

Op een onzijdig standpunt. Ik behoor niet tot eene partij194a; waarmede heb ik verdiend voorstander van het bestaande195 te worden genoemd? Eer196 daarmede niet ingenomen; vroeger namelijk197; thans wel198: na bezoek der scholen, enz. Slechts verbetering noodig op den gelegden grondslag. De klagten [zijn] bij lange na niet algemeen. Vroeger werd niet geklaagd. Thans klagen de roomsch‑catholijken alleen in Noord‑Braband; te Rotterdam bezoeken de roomsch‑catholijken, ofschoon eigene scholen hebbende, bij honderden de openbare scholen. Er bestaan grieven. Gaarne meerdere evenredigheid van schoolopzieners en onderwijzers. Ik verlang vrijheid voor allen, met mate: voor zoover met de regten van den staat doenlijk is. De staat kan niet bestaan zonder verbroedering. Daarom ijver ik voor het behoud der gemengde scholen; al moest het godsd[ienst]199onderrigt geheel worden weggenomen. Doch dit zou den stempel der ongodsdienstigheid, der onchristelijkheid op de school leggen; als er geen gebed mogelijk was! (Waarom niet met het teeken van het kruis?) Men stelt zich de klove te groot voor. (De proef is genomen: Jufer, Bar, Raemsdonk.200 Leven van Jezus door Schmidt.201) Algemeen christelijk onderwijs [is] mogelijk, voor geene gezindheid aanstootelijk en voldoende voor allen. Men heeft zich beroepen op de Israëliten en de Maatschappij van het nut van 't algemeen. Wat deze betreft, denke men aan den oorsprong der Wet: die scholen zijn thans vervallen. De Israëlitische scholen zijn armen‑scholen.

Bepalingen die men bij de Schoolwet zou kunnen voegen. Doch een besluit of ministeriële dispositie zou welligt genoegzaam zijn. Klagten der roomsch‑catholijken. Dat zij aan het onderwijs geene godsdienstige strekking in verband met hun geloof kunnen geven. Bedoelen zij daarmede hunne eigene leerstukken, dan zou het onderwijs op een geheel anderen grondslag moeten komen. En wij zijn hier ter tegemoetkoming. Maar zie art. 23 van het Reglement202 en voer het uit. Men verbinde aan de school een cursus van catechetisch onderwijs, te geven door den geestelijken van ieder kerkgenootschap. Niet door de onderwijzers.203 Het catechetisch onderrigt is de band tusschen leeraar en gemeente. De godsdienst is niet bepaald204; er kan een streng‑, ook een liberaal‑gereformeerde worden aangesteld; ook een doopsgezinde, die dus den kinderdoop zou tegenspreken.

Bij205 art. 6 der Algemeene Schoolorde206 van 1806. `Onder de uitdrukking op eene eerbiedige wijs is ook voor de roomsch‑catholijken begrepen het maken van het teeken van het kruis.' Dat dit207 ontstaat door het weigeren van eigene scholen. Dat208 schoolboekjes. Dat redeneringen209 der onderwijzers. Dat teveel protestantsch onderwijs. Dat geene behoorlijke normaalscholen [bestaan].

Achter art. 12210 der Schoolwet: deze belangrijke concessie: `Hiervan zijn uitgezonderd de scholen in de weeshuizen van eenige godsdienstige gezindheid, welke scholen tevens zullen kunnen bezocht worden, mits uitsluitend211, door kinderen wier ouders door het diaconie‑ of armbestuur dier gezindheid gealimenteerd worden; terwijl die besturen in de groote steden mede uitsluitend voor de kinderen van door hen gealimenteerden afzonderlijke diaconie‑ of armenscholen zullen kunnen oprigten.'212 Bij de benoeming van onderwijzers bij die wees‑ en armscholen zullen de bestaande verordeningen in acht genomen worden (vergelijkend examen behouden; aspiranten alleen van die gezindheid)'.

Art. 24213 van het Reglement A wordt vervangen, als volgt: `De schoolhouders en schoolhouderessen zullen niet vermogen zich van eenige andere leer‑, lees‑ of gezangboeken te bedienen dan die door den districtsschoolopziener, na overleg met het plaatselijk toeverzigt, of door de plaatselijke schoolcommissie zijn goedgekeurd, en zullen zij een lijst derzelve aan een der kerkleeraren van elke der beide gezindten aanbieden, en van het boek hetwelk deze mogten verlangen in te zien hun tot dat einde een exemplaar ter hand stellen. Ingeval deze daarin iets mogten aantreffen strijdig met de leerstellingen hunner kerk, zullen zij daarvan schriftelijk aanwijzing doen aan het plaatselijk toeverzigt, ter mededeeling aan den schoolopziener of aan de plaatselijke schoolcommissie en, zoo deze aanwijzing zonder gevolg mogt blijven, zullen zij zich aan het departement van hunne eeredienst kunnen adresseren, hetwelk, de aanwijzing gegrond bevonden hebbende, daarvan gemotiveerde mededeeling zal doen aan het departement van Binnenlandsche Zaken, ten einde door dit laatste, naar bevind van zaken, te doen beslissen, desnoods, met toepassing van art. 18214 der Schoolwet' (coll.215 art. 6216 van Besluit van 27 mei [18]30).

In 's rijks kweekschool voor onderwijzers te Haarlem zal aan de kweekelingen geen onderwijs gegeven worden in strijd met de godsdienstige leerbegrippen hunner kerk. Evenmin in de stadsscholen bij het gezamenlijk onderwijs dat de kweekelingen aldaar van de hoofdonderwijzers dier scholen ontvangen. De bepaling van art. 17 der Schoolwet217 uitbreiden, als volgt: `Bij schoolvervullingen zal218, waar slechts ééne lagere school bestaat, bij nagenoeg gelijke bekwaamheid, de voorkeur gegeven worden aan candidaten van dat kerkgenootschap, waartoe de meerderheid der ingezetenen behoort. Terwijl men, waar meer lagere scholen bestaan, doch het getal schoolhouders of schoolhouderessen van eenige gezindheid niet in evenredigheid is met het betrekkelijk getal ingezetenen van die gezindheid, insgelijks bij nagenoeg gelijke bekwaamheid, die evenredigheid zal trachten daar te stellen. Het gemeentebestuur, de districtsschoolopziener en de plaatselijke schoolcommissie zullen, bij het vergelijkend examen, de stiptste regtvaardigheid in acht nemen en deswege verantwoordelijk zijn aan Gedeputeerde Staten en verder aan Binnenlandsch Departement.' Art. 10 der Schoolwet219 zou kunnen vermeerderd worden alzoo: `de nominatie zal bestaan uit personen die de godsdienst van de meerderheid der ingezetenen van het opengevallen schoolressort (roomsch‑catholijke of protestantsche)220 belijden, en de noodige kundigheden en geschiktheid voor die betrekking bezitten.'221 Doch geen leeraars of kerkelijke beambten bij eenige godsdienstige gezindheid.222

Achter art. 10 van het Reglement A223 zou, als bijvoegsel aan art. 9 en 10, kunnen volgen: `Het plaatselijk toeverzigt en de plaatselijke224 schoolcommissie zullen uit daartoe geschikte leden der beide godsdienstige gezindten (de roomsch‑catholijke en protestantsche) bestaan. Het getal leden van iedere gez[indheid]225 (of kerk) zal nagenoeg in verhouding staan met het betrekkelijk getal ingezetenen. In iedere gemeente zal zoodanige plaatselijke schoolcommissie bestaan.'

Niet226 vereenigen met de voorgestelde wettelijke bepalingen. Eenigzins in strijd met 2.2.227 Gemengde christelijke scholen; en dan nog bijzondere scholen. Zullen het dan zijn écoles éminemment chrétiennes?228 Is het om concurrentie te hebben? Het is eene hulde aan den tijdgeest: vroeger sloot men alle concurrentie buiten. Het onderwijs is geen tak van industrie, van vrije mededinging.229 Men zou door kunstgrepen, door schitterende vertooningen leerlingen uitlokken. Dat proces is beslist in 1829. Rapport van Luxemburg, p. 104.230 De verwezenlijking dezer profetie in België. Bijvoorbeeld in Amsterdam is het getal van scholen op verre na niet vol. Ik acht de Wet van 1806 nationaal. Anders zou ik oneer doen aan Van der Palm en Van Stralen. Het gouvernement bemoeit zich niet met een bepaald gevoelen; het zorgt alleen voor kunde en bekwaamheid.231 Het lager onderwijs heeft heilzaam gewerkt; éclatant voorbeeld bij ons: in 1830 en volgende jaren: hier rust en kalmte tegenover den vuurkolk van België.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   78


Dovnload 7.64 Mb.