Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina58/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   54   55   56   57   58   59   60   61   ...   78

Meermalen heb ik Stahl genoemd tegelijk met Burke en met Guizot. Mij dunkt, niet ten onregte. Als er van revolutiebestrijders spraak is, wordt terstond aan Burke gedacht. Volgens Stahl is hij, zonder eenige vergelijking, de uitnemendste van allen29a; hij die met een profetisch oog, toen zelfs een Pitt30 nog blind was, den aard der Fransche omwenteling, `a Revolution of doctrine and theoretic dogma'31, doorzag; haar oorsprong, leerstellige godverzaking aanwees; haar onweêrstaanbaarheid, ten ware door zedelijke kracht, aan het licht bragt, haar loop en afloop, regeringloosheid door willekeur en geweld bedwongen, reeds tevoren beschreef. Stahl roemt de praktische wijsheid van den Engelschen staatsman, gelijk ze uit de geschiedenis vooral ook van zijn eigen vaderland ontleend wordt: den eerbied voor verkregen regt; voor de vrijheid die men van de voorvaderen geërfd heeft; voor den staatsvorm gelijk die zich uit de behoeften en lotgevallen der natie ontwikkelt; beschouwing van den staat als een regtsverbond der voorgeslachten met de nakomelingschap. Wijsgeerige beschouwing is zijne zaak, zijne taak niet. Dat is geen verwijt; de levendige opvatting van politische hoofdwaarheden en de aanwijzing van haar dieper zedelijken grondslag zijn twee verschillende werkzaamheden die zelden tegelijk aan één mensch opgelegd zijn. Daarbij is de leer van Burke zoo zuiver aanschouwing, zoo vast ineengesloten, en dringt zoo zeer tot de binnenste kern der politische betrekkingen door dat ze tevens een zedekunde, eene staatsfilosofie is der daad waarbij slechts de uitspraak van het woord door een ander vereischt wordt. Het was geen verandering van beginsel, toen hij, na geijverd te hebben tegen misbruik van vorstelijk gezag, met geen minderen ijver tegen de stelselmatige miskenning van elk gezag optrad.

Een wenk van Stahl omtrent hetgeen aan de theorie van Burke ontbreekt, is ook ter kenschetsing van zijn eigen wensch en bedoeling opmerkenswaard. `Burke', schrijft hij, `bestrijdt de dwalingen der revolutie en stelt de onveranderbare grondslagen van den staat waartegen zij gerigt zijn, in het licht. Maar te weinig let hij op de ware denkbeelden waardoor zij ook werd veroorzaakt en op de daardoor noodzakelijk geworden uitbreiding der staatsleer. Hij beschermt de goederen die de bestaande toestand geeft; hij weert af de goederen daarbenevens verkrijgbaar. De wereldhistorische beteekenis der revolutie, hervorming op den voormaligen grondslag, wijst hij af; hij ziet in haar louter dwaling en wrevel. Hij is de zuiverste vertegenwoordiger van het conservatisme. In het handhaven onverbeterlijk, geeft hij op de behoefte aan ontwikkeling niet genoeg acht.'32 Doch voegt Stahl er teregt bij: `zoodra de hervorming van verkeerde beginsels wordt losgemaakt, is er niets in zijne leer dat grond ter afwijzing aan de hand geeft. In zijne leer ligt geene dwaling, maar een gebrek.'33

Van Stahl zou men kunnen zeggen hetgeen De Tocqueville getuigt van Royer Collard: `Il a cru fortement [durant] toute sa vie qu'on pouvait et qu'on devait distinguer l'esprit libéral (lees, ter voorkoming van misverstand, l'esprit de liberté) de l'esprit révolutionnaire . . . Il n'a jamais pensé qu'il fallût33a tout détruire dans l'ancienne société33b, mais seulement briser ce qui faisait obstacle à l'esprit moderne, à une liberté pondérée, à l'égalité des droits, à l'ouverture de toutes les carrières et de toutes les destinées devant les espérances de tout homme. La révolution faite, il a toujours voulu ramener les institutions à cet idéal, et renouer, dans la limite où cela était possible et désirable, le passé au présent.'34 Ook dit nog: Y a‑t‑il tel détail de sa vie qui puisse paraître peu d'accord avec cette donnée? Je l'ignore. Mais étudiez sa vie entière, vous verrez que ceci la dirige et l'explique.'35

Geen wonder dat Stahl zich ook omtrent Guizot, voortreffelijken leerling van den voortreffelijken meester, en in 't algemeen omtrent den veelbeduidenden invloed van den numeriek kleinen kring der doctrinaires gunstig uitgelaten heeft.36 Hun stelsel, zegt hij, erkent een hoogeren zedelijken band boven den menschelijken wil; het vestigt de legitimiteit èn van de overheid, èn van de vrijheid op historisch regt; de invloed van Burke is onmiskenbaar. Het verwijt van een onhoudbaar juste milieu is ongegrond. Veeleer is hier een gewigtige teregtwijzing, een belangrijke schrede naar echte wetenschap. Maar zij heeft dit doel nog niet bereikt. De zedelijke beteekenis van het koningschap heeft ze niet genoeg gevat; zij vestigt het vooral op langdurigheid van bezit; vandaar dat ze met de quasi‑legitimiteit van Lodewijk Filips zich tevrede gesteld heeft, ofschoon zij door het parce que en niet quoique Bourbon37 zeer goed het verschil tusschen het koningschap als een van volkswege opgedragen ambt of als een op historischen grondslag gevestigd regt uitkomen deed.



Fraai en grootendeels juist is de beschrijving die Guizot in zijne Mémoires38 van zijn eigen partij reeds vòòr 1830 ons geeft: `En acceptant franchement la nouvelle société française telle que toute notre histoire, et non pas seulement 1789, l'a faite, ils entreprirent de fonder son gouvernement sur des bases rationnelles et pourtant tout autres que les théories au nom desquelles on avait détruit l'ancienne société, ou les maximes incohérentes qu'on essayait d'évoquer38a pour la reconstruire . . . Affirmant des droits au lieu de n'alléguer que des intérêts, et demandant à la France, non pas de confesser qu'elle n'avait fait que le mal, ni de se déclarer impuissante pour le bien, mais de sortir du chaos où elle s'était plongée et de relever la tête vers le ciel pour y retrouver la lumière.'39 Uitnemend; alleen moet welligt, voor de jaren althans waarvan hier spraak is, niet al te zeer op de laatste woorden, meer op les bases rationnelles worden gedrukt. Stahl schrijft: `deze leer is de meest heilzame en gezonde die er in Frankrijk bestaat; maar den dieperen, den zedelijken, den godsdienstigen grondslag levert ook deze leer niet, althans niet op wetenschappelijk fundament.'40

Zoo schreef hij in 1829, zoo schreef hij ook nog in 1847. Doch het is onmiskenbaar dat de omkeering van 1848, niet enkel op het lot, maar ook op de zienswijze van Guizot grooten invloed gehad heeft; dat het oog, sedert dien tijd, veel meer naar boven gerigt werd. Van 1848 tot 1861 komt in eene reeks geschriften over historie en politiek, van het vlugschrift De la démocratie41 tot aan L'église et la société chrétienne[s] en 1861, zoowel in le Discours sur l'histoire d'Angleterre42 als in les Mémoires pour servir à l'histoire de mon temps, het antirevolutionaire merk, zuiver en krachtig, aan het licht. Tijdens het oordeel van Stahl over het ontbreken van godsdienstigen grondslag, had Guizot nog niet geschreven: `Un peuple est un grand corps organisé, formé par l'union, au sein d'une même patrie, de certains éléments sociaux qui se forment et s'organisent eux‑mêmes naturellement, en vertu des lois primitives de Dieu et des actes libres de l'homme.'43 Nog niet erkend dat de oorzaak van den menschelijken rampspoed niet in den staatsvorm, maar in eigen bederf moet worden gezocht: `C'est dans l'homme lui‑même que le mal réside; il est enclin au mal; . . . le dogme du péché originel est l'expression et l'explication religieuse d'un fait naturel, le penchant inné de l'homme à la désobéissance et à la licence.'44 Nog niet de bron van revolutionnairen jammer aangewezen in dit miskennen, toen de omwenteling losbrak, van de verbastering van onzen aanleg: `Nos pères de 1789 ont été condamnés à passer des perspectives du Paradis aux scènes de l'Enfer. Dieu nous garde de l'oublier!'45 Nog niet tegen de achttiende eeuw het welverdiende verwijt van dwaze zelfvergoding gerigt. `C'est un siècle, non‑seulement de sympathie passionnée, mais d'adulation idolâtre pour l'humanité, et c'est par là surtout qu'il a cessé d'être chrétien. De toutes les idolâtries, nulle ne se révèle et ne se décrie aussi promptement que celle qui a l'homme lui‑même pour objet. L'idole était brisée avant que le 18e siècle eût disparu.'46 Guizot had vòòr 1848 nog niet hetzelfde geschreven wat bijvoorbeeld aan De Maistre en aan Bilderdijk, als het toppunt der ongerijmdheid, in rekening gebragt werd, dat opstand tegen God en eene herhaling van het verleidelijke woord: `Gij zult als God zijn!'47 de satanische grondtrek is der revolutie. Nog niet gewaarschuwd tegen `l'esprit révolutionnaire, ce Satan humain, à la fois sceptique et fanatique, anarchique et tyrannique, passionné pour nier et pour détruire, incapable de rien créer qui puisse vivre et de souffrir que rien se crée et vive sous ses yeux.'48 Guizot had toen nog niet de christelijke wereldbeschouwing, met de meest scherpe afscheiding, als waarheid en leugen, leven en dood, gesteld tegenover de wegcijfering van al wat bovennatuurlijk is door de moderne theologie. Nog niet deze beschrijving gegeven der vraag die aan de orde van den dag is: `La grande question, la question suprême est posée aujourd'hui entre ceux qui reconnaissent et ceux qui ne reconnaissent pas un ordre surnaturel, certain et souverain, quoique impénétrable à la raison humaine . . . D'un côté, les incrédules, les panthéistes, les sceptiques de toute sorte, les purs rationalistes; de l'autre les chrétiens . . . Les chrétiens seuls ont le Dieu vivant.'49 Nog niet doen uitkomen dat nu de keus geldt dien levenden God, kenbaar uit geweten, natuur en Heilige Schrift of den Baal der hedendaagsche filosofie.50 `On veut que nous délaissions le Dieu de la Bible et de l'Evangile, le Dieu primitif, indépendant, personnel, distinct et créateur de l'homme et du monde; [et] on nous demande d'accepter pour toute religion un Dieu abstrait, qui est aussi une idole de l'invention humaine; car il n'est autre que l'homme et le monde confondus et érigés en Dieu par une science qui se croit profonde et qui voudrait bien ne pas être impie. A la place du christianisme, de son histoire et de ses dogmes, ces grandes solutions de notre destinée et ces sublimes espérances de notre nature, on nous propose le panthéisme, le scepticisme et les embarras de l'érudition.'51

Nergens heb ik eenig blijk gevonden dat Guizot met de schriften van Stahl bekend is; desniettemin is in al hetgeen ik aangehaald heb, de meest treffende overeenkomst met al hetgeen ten allen tijde door Stahl geleerd werd. Er is geen twijfel aan of Stahl zou, indien hij in 1856, bij de derde uitgaaf, ook in het historisch gedeelte zijner Regtsfilosofie eenige belangrijke verandering gemaakt had, ook op deze meerdere homogeneïteit hebben gelet. Doch bij de opmerking dat, na 1848, Guizot in een doeltreffend bestrijden van den revolutiegeest met Stahl homogeen was, [voeg ik de opmerking dat] Stahl, ook vòòr 1848, niet minder dan Guizot, vrijheid, vooruitgang, en in eene getemperde monarchie, met verkregen regt en historisch volksleven in verband, een echt‑constitutionelen staatsvorm gewild heeft. Zoo schrijft hij: `Met de souvereiniteit des konings is allezins vereenigbaar het regt van het volk tot eene mederegering waarin de waarheid en het wezen ligt van het constitutionele staatsregt. Namelijk dat het volk vrijelijk de beginselen en de bedoelingen naar welke het gezag moet worden uitgeoefend, met den koning bepaalt; door deelgenootschap aan de wetgeving en invloed op het bestuur; en dat het voor de handhaving dezer bepalingen waakt, ook tegen de koninklijke regering welke, uit dien hoofde, zich van organen die verantwoordelijk zijn, bedient. Dit zijn de eenvoudige en natuurlijke bestanddeelen: een souvereine koning en een vrij volk; een beduidend overwigt kan, gelijk in Duitschland, toegekend worden aan de kroon. Het kan daarmede feitelijk52, zooals in Engeland, geheel anders gesteld zijn; maar nooit moet het koningschap in een bloot ten uitvoer leggen van den volkswil teniet gaan.'53

Ik kom tot Duitschland, en wel allereerst tot den vermaarden en invloedrijken schrijver, van wien ik reeds in 184654 met hooge ingenomenheid melding gemaakt heb, tot Von Haller. Welke is tot den auteur van het veelbesproken werk Die Restauration der Staatswissenschaft55 de verhouding van Stahl? Veel, zeer veel van den aan hem door mij gegeven lof zou ook Stahl hebben beaêmd. Ook hij vond de woorden van Ancillon (een schrijver misschien te zeer geroemd, maar die voorzeker te spoedig in vergetelheid raakt) geenszins te sterk: `il foudroye et pulvérise les fausses et dangereuses doctrines d'un contrat social originaire, et de la souveraineté du peuple.'56 Niet te sterk de uitdrukking van R. von Mohl57 dat dit, op een gewigtig keerpunt ten jare 1815 uitgegeven boek eene krachtige politische daad was. Wat men ook tegen de leer van Von Haller inbrenge, zij heeft de groote verdienste van de natuurzijde, het niet kunstmatige, niet enkel conventionele van regt en staat tot duidelijk bewustzijn te hebben gebragt.58 Misschien zou Stahl, in het besef van eigen verpligting, hebben erkend dat Von Haller in Duitschland de vader mag heeten van bijkans elke betere rigting in staatsregt en politiek.59 Immers waarom is het bestuderen van Von Haller, vroeger onmisbaar, nu schier overtollig? Omdat hij de vader ook van Stahl geweest is. Omdat Stahl al wat tot het bij uitnemendheid destructief gedeelte van Von Hallers arbeid behoort, overgenomen en zich, naar de wijs van een genialen erfgenaam, door zelfstandigheid van bewerking toegeëigend heeft.

Maar tevens is door Stahl tegen het eigen systeem van zijn voorganger eene bedenking gemaakt die de hoofdgedachte raakt en waardoor men op een beter spoor dan Von Haller had aangewezen gebragt wordt. Volgens Von Haller is de staat niet anders dan de hoogste ontwikkeling van het privaatregt; het weefsel van regten en pligten gelijk het zich uit de veelsoortigheid der betrekking van corporatiën of individuen tot den eigenaar van het hoogste gezag, den onafhankelijken magthebber, de vorstelijke of republikeinsche overheid, van lieverlede gevormd heeft. Dit is het denkbeeld dat Von Haller vasthoudt; dat hij, na slooping van het revolutiesysteem, ten grondslage van eigen opbouw gelegd heeft. De regent, als voorheen, door eigen goed en grondbezit overmagtig, door velerlei overeenkomst met de onderdanen in betrekking, die alleen bestuurt, regtspreekt, de wet geeft; maar die door de bestaande regten, vrijheden, herkomsten beperkt is, en, wel verre van over lijf en goed te beschikken, niet dan door vrijwillige bijdragen en vrijwillige krijgsdienst ondersteund wordt.

Stahl komt hiertegen op. Stahl ziet hierin een volslagen miskenning van aard en behoefte der tegenwoordige maatschappij. Wel erkent hij dat Von Haller geen vorstelijk absolutisme bedoeld heeft en dat, indien zijn leer uitvoerlijk ware, zij veeleer zou leiden tot verzwakking van het vorstelijk gezag. Wel heeft, ook volgens hem, welligt niemand scherpzinniger dan Von Haller, den oorspronkelijk patrimoniëlen aard der Europésche monarchiën ingezien en opengelegd. Maar zeer ten onregte heeft hij, wat een gebrek was geïdealizeerd; wat in geheel anderen toestand behoorde te worden hervormd, verheven tot blijvend model. De stelling dat het staatsgezag niets meer is dan de hoogste ontwikkeling van het privaatregt, is onwaar. Daarbij overziet60 men de hoogere zedelijke orde die in de staatseenheid regering en volk tot een rijksgeheel verbindt. Dergelijk beginsel loopt op ontheiliging van den staat uit. Dit privaatregtelijke is inderdaad een merk der middeneeuwsche toestand geweest; maar van de vroegste tijden af is er in geheel Europa een voortdurend streven naar het te boven komen van dien toestand onmiskenbaar. Dit was de schaduwzijde van dien ouden tijd; weshalve eene leer die juist van dit gebrek eene algemeene theorie maakt, de karikatuur der middeneeuwen wordt. Kon die theorie thans in praktijk worden gebragt, zij zou, tegen het oogmerk van Von Haller, absolutisme ten gevolg hebben. Immers zij geeft vrijdom van belasting en krijgsdienst; zij weigert deelgenootschap aan wetgeving en bestuur; dàt is: wat thans niet mogelijk is, geeft ze; wat thans wel mogelijk is, geeft zij niet. Neen, de overheid moge de hoeksteen van het staatsgebouw zijn en in zoover is het beruchte l'état c'est moi61 voor gezonde uitlegging vatbaar; de staat is het eigendom niet, is de eigen zaak niet van dengene die het gezag voert. De staat behoort te zijn de zaak van het algemeen, de publieke zaak, res publica. Aan deze republikeinsche rigting is het dat Engeland de voortreffelijkste der Europische staatsregelingen dank weet. Die staatsregeling is het uitnemend bewijs dat het republikeinsche, in dien zin, op de monarchie, om met Burke te spreken62, kan worden geënt. Wij Nederlanders mogen niet onopgemerkt laten dat ten gevolge der eigenaardigheid eener volkshistorie dezelfde grondtrek, ten jare 1813, in de weldra tot koningschap verheven souvereiniteit van het huis van Oranje gezien werd; dat dit koningschap nationaal en bij uitnemendheid, in historischen oorsprong met republikeinschen zin en geest doorvoed is.

Doch het gewigt der oppositie van Stahl tegen Von Haller ligt hierin, dat hij de uitnemendheid en de algemeenheid van dezen echt‑Germaanschen en Européschen grondtrek duidelijk gemaakt heeft. Wat Von Haller afwijking noemt, is bij Stahl vooruitgang. Wat aan Von Haller verbastering schijnt, is verbetering bij Stahl. In de Britsche staatsregeling is het Germaansche staatsregt, volgens Von Haller ontaard, volgens Stahl in eigen ontwikkeling bewaard, gelouterd, tot een voorbeeld gemaakt, waarin de leiddraad voor de toekomst van ons werelddeel moet worden gezocht.63 Niet in haar parlementaire specialiteit, waardoor aan aristocratie of gemeenten64 het koningschap ondergeschikt wordt, maar in het openbaar karakter van den staat, dat zelfstandigheid van gezag en vrijheid der bevolking in wederzijdschen eerbied voor verkregen regt en gezamenlijke onderwerping aan hooger ordening verbindt. Dat een republiek niet, in den ongunstigen zin van het woord, revolutionair is, behoeft aan Nederlanders niet te worden geleerd; maar ik althans erken gaarne vooral dit van Stahl te hebben geleerd dat elke staat, ook waar geen volksregering, geen aristocratisch of democratisch bewind is, evenwel gemeenebest is; dat het streven ook in elke monarchie naar dit echt‑republikeinsche een lijn is die in de geschiedenis sedert lang met de revolutielijn parallel loopt en te dikwerf tot schroomelijk nadeel voor het Europeesche staatsregt, daarmede verward wordt. Dat een koningschap, door wezenlijkheid van gemeen overleg met de natie krachtig, niet soortgelijk, maar ongelijk is aan de hedendaagsche schijnmonarchie, la monarchie entourée d'institutions républicaines, aan la meilleure des républiques65, waarin elk gezag regtens zwicht voor den volkswil en zich daarin, ook wanneer het nog in naam geduld wordt, feitelijk oplost. Dat derhalve de antirevolutionaire weêrzin tegen het conventionele en contractuele staatsgezag van Rousseau zeer ten onregte zich uitstrekt tot dat gemeenebestelijk beginsel waardoor het doel, door de revolutie vruchteloos nagejaagd, bereikt wordt.

Met de historische regtsschool is Stahl homogeen. Dit blijkt uit hetgeen hij zelf omtrent haar strekking en verdienstelijkheid vermeldt. Een voorregt van onze eeuw is het dat men meer dan tevoren op de eigenaardigheid en ook op den zamenhang van de tijden acht geeft. Er is eene overlevering en een ontwikkeling van toestanden en begrippen der menschheid door haar geheele geschiedenis heen. Het tegenwoordige is slechts een oogenblik in dezen onafgebrokenen tijdstroom, het wordt in aard en rigting door het verledene bepaald, het kan zich niet losrukken en een nieuw begin maken noch in werk noch in gedachte; het kan buiten zijn oorsprong uit hetgeen voorafging, niet worden verstaan. Zoodanig is de historische kennis en aanschouwing waarop wij ons als op het uitnemendste voorregt van onze beschaving boven die van alle vroegere geslachten mogen beroemen. De uiting hiervan op het gebied der regtswetenschap is de school der historische regtsgeleerden, gelijk ze, nadat Hugo den weg gebaand had, door Savigny en Niebuhr is gevestigd, en door Eichhorn ook op het Germaansche regt toegepast is.66

Haar grondstellingen zijn zamenhang van het regt met volk en volksbewustzijn; vanzelfheid in zijn oorsprong, zonder afspraak en overleg; onafgebrokenheid (Continuität)67 van hetgeen ter ontwikkeling en verbetering verrigt wordt. Vandaar dat de bronnen van het regt niet meer enkel of vooral in de wetten, maar in den geheelen omvang der gewoonten en herkomsten worden gezocht. Vandaar dat de bestudering van vroegere toestanden niet meer enkel als bijzaak en hulpmiddel, maar als een wezenlijk gedeelte der regtswetenschap zelve beschouwd68 wordt. Vandaar dat aan den wetgever, terwijl hij, naar den eisch van voortgang en wasdom, op wijziging, zuivering, aanvulling bedacht is, de bevoegdheid niet toekomt om den geheelen regtstoestand te vernieuwen; hetzij door verandering in de grondregels te brengen, hetzij door al het vroegere regt in een wetboek zamen te dringen, dat voortaan uitsluitend over kracht en zin der regtsbepalingen beslist. Vandaar niet een prijsgeven van den zedelijken maatstaf aan de eisschen van den gegeven toestand; maar de overtuiging dat het zedelijk oordeel over wetten en instellingen niet enkel in afgetrokken verstandsbegrippen zijn grond heeft, en dat, de algemeene kenmerken van regt en zedelijkheid vooropgesteld zijnde, er ook in de eigenaardigheid der traditionele vorming een zedelijke band en een voor den wetgever aangewezen spoor ligt. Vandaar dat de historische regtsschool, ook waar zij van de regtsfilosofie niet opzettelijk werk maakt, evenwel, dikwerf ook onbewust, door eene diepe wijsgeerige waarheid leiding en rigting ontvangt, daar zij den gang der voorzienigheid in de geschiedenis erkent. Daaruit ontleent ze die eerbiediging van het bestaande regt; die schroomvalligheid waar verandering te pas komt; dat zien op een hooger magt van wier zegenrijke werking het wezenlijkste en beste tegemoet gezien wordt. `Vroomheid (Pietät) is, in haar diepsten beweeggrond die zorgvuldige behandeling der historie, die vrees voor slooping, dat ontzag voor hetgeen buiten ons toedoen tot stand kwam.'69

En welke is nu de verhouding van Stahl tot deze regtsschool? Hij is in allen deele haar geestverwant; hij is het, meer dan eenig ander, die ze vertegenwoordigt op het gebied van staatsregt en politiek. `Zij heeft', dus gaat hij voort, `wel geen politiek systeem, maar allezins een politiek karakter. Bovenal is ook voor de politiek van het grootste gewigt haar hoofdbeginsel omtrent den oorsprong van het regt; dat het bestaande moet worden ontzien en dat elk geslacht wèl het leveren eener bijdrage tot de ontwikkeling die door alle tijden heen loopt, geenszins een splinternieuwen opbouw der geheele maatschappij als taak heeft. Zij is aldus, in de meest scherpe tegenstelling, antirevolutionair. Zij is tevens beveiligd tegen de eenzijdigheid van Le Maistre die de leiding Gods enkel in de handelingen der openbare, inzonderheid der kerkelijke overheden zoekt, daar zij integendeel vooral in de innerlijke wijziging van het nationaal bewustzijn en in de onopzettelijke verandering der toestanden het wezen der geschiedenis stelt. Niet minder tegen de afdwaling van Von Haller die, in plaats der eigendunkelijkheid van het zoogenaamde natuurregt, met gelijke willekeur der redenering te werk gaat. Daarbij overtreft ze allen hierin dat zij op geenerlei wijs de gedaante der wereld begeert te sluiten in een vastbepaalden vorm. Niet genoeg kan erop worden gelet: dit alleen strookt met historischen zin dat men de geschiedenis niet, ten voorbeelde, terugwijze op hetgeen voorbij is, maar veeleer een gestadig worden in haar erkenne, en dit alleen komt overeen met echt‑godsdienstigen zin dat men aan den gang der voorzienigheid niet eigendunkelijk in vroegere vormen, als onovertrefbaar, een perk stelle, maar de nieuwe toekomstige gedaante in ondergeschiktheid aan haar goedvinden tegemoet zie. Daarbij wordt men ook, door den zin en geest waarin de historische regtsbeschouwing wortelt, gebragt wel niet tot een politieke leer, maar tot eene gemoedsstemming die met onbevangenheid de diepstgelegen drijfveren van elke verandering en poging ook op politiek terrein nagaat en waardeert.'70

1   ...   54   55   56   57   58   59   60   61   ...   78


Dovnload 7.64 Mb.