Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina59/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   55   56   57   58   59   60   61   62   ...   78

De ingenomenheid van Stahl met Von Savigny en Niebuhr is uit het bovenstaande verklaarbaar. Van Savigny wordt nooit dan met eerbied voor zijne gaven en verdiensten melding gemaakt. Aan Niebuhr vlecht hij in de volgende regels een krans. `Op de meest duidelijk uitgesproken wijs en tot de hoofdtrekken althans eener politieke leer ontwikkeld, is die politieke zin openbaar in den man die met Savigny tegelijk grondlegger en representant der historische regtsbeschouwing is, in Niebuhr. Zijne Romeinsche geschiedenis71, zijne brieven72, zijne nagelaten voorlezingen over de Fransche revolutie73 maken tezamen een geheel van politieke beschouwing uit. Dat is eene echt‑Duitsche politieke beschouwing, uitstekend door geregtigheid, veelzijdigheid, diepzinnigheid, door vastheid van beginselen met vrije aansluiting aan gegeven toestanden, door conservatieven grondtoon met liefde voor al wat nieuwe ontwikkeling voorspelt. Zij is het naast aan de Engelsche politiek van Burke en aan de Fransche der doctrinaires verwant, ofschoon zij de eerste in onbevangenheid en de laatste in zedelijke diepte overtreft.'74 Lang is, in elke wetenschap, de taak en het leven is kort.75 De werkzaamheid van Savigny was binnen de grenzen van het burgerlijke regt beperkt. Aan Niebuhr, vooral geschiedvorscher, zou welligt de gaaf hebben ontbroken en althans de gelegenheid heeft hij niet gehad voor de toepassing zijner politiek.

Door Stahl is verrigt wat in hun vermogen niet lag. Stahl heeft, op het voetspoor van Savigny, het historisch regtsbeginsel ook op het staatsregt, stelselmatig ontwikkeld; Stahl is, in den geest van Niebuhr, ook op parlementair terrein werkzaam geweest. Aan hem is de taak ten deel gevallen om de staatkunde die hij in Niebuhr prees, de echt‑Duitsche en tevens echt‑Europésche politiek, te brengen in het volle licht ook der praktijk. De leer werd overgebragt in het leven. Het woord uit de studeercel of gehoorzaal werd steunpunt ook in het strijdperk. Aldus heeft Stahl, van 1840 tot 1861, te midden van velerlei lotwisselingen en stormen, door studie en staatsleven, een onberekenbaren en bij uitnemendheid weldadigen invloed op de staatsregeling en de politiek van Pruissen gehad.
IV

Een invloed onberekenbaar en bij uitnemendheid weldadig. Ter rechtvaardiging dezer uitspraak wensch ik een overzigt te geven van hetgeen hij, als staatsman, gewild en verrigt heeft. Ik zwijg nu van den hoogleeraar en van hetgeen hij voor de beoefening der wetenschap gedaan heeft. Intusschen vergete men niet wat voor de telken jare zich bij zijne academische lessen verdringende schare van leergierige jongelingen uit alle faculteiten een zoo doorwrochte en zoo bezielde voordragt moet geweest zijn. Ik kan evenmin in bijzonderheden treden omtrent den ijver die voor kerkelijk regt en voor de verdediging der evangeliewaarheid, niet enkel waar hij op wijsgeerig of politiek terrein, door de hoofdgedachte zijner geheele wereldbeschouwing ertoe gebragt werd, maar ook meer opzettelijk door hem betoond is. Dit evenwel houde men in het oog: Stahl is ook als lid van het hooge kerkbestuur, met woord en daad, verdediger geweest van het regt der gemeente op haar eigen kerkleer, op het christelijk‑protestantisme, op het onveranderlijk evangelie, gelijk het, zoowel in de negentiende als in de zestiende eeuw, tegen het ongeloof evenzeer als tegen het bijgeloof bestand is.

Niet ten onregte zijn, door vriend en vijand, telkens de namen van Stahl en van Hengstenberg bij elkander gevoegd. Ik betwist en vooral ik beweer niet dat Hengstenberg later in zijn ijver voor de Lutherse kerk niet76 te ver gegaan is; maar dit beweer ik, dat de verdiensten van Hengstenberg te zeer in vergetelheid geraakt zijn; dat niemand den strijd tegen het ongeloof met meer moed aangebonden, met meer standvastigheid volgehouden heeft en dat Hengstenberg en Stahl, belijders der zelfde waarheid, dienstknechten van denzelfden Heer, geestverwanten en bondgenooten geweest zijn. Afzonderlijk en gezamenlijk hebben zij steeds in denzelfden zin [zich] verzet tegen rationalisme en liberalisme, den tweederlei vorm waarin de revolutiegeest in kerk en staat openbaar werd. Ook Hengstenberg vermaande: `Zijt alle menschelijke ordening onderdanig om des Heeren wil.'77 Ook in de Evangelische Kirchenzeitung in 1828 door hem begonnen en die hij in 1862 nog voortzet, heeft hij, op het gebied der politiek, evenmin als op dat der godgeleerdheid, met de dwaalbegrippen van den dag gecapituleerd; in dat tijdschrift hebben reeds terstond na de revolutie van 1830 de uitnemendste vertoogen over de grondslagen van christelijk staatsregt gestaan. Weêrkeerig is Stahl telkens opgekomen tegen de verscheidene en vreemde leeringen waardoor de kerk verwoest of bedreigd werd.

Doch ik ben genoodzaakt mij te beperken. Ik wil den invloed van Stahl nagaan op het gebied der praktische politiek. Vóór en na 1848.

In 1840 kwam Stahl te Berlijn; kort nadat Frederik Wilhelm IV zijn vader78 opgevolgd was. Men zag nu ook, nu eindelijk, voor Pruissen een constitutionelen staatsvorm, deelgenootschap van het volk aan de regering, tegemoet. Aller aandacht was gespannen op hetgeen door den koning, sedert lang ook als kroonprins met die gedachte werkzaam, ter bevrediging van den algemeenen wensch zou worden verrigt. Ik weet dat men, ook in Nederland, dezen koning als een welmeenenden vorst, uitmuntend door welbespraaktheid en goede bedoelingen, maar als een door allerlei verbeelding en luim voor het rijksbestier, althans in moeijelijke tijden, ten eenemale ongeschikten droomer en dweeper beschouwt. Die beschouwing is geheel onjuist. Ongemeen waren zijne gaven van verstand en hart. Ik wil geene lofrede schrijven. Ik wil zelfs niet onvoorwaardelijk aannemen al wat Stahl over hem schrijft. Maar enkele trekken ontleen ik wier juistheid mij ontwijfelbaar voorkomt.

Hij was een christen. `In het diepste zijner ziel lag het geloof aan Jezus Christus den Zone Gods en den Zaligmaker der wereld; namelijk, bij allen rijkdom van geest en beschaving, het eenvoudige, kinderlijke, ootmoedige geloof, het voor God verslagene hart, de heilbegeerige vraag: wat moet ik doen om zalig te worden. Dit geloof heeft hij behouden en beleden, in de binnenkamer en op den troon, in voor‑ en tegenspoed. Door dit geloof werd zijn koninklijk ambt voor hem gewijd. Hij getuigde tegen den ongeloovigen tijdgeest met woord en daad. Hij erkende zijne roeping om, in een der magtigste staaten van Europa, onder eene van de beschaafdste natiën der wereld, van de hoogte des troons de banier te ontplooijen voor de eeuwige waarheden van het geloof en het regt tegen den geest die ontkent79. Noem dien revolutie, civilisatie, rationalisme, liberalisme, ideën van 1789; het is de denkwijs, gelijk ze uit de filozofische en politische theoriën der zeventiende en achttiende eeuw voortkwam; die zich van Gods openbaring en ordeningen losmaakt, aan eigen rede en geregtigheid genoeg heeft en zijn eigen onafhankelijken wil tot beheerscheres der zamenleving maakt. Hij doorzag de volle beteekenis van den wereldstrijd die in de vorige eeuw begon en waarin we ons nog bevinden, en hij nam er deel aan, als aan eene zaak van persoonlijk geloof en van vorstelijke pligt. Hij streed met de meeste onbekrompenheid van zin en doel. Voor den loop der eeuw sloot hij zijn hart niet; hij zag de groote waarheden die onder haar dwalingen vermengd zijn, niet voorbij; hij was voor hetgeen in haar doel en eisch regtmatig is, niet blind. Daarbij was het scheppen zijn wensch. Hem was het niet genoeg het overgeleverde te bewaren, maar uit het overgeleverde te vormen, hetgeen verstorven was, wederom te bezielen, te bevestigen hetgeen nieuw was, bevorderlijk te zijn aan al wat naar ontwikkeling dreef, aan te moedigen en op te wekken, dat was zijn levenselement.

Wat hem bovenal kenmerkt, is dat hij zich enkel van geestelijke wapenen bediend heeft. Het enkel ten onder houden door uitwendig geweld had voor hem geene waarde; hij zocht genezing van binnen naar buiten, een rijk des geestes door middelen van gelijke soort gesticht. Aldus wilde hij het geheel der goddelijke ordeningen en zedelijke goederen van zijn volk verkrijgen, niet slechts handhaving van hetgeen de eeuw aantast en verstoort, maar ook verwerving van hetgeen zij verlangt, en langs een verkeerden weg zoekt. De vrijheid, ook door hem hartstogtelijk begeerd, wilde hij niet afweeren; het was hem om een overwinnen van de valsche door de ware vrijheid te doen.'80

Dikwerf denkt men te weinig aan de bezwaren waarmeê hij te kampen gehad heeft. `Verwikkelingen erfde hij van zijn vader bijkans onoplosbaar: de toezegging der rijksstenden, de impopulariteit van den Duitschen Bond; de Unie der Evangelische kerk met haar tweedragt; de moeijelijkheden met de roomsch‑catholijken. Het ergste van allen was de algemeenheid en de hoogte die in de 25 jaren sedert de Restauratie de ideën der Fransche revolutie hadden bereikt. Zij waren nu in alle Duitsche landen en in alle standen verbreid. Zij klonken, door wetenschap en drukpers onophoudelijk zinverdoovend, hartverdwazend in het oor. Ze waren voortgegaan in eigen wasdom, de liberale en democratische leer was tot communistische verhoogd, en dit bragt de menigte in beweging; bij het kleinood der regten van den mensch werd nu ook het kleinood der nationaliteiten gevoegd, en hiermeê kocht men ook de edelen en verstandigen om. Bepaaldelijk in Pruissen werden ongeloof en omkeering onder de firma van protestantisme en protestantschen staat gedreven en daarmeê de maat der verwarring vol[gemaakt]. De koning had gemeend aan de magt dezer ideën slag te bieden; zij zelve, op ongehoorde wijs gesterkt en toegerust, kwam hem tot slag leveren tegemoet.'81

In deze zoo gewigtige jaren waren, in kerk en staat, voortreffelijke mannen den koning terzij. Ik zou hier eene gansche reeks van godgeleerden kunnen opnoemen: Neander, Tholuck, Müller82, Twesten. Evenzoo een aantal staatslieden van welverdiende vermaardheid: Von Savigny, Bunsen, Von Gerlach, Von Radowitz. Alle deze mannen waren toen nog eendragtig tegen den revolutiegeest gekant. En in dezen gezamenlijken strijd moet, zoowel in kerkelijken als in politieken werkkring Stahl onder de uitnemendsten worden geteld.

Niet weinig is het wat door den koning verrigt werd. `Hij gaf getuigenis aan onzen goddelijken Heiland, Heer en Koning; aan de van God alleen gegevene kroon, tegen de verdeeling der souvereiniteit, tegen de verbreking der stenden, tegen het blad papier dat zich tusschen God en het land als eene tweede voorzienigheid stelt, om ons met zijne paragrafen te regeren en aldus de oude heilige trouw te vergoeden.83 Hij onderwierp zich niet aan hetgeen hij in de eisschen der openbare meening afkeurde, maar bestreed het met kracht. Daarentegen gaf hij ruimschoots en blijmoedig vrijheid en volksinvloed op den weg dien hij voor den alleen regtmatigen hield. Naauwelijks was hij koning of de verongelijkte roomschgezinden werden bevredigd, en van vervolging der protestantsche dissidenten was geen spraak meer. Vrijheid der drukpers gaf hij tot aan den uitersten door de bondsbepalingen gestelden grens; hij ontwikkelde de stenden tot den Vereenigden Landdag; hij was bij Oostenrijk tot verkrijging van meerdere eenheid van Duitschland werkzaam.'83a

Doch laat ons thans meer opzettelijk nagaan welk aandeel Stahl aan de groote taak die van 1840 tot 1842 aan de orde van den dag was, aan het ontwerpen van een nieuwen staatsvorm, van eene constitutie voor Pruissen gehad heeft. Waarin hij met alle antirevolutionairen, met alle voorstanders der historische regtsschool overeenstemde en daarna waarin echter zijne zienswijze van die van velen onder hen verschillend geweest is.

In 1815 was bij het 13e artikel der bondsregeling84 aan de Duitschers eene staatsregeling met stenden toegezegd (eine Landständische Verfassung), een constitutionelen regeringsvorm waarbij aan het volk deelgenootschap in wetgeving en invloed op het bestuur zou worden verleend. Bij velen scheen de belofte, toen de nood voorbij was, schier in vergetelheid geraakt; van uit[stel kwam]85 afstel. In Pruissen evenwel, vooral ook na 1830, was men ern[stig]86 op tenuitvoerlegging bedacht en werd ook met voorbereidende maatregelen een begin gemaakt. Naar den zin en geest der historische, der antirevolutionaire regtsschool. Met bestrijding van al wat naar de theorie der volkssouvereiniteit geleek. De vrijzinnige partij beweerde dat zij op eene constitutie naar Fransch‑revolutionair model regt had; op de verwezenlijking van een representatief stelsel, volgens hetwelk de volksmassa regeert door eene vertegenwoordiging die de wet geeft en door een koning die met het uitvoerend bewind onder verantwoordelijkheid der ministers belast is. Zoodanige constitutie, naar de leer van Montesquieu of liever nog van Rousseau, wilde men onverwijld. Dit was de codificatie in het staatsregt waartegen in Pruissen opkwam, al wat begrip van vrijheid, nationaliteit, geschiedenis en regt had. Voor Duitschland moest op christelijk‑historischen grondslag, door ontwikkeling van den gegeven toestand, een staatsregeling naar eigen volksaard en herkomsten, worden gevormd.

Reeds vóór 1840 was de regering geheel in deze door Savigny aangewezen rigting werkzaam. Hij zelf had een beslissenden invloed in 's konings raad. Zijne denkbeelden werden door den toenmaligen kroonprins met geestdrift beaêmd. Laboulaye schrijft in 1842: `De retour à Berlin M. de Savigny prit une part de plus en plus active au conseil d'Etat . . . Ses collègues étaient, pour la plupart, ou des hommes pénétrés des doctrines de l'école historique, ou d'anciens disciples, parmi lesquels, et au premier rang, pour l'étendue de l'esprit et des connaissances, figurait le prince royal . . . Ainsi, par une fortune bien rare, il a été donné à M. de Savigny de voir ses idées triompher, non seulement dans l'enceinte des universités, mais encore dans les plus hautes sphères de la politique; et l'on peut dire sans témérité qu'aujourd'hui en Prusse l'administration tout entière est sous l'empire des doctrines de l'école historique. Respect des droits du passé, amélioration sage et prudente du présent, cette devise de l'école historique est aussi celle du gouvernement prussien, et peut‑être est‑ce le secret de sa force et de son ascendant.'87

Nog onlangs hebben wij, in ons vaderland bij den dood van Savigny vernomen88, dat, met zijne buitengemeene gaven, de man toch eigenlijk meer kwaad dan goed gedaan heeft. Door de ongeschiktheid van onzen tijd voor het vervaardigen van een algemeen wetboek te betoogen89, gaf hij aan de vorsten het teeken om den geest van uitstel, onder voorwendsel van historische voorbereiding, ook op politiek terrein over te brengen, terwijl hij zelf in de studie van het burgerlijk regt geabsorbeerd werd.

Dit is de beschouwing niet van Laboulaye. Hij is geen voorstander van de snelheid die men in het constitutie‑fabriceren door stelselmatige eigendunkelijkheid verkrijgt. `Cette école de M. de Savigny a le mérite de combattre l'école révolutionnaire qui rompt avec la tradition et qui ne croit qu'à l'individu et au jour présent . . . Les grands auteurs à système, un Rousseau, un Hobbes, un Fichte, un Hegel, révolutionnaires et tyrans, démocrates et despotes, ont toujours trouvé dans ces systèmes naturels la justification et la consécration de l'absolu pouvoir.'90 Maar zou sedert 1842 Laboulaye minder gunstig over Savigny gedacht hebben? Integendeel. De latere gebeurtenissen hebben hem in zijne overtuiging gesterkt. In 1855 schrijft hij: `Je n'ai rien à en retrancher . . . La politique même que M. de Savigny a tenue en dehors de ses études, revient aujourd'hui aux idées de l'école historique, hélas! après bien des déceptions et des misères. De récentes révolutions ont prouvé une fois de plus qu'on n'improvise pas des institutions. En dédaignant la tradition, on n'improvise que la misère et le désordre, pour revenir par une réaction violente bien en deça du régime qu'on a renversé. Plus que jamais nous avons besoin des idées de M. de Savigny.'91

Voeg gerust bij den naam van Savigny ook dien van Stahl. Immers Stahl is in hoofdbeginselen volkomen met Savigny homogeen. Bovendien is het niet Savigny, is het Stahl geweest die op politisch gebied èn zich tegen verkeerde toepassing verzet èn van de grondslagen eener historische staatsregeling voor Pruissen opgaaf gedaan heeft. Niemand kon van de staatsregtelijke beligchaming der volkssouvereiniteit afkeeriger zijn. `Deze theorie is geene staatsregeling, maar staatsontbinding, want zij vernietigt wat den staat tot staat maakt, het hooger gezag over individuen en volk, dat, buiten den invloed der revolutiebegrippen, zoowel in de republiek als in de monarchie erkend wordt.'92



Stahl heeft zich ook tegen eene verkeerde toepassing verzet. Tegen de poging om te doen wat Von Haller oirbaar gekeurd heeft. Tegen het vestigen van den staat op de betrekking waarin voorheen in Duitschland de vorst tot de stenden gestaan had. Tegen de verwezenlijking van het privaatregtelijke van het gezag; dat de vorst op de regering een van allen invloed der stenden onafhankelijk eigendomsregt heeft; maar dat ook weêrkeerig de stenden in het bezit zijn van eigen regten, voor den vorst onaantastbaar; zoodat uit de verscheidenheid der onderlinge verhouding een zamenstel van velerlei pligten en bevoegdheden ontspruit en de bijeenroeping der stenden, enkel naar goedvinden, maar ook slechts tot het vragen van vrijwillige bijdragen of goeden raad (aides et conseil) plaats heeft. Ten gevolge dezer gelijkheid van eigendomsregt is de vorst een alleenheerscher die voor geen onderdaan behoeft te zwichten; terwijl ook de geringste onderdaan, in hetgeen zijn verkregen regt is, in de vrije beschikking over geld en goed en leven, tegen elken eisch van den landsheer onverzettelijk mag zijn, en deze wederzijdsche vrijheid zich op de schoonste wijs, in wederzijdsche welwillendheid en onderling hulpbetoon openbaart. Voor velen was dit in Pruissen het ideaal. De leerlingen van Von Haller waren talrijk en bekwaam, mannen van geleerdheid en aanzien, als Volgraff93, als Jarcke en anderen. In dien zin was het Berliner Politische[s] Wochenblat[t] geredigeerd, een periodiek geschrift van veelbeduidenden invloed. Deze rigting was vooral ook daarom zoo magtig, vermits zij met moed, kunde, volharding en talent, tegen den revolutiegeest opkwam, en aldus, door zooveel uitnemends, menig gemoed, ook voor het min goede, ook voor het verwerpelijke, toegankelijk gemaakt werd. Voor ontwarring en teregtwijzing werd hier eene niet geringe kunde en scherpzinnigheid en zeggenskracht vereischt. Eene bekwaamheid als die van Stahl. Hij deed zien dat deze schijnbare wijsheid op een gevaarlijk anachronisme neêrkomt. Op een wederkeeren naar een hoogstgebrekkigen toestand, op het wederinruilen van de publiekregtelijke staatseenheid tegen een zamenvoeging (Aggregat) van eene menigte bijzondere regten zonder wezenlijke ordening of verband. Dat dit ijveren voor de herleving van aloude stenden onder patrimonieel gezag een blind‑zijn voor de voortreffelijkheid van den nationalen staat verraadt. Het middeneeuwsche stelsel was gegrond op zelfstandigheid en afzondering der stenden; het moderne op eenheid der natie. Toen waren de afgevaardigden verantwoordelijke zaakgelastigden; thans moet door vrije beraadslaging in de staatsvergadering zelve, het oordeel van het volk, als politisch geheel, worden gevormd. Toen kwam men als bijzondere personen of uit naam van corporatiën, voor eigen regt op; nu als leden van een ligchaam dat als geheel handelt en waarin de meerderheid beslist. Toen had men eerst het eigen en daarna het staatsbelang in het oog; nu moet men tot rigtsnoer hebben de welvaart van het algemeen. Toen was het geld geven vrijwillig en voorwaarden ook van politieken aard konden aan de toestemming worden gehecht; nu is het geen huishouden van den vorst, waarvoor men bijdragen naar goedvinden uitkeert of weigert; het is de gansche huishouding van staat tot wier bekostiging94 men gezamenlijk en onvoorwaardelijk verpligt is. Toen werden zelfs gewapenderhand als tusschen zelfstandige magten, geschillen beslist; thans is dergelijke tweespalt in het organisme zonder staatsomkeering ondenkbaar.95

In Engeland alleen heeft zich de middeneeuwsche toestand in de eigenaardigheid van een bij uitnemendheid voortreffelijken staatsvorm ontwikkeld. Op het vasteland daarentegen is de ontwikkeling van de magt der stenden op eene verkeerde rigting geraakt, ten gevolge waarvan zij èn gevaarlijk voor het gezag der vorsten èn voor het algemeen belang schadelijk werd. Deze gebreken vooral hebben tot het absolutisme der vorsten geleid. Tot eene wenschelijke staatseenheid, maar die zeer ten onregte zich vereenzelvigd heeft, eerst met den persoon des konings, daarna met het centraliserend alvermogen van het revolutionair gezag. IJdel en dwaas zou de poging zijn om weder op te bouwen wat veroordeeld is door de ervaring en waarvoor de grondstof niet meer daar is. Nabootsing van het vroeger leenverband zou kinderspel zijn. Het feudale regt is voorbij. Eene ontwikkeling als die in Engeland is navolgenswaard. Soortgelijke staatsvorm is ook elders verkrijgbaar, wanneer men, onder vasthouding aan het kenmerkende van eigen toestand, zich eene staatseenheid ten doel stelt, waarbij de regten eener vrije bevolking zoowel door de zelfstandigheid van het oppergezag als door de vertegenwoordiging der natie, worden gewaarborgd en beschermd.

Maar met die algemeenheid zijn we niet gebaat! Laat men ons toonen hoedanig, ter verwezenlijking van dit schoone denkbeeld, de staatsregeling in de onderlinge regten en bevoegdheden zijn zou. Welnu! Stahl heeft aan die uitnoodiging voldaan. De schets eener constitutie voor Pruissen, wel niet artikelsgewijs, maar in de grondtrekken, ligt in het derde deel der Regtsfilozofie, waarvan in 1846 de tweede uitgaaf verscheen. Immers dit bevat de leer van den staat en tevens de beginselen van het Duitsche staatsregt, met gestadige toepassing op de behoefte van onzen leeftijd. De staatsregeling, niet revolutionair, niet parlementair, moet, ook onder eenhoofdige souvereiniteit, naar de regten en behoeften, naar het algemeen belang of gemeene best eener vrije natie ingerigt zijn.

Niet revolutionair. Geen algemeene volkssouvereiniteit die door Kamers of kiezers haar goeddunken aan de onderdanige overheid oplegt. Geen verantwoordelijkheid der ministers met dergelijk radicalisme in verband. Geen verwerping van de begrooting als dwangmiddel tot al wat men begeert. Geen overbrenging van de spreuk point de redressement de griefs point de subsides96 uit het privaatregtelijke der middeneeuwen op het publiekregtelijke van den modernen staat.

Niet parlementair. In Engeland is het overwigt bij het parlement. De regering is bij de aldaar overmagtige partij. In den regel bestaat de werkzaamheid des konings hierin dat hij haar aanvoerders tot ministers, aan wie het gansche bewind wordt overgelaten, benoemt. De koning kan geen onregt doen, omdat hij niets kan doen. Het is eene zelfregering der natie, onder aristocratischen invloed en monarchalen vorm. Het is eene overhelling naar de republiek. Alleen in verband met den geheelen gang der staatsregtelijke vorm[ing], gelijk ze in Engeland bij uitzondering plaatshad, is zoodanige constitutie bestaanbaar.

In Duitschland, in Pruissen moet regtens en feitelijk de vorst souverein zijn. Dit is het begrip der zaak; een koning, niet souverein, is een ongerijmdheid. Al wat het staatsgezag omvat, voor zoover de constitutie geen uitzondering maakt, komt hem toe (in dubio pro rege).97 Hij kan tot niets worden gedwongen, er is geen magt of gerigt boven hem, noch over zijn persoon, noch over zijn koninklijk regt. Zijn veto moet onbegrensd zijn. Hij moet, ook alleen tegen den sterksten aandrang door het weigeren zijner toestemming, kunnen verhinderen wat tegen zijne overtuiging strijdt. Koning te zijn en geen veto te hebben, loopt op eene zedelijke vernietiging der persoonlijkheid uit, gelijk ze in geen andere betrekking voorkomt. De ambtenaar, tot handelen tegen zijne overtuiging genoopt, kan zijn ambt neerleggen; maar bij het koningschap wordt niet op gestadige abdicatie rekening gemaakt, zoodat de koning de kroon, gelijk een minister de portefeuille terzij legt. Constitutioneel moet daarom het veto onbeperkt zijn, al is het, feitelijk, altijd door den eisch der omstandigheden en de onweerstaanbare kracht der historische ontwikkeling eenigermate begrensd. Bij verschil van meening over de beteekenis van deze of gene bepaling der constitutie is het oordeel des konings beslissend.98

1   ...   55   56   57   58   59   60   61   62   ...   78


Dovnload 7.64 Mb.