Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina6/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   78
30 december [1840].
Kist.

Vele ongegronde bezwaren, doch ook veel gegrond ten aanzien der roomsch‑catholijke bevolking. Ongenoegzame waarborg. Waarborgen. Middelen die de roomsch‑catholijken kunnen verzoenen met het onderwijsstelsel. De middelen moeten zijn: eenvoudig, dadelijk werkende, eenigzins in het oog vallend.



1. Als algemeene beginsels:

a. Niet de kerk of de kerkgenootschappen maar de staat is, volgens art. 224 der grondwet231a en overeenkomstig deszelfs heilige regten en verpligtingen, uit den aard der zaak belast, met de zorg bepaaldelijk van het lager onderwijs. De commissie ziet dus af van de poging om nevens het gouvernementaal schoolgebouw een of meer kerk[en . . .].232

b. Is de staat verpligt door het oprigten, enz. om zorg te dragen voor het algemeen heil, dan moet het onderwijs door gemengde scholen algemeen zijn, zoodat de jeugd, zooveel mogelijk, vereenigd worde op gemengde scholen.



c. Gelijk de staat, als zoodanig, geene bepaalde godsdienstige belijdenis aankleeft, zoo moet zij ook op de school waken tegen elk leerstellig onderrigt; en elke oefening bijv[oorbeeld232a] eigen aan eene bepaalde godsdienstige gemeenschap, worde geweerd; [het staat] vrij aan de kerkelijke genootschappen. Evenwel het kan door bevoegden in afzonderlijke uren op het schoollocaal.

d. De afsch[eiding233] van het godsd[dienst]ond[erwijs] van de school sluit niet in zich dat het onderwijs godsdienstloos is. Het doel blijve verstandelijke, zedelijke, en godsdienstige234 ontwikkeling van den jeugdigen mensch als een denkend en zedelijk wezen, bestemd voor eene christelijke maatschappij te leven en door leerstellig onderwijs tot een getrouw lidmaat der kerkgemeenschap waartoe hij behoort, door de kerkleer te worden gevormd (God lief te hebben boven alles235, enz. is de eenvoudige leer waardoor235a de lagere school voorbereiding is). Het bijbellezen en het onderwijs in de bijbelsche geschiedenis zijn in den regel van de lagere scholen uitgesloten, kunnen althans niet dan met overeenstemming der geestelijke schoolopzieners geschieden.

e. Het lager onderwijs, zooals het door de Wet van 1806 op die beginsels is opgebouwd en, blijkens de resultaten doeltreffend en benijdenswaardig is, worde behouden, met kracht en ernst gehandhaafd; en de gelegenheid gegeven om den kiem van volmaking, dien het bevat, te ontwikkelen. Geweerd worde wat door overgroote vrijheid of dwang, hetzelve in zijn zelfstandigheid zou benadeelen, maar ook wat door eenzijdige uitvoering der reglementen tot mistrouwen mag hebben aanleiding gegeven.



2. Ter bereiking van laatstgemelde oogmerk, volgende middelen van redres:

a.236 Vermeerdering der leden van de provinciale commissiën van onderwijs, bij Koninklijk Besluit; door bepaaldelijk roomsch‑catholijken te benoemen. In evenredigheid met de materiële en zedelijke verhouding der bevolking. Volgens art. 8 der Wet.237 De nieuwe roomsch‑catholijke leden zouden, òf als ambtgenooten aan de schoolopzieners toegevoegd worden van roomsch‑catholijke districten, òf aan een iegelijk hunner zou, door verdeeling der grootere districten, een bepaalde werkkring worden aangewezen. Aan de regering blijve overgelaten hoe of de schadeloosstelling zal worden gevonden. Schoolopzieners mogen niet geestelijken zijn.

b. Aan de aldus zamengestelde provinciale commissiën drage men op zonder uitstel de boeken, gezangen en gebeden voor de scholen te herzien, en daaruit de aanstootelijke, zoolang er geene verbeterde uitgave is, te weeren, en goede aan te wijzen voor de provincie.

c. Opwekking aan de stedelijke besturen om de zamenstelling der plaatselijke commissiën zoo te doen plaatshebben dat de verhouding der bevolking vertegenwoordigd worde.

d. In alle steden en dorpen zal door de schoolopzieners, onder medewerking van het bestuur, eene plaatselijke commissie zijn, waarvan de geestelijken der gezindheid (één) suo jure leden zullen zijn.

e. Bij de normaalschool zal een roomsch‑catholijke onderwijzer worden gedesigneerd, om godsdienstonderwijs mede te deelen. Blijk van gunst van Z.M. aan de roomsch‑catholijken, zonder de protestanten te grieven of in het harnas te jagen. Bij Koninklijk Besluit.



3. Herziening der wetten op het lager onderwijs te verzoeken; om eenheid en overeenstemming te hebben, en om daarin op te nemen wat uit de bezwaren aanmerking mogt verdienen.

De algemeene beginsels als een resultaat van het besprokene. De staat voor het onderwijs. Art. 224.238 Salus publica.239 De individuen staan een deel hunner regten af. Evenzoo de corporatiën. In de geschiedenis. In geen enkel beschaafd land heeft de staat dat regt niet gehad. De Latijnsche en Grieksche kerkvaders.240 Karel de Groote.241 In de middeleeuwen was het anders. Kerk in de staat. Er is geen derde systema van collateraliteit.242 Resultaat buiten twijfel: jus majestaticum circa sacra243, niet in sacra. (Het jus canonicum is te weinig bekend en geeft verwarring van begrippen: zie de separatisten.244) Summum imperium245, behoudens de regten van de corporatiën en individuen.246

Vaderlandsche geschiedenis niet uitgezonderd. Met kieschheid behandelen; met gematigdheid. Hoogschatting van het bestaande schoolwezen. De natie in 1806 en in 1812! Het gouvernement leidt niet zelf het onderwijs, maar wel het schoolwezen. Van B[ommel, Exposé,] p. 169247 eene lofrede op hetgeen hier plaatsheeft. De univ[ersiteit]248 en de Hollandsche inrigting antipoden (hier vrij, zelfstandig). Ik wensch vrijheid van dat georganiseerde ligchaam, hetwelk met de zorg van het onderwijs is belast.
Van Hugenpoth.

Vrijheid voor alle gezindheden ook voor eigene scholen (bijzonder van de eerste klasse); ook onder de tegenwoordige schoolautoriteiten. Komt terug van de uitsluiting der geestelijken van de post van schoolopzieners. Overal eene plaatselijke schoolcommissie. Provinciale commissiën voor de censuur der boeken. Met eenparigheid van stemmen. Het kostersambt, enz. worden afgescheiden van den schoolonderwijzer. Hatelijke herinnering. Grondwettig beginsel. Algemeene gangbaarheid der acten van algemeene toelating. Voor de examens bij het kerkelijk schoolonderwijs zou iets moeten worden gevonden. Een middel van appel. Ik wenschte eenparigheid en niet spoedig nieuwe bezwaren. In de eigene scholen waarborg. De roomsch‑catholijken meenen somtijds dat het onderwijs hand aan hand moet gaan met het godsd[ienstonderwijs]. Zoo ook de Afgescheidenen en de naauwgezette protestanten. Pas religieux dans un système quelconque.249 Tegen een stil gebed van ieder voor zich zou ik niets tegen hebben. Vaderlandsche gezangen of aesthetische wel.250
30 dec. [1840].
Van der Capellen.

De bezwaren in de uitvoering. Gehechtheid aan de Wet is versterkt. Alleen de geschrevene bezwaren door de roomsch‑catholijken ingebragt. De b[isschop]251 nieuw systema, dat zou omverwerpen. Een catholijk, een protestantsch gebouw, in vele sectiën. Herstel van eene klove. Met grondwet de zuivering der gemengde scholen, als palladium van christelijke verdraagzaamheid. Voorbereiding van een leerstellig onderwijs. Niet aan onderwijzers, als gedelegeerden. In Van der Hoeven en Kist veel goeds. Evenredigheid van opzieners, onderwijzers. Van Hugenpoth in het resultaat eens met den b[isschop] (ofschoon geene hierarchie). In eigene scholen groote stap tot onverdraagzaamheid. Ook voor252 de herziening der Wet; zeer in 't algemeen. Wij zijn individuele leden der commissie.
31 dec. [1840].
Van Wijckersloot[h].253

Limburg geen table rase. Het komt uit een staat van volkomene vrijheid. Adres uit Limburg.254 630‑1290 kinderen ter school in 1830 en 1831. De b[ijbel].255 Met weinig moed. Ik toch geloof dat de gemengde scholen niet gemengd kunnen blijven.

A. Eenige gezegden beantwoorden.



B. De Memorie van toelichting256 nog nader toelichten.

Bedreigingen?257 54 jaren oud zonder die beschuldiging te verdienen. Spanning sedert jaren bij de roomsch‑catholijken; bijna algemeen petitionnement, door Z.M. tegengegaan.258 De démarche van de kerkvoogden door de beide koningen goedgekeurd. Aanmerking omtrent de justificatives, . . .259 Ik wil gelijke regten, geen voorregten. In Amsterdam zijn de catholijken tevreden: daar tusschenscholen. De weeshuizen zijn bijna overal in de groote steden. Voor de arm‑kinderen moet de staat zorgen. Art. 228.260 Aan de Wet van 1806 de rust [te danken] in 1830? Bedreigingen261, mishandelingen van geestelijken. Aan de geestelijken te danken dat de rust niet verder gestoord is geworden. Vooral aan de kerkelijke overheden. Die rust is gelijk met de verdraagzaamheid van 1795. Al ontstonden er nieuwe bezwaren, zou dit nog geene reden zijn om de vorige niet weg te nemen. Men vreest voor onverdraagzaamheid. Maar te Amsterdam, Utrecht, Amersfoort, Rotterdam bestaan eigene scholen. Wet van 1806. Beneficium non obtruditur.262 Ook mijne leer is liefde; gegrond op het geloof.263

Aard van het onderwijs. De godsdienst kan er niet van afgezonderd worden; matière mixte, in alle beschaafde landen. Hier te lande althans was school en kerk zeer naauw verbonden. Het onderwijs is in zoover ons terrein; hier is geen empiètement. Van Bomm[el, Exposé,] p. 169 bestrijdt ook ons264 monopolie. Ik zou niet durven zeggen dat de constitutionele staat geen godsdienst heeft. De staat heeft alle godsdienst.

Normaalschool.265 Hoe daar het godsdienstonderrigt? De godsdienst er uitbannen?! p. 465‑467.266 Daar althans moet de atmosphère religieuse267 zijn. Dus eigen normaalschool. Wij hebben vrijheid van onderwijs?268 In het rapport voor het Besluit van 2 aug. 1815269: hatelijk monopolie.269a Te veel en te weinig?270 Vaderlandsche geschiedenis. Onmogelijk in de gemengde scholen te behouden. Geene verandering van de Wet geprovoceerd? De Wet bij Besluit ingevoerd; maar toen de koning souverein was. Het spijt mij dat de pastoors zichzelven regt willen verschaffen; gevolg van de willekeur.271 Geen eigenlijk ultimatum nog. Doch zuivering en waarborg dat ze zoo blijven.272 Regt van eigene scholen; met waarborg voor het gouvernement. Partij?273 Uit den aard der zaak beschouwen wij de bezwaren uit verschillende oogpunten. Ik wil wel toezigt. Ik benadeel niemands belangen.274 Geene geldelijke bijdrage. Ik vraag275 voor allen. De hoofd‑commissie276 wil ik wegnemen.

Memorie.277 Eigen278 scholen zijn niet in strijd met de bestaande wetten, maar worden door dezelve veroorloofd: Art. 1: naar den aard dier scholen.279 Geen verbod.280 Slechts al te groote vermenigvuldiging vreest men. Nergens ontzegd om eigene scholen voor eene gezindheid op te rigten.281 Eigene scholen voor godshuizen, diaconieën, enz. Art. 226: Openbaar.282 De regering moet de middelen verschaffen tot eigene scholen.283 Art. 1: aard. Andere personen en collegiën. Splitsing tusschen de wet en de reglementen. Alteratiën mogelijk. Art. 7284: veranderde omstandigheden. Art. 16285: examen voor daartoe bevoegde collegiën of personen. Geen verbod in art. 12.286 Er zijn reeds scholen voor godsdienstige gezindheden: godshuizen, pensionaten, armscholen. Ook art. 3 van het Reglement.287

Natuurlijk, burgerlijk en kerkelijk regt. `De ouders moeten hunne kinderen ``opvoeden''': Art. 353, 369 Burgerlijk Wetboek. 288 Ook de grondwet: Art. 190.289 Uit de woorden openbaar en zorg in art. 226 blijkt dat de regering noch het regt, noch den pligt heeft om allen te onderwijzen.290 Zij moet waken en behulpzaam zijn dat er een voldoend onderwijs gegeven worde, overeenkomstig met art. 190, 191291 en 192292 der grondwet. Zij is verpligt de godsdienstige gezindheid ook in haar onderwijs te beschermen, en dus tot eigene scholen de middelen te verschaffen; en in allen gevalle mag zij geene belemmeringen daartegen stellen. Zij moet degenen onderschragen die haar taak dragelijk en gemakkelijk willen maken, verre van hen af te schrikken en hun tegen te streven.

Bij art. 228293 is zij gehouden in de godsdienstige opvoeding der behoeftigen, desnoods, geheel ten haren koste te voorzien.
2 januarij 1841.
a. Hoe zal de gemengde school ingerigt worden?

b. Welke waarborgen dat het onderwijs dat afgescheiden wordt, goed zal zijn?



c. Eigen scholen.293a
A. Zuivering van de scholen. Een positieve rigting ten goede, `L'instruction primaire comprend nécessairement l'instruction morale et religieuse': Wet in Frankrijk, anno 1833.294 Evenzoo in de projectwet in België, anno 1834.295 Bijvoeging: `l'enseignement de la religion est donné sous la direction de ses ministres.' Dus buiten het leerstellig onderrigt ook positief‑godsdienstige strekking. Dit toch ook bij ons; de school niet met den stempel der ongodsdienstigheid of der onchristelijkheid.

a. De gemengde school. Gebed, lofzang, toespraak, omgang.



b. Afzonderlijke uren; maar toch school. Bijbellezing, bijbelsche geschiedenis, geschiedenis van het vaderland. Protestantsche natie. Wij296 kunnen dit, ten gevalle der roomsch‑catholijken, niet uitwisschen. Straks, om de joden, geene christelijke natie meer.

B. Onderwijzer.



c. Leerstellig onderrigt. `Sous la direction des ministres.' Zelve kunnen zij297 niet. Wel dubbel getal zou noodig zijn. Door anderen. Waarom den onderwijzer uitsluiten? Inzonderheid voor b. Hij moet lidmaat298 zijn. Hij is onder het gedurig toezigt van den leeraar. Zou dat de band losser maken? Anders drie personen!299 Althans het onderwijs b zou, in den regel, door den onderwijzer moeten geschieden. Alles facultatief door mij gesteld.

Objectie: Hij kan liberaal‑gereformeerd zijn.

Refutatie: Het is te hopen dat hiertegen weldra eenige waarborg zal kunnen zijn. Dat er in dat opzigt, ook in het kerkwezen, verbetering plaatshebben zal. Ook de predikant kan het zijn.

Objectie: doopsgezinde welligt.

Refutatie: Ei, wat zwarigheid, zoo hij een christen is.

Althans het onderwijs a.300 Zelfs welligt het leerstellig onderrigt. Hij zou zich van dat punt301 onthouden. Hij zou leeren wat aan de belijdenissen van gereformeerden, lutherschen en doopsgezinden gemeen is. Het zou zelden gebeuren. De onderwijzer moet behooren tot de gezindheid welke de meerderheid heeft. Slechts twee hoofdgezindheden: de Roomsch‑Catholijke en de Hervormde kerk. Geenszins de protestantsche kerk. Van eene algemeene protestantsche maak ik mij geen regt denkbeeld; wel van onderscheidene christelijk‑protestantsche gezindheden: de hervormden, de lutherschen, enz. door bepaalde en stellige geloofsbelijdenissen gekarakterizeerd. Ik beschouw die gezindheden, in menig opzigt, als zeer naauw verwant; ik wensch dat de banden, op eene goede wijs, mogen toegehaald worden. Maar ik beschouw ze niet als zamengesmolten, ik hecht aan hetgeen de Hervormde kerk karakterizeert. Over vele voorzieningen zijn wij het nagenoeg eens: secundaire punten. Welligt bij de opmaking van het rapport afzonderlijk te behandelen. Het kostersambt. Nooit vereenigd; maar vereenigbaar.302 Art. 9 der grondwet303 veeleer in het voordeel. Centrale commissie voor de boeken. Ook de boeken voor de afzonderlijke uren. Schoolopziener geen leeraar?304 Die bijna‑verdubbeling der schoolopzieners welligt minder noodig, nevens de gemeentelijke schoolcommissie.304a Op de bijzondere scholen art. 22 en 23 van het Reglement305 niet toepasselijk. Moet er meer worden gedaan?
Prof. van der Hoeven plaatst achter art. 12 der Wet306, als belangrijke concessie, de vergunning tot het oprigten van diaconiescholen. Hierin geen beginsel van wetgeving, geen systema. Een geïsoleerd artikel. Een voorregt voor de gealimenteerden. Waarom moeten de gegoede burgers van erger conditie zijn? Eer eene locale bedoeling. Te Amsterdam vele kinderen alsnog zonder onderrigt. Maar aan de armbesturen zal die vergunning, behoudens toezigt en vergelijkend examen, niet worden geweigerd.

Maar is er meer noodig? Regt voor de kerkgenootschappen en de leden, volgens de leer van hun kerk, om eigene scholen te hebben?

1. De kerk heeft het regt om eigene scholen te hebben.

2. De leden eener gezindheid, overeenkomstig de belijdenis dier gezindheid.

3. De wetgeving van 1806 heeft deze regten miskend.

4. De teruggave dezer regten is in de tegenwoordige omstandigheden eene noodzakelijkheid geworden.

5. Dit zal niet de vernietiging van het onderwijs ten gevolge hebben.



6. Niet hierdoor zal tweedragt ontstaan.

7. De belangen der Roomsch‑Catholijke kerk niet.307
Ad primum.

Prof. Kist [heeft] met cordaatheid zijne beginsels opengelegd. Daardoor den voortgang der discussie merkelijk bevorderd. Onze denkbeelden [zijn] lijnregt strijdig. Liefde tot het vaderland en tot hetgeen wij goed achten verbindt ons; maar wij beschouwen den toestand van staat en kerk, van wetgeving, van onderwijs, uit een tegenovergesteld standpunt.308 Algemeene protestatie. De kerk is voor het godsdienstonderrigt aansprakelijk. Godsdienstonderrigt en vooral godsdienstige opvoeding is van het gansche lager onderwijs, is van de volksschool onafscheidelijk. Daarentegen wenscht de staat waarborgen te hebben voor de noodzakelijke kundigheden. Daarom is hier een terrain mixte309, waarop de staat haar aanstaande burgers, de kerk de kinderen van haar ledematen volgt. Staat en kerk beide hebben de bevoegdheid om scholen daar te stellen, maar onder weêrkeerig toezigt en zamenwerking. De kerk heeft toezigt over het onderwijs van staatswege, en, is het haar niet voldoende, dan rigt zij eigene instellingen op. De staat waakt over de scholen vanwege de kerk daargesteld; en, des noodig zijnde, rigt zij er betere op. In het lager onderwijs werd steeds het godsdienstige als het voornaamste beschouwd. Goede christenen goede burgers; ander onderrigt, hiervan verstoken, onnut, ja schadelijk. Daarom voornamelijk de zorg bij de kerk. De kerk was steeds bevoegd om eene eigene opvoeding te geven aan haar leden; en ook om die aan anderen aan te bieden. Verpligting; regtmatig proselytismus. Aan de christelijke kerk is gezegd: `Predikt het evangelie: gaat henen en onderwijst.'310 Die hoogere roeping geldt. Daar zou geene grondwet tegen kunnen [ingaan].

Zoo was het overal. Hier te lande. Art. 36 der Nederlandsche Geloofsbelijdenis.311 De scholen geheel naar den eisch der kerk. De magt van den staat ten behoeve der kerk; en als christelijke overheid, als hervormde overheid. Nu zou men aan eene overheid die, als zoodanig, niet anders dan, hoogstens, eene algemeen‑christelijke belijdenis heeft, een gezag willen opdragen, dat toen, de hervormde overheid niet had. Zelfs de partij der Staten312 is nooit zoover gegaan als prof. Kist. Eerst door de revolutionaire theoriën is de school gescheiden van de kerk.

Objectie: Jus majestaticum circa sacra.313

Refutatie: Neen: in sacra: want het betreft juist en regtstreeksch het geloof.

Hier de Memorie van den bisschop.314
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   78


Dovnload 7.64 Mb.