Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina60/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   56   57   58   59   60   61   62   63   ...   78

Maar nu de regten der volksvertegenwoordiging? Haar regelmatige bijeenkomst is onmisbaar; geen wet zonder haar toestemming, geene belasting dan die zij goedkeurt; zij heeft de toetsing der gansche huishouding van staat, toezigt over al wat het algemeen belang raakt. Zonder gemeen overleg geene verandering in de grondslagen van 's lands toestand, wetgeving en bestuur. Eene onderlinge verhouding, waarbij een gestadig streven naar verstandhouding en overeenstemming, maar nooit een zwichten hetzij van de kroon, hetzij van de volksvertegenwoordiging te pas komt.

Ook de regten der individuele vrijheid vinden bij Stahl krachtige voorspraak. En deze voorspraak was niet overtollig. Velen waren voor al wat naar vrijheden geleek beducht. Hij niet alzoo. Ten voorbeelde neem ik de vrijheid der drukpers. Stahl, beweert men, was voorstander van de censuur. Geenszins. Wel doet hij de overdrevenheid opmerken van de kreet die daartegen in het kamp der vrijzinnigen opgaat. Maar hij erkent en ontwikkelt ook de nadeelige strekking. Historisch hangt zij tezamen met de onderstelling dat het leiden der gedachten en het niet laten uitspreken van meeningen tegen de heerschende godsdienst of de rigting van het gouvernement tot de taak der overheid behoort. Hiertegen verzet men zich thans met regt. De beteekenis der censuur moet worden gezocht in bescherming tegen volksophitsing en tegen den aanval op de grondslagen der bestaande orde. Het voorstaan van elke politieke beschouwing, het oordeel over alle gebeurtenissen en maatregelen zij onverlet; maar niet het hartstogtelijk en oneerbiedig in beweging brengen van het volk. Elke godsdienstige en ook ongodsdienstige meening worde geuit; maar geen ligtzinnig aanranden en geen opzetten der lagere standen tegen het geloof. Er is onderscheid tusschen boeken en journalistiek. Dagbladen werken onmiddellijk, brengen de driften in vlam en het oproer op de been. Als de regering daar voorkomt, gaat ze niet buiten de grenzen van haar bevoegdheid. Desniettemin geeft Stahl, vooral in de tegenwoordige omstandigheden, aan het repressief systema de voorkeur. De vrije drukpers is op zichzelve een goed zooals ieder toestand van onbelemmerde werkzaamheid en ontvouwing. Dit moet, wanneer hooger belang het niet belet, het doel zijn. De tijd schijnt aanstaande dat, zelfs ter bescherming van het openbaar gezag, de vrijheid met behoorlijken waarborg meer dan preventieve maatregelen aanbevelenswaard is. Door den algemeenen weêrzin, deze moge dan gedeeltelijk uit vooroordeel ontstaan, is de censuur schier magteloos voor de haar opgelegde taak, en geeft haar aanzijn zelf, ofschoon van zeer weinig beteekenende waardij, aan de vijandige drukpers meer sterkte dan ze uit eigen krachten ontleent. Terwijl dikwijls beweerd wordt, dat alleen vrijheid der drukpers met een regtmatigen toestand overeenkomt, zeg ik omgekeerd: de censuur is in theorie allezins verdedigbaar, maar feitelijk wordt vrijstelling99 een onvermijdelijk waagstuk, dat, gelukt het, voorzeker een zonder eenige vergelijking gunstiger toestand dan nu onder de censuur teweegbrengt.100



Het was onder zijne antirevolutionaire geestverwanten niet enkel de school van Von Haller die tegen de onbekrompen rigting van Stahl omtrent het deelgenootschap der natie aan de regering bezwaar had. Velen en daaronder zeer achtbare mannen erkenden gaarne dat het thans niet meer om eene stendenvergadering, naar middeneeuwschen trant, enkel ter handhaving van eigen regten te doen was. Ook zij wilden eene staatsregtelijke oorkonde, eene constitutie waarbij de regering aan grondbeginselen ondergeschikt zijn zou, met verzekering tevens aan de stenden van een voortdurend en volledig inzigt in de huishouding van staat en van raadpleging over al hetgeen den burgerlijken regtstoestand betreft.

Raadpleging; dit, maar ook niet meer. Voor nieuwe belastingen zij toestemming vereischt; niet voor andere wetten. Raadgevende stenden; vooral in Pruissen behoort men niet verder te gaan. Het geldt hier geen zaak van weinig belang; het geldt de handhaving der monarchie. Het gewigt dezer beschouwing misken ik niet, schrijft Stahl, en in de onderstelling dat enkel raadgevende stenden zooveel veiliger zijn voor het koningschap, zou ik daarmeê eensgezind zijn. Maar de onderstelling zelve acht ik onjuist. Wanneer voor de onafhankelijkheid der kroon behoorlijk gezorgd is, dan zal het toestemmingsregt den staat niet in gevaar brengen; het gevaar zou te vreezen zijn enkel van den zedelijken invloed der door de stenden kenbaar gemaakte wenschen en deze is niet geringer wanneer de vergadering enkel raad geeft. Integendeel. Want juist dit enkel raad geven heeft een gedurigen strijd over de staatsregeling tot gevolg. Juist omdat de stenden het bewustzijn niet hebben van iets uit te rigten, van tot iets nuttig te zijn, streven zij naar uitbreiding van regt, en in de zedelijke werking van hun geopenbaarde meening ligt eene feitelijke magt waardoor telkens dit streven ondersteund wordt. De regering komt telkens in verlegenheid. Telkens in het jammerlijk alternatief van op den raad der stenden òf niet acht te slaan en alzoo te verbitteren, òf wel acht te slaan en van zwakheid te worden verdacht. Vooral wanneer wetten voorgelegd worden, waarvan de regering de zedelijke onmisbaarheid beweert, dan kan zij, als de vergadering afkeurt, ze niet doordrijven zonder haar populariteit, ze niet opgeven, zonder haar waardigheid te verliezen. Voorts komt er gestadige opgewondenheid in het land. Eene vergadering wier toestemming gevraagd wordt, weet dat zij aan het met kalmte uitgesproken neen genoeg heeft; maar bij enkel raad geven wordt de kracht geenszins in het neen op zichzelf, maar in de energie van dit neen gezocht. Men moet aan de regering toonen hoe zeer men geërgerd is door haar voorstel; men moet de publieke opinie te hulp roepen; men moet dag op dag met allerlei bespiegelingen effect maken; men moet den storm dien men opgewekt heeft, aan den gang houden, vermits men, zoodra de stilte terugkeert, met het tot stand komen van het ontwerp bedreigd wordt. Nu vallen deze bezwaren allen weg, wanneer eene regering, gelijk velen dit van haar wenschen, zoo groote veerkracht ontwikkelt dat ze altijd slechts naar eigen inzigt te werk gaat en aan den raad der stenden, alleen voor zoover zij zelve overtuigd is, gehoor geeft. Maar, al wenschen ook wij in de regering standvastigheid en energie, zoodanige voorbijzage komt met het doel ook van eene raadgevende vergadering niet overeen. Immers het oogmerk is dat aan de openbare meening tegenover de regering eenige invloed worde verleend. Meeningen en wenschen te leeren kennen, daarvoor alleen is zoodanige instelling niet noodig; daarvoor zijn middelen genoeg; en, wil de regering van den volkswil geheel vrij zijn, dan is het niet zeer verstandig aldus de openbaarmaking ervan uit te lokken.

Neen. Er zijn slechts twee inrigtingen waarin een waarborg van bestendigheid ligt. De zuiver monarchale, waarin de vorst alleen beslist en waarbij noch toestemming, noch ook regelmatige en noodzakelijke bijeenroeping van de stenden te pas komt. Waarom zou een koning die geen regtmatigen weêrstand zijner wetgevende magt erkent, tegenover zich een element vormen en inwijden dat hem, al is het zonder regt, een feitelijk dikwerf onverwinbaren weêrstand in den weg stelt. Of de constitutionele waarin de stenden als voor de volledigheid der regering onmisbaar voorkomen, en daar ligt het toestemmingsregt in het wezen der zaak. Daarentegen is het, althans in eene wijduitgestrekte monarchie twijfelachtig of stenden, aan wie altijd raad, maar niets dan raad, gevraagd wordt, eene mogelijkheid zij en of dergelijke proefneming niet onvermijdelijk in magteloosheid of overmagt der stenden eindigen zou. Stahl wilde den modernen staat op christelijk‑historischen grondslag. De getemperde monarchie, maar getemperd door een wezenlijk deelgenootschap der natie aan de behandeling van de publieke zaak.

Ook bij den koning vond zijne hoofdgedachte omtrent de gewijzigde roeping der stenden geen bijval. Dit bleek uit de zamenstelling van den Vereenigden Landdag in 1847. Stahl zegt in 1861 van die vergadering al het goede dat er van te zeggen valt. `Voor het eerst maakte men zich in Duitschland vrij van de gedwongenheid van het Fransche‑constitutiekeurslijf; het was eene staatsregeling die natuurlijk en historisch uit de Pruissische toestanden gevormd werd.'101 Maar met kieschheid voegt hij erbij: `Men kan erover twisten of het geraden was toen zoodanige vergadering in het leven te roepen, en of het niet beter geweest ware, kwam ze bijeen, haar vooraf reeds de periodieke zamenkomst en althans eenig stellig regt van toestemming te verzekeren.'102 Van toestemming; niet van raadgeving alleen.102a Men behoeft de openingsrede van den koning slechts in te zien om te ontwaren dat hij zich juist daartegen verklaart. `Mijn vader heeft in historisch‑Duitschen zin het werk aangevangen dat ik in dien zin alleen voortzet. Geen volksrepresentanten, geen belasting zonder toestemming. Iedereen weet sedert 24 jaren dat over alle wetten die vrijheid en eigendom betreffen, de stenden vooraf worden geraadpleegd.'103

De uitkomst was droevig. Er moest weldra aan de zitting een einde worden gemaakt. De revolutionaire denkbeelden werden uitgebazuind. Vooral verhief men zich tegen het denkbeeld van een christelijken staat. Voor alle gezindten, ook de joden, ook alle dissentiërs moesten de politieke regten gelijk zijn. Dit gaf aan Stahl aanleiding tot het geschrift Der christliche Staat.104 Het ware beginsel waarbij men eerbied voor het geweten met vasthouding aan de zedelijke staatseenheid paart, is gelijkheid van burgerlijke regten, terwijl men de politieke aan de staatsreligie verbindt. Dit treft de kern der zaak; dit is de oplossing van het vraagstuk voor alle tijden, wanneer niet door verwarring der toestanden eene andere bepaling noodzakelijk wordt. In zijn bijzonderen kring moet ieder in zijn geloof volkomen vrij zijn; maar de algemeene, de openbare instelling de s[taat]105 kan en mag alleen door hen worden bestuurd wier beschouwing met de zedelijke eigenaardigheid van het geheel overeenkomt.

Nu is uitzondering denkbaar. Nu kan ook aan de Israëlieten, ook aan de meer deïstische dan christelijke dissenters, politieke gelijkstelling worden verleend. Als exceptie, als gunst; onder voorwaarde en waarborg dat de staat in zijn christelijk levensbeginsel bij voortduring worde erkend; zooals in Engeland de emancipatie der roomsch‑catholijken het protestantsch karakter aan den staat niet ontnam. Maar geheel anders is het, wanneer de gelijkheid gevorderd wordt als een onvoorwaardelijk onafwijsbaar regt, op grond der verloochening van den christelijken staat, als overblijfsel van middeneeuwsche barbaarschheid, of als een raadselachtig en ijdel begrip. Dit geldt den hartader van het openbare leven, in staatsregeling, wetgeving, bestuur, verhouding van kerk en staat.

Niet om angstvallige ketterjagt is het te doen, maar om de instellingen eener christelijke natie in verband te houden met haar geloof. Er zijn sferen waarin uit de christelijke godsdienst eigen verordeningen ontstaan. Het huwelijk en de volksopvoeding. Dit zijn de levenswortelen der natie, de grondzuilen van den staat. Daaromtrent geeft het evangelie duidelijke voorschriften, waaraan ook de openbare orde zich, zonder zware verzondiging van volk en overheid niet vermag te onttrekken. Voor de echt haar onoplosbaarheid, waar tegenover het streven der ongeloovige wijsbegeerte bekend is. Voor de opvoeding de christelijke vorming, zoodat niet slechts het godsdienstonderrigt christelijk, maar ook het overige met de godsdienst in verband zij; zoodat èn op christelijken bodem gebouwd en vooral ook op de persoonlijkheid van den onderwijzer gelet worde. De staat moet de christelijke huisvaders in de gelegenheid stellen om een onderrigt aan de kinderen te geven overeenkomstig hun geloof. De staat moet, als zoodanig, getuigenis geven aan het christendom. De staat moet, in zijn eigen belang, zorg dragen voor de kerk.

Alleen de christelijke staat kan waarlijk constitutioneel zijn. Vereeniging van gezag en vrijheid is buiten het christelijk beginsel niet denkbaar. Dan is er niet dan de souvereine volkswil. Dan is er geen koninklijk gezag dan als centralisering van den volkswil. De feitelijke onuitvoerlijkheid der volkssouvereiniteit wordt erkend; het beginsel leeft in de harten. Waar geen geheiligd gezag is, waar het bij de gratie Gods wegvalt, daar ontvalt aan de geheele conservatieve rigting haar steunpunt. De bestaande orde, de verkregen regten, het behoud zonder christelijk beginsel zijn niet dan de vis inertiae die, door haar tegenhouden, zelf den aandrang tergt en sterkt waarvoor ze bezwijkt.106 Neemt in de natie de loswording van het christelijk geloof, die zich nu zoo magtig betoont, nog toe, houden de openbare instellingen op het christendom ten rigtsnoer te hebben, dan kan ook voor het koningschap geen ontzag meer worden bewaard, dan verkrijgen wij, in onvermijdelijke ontwikkeling, niet een constitutionelen, maar een democratischen staat.106a

`Neem uit de openbare instellingen het christelijke openbaringsgeloof weg, snijd de levenssappen geheel af die nog uit de kerk den staat toestroomen en begunstig de voorstelling dat de mensch zich uit de rede zijn godsdienst te vormen heeft, zoo zal weldra ook de vrucht van christelijke beschaving op elk gebied tevergeefs worden gezocht. Men zal zich evenmin ten aanzien van het eigendomsregt tegen den socialistischen drang kunnen verdedigen als men nu tegen de politisch‑radicalen bestand is. Men zal geen bewustzijn meer hebben van ontzag voor een gegeven, toevallig en dus door goddelijke beschikking verkregen eigendom waarover de vereeniging106b niet naar verstandig uitgedachte regels beschikt, evenmin als men nu begrip heeft voor een koning die door de genade Gods en naar zijne geboden en niet door en naar den volkswil regeert.'106c

`Het is nog slechts het overblijfsel van christelijk geloof en van gewoonte aan de[n] alouden daarop gevestigden toestand dat106d het koningschap vooralsnog schraagt107; maar dit verdwijnt met elken dag en men ziet duidelijk het oogenblik genaken, waarop deze verrotte pylaren, van den stroom der nieuwe denkwijs doorwoeld, wegzinken. Ieder blik geworpen op de drukpers of op de beraadslagingen der stenden, daar waar men geen alvermogende monarchie tegenover zich heeft, wijst in Duitschland op dit dreigend gevaar.'108

Laat ons zien hoe Stahl zelf zijne rigting in 1845 karakterizeert.

Ik ben noch revolutionair, noch reactionair. `Mijn uitgangspunt, ja, is het goddelijk regt der overheid, de legitimiteit, de souvereiniteit des vorsten; maar, juist door de dieper opvatting van deze grondslagen van elk staatsverband, kom ik tot de onmisbaarheid van het constitutioneel beginsel, het gemeen[e]bestelijke in staatsregeling en bestuur, en tot de ontwikkeling van hetgeen vroeger de stenden geweest zijn, volgens het moderne denkbeeld van de eenheid der natie, in tegenstelling evenzeer109 met den tijdgeest die deze inrigtingen enkel op den bodem der volkssouvereiniteit en daarom zonder eenige beperking begeert, als met de reactionaire leer die ze verwerpt. Ik wil het gezag èn de vrijheid, en dit is aller wensch; maar ik wil het gezag en orde niet als voortbrengsel van de vrijheid, maar als van hooger oorsprong, vóór de vrijheid en boven de vrijheid, en desniettemin wordt ook door mij de vrijheid begeerd. Uit verschillende, ja geheel strijdige rigting, geraken wij tot dezelfde uitkomst. Stellig gekant tegen het grondbeginsel der liberale partij, zoek ik voor verscheidene en belangrijke uitkomsten van haar stelsel, waarin door mijne geestverwanten enkel dwaling gezien wordt, geen vrijwaring, maar zuivering en grens.'110

Dit werd hem toegerekend als een heulen met de vrijzinnigheid, als eene beginsellooze halfheid. `Het verwijt dat ik aldus zelf medepligtig word aan den politischen afval onzer dagen, beantwoord ik met de vraag: wanneer die afval begint en welke politieke toestand verdiend zou hebben dat men daarin geene verandering bragt. Is dit tijdstip niet aanwijsbaar, dan mag de hervormingstaak ook van onze eeuw met de haar eigene vormen niet afgewezen, maar slechts in het regte spoor worden geleid. Dit weet ik ook wel dat, uit den aard der zaak zoowel als naar de historische ervaring, het zoogenaamde juiste midden geen hoûvast heeft, en overal de girondijn voor de jacobijn zwicht. Maar eene beschouwing, in bijzonderheden uiteengezet en zelfstandig afgeleid uit één beginsel, is geen bloot juste milieu. Het regtmatig gezag op te heffen en dan nog aan den losgelaten volkswil maat en perk te willen voorschrijven is iets anders dan het regtmatig gezag op den voorgrond te stellen en van daar uit eene medewerking van het volk te begeeren die door vaste grenzen beperkt zij.'111 `De sluimerende zin voor de miskende waarheid is eindelijk weder ontwaakt; het christelijk geloof is in veler harten wedergekeerd. Doch, nu wij aan het opbouwen willen gaan van hetgeen de vrijzinnige rigting gesloopt heeft, moeten wij niet sloopen wat door haar gebouwd is: het regt van den mensch, de zelfwerkzaamheid der natie, de duidelijk omschreven staatsregeling, het openbaar karakter van den staat'.112



`Maar, zegt men, ik vergeet dat de beweging onzer dagen slechts de voortzetting is van hetgeen de Reformatie begon. De Reformatie (daargelaten haar meer bepaaldelijk godsdienstige strekking) heeft de vrijmaking van het individu gewild; maar zij zag niet voorbij dat de mensch tot een hooger dan aardsche sfeer behoort en daarin alleen, niet buiten haar, door zichzelf, vrij kan worden en dat de bodem waarop hij staat, zonder zijn eigen toedoen gelegd is. Voor de Reformatie is overal het bovenmenschelijk gegevene het eerste en onafwijsbare, de menschelijke daad het tweede, levendige, innerlijke toeëigening, geene schepping. Zij wilde in de kerk geene vrijheid die zich van de goddelijke openbaring losmaakt, geene eindelooze ontwikkeling, zonder gegeven onveranderlijken, volledigen inhoud, geene prijsgeving van de kerk, in leer en orde, aan de meening der individuen of aan den telkens veranderlijken wil der gemeente. Daarom is ook die politieke rigting niet in, maar tegen de geest der Reformatie, welke zich aan het historisch gegevene regt en de wettige overheid niet stoort, in de plaats der orde die in zichzelf verbindende kracht heeft, den wil der meerderheid stelt, en niet aan het bovenmenschelijke, maar aan het menschelijke den eersten rang geeft. Maar de Reformatie heeft ook gewild dat Gods Woord en de heilswaarheid die de kerk belijdt tot den enkele kome niet door bloot uitwendig gezag, maar door het getuigenis van het eigen hart; dat de gemeente een levendige vorm zij dezer waarheid; met eigen oordeel, met eigen weêrstand tegen haar vervalsching, met eigen werkzaamheid ook ter regeling van de kerk in gemeen overleg met haar bestuur. Evenzoo moet ook op politiek terrein de zamenleving niet uitsluitend naar het oordeel der overheid en onder haar verantwoordelijkheid voor God worden beheerscht, maar onmiddellijk onder eene zedelijke orde staan die tevens in het bewustzijn der natie (als der politische gemeente) zetelt, zoodat deze niet enkel uiterlijk en lijdelijk gehoorzame, maar in deelgenootschap aan de regeling en handhaving ook van het burgerlijk bestuur. De zedelijke grondslag der kerk is het Woord Gods en de regtmatige kerkinrigting voor zoover ze tegen dat Woord niet strijdt; de zedelijke grondslag van den staat is de wettige overheid en de historisch overgeleverde staatsregeling. Deze is vóór de gemeente of natie; boven haar; de natie is eraan ondergeschikt; zij kan daarin, voor zoover het goddelijk is, volstrekt geene, voor zoover het menschelijk is, alleen eene met haar eigen aard overeenkomstige verandering brengen. In de kerk en in de zamenleving moeten de geopenbaarde waarheid en de staat in zijn orde en onafgebrokenheid, als gegeven, als hooger, als bindend over de menschen heerschen; maar niet enkel als eene uitwendige magt, tevens als geestelijk met dengene die gehoorzaamt vereenzelvigd. De heilige inhoud moet meer en meer in het meest innerlijke brandpunt der persoonlijkheid worden opgenomen om van daar uit een weerstraling te geven die tot haar eigen wezen behoort. Dit is het doel waar ook de beweging heen wil, doch waarvan zij, dewijl zij het eerste, den bindenden inhoud, prijsgeeft, telkens verder afwijkt.'113

Voor de conservatieven ging Stahl te ver; voor de gematigde vrijzinnigen niet ver genoeg. Te dier114 tijd was een hunner uitstekendste woordvoerders de hoogleeraar Dahlmann, vroeger te Göttingen, later te Bonn; door zijne geschriften over historie en staatsregt toen zeer vermaard, een orakel van hen die met bedaarden gang langs een verkeerd spoor vooruit willen. Merkwaardig is zijn oordeel over Stahl, zoowel om den lof als om de kritiek. In 1847, in de derde uitgave zijner Politiek op den bodem en naar de maat der gegeven toestanden115 maakt hij eerst eenige niet onjuiste bedenkingen tegen de stelsels van De Bonald, Le Maistre, Adam Müller, Frederik Schlegel, vooral ook tegen Von Haller. Daarna bejammert hij dat het aan de Duitsche filosofen van den eersten rang niet gelukt is, in de groote vragen waarover thans getwist wordt, gelijk Leibnitz deed, te interveniëren met praktischen invloed. `Kant en Fichte, hoe vaderlandschgezind en vrijmoedig ook, gaan in hun edele ontwerpen verder dan onze tijd, misschien zelfs dan de menschelijke aanleg gedoogt. Schelling heeft zich niet willen begeven op die baan; voor Schleiermacher heeft men de taak al te zeer verzwaard. In Hegels diepzinnige schriften weet ik den draad niet te vatten welke eenheid in alle zijne politische gedaantewisselingen brengt.'116 Nu ligt, let wel, in deze opnoeming der wijsgeeren van den eersten rang, Stahl aan de beurt. `Des te onbewimpelder komt Julius Stahl voor zijn gevoelen uit. Aan dezen moet men het regt laten weêrvaren van te erkennen dat hij den grenslijn tusschen den modernen staat en den staat der middeneeuwen met zekerheid weet te trekken en dat hij daarom aan de kinderachtige verkettering van het representatieve stelsel geen deel neemt'; `maar', dus gaat Dahlmann spottenderwijs voort, `geen sterveling overtreft hem in angstvalligheid voor het onheil dat deze eenvoudige waarheid zou stichten, indien men ze in de wereld vrij uitstroomen liet. Daarom is zijn recept politieke vrijheid met homoiopathische druppels. Er steekt een budget en eene ministeriële verantwoordelijkheid en wat niet al in, maar zoo verdund dat men ze in het mengsel niet meer herkent.'117

In 1848 heeft de vrije uitstrooming niet ontbroken welke in 1847 Dahlmann begeerd had. Met welk gevolg? Dat de waardij der wederzijdsche beginselen de vuurproef der praktijk moest ondergaan, dat in den werkkring der politiek het onvermogen van Dahlmann en de kracht van Stahl openbaar werd.
V

Stahl had de onvermijdelijkheid eener uitbarsting als die van 1848 voorspeld. Ook later heeft hij telkens herinnerd dat de oorzaak niet ligt in een toevalligen zamenloop van omstandigheden, niet in deze of gene feil, in dit of dat verzuim, maar in beginselloosheid, in de zonden van het volk en vooral ook van hen die, door ambt en roeping, met de handhaving van regt en waarheid belast zijn. `Het is een jammerlijke dwaling te meenen dat de ramp van 1848 alleen in de geringe misgreep haar grond heeft, dat men een weinigbeduidenden volksoploop niet met behoorlijke veerkracht van bajonetten en schrootvuur ternedergeslagen heeft; te meenen dat iets dergelijks niet wederom zou kunnen gebeuren, sedert Cavaignac en Changarnier in de militaire kunst van het vernielen der barricaden wel geslaagd zijn, en sedert de staatslieden het doen van concessiën hebben afgeleerd. Die ramp - noem ze oploop of revolutie - was een godsgerigt, niet over de zonden van het volk alleen, maar ook over de zonden der overheid. Juist hierin dat krachten zoo onbeduidend eene beroering zoo vreesselijk hebben bewerkt, dat konings‑ en keizerstroonen door legers ondersteund, voor een handvol arbeiders of studenten zijn gevallen, ligt van die welverdiende straf het bewijs. Zonde der overheid is het buiten twijfel, wanneer zij, om volksgunst te verwerven of ook uit vrees het van God verleende gezag ongebruikt laat, en in de ruimste mate is toen die zonde gepleegd. Maar niet minder zonde der overheid is het, wanneer zij zich over regt en eed heen zet, voor den door God verordenden weg van instelling en wet, die geduld en volharding eischt, den eigendunkelijken weg van geweld kiest, of ook met het ambt dat aan het algemeen belang gewijd is, als met een eigen goed ten dienste van eigen wil en eigenbaat woekert. Niet minder zonde der overheid is het de eer van den waren God en van zijne openbaring en het regt der daarop gevestigde kerken prijs te geven aan de tijdelijke meening der menschen, en eigenmagtig spel te drijven met heilige zaken, is het de ergste zonde der overheid onregt tegen de menschen te begaan en de daaruit geboren ongunst door onregt jegens God, door heulen met het ongeloof te willen wegnemen.'118 Wel mogt Stahl er bijvoegen: `Aan geene dezer zonden ben ik, door woord of daad, in Pruissen of elders, in mijne openbare of niet openbaar geworden handelingen ooit willens en wetens, bevorderlijk geweest.'119

1   ...   56   57   58   59   60   61   62   63   ...   78


Dovnload 7.64 Mb.