Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina62/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   58   59   60   61   62   63   64   65   ...   78

Zoodanig was de theorie van Stahl. Laat ons nu zien, hoe hij zelf, als lid der wetgevende vergaderingen, zijne lessen in toepassing gebragt heeft.


VI

Men152 heeft wel eens beweerd dat het beter geweest ware, indien hij zich tot het overdenken en onderwijzen van wijsgeerig staatsregt had bepaald en nooit als handelend persoon op het staatstooneel ware opgetreden. Een mensch is in den regel voor twee heterogene zaken niet berekend. De gouddelver werkt niet aan het munten der speciën. Ik kan dit niet beâmen. Deze twee dingen staatsregt en staatsleven zijn niet heterogeen. Er is de meest innige verwantschap tusschen leer en praktijk. Ik verlang de proef op de som. De kracht van het wapen moet in den strijd, de deugdelijkheid der beginsels in de toepassing worden gestaafd. Het woord is het steunpunt voor de daad en wederkeerig de daad bevestigt het woord. Bij de laatste uitgave van zijn Staatsregt heeft Stahl telkens naar zijne redevoeringen verwezen: `eendeels', schrijft hij, `omdat daarin, ten gevolge der verheffing en spanning van het oogenblik mijne grondbeginselen dikwerf met meer aanschouwelijkheid en warmte zijn opengelegd dan in een schriftelijken arbeid mogelijk is; anderdeels ter aanwijzing van de doorgaande overeenstemming van wetenschap en eigen gedrag; ter regtvaardiging èn van mijne leer door het gebruik, èn van mijn gedrag door de getrouwheid aan overtuigingen, die ik reeds lang tevoren had geopenbaard.'153

In 1845154 (bij de tweede uitgaaf) besloot hij zijn voorberigt aldus: `Ik beroem mij niet de regte stuurman te zijn, die staat en kerk door de klippen en stormen van dezen tijd zou kunnen in veiligheid brengen; maar ik geloof dat mijn kompas het ware is, en dat ik in de rigting zeil waardoor men naar de haven geleid wordt.'155 In 1856 was het reeds gebleken niet slechts dat kompas en rigting goed was, maar ook dat hij de stuurmanskunst verstond. Immers hij was het erkende hoofd, de leidsman, de ziel van die kleine partij welke onder zijn aanvoering eene magtige partij werd, door welke vooral na de schriktooneelen van 1848, orde en regt en vrijheid in Pruissen hersteld en gehandhaafd zijn tot op den huidigen dag.

Drie tijdperken zijn er: het eerste, de jaren 1849 en 1850, toen het bestuur eendragtig met de conservatieve partij kracht en aanzien herwon; 1851 tot 1857, toen het, door verdeeldheid der conservatieven, verzwakt werd; 1857 tot 1861, toen de nieuwe regent156, in overleg met de eenigzins afgeweken conservatieven, aan de meer vrijzinnige rigting de hand gereikt heeft.

Stahl zelf zond in 1850 zijne Adviezen157 in het licht. Daaraan hebben wij te danken, in eene meesterlijke voorrede, de korte en meer populaire opgaaf der denkbeelden die hem in die twee jaren van wederopbouw tot leiddraad geweest zijn. `Ik wil de ware constitutionele monarchie. Maar de vraag is: moet ze op de volkssouvereiniteit of op het goddelijk regt der overheid gegrond zijn? Een derde grondslag is er niet. De vrijzinnigheid wil een volk dat souverein is, een volksvertegenwoordiging die de wet geeft, een koning die uitvoert. Voor ons is de koning souverein, de Kamers nemen deel aan de wetgeving, terwijl ook zij tot wachters over de wetten gesteld zijn; het volk is onderdaan, maar met onverbrekelijke staatsburgerlijke en politieke regten. Voor hen is de ontbinding der Kamers een beroep op het souvereine volk, dat in laatste instantie beslist. Voor ons is de ontbinding enkel eene poging om zich beter te verstaan en een waarborg tegen de bevestiging eener vreemdsoortige magt tusschen koning en volk; maar de koning is evenzeer boven de kiezers als boven de Kamers; het veto en de vrije regering heeft hij tegen beiden binnen de grenzen van den ook voor hem door wet en grondwet afgebakenden kring. Bij hen komt alles op de meerderheid aan, van de Kamers of de kiezers; bij ons is er in den koning een gegeven gezag, niet van grenzenloos geweld, maar wel van onverbreekbaren weêrstand, dat kan worden beperkt en geïnfluenceerd, maar niet gedwongen en terzijde gesteld. Voor hen is stembus en optelling het innerlijkste heiligdom van den staat; voor ons dat boven het volk verheven persoonlijk gezag hetwelk zijn oorsprong en wettiging heeft in de leiding en ordening Gods.

Die leer komt met zedelijk beginsel en historische ontwikkeling overeen. De staatseenheid wordt gevormd door vereeniging van het regt der stenden met de zelfstandigheid der kroon. In Pruissen is er constitutionele monarchie, maar niet parlementair bewind. De magt der volksvertegenwoordiging kan zeer uitgestrekt zijn, zonder dat koning en ministerie, magteloos, aan haar leiding en dwang overgeleverd zijn. De monarchie moet niet ontaarden in republiek. Maar de tegenstelling ligt dieper. Het liberalisme heeft in het rationalisme zijn wortel. In het rationalisme dat den mensch van alle werkelijkheid over en buiten hem, van natuur, geschiedenis, van God zelf vrijmaakt om enkel te steunen op eigen rede en eigen wil; dat de waarheden der godsdienst niet door Gods openbaring wil ontvangen, maar ze wil uitvinden door eigen denken; dat den staat niet wil aannemen als het voor verbetering vatbare werk der voorgeslachten, maar alles van meet af aan wil herbouwen naar eigen plan en eigen verstand; dat daarom al het gewas van natuur en geschiedenis uitroeit en de menigvuldigheid des werkelijken levens die het niet begrijpt, vernietigt om ze, zoo mogelijk, naar de doodsche eenvormigheid van zijn willekeurig bestek te herscheppen.

De verderfelijkheid dezer rigting is in de geschiedenis onzer eeuw en onzer dagen overvloedig blijkbaar. Daartegen stellen wij geen vorstelijk absolutisme of weêrzin tegen beschaving, geen stationaire politiek, maar de volheid van het werkelijke leven en de heiligheid der zedelijke wereldorde met haar eisschen en geboden en bovenal het christendom in betrekking tot het leven der natie en de inrigtingen van den staat. Het middenpunt van den algemeenen afval ligt in het gebied van de godsdienst. Daarom is er geen heil en geen redding dan in terugkeering tot het christelijk geloof. Hier is het geen confessioneel christendom dat ik bedoel. Zelfs katholijken en protestanten kunnen zich de hand reiken in den strijd tegen den algemeenen vijand. Maar wel bedoel ik het wezenlijke christendom, het oorspronkelijke eenvoudige christelijke geloof, gelijk de christelijke kerk sedert achttien eeuwen het in alle haar belijdenissen hoofdzakelijk vermeldt; niet het vermeende christendom door valsche Duitsche wijsbegeerte en godgeleerdheid gevormd en waardoor ze geen minder schuld op zich hebben geladen dan Voltaire en Rousseau. Door het verdraaijen van de leer, door het loochenen van de feiten der openbaring wordt, gelijk door de Fransche constitutionelen het koningschap, door de Duitsche neologen het christendom geëscamoteerd. Het ware christendom op te dringen dat gaat niet; dit weten wij en we zullen geen maatregel voorstaan die dit bedoelt; maar wij willen het belijden voor de menschen158 en wij willen het in de openbare instellingen behouden. Vandaar ons verzet tegen scheiding van staat en kerk, tegen ontchristelijking van de school, tegen het burgerlijk huwelijk, tegen de vermeestering van de kerkelijke goederen, tegen de poging om de protestantsche kerk door algemeen stemregt te ontbinden. Hier is onafscheidelijkheid van godsdienst en politiek. Men kan niet tevens behoudsman in den staat en slooper in de kerk zijn, niet voor de orde die van God en tegen het geloof dat van God is. Voor troon en altaar in onderling verband, of voor de revolutie. Hierop komt de strijd en keus neêr.'159 Ik kan geen beredeneerd overzigt leveren der Adviezen. Ik wil slechts met een enkelen trek toonen hoe Stahl tegenover het voortwoelen van de revolutionairen pal stond en daarna de steunpunten aanwijzen waarop hij de gewijzigde orde van zaken gevestigd heeft.

Berlijn was in 1849 nog in staat van beleg. Dit moest, in maart reeds, volgens de vrijzinnigen, ophouden. Zonder de flaauwhartigheid eener moedelooze bevolking zou sedert lang die geweldige verdrukking ondragelijk zijn. `Neen, was het antwoord, het is geen verslapping dat men zich schikt in dergelijken toestand. Met blijdschap heeft men dien toestand begroet, als redding van erger kwaad. Het drukkende van een beleg is ons zeer wel bekend; maar het dagteekent niet van 10 november, het heeft van maart tot 10 november geduurd. Toen was de stad omringd van regeringloosheid, toen waren de gemoederen in angstige spanning, toen riep de alarmklok dagelijks den vreedzamen burger te wapen, toen vroeg men zich dagelijks of de vijand in de stad was. Neen, niet het beleg, maar het ontzet hebben de troepen ons gebragt. Hef den maatregel op, en straks zult gij u weder bevinden in den belegeringstoestand der anarchie.'160

Voorts verzette Stahl zich tegen elke poging om de vroegere orde van zaken te herstellen, en ook tegen de staatkunde die bijvoorbeeld in Oostenrijk, onder het ministerie Von Schwarzenberg, op het spoor der Napoleontische politiek, gevold werd, om door centralisatie en bureaucratie, met of zonder schijn van vrijheid, de volken te bedwingen. Wat hij bedoeld en bereikt heeft, was het tot stand komen eener constitutionele monarchie op christelijk‑historischen grondslag.

Scheiding, onderscheiding althans van kerk en staat, onafhankelijkheid van beiden in eigen sfeer; maar ook zamenwerking en gemeen overleg. Geen scheuring van godsdienst en staat, zoodat er in wetgeving en bestuur op het geloof der bevolking niet meer gelet wordt. Voor de individuele godsdienstvrijheid werd in de nieuwe staatsregeling gezorgd. `De vrijheid van belijdenis, van vereeniging tot godsdienstige genootschappen, en van gemeenschappelijke openbare godsdienstoefening wordt gewaarborgd. Het genot van de burgerlijke en staatsburgerlijke regten is onafhankelijk van de godsdienstige belijdenis en van het lidmaatschap eener kerk. Aan de burgerlijke en staatsburgerlijke pligten mag door de uitoefening der godsdienstvrijheid geen afbreuk worden gedaan.'161 Maar nu moest, nevens de vrijheid voor het individu, ook het regt der christelijke natie op overeenstemming der openbare instellingen met haar behoeften worden gehandhaafd. `De christelijke godsdienst wordt bij die inrigtingen van den staat welke met de godsdienst in zamenhang zijn, met inachtneming der gewaarborgde godsdienstvrijheid, ten grondslage gelegd.'162 Niet omdat de staat zich de beslissing aanmatigt over hetgeen de godsdienst betreft, maar omdat de staat zich daarvan onthoudt, en dientengevolge den regtmatigen invloed der christelijke kerk erkent. Gewetensvrijheid, maar ook eerbiediging van het regt eener christelijke natie. Vrijheid van bijzonder onderwijs, maar christelijkheid der openbare school. Onder de uitnemendste adviezen van Stahl behooren die welke hij in 1849 over de scheiding van kerk en staat en over het confessioneel karakter der volksschool uitsprak. Het slot der eerste luidt aldus.162a Wat de openbare school aangaat, herinnert Stahl dat de vrijheid van bijzondere scholen voor de overgroote meerderheid der bevolking niets beteekent en dat, wanneer de volksschool, waaraan zij gebonden is, niet christelijk, niet confessioneel behoeft te zijn, dit op voorbeeldeloozen gewetensdwang uitloopt.162b Dat de strijd ook op paedagogisch gebied is tusschen positief‑christelijk geloof en een algemeene godsdienst waarin het christendom teniet gaat. `Laat', zegt hij, `de band tusschen kerk en staat losser worden gemaakt; maar hoed u dien te verbreken; hoed u bovenal voor scheiding tusschen kerk en school.'163

Voorts wilde Stahl, als onmisbaar, de zelfstandigheid der kroon. Deze valt weg, zoodra de volksvertegenwoordiging tot verwerping van het budget, ter verkrijging van bijoogmerken bevoegd is. In de staatsregeling van 1848 was bepaald: `De heffing der bestaande belastingen gaat voort, zoolang er geene verandering bij de wet plaatsheeft.'164 Dit was, zeide men, miskenning van een axioma van het constitutionele staatsregt. Dit moest bij de herziening wegvallen. De Tweede Kamer streek het weg. In de Eerste Kamer werd door de commissie ad hoc in denzelfden zin geadviseerd. Daarover ontstond een levendig debat, ten gevolge waarvan de Kamer tot het onveranderd blijven der gewigtige bepaling besloot. Meesterlijk is de wijs waarop Stahl de dwaasheid en de verderfelijkheid van dergelijk regt in het licht stelt. `Men verlangt het voor het evenwigt der magten; maar dit is geen invloed, maar dictatuur der Kamers, geen evenwigt, maar alleenheersching. De koning kan de Kamers ontbinden, ja, maar de koning is en blijft dan de uitvoeringsbeambte der kiezers, de gehoorzame onderdaan van het souvereine volk. Dit is de kern der zaak. Stapel nu opeen alle praerogativen van de kroon: het veto, het opperbevel over het leger, de aanstelling

der ambtenaren en wat niet al; met de verwerping van het budget heeft men de regering aan den band; zij kan van geene dezer bevoegdheden gebruik maken dan naar den wenk van de Kamers. Zooals de constitutionele monarchie in vele geesten zich afspiegelt, is de constitutionele koning inderdaad niets meer dan een automaat, dien de Kamers met de onzigtbare draad der dreigende budgetverwerping in beweging zetten en die er uitziet alsof hij uit eigen overtuiging handelt, ja een vrij regent is. En waarschijnlijk zal het ook zoo gebeuren. Niet bij iedere botsing en voor elken wensch zullen de Kamers naar de donderbus grijpen, maar voorzeker wel ter doordrijving van het beginsel dat de kroon aan de meerderheid der Kamers gehoorzamen moet en gehoorzamen zal.



Het valt ligt te zeggen: er wordt geen gebruik van gemaakt. Het is er aldus meê. Als de kroon zich aan de Kamers gevangen gegeven heeft, dan maakt men er geen gebruik van, omdat het oogmerk bereikt is. Toen Karel X weigerde een impopulair ministerie165 te ontslaan, toen dreigden oppositie en drukpers met budgetverwerping; dat drong hem tot ordonnantiën die hem den troon hebben gekost. Daarentegen sedert Lodewijk Filips feitelijk en regtens het oppergezag der Kamers erkent, waartegen niet meer de waardigheid van het koningschap in eene den koning onwaardige intrigue gesteld werd, sedert dien tijd is er in Frankrijk, het is zoo, aan het regt van budgetverwerping niet meer gedacht. Als het koningschap is overwonnen, dan wordt het wapen, waarmeê men gezegevierd166 heeft, opgehangen. Daarom is hier de grenslijn tusschen schijnkoningschap en getemperde monarchie, tusschen constitutionele monarchie en gemaskeerde republiek.

Vroeger, ja, gaven of behielden de stenden hun geld; maar toen werd ook, naar goedvinden, door den vorst over domeinen en regaliën beschikt. De stenden konden aan den vorst zeggen: wij willen u niets geven; zie zelf vanwaar gij soldaten en beambten verkrijgt; maar de vorst kon167 ook zeggen aan de stenden: ik wil nu mijne eigen inkomsten niet voor wegen en scholen besteden; ik geef ze uit voor mijn jagtliefhebberij en ter verfraaijing van mijn park. Maar in de constitutionele monarchie is het niet meer zoo. Daar is eene gezamenlijke huishouding van staat. Daar komt geen willekeur noch van den vorst over de domeinen, noch van de volksvertegenwoordiging in het al dan niet voorzien in de staatsbehoeften te pas. Constitutioneel is het niet dat het volk magt hebbe over den koning; maar constitutioneel is het wel dat de staat als eene hoogere orde en noodzakelijkheid over koning en volk, en waaraan beide gebonden zijn, worde erkend. Men verwart constitutionele monarchie en parlementair gouvernement; dat is: souvereiniteit der Kamermeerderheid en de stelling dat de koning heerscht en niet regeert.168 In Engeland is het regt van weigering een overblijfsel der middeneeuwen in een land waar het parlement, ten gevolge eener historische en eigenaardige ontwikkeling, het overwigt heeft. Hier wordt het met opzet als een wapen der revolutie, als een middel ter vernietiging van het koningschap, begeerd.'169

Derhalve, met terzijdestelling van den democratischen of socialistischen waanzin, een koning bij de gratie Gods, een koningschap dat voor geen meerderheid van Kamers of kiezers zwicht, maar ook wetgevende Kamers en een volksinvloed waarin vorstelijke willekeur een onoverkomenlijk beletsel ontmoet; een koningschap beperkt, niet ontzenuwd, geen onderverdeeling van de republiek. Ziedaar wat Pruissen aldus verkreeg.170 Zelfs in een vrijzinnig overzigt der geschiedenis van Pruissen werd onlangs gezegd: `La constitution de 1850 devint le compromis entre le pouvoir absolu du roi et les tendances libérales de la nation. Cette charte faisait une part assez juste et à la liberté et aux principes monarchiques, roi et peuple auraient pu s'en accommoder pendant de longues années sans y apporter de grands changemens.'171
VII

Maar, zoo leest men onmiddellijk verder: `à peine la charte eut‑elle reçu la consécration du serment royal, que le parti de la noblesse annonça ouvertement l'intention de faire une guerre à outrance à cette loi fondamentale. Il tint parole.'172 Van 1850‑1857 is er onder het ministerie Manteuffel een gestadige toeleg geweest om, met behoud der constitutionele vormen, een bureaucratisch gouvernement dienstbaar te maken aan de overdreven eisschen eener baatzuchtige en kleingeestige aristocratie. Dat zijn de jaren geweest der zegepraal van de zoogenaamde jonkerpartij, voor wier belangen Stahl geijverd en tegen welke zijn edele vriend en bondgenoot Von Bethmann‑Hollweg zich met billijke verontwaardiging verzet heeft.

Laat ons reeds terstond in het oog houden dat Stahl, tot na 1850, zich tegen elk reactionair verlaten van den bij de staatsregeling zelve aangewezen weg van partiële verbetering verzet heeft. `Geene wederregtelijke terzijdestelling; daaraan, zoo ik hoop, denkt in geheel Pruissen niemand. Geen jammerlijker weg kan een volk inslaan dan die van revolutie naar een coup d'état en van een coup d'état weder naar revolutie leidt. Daartegen hebben wij een waarborg (Stahl bedoelt de naauwgezetheid van een godvruchtigen koning) waarvan het gewigt door iedereen zal worden erkend. Maar iets anders is de terzijdestelling op wettelijke wijs, zooals de staatsregeling zelve aan de hand geeft, zooals met onzen eed overeenkomt. Deze wordt door vele achtenswaardige en vaderlandlievende mannen gewenscht, Ik moet het zeggen zooals het is. Ja, deze wenscht bijna de geheele Pruissische Vendée173 en deze is dus niet binnen de grenzen, zooals men welligt meent, van Pommeren beperkt, maar door de geheele monarchie verspreid.'174

Stahl deelt niet in deze beschouwing. Vandaar dat hij zich met nadruk verklaart tegen de welgemeende poging in 1852 tot algemeene revisie174a, in 1853 tot opheffing der staatsregeling langs den allezins geoorloofden weg der overeenstemming van de Kamers en de kroon.174b Geen opheffing. Immers in de hoofdgedachte is de constitutie behoudenswaard. Haar kern en wezen is eene landsvertegenwoordiging, zonder wier toestemming de regeering geene verandering in de huishouding van staat of in den wettelijken toestand vermag te brengen, en de verzekering van bepaalde regten als grens tegen gouvernementale overschrijding voor elken staatsburger, voor de corporatiën en voor de kerk. De Kamers zelve hebben in 1849 en 1850 verworpen al wat met de onafhankelijkheid der kroon in tegenspraak was. De tijd der patrimoniële, der landsvaderlijke regering is ook voor Pruissen voorbij. Daarom geen terzijdestelling, maar verbetering. Dit is de weg welken de voorzienigheid ons aangewezen heeft; wij mogen dien niet eigendunkelijk verlaten. Misschien gelukt die gang niet. Misschien is reeds, ten gevolge der vrijzinnige bewerking. het volk ook voor staatsburgerlijke regten op deugdelijken grondslag ongeschikt. Misschien zullen zij gelijk hebben die beweeren dat onze weg wel niet achteruit naar een patriarchale regering, maar vooruit naar een absolutistisch gouvernement leidt. Op dergelijk beweeren heb ik geen antwoord dan dit: het mag ons lot worden, het mag niet onze daad zijn.175

Doch Stahl, zegt men, is een dienaar en handlanger van die befaamde jonkerpartij geweest, voor wie geenerlei landsbelang dan haar eigenbelang was. Ter ontzenuwing dezer aanklagt leze men wat hijzelf ten jare 1856 in de voorrede van het derde deel der Regtsfilosofie schreef. Daar leest men o.a.: `Merkwaardigerwijs is de aanklagt tegen mij, wegens het monarchaal beginsel, waarmede men vroeger mij zedelijk vernietigen wilde, op den achtergrond geraakt. Na de nederlaag van de antimonarchale gezindheid in 1848 neemt men thans wijsselijk de houding aan, alsof men de koninklijke magt nooit had bestreden, als ware het ganschelijk niet om monarchie of republiek, om wezenlijk koningschap of constitutioneel schijnkoningschap te doen geweest, maar alsof de geheele strijd slechts de aristocratie gold, die niet slechts het volk ten onder houdt, maar ook het koningschap aan zich poogt te onderwerpen; en sedert dien tijd is de beschuldiging, ook tegen mij, niet meer dat ik voor het belang der kroon opkom, daar de liberalen zelve zich uitgeven voor de meest ijverige koningsgezinden maar dat ik de aristocratische belangen vertegenwoordig en mij met de jonkerpartij verbind.'176

`Ik ontken dit niet; ik kom op voor de belangen van de aristocratie; ik heb dit reeds op wetenschappelijke gronden in 1833 gedaan; maar zoodanige belangen die tevens in het algemeen belang zijn; een behoorlijk en gewigtig aandeel in de landsvertegenwoordiging, het toezigt over de plaatselijke policie, de bestendigheid van het grondbezit in de familiën; dit laatste verlang ik ook voor den boerenstand. Maar ik kom met niet minderen ernst op voor het belang van het algemeene staatsburgerschap, voor het gelijk regt van alle staatsburgers, bepaaldelijk in het strafregt en allereerst in de benoembaarheid tot ambten. Ik ben geen verdediger van den geest van het jonkerschap, van adeltrots, van een overmoedig in lediggang vertoonen van hetgeen zonder eigen toedoen of verdiensten ten deel viel, van een verzonken zijn in eigenbaat, van een stomp‑zijn voor hooger doel, van een onvoorwaardelijk ijveren voor de politieke orde met de voorregten die zij verleent, bij kwaadwilligen weêrstand tegen de kerk met haar tucht en strenge zedelijkheid. Maar ik getuig, en vooral in onze tijden van nivellering was ik vooral verpligt te getuigen, van den adelijken geest der eerbied[ig]ing177 van het aandenken der voorgeslachten, der overlevering van hooge roeping en hooge pligt, der ridderlijke eer en zin, der bescherming en opbeuring der min welvarende landbewoners, der persoonlijke trouw en opoffering voor den koning. Deze zedelijke drijfveeren van vroeger tijd moesten bij het ontstaan van andere zedelijke drijfveeren, burgerpligt, wettelijke orde, algemeen belang, niet verloren gaan, maar met deze tezamen, als volksgeest, de natie bezielen en het steunsel zijn der maatschappij. Bij ons is geen gevaar, noch van aristocratische benadeeling der algemeene volksregten noch (zooals welligt in Frankrijk in 1815) van aristocratische vermeestering der koninklijke magt. Bij ons is er geen adel als partij, maar eene koninklijk‑behoudende partij uit velerlei bestanddeelen en waarin de aristocratie een belangrijk element is. Zij heeft de magt der overheid bevestigd, zij heeft na eene revolutie de regering ontheven van de noodzakelijkheid van onwettige maatregelen. Zij heeft eene landsvertegenwoordiging mogelijk gemaakt die in Duitschland het eerste voorbeeld gegeven heeft van Kamers die het liberalisme niet vereeren en ook niet slechts matigen, maar het tegenovergestelde van ontbinding met veerkracht bedoelen; Kamers door welke de regering ondersteund en niet verzwakt wordt; die met volkomen onafhankelijkheid aan de kroon getrouw zijn en een stelsel van omkooping even onmogelijk als onnoodig maken, die aan dezen of genen maatregel der regering weêrstand bieden, maar voor haar regten en praerogativen zelf beschermers en wachters zijn. Verkiest men dit aristocratie te heeten, dat ik met die aristocratie sympathiseer, is geene zaak mijner keuze; zij is mij een aangewezen geestverwant en bondgenoot. Was het te doen om oppositie tegen de kroon, ik zou de laatste zijn die mij aan haar aansloot. Ik ben niet om de aristocratie verbonden aan de kroon; maar om de kroon ben ik vriend der aristocratie. Noch persoonlijk belang noch maatschappelijke betrekking verbindt mij aan de aristocratie; ik ben slechts politiek verbonden met de regterzijde van het Heerenhuis waarin de aristocratie groot gewigt heeft. Het is de armee waarin ik tot dusver gediend heb.'178
1   ...   58   59   60   61   62   63   64   65   ...   78


Dovnload 7.64 Mb.