Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina63/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   59   60   61   62   63   64   65   66   ...   78

Niet in het meer monarchale of aristocratische, in het antirevolutionaire lag de ware grond der democratische of vrijzinnige berisping. `Het kan zijn', schrijft Stahl nog in 1861, `dat men onder het ministerie Manteuffel178a zich langer van politiemaatregelen bediend heeft dan om de naweeën van het oproer vereischt werd, dat men de staatsregeling hier en daar te kunstig uitgelegd heeft, waar verandering beter geweest ware, dat men zich in het noodwendig reageren somtijds ook van maatregelen der bekrompenheid en van onzuivere werktuigen bediend heeft - ik behoef het niet te erkennen en niet te loochenen; maar, is het zoo, de hoofdzaak is het niet. De kern van het bezwaar, van hetgeen thans de openbare meening als jammerlijk bestuur veroordeelt, is niet anders dan het breken met de revolutie.178b. Niet langer werd aan den ongeloovigen tijdgeest eerbiediging en aanmoediging verleend. Niet langer was de regering ondergeschikt aan volkswil en drukpers en zoogenaamden vooruitgang, aan de voorschriften der vrijzinnig‑constitutionele staatsleer, en aan de onaantastbare bevoegdheid om, zonder nadeel en zonder stoornis, antichristelijke en antimonarchale opgewondenheid te doen ontstaan. Zoo werd het oude Pruissen, zoo veel doenlijk, uit het puin van 1848 weder te voorschijn gebragt; de constitutie stelselmatig in den zin der historische orde, niet der maartsche wanorde, in toepassing gebragt, de democratische oorsprong, langs constitutionelen weg, meer en meer terzijde gesteld, aan verdere slooping een perk gezet, de regtens nog bestaande vertegenwoordiging der stenden en de provinciën weder in het leven geroepen en in de nieuwe landsvertegenwoordiging het Heerenhuis, als een daarmeê soortgelijk bestanddeel gegrond. Was dit slechte regering? Nu op de eer dezer slechte regering maak ik voor den koning aanspraak bij tijdgenoot en nakomelingschap. Hij heeft aldus Pruissen teruggehouden van vooruitgang - naar een afgrond. Hij heeft alzoo goederen bewaard, hooger en heiliger nog dan de enkele graankorrels onder het maartsche kaf.'179

Zeer te betreuren was in deze jaren de verdeeldheid in de conservatieve partij. De breuk, op politiek terrein, tusschen Von Bethmann‑Hollweg en Stahl. Om de bijzonderheden van dezen strijd naar juistheid te beoordeelen, acht ik mij onbevoegd. Ik veroorloof [mij] slechts de volgende opmerkingen.



Bij het eerste verschil, waarin de tweederlei zienswijze openbaar werd, de voorloopige herleving van de provinciale landsdagen, werd ook door Von Bethmann‑Hollweg de onuitvoerlijkheid der in 1850 tot stand gekomen revolutionaire verordeningen erkend. Men had deze verordeningen geschorst. `Dit is onwettig, zegt Stahl, ik erken het, ik wil het niet blanketten, doch er zijn omstandigheden waarin ook wetten onuitvoerlijk zijn; waar de regel geldt: Nood breekt wet. Dit onuitgevoerd‑blijven is geene geringe zaak; maar de vraag is of het al dan niet onvermijdelijk was en de herleving, dientengevolge, van het vroeger bestaande verdedig ik enkel als provisionele voorziening in de dringende behoefte van een geheel abnormalen toestand. De zwaarste beschuldiging tegen het ministerie is die van den heer von Bethmann‑Hollweg dat de maatregel een diepen zedelijken indruk gemaakt en het openbaar regtsgevoel geschokt heeft. Zou mijn vriend wel ten volle het bezwaarlijke van den tegenwoordigen toestand, bepaaldelijk van het Pruissisch ministerie in rekening hebben gebragt? Wel valt het ligt te zeggen: de regering moet een vasten tred houden die overal een gunstigen indruk make op het zedelijk gevoel. Heeft sedert de revolutie ééne enkele Duitsche regering zoodanigen tred gehouden, en vermogt zij het te doen? De revolutie heeft instellingen aangebragt, die het land bederven en den volkszin vergiftigen, die tot wet verheven en met den stempel van het regt voorzien zijn. De regeringen hebben daardoor thans de verpligting, welke eene tegenstrijdigheid bevat, om het land tegen die instellingen te beschermen, het van die inrigtingen te bevrijden en evenwel het wettelijk zegel niet te verbreken waarin ze vervat zijn. Zuivere oplossing van dit problema is ondenkbaar. De regering bevindt zich hier noodwendig tusschen Scylla en Charybdis. Zij kan niet wel het gevaar ontgaan van of de wet niet naauwkeurig te handhaven, of het land onder die inrigtingen te gronde laten gaan en aldus aan haar overheidspligt niet te voldoen. Als nu, in zoodanigen toestand de regering in het een of ander de fijne en naauwelijks aanwijsbare grenslijn niet mogt hebben getroffen, dan voegt het iedereen zijn afwijkende zienswijs te openbaren, maar niet zich daartegen, als tegen eene schennis van het zedelijk bewustzijn te verheffen, en aldus juist het zedelijk bewustzijn van het volk nog des te meer op een dwaalweg te brengen.

Over dit standpunt, tegenover de regeringsdaden, kan ik tegen de heeren van de linkerzij niet opkomen, maar wel tegen mijn geëerden vriend. Daar zegt men: de wetten waar het om te doen is, zijn allervoortreffelijkst; dat ze niet ten uitvoer worden gelegd is uwe schuld en wat daaruit volgt, verdubbelt uw vergrijp. Dat is verstaanbaar en uit dat standpunt onwederlegbaar. Maar de heer von Bethmann‑Hollweg zegt: die wet is de beligchaming der revolutie; gij moogt ze niet ten uitvoer leggen, tot geenerlei prijs; doch wanneer hieruit onregelmatige toestanden geboren worden en gij gedraagt u daarin naar uw oordeel en niet naar het mijne, en gij de vroegere stenden bijeenroept, waartoe u geene magtiging verleend is en niet de notabelen der provincie, waartoe u ook geene magtiging verleend is, dan zal ik de zware beschuldiging tegen u rigten.'180

Een tweede aanmerking is dat er aan de zuiverheid der bedoelingen van geen van beide staatslieden te twijfelen valt. Voorzeker ook Von Bethmann‑Hollweg heeft èn toen èn later beaemd wat te dezer gelegenheid door Stahl gezegd werd. `Von Bethmann‑Hollweg is niet enkel mij een persoonlijk dierbare vriend, hij was mij ook eens de naauwst met mij verbondene politische vriend in dit Huis. Als het erop aankomt te verklaren dat ook zijne gansche tegenwoordige houding slechts uit de zuiverste en diepste gewetensgronden is ontstaan, zoo wil ik dit met hem bezweren; ik geloof dit evenzeer van hem te kunnen verwachten. Zoo we nu tegenover elkander staan, kan er slechts of aan zijn of aan mijn kant een diepe verstandelijke dwaling zijn; aan welken, dit moge door een hoogeren regter worden beslist.'181

Eindelijk, indien men, en niet ten onregte, aan de scheiding tusschen twee mannen als Von Bethmann‑Hollweg en Stahl gewigt hegt, dan vergete men ook niet wat het beteekent dat zij tot dusver in dezelfde beginsels vereenigd waren geweest.



Niet aan de verkeerde handelwijs der regering, maar aan het gemis van genoegzamen volksgeest was het te wijten, zoo de constitutionele staatsregeling minder dan wenschelijk was, wortelen schoot.182 Merkwaardig is de uitspraak van een bij uitnemendheid scherpzinnigen waarnemer, De Tocqueville, in het najaar van 1854, na een verblijf in Duitschland ter bestudering van den politischen toestand. `Quant à la politique, je ne sais si, à tout prendre, l'espèce de paralysie que nous voyons en France n'est pas plus remarquable encore chez les Allemands. Les organes de la vie publique existent encore dans une grande partie de ce pays, mais on ne s'en sert pas. En Prusse, où il y a des assemblées véritables, une publicité complète de la tribune, une demi‑liberté de la presse, une administration véritablement indépendante du pouvoir, de vieilles traditions d'ordre et de modération dans le gouvernement, on semble toutefois engourdi.'183 Zoo gaat het. Ook in Pruissen was opgewondenheid door neêrslagtigheid vervangen. Niets had men verkregen van al het heerlijke dat voorgespiegeld was. En de oorzaak der teleurstelling werd door de vrijzinnigen niet aan het verkeerde van hunne rigting toegeschreven, maar aan den weêrstand dien zij ontmoet had. Op meer gunstige uitkomsten kon rekening worden gemaakt, wanneer de dag gekomen zou zijn van eene meer liberale politiek.

Die dag kwam. In 1857 werd de prins van Pruissen regent. Het ministerie Hohenzollern‑Auerswald benoemd, waarin ook Von Bethmann‑Hollweg zitting verkreeg. Onder dezen indruk werd de Tweede Kamer, door de verkiezingen, met een geheel anderen geest bezield. De groote meerderheid was vrijzinnig. In het ministerieel programma werd veel van vrijheid en ontwikkeling gesproken; het duidelijkste was de zijdelingsche veroordeeling der tot dusver gevolgde politiek.183a

Aan zijne beginselen getrouw, werd Stahl door de veranderde houding van het gouvernement in de oppositie gebragt. Een oppositie die tot weerstand of bijstand gereed was, naarmate het weifelend bewind, nu eens voor revolutionairen eisch zwichtte, dan weder daartegenover pal stond. Onder zijne leiding was het Heerenhuis een tegenwigt en bolwerk ter afweering van democratischen aandrang. Ook de benoeming van een aantal nieuwe leden, une fournée, zooals de Franschen het uitdrukken, was ter verkrijging van eene ministeriële meerderheid, ter verbreking van die weerbarstigheid ongenoegzaam. Ook aldus bewees Stahl groote diensten aan het gouvernement. Weerzin en vrees voor zijne partij, maakte dat het ministerie, bij vergelijking en om het bezwaarlijke der positie tegenover de conservatieven, uit gunstiger oogpunt beschouwd werd. Wanneer de conservatieven geheel uit het veld zullen geslagen zijn, dan zal de uitgestrektheid van dezen zijdelingschen invloed des te beter kunnen worden gewaardeerd.


VIII

`Stahls jeugd valt in de jaren der verheffing van het Duitsche volk tegen zijn onderdrukker. Talrijke herinneringen uit die dagen vindt men in zijne redevoeringen en de hoofdgedachten en drijfveeren van die beweging zijn het waardoor zijn werken op politisch terrein wordt gekenmerkt.'184 Vrijheid en eenheid van Duitschland was ten allen tijde ook zijn doel. Nationaliteit en even daarom bescherming tegen de antinationale staatseenheid der revolutie. Reeds vóór 1848 betoonde hij zich afkeerig van dien ellendigen quasi‑conservatieven slenter, waarmeê de Bondsdag slechts [bedacht was] op de handhaving van het status quo, met gestadig bedwang van elke revolutionaire woeling, maar tevens met gestadig uitstel van die plegtig toegezegde verbeteringen waardoor alleen de eensgezindheid en veerkracht van Duitschland kon worden verkregen. Geheel overeenkomstig zijne wenschen waren de pogingen hiertoe door den koning, gelijk uit de nagelaten schriften van Von Radowitz gebleken is, in het werk gesteld.185

Laat ons zien welke na 1848 de houding van Stahl geweest is, met betrekking tot het aanbod van de keizerskroon, de Unie van Gotha en Erfurt, de vraag over Schleswig‑Holstein en de concessiën te Olmütz.



Duitschlands eenheid was de leus in 1848 van het Francforter parlement. Ook in de troonrede van 26 februarij 1849 vond ze weerklank. `Inniger vereeniging der Duitsche staten tot één bondsstaat (Bundesstaat, geen Sta[a]tenbund) blijft het voorwerp mijner levendigste wenschen. De weg tot overeenstemming van alle Duitsche vorsten met de Nationale Vergadering te Francfort is gebaand.'186 Bij het Adres van antwoord verlangde Stahl dat de onmisbaarheid dezer overeenstemming en eener met de behoeften en de geschiedenis van Duitschland in zamenhang gebragte eenheid scherp zou worden geaccentueerd. `Ik deel in de geestdrift voor een eenig Duitschland, onder den koning van Pruissen als bondsopperhoofd. Maar geestdrift gevoel ik tevens voor ons goede oude regt en voor de onschendbaarheid van het vorstelijk gezag. Men streeft te Francfort naar een centrale magt die de vorsten bijkans tot erfelijke prefekten verlaagt en waarbij de volkssouvereiniteit ten grondslage gelegd wordt; de volkssouvereiniteit die overal de orde ondermijnt, waar ze geldt en zoolang ze geldt, zoolang ze niet in eene ijdele phrase teniet gaat. Daarom verblijd ik mij dat in de troonrede gemeen overleg met de vorsten, dat er ongetwijfeld toestemming der vorsten tot voorwaarde gemaakt is. Pruissen zal geen afstand doen van zijn Europeschen invloed, maar ook niet zich van de gunst der omstandigheden bedienen om de andere Duitsche stammen en de andere Duitsche vorsten aan zich te onderwerpen, moet aan de spits van Duitschland komen niet omdat het door de sympathiën der tegenwoordige beweging gesteund wordt, maar omdat het banierdrager is van geregtigheid en trouw; deze was de oude rijksbanier; deze zal, zoo de Duitsche volkszin niet faalt, de banier ook van het toekomstige Duitschland zijn. Toen, vóór meer dan 30 jaren, het Duitsche volk in waarlijk vrijen en zuiver nationalen zin oprees om het vreemde juk van zich af te werpen, toen stond Pruissen niet slechts met de wapens vooraan, maar was ook, in Duitschen geest en eigenaardigheid, tot licht en voorbeeld. Hier deden Körner, Schenkendorf en Arndt Duitsche zangen klinken. Hier vestigden Stein, Humboldt187, Niebuhr een staatkunde van Duitschen stempel, hier werd door Scharnhorst een Duitsch krijgswezen gevormd, dat ook thans in Europa, wat nationaliteit betreft, zijns gelijke niet heeft en een held van Duitschen inborst, Blücher, heeft het leger ter overwinning geleid. De groote volksbeweging in Europa, tegen Frankrijk gerigt, heeft toen in Duitschland en vooral in Pruissen haar brandpunt, haar wijding en verheerlijking gehad. Duitsche geestdrift sloeg haar adelaarsvleugelen hier uit en alles wat in Duitschland ziel‑ en gemoedsleven had, volgde haar spoor. Ik was toen een knaap in het zuiden van Duitschland, nog niet in staat de wapens te dragen, maar een straal van die geestdrift viel ook in mijne ziel en in den jeugdigen kring waartoe ik behoorde, en ik heb dien bewaard als onder het kostelijkste dat ik bezat. Wat ik toen uit Pruissen ontving, zou ik zoo gaarne nu weder vergelden; ik zou aan het Pruissische volk een lofzang willen rigten over zijn toenmaligen roem in verband met zijne roeping voor den huidigen dag. Duitschland is thans in geen minder gevaar dan van 1813 tot 1815; moge dan Pruissen wederom het Pruissen zijn van 1813 en 1814 en 1815, het zwaard van Duitschland door zijne krijgsmagt, het voorbeeld van Duitschland door zijne politieke inrigtingen en den geest die ze doordringt. Daarom laat ons de nieuwe heerlijke gave van constitutionele staatsregeling en vrijheid niet invoeren als eene Fransche koopwaar, laat ze wedergeboren en veredeld worden in Duitschen geest, in den geest die het goed regt verdedigt tegen elken aanval van het geweld, maar die ook gaarne een geheiligd gezag over zich laat gaan, het gezag der vorsten tusschen wie en het volk een eeuwenheugend verband is. Laat ons dan de regering eene politiek aanraden, die evenzeer de eenheid van Duitschland, de magt van Pruissen en de regten van alle vorsten en van alle Duitsche stammen in haar bescherming omvat. Aldus zou het heilige rijk der Duitsche natie weder herleven; want het was het eerwaardige karakter van dit rijk, dat het zich beschouwde en gedroeg als een godgewijd eedverbond om iedereen te handhaven in hetgeen het zijne was; suum cuique.'188

Geheel in den geest van Stahl was dan ook de afwijzing van de kroon, toen ze door het onder den invloed der democraten bijkans radeloos geworden parlement, op revolutionaire voorwaarden eigendunkelijk en wederregtelijk aangeboden werd. Geheel in zijn geest de uitnemende brief van den koning aan Arndt, alwaar hij de voorspiegelingen en den aandrang van den welmeenenden grijzaard met een eenvoudige verwijzing naar regt en eed, met hartelijken en onwederlegbaren eenvoud beantwoordt. `Het ding waarvan gij spreekt, draagt het teeken niet van het heilige kruis; drukt den stempel van Gods genade niet op het hoofd, is geene kroon. Het is de ijzeren halsband eener slavernij, waardoor de zoon van meer dan 24 regenten, keurvorsten en koningen, het hoofd van zestien millioenen, de heer van het trouwste en dapperste leger der wereld, tot lijfeigen der revolutie zou worden gemaakt. Eedbreuk zou de prijs moeten zijn van dat kleinood. Ik hebbe liefst de hervorming van het vaderland in vereeniging met alle Duitsche vorsten te beproeven. Ik breek mijn woord niet.'189 Het was, schrijft Stahl190, uit trouw jegens de Duitsche natie dat hij deze valsche keizerskroon verwierp.

Twee ontwerpen stonden lijnregt tegen elkander. Oostenrijk wilde ook met zijne niet‑Duitsche staaten (der Gesamtmonarchie) opgenomen worden in het aanstaande Duitsche rijk. Daarentegen wilden velen, de partij van Von Gagern, de Erfurt‑ en Gotha‑partij een Duitsche bondstaat, waarvan Oostenrijk uitgesloten, doch waarmeê het, door eene nadere unie, in verbindtenis zou worden gebragt. Stahl hield steeds aan twee stellingen vast. Van een wegsmelten der groote staten in eene Duitsche eenheid, waarbij de zelfstandigheid ook van Pruissen verloren zou gaan, mag geen sprake zijn. In het Duitsche rijk moet de leiding, de hegemonie, aan het zelfstandige, magtige, bij uitnemendheid nationale Pruissen worden verleend. Ten anderen, men moet zich wachten van eene jegens Oostenrijk vijandelijke houding, `Met Oostenrijk kan ik niet anders dan de hartelijkste verstandhouding wenschen; deze heeft Duitschland eens van Napoleon verlost; zij alleen kan nu Duitschland verlossen van de revolutie. Ook is Oostenrijk niet alleen, achter Oostenrijk is Europa; en bovendien zou het Pruissen allerminst betamen thans tegen Oostenrijk op te treden, nu het is gevallen. Ik geloof dat er middelen zijn om Oostenrijk tevrede te stellen, zonder dat men de magt van Pruissen in Duitschland verzwakt.'191 Eene der meest treffende plaatsen uit Stahls Adviezen omtrent eendragt van Pruissen en Oostenrijk is het slot der rede van 12 april 49.192

Schleswig‑Holstein. Stahl regtvaardigt de Deensche regering niet. `Ik houd geen gerigt over de hertogdommen; ze waren tusschen twee revolutiën: de Deensche die ze wilde verzwelgen en de Duitsche die hun de vervulling van alle wenschen aanbood. Deze verzoeking was misschien voor menschelijk vermogen te sterk. Maar, hetzij door eigen schuld of door noodlottige omstandigheden, ze zijn vertegenwoordigers geworden van beginsels die voor Europa onaannemelijk zijn. Daarom kan men hun geen beter dienst bewijzen dan door hunne goede oude zaak volkomen af te zonderen, in zaken, personen en namen, van de voorbijgaande verbindtenis met de beweging van 1848. Dit geschiedt, wanneer men niet, door te volharden in eene valsche politiek, de handschoê aan Europa werpt, maar de zaak weder door den Duitschen bond, als Europésche magt, op het terrein van het eenvoudige regt gebragt wordt.'193

Ollmütz.193a Na tweejarige beraadslaging over de Duitsche eenheid, na eindelooze wisseling en wijziging van ontwerpen, werd de staatsregtelijke spraakverwarring telkens meer algemeen. Oostenrijk triumferend over den menigvuldigen opstand, door den naijver der zuid‑Duitsche staten tegen Pruissen gesterkt, door Rusland ondersteund, eischte nu, gewapenderhand, dat weder aan de besluiten van den Duitschen bondsdag, bepaaldelijk omtrent Schleswig‑Holstein en Keurhessen, onderwerping zou worden betoond. Aldus was Pruissen door het revolutionair overleg van Frankfort èn Erfurt en Gotha, tot de keus gedwongen tusschen een Duitschen burgerkrijg en een met vernedering gepaarden terugtred. Eene vernedering was het. Stahl erkent het. Pruissen moest, ten gevolge eener dreiging, een voornemen opgeven, zoo plegtig en zoo lang kenbaar gemaakt en volgehouden. Maar men had half Europa tegen zich en niemand in Europa voor zich. Zelfs een staatsman, enkel aan de rivaliteit met Oostenrijk gedachtig, zou, voor het oogenblik, met afwachting van gunstiger tijdstip, hebben moeten zwichten. Maar bovendien. Zou de koning, banierdrager tegen de denkbeelden der revolutie, ten behoeve der parlementarische regering van Duitschland en van de Duitsche afkondiging der regten van den mensch de banier ontplooijen? Daarvoor het bloed zijner onderdanen en het aanwezen van zijn staat in de waagschaal stellen? Een beslissenden strijd aangaan, Oostenrijk voor al hetgeen hij194 als heilig beschouwde, hijzelf voor hetgeen hem een dwaling van den tijd scheen? Kwam, hetgeen te Olmütz geschied is, aan de eer van Pruissen te na, de schuld hiervan komt op rekening der revolutionaire politiek. Het program dat alle Duitsche vorsten tot een strijd om zelfbehoud opriep, kon geen ander einde hebben. Oorzaak van dien afloop zijn zij door wie dit program aan den koning opgedrongen werd.195 Hij kan het verwijt terugwerpen op hen door wie het tegen hem gerigt wordt. Ziedaar het argument waarmee [hij], ook in de openbare discussie, den overmoed der partij terneêrgezet heeft. `Men misprijst de politiek van het ministerie, omdat de Unie en tevens de eenheid van Duitschland ten eenemaal opgegeven is. De Unie voorzeker, de eenheid niet. Door het wegvallen der Unie is, niet van de eenheid, maar van de tweespalt afstand gedaan. De Unie bestond hierin dat Duitschland zou gehalveerd zijn, de eene helft onder het revolutionair liberalisme, de andere onder het brutale absolutisme. Juist door het opgeven van de Unie is de eenheid weder hersteld. Men beklaagt zich dat de magt van Pruissen vermindering ondergaan heeft. Eilieve, is dat magt als de koning van Pruissen zijn erfelijk gezag met een vorstencollege en met een parlement van niet‑Pruissische onderdanen deelt? Wanneer hij de gehoorzame onderdaan van een hof van door het volk gekozen regtsgeleerden wordt? Is dat magt van Pruissen, wanneer de regering door het meest omslagtige staatsorganisme verlamd wordt? Wanneer het de zwakste staaten van Duitschland tot bondgenooten en de sterkste staaten in Duitschland en Europa tot vijanden verkrijgt? Had men het op krijg laten aankomen, op nog jammerlijker wijs ware het gebleken hoedanige magt de Unie aan Pruissen zou hebben verleend. Men spreekt van Frederik de Groote, van Blücher. Hebben zij voor een Duitsch parlement oorlog gevoerd? Hebben zij ooit zich tegenover geheel Europa gesteld? Heeft Frederik zich met opzet gewikkeld in den zevenjarigen krijg? En werd niet, om Pruissens geheelen ondergang te verhoeden, juist dat onvergelijkelijk militair genie vereischt? Welaan, voteer ons een Frederik II, wij zullen u daarvoor gaarne de meerderheid geven; wij zullen hem zeer gaarne aan het hoofd van leger en bestuur zien. Maar, zoo gij dit niet vermoogt, onthoudt u dan van raadgeving waar tenuitvoerlegging ook u onmogelijk is, en elke mindere mate van begaafdheid te kort schiet. Men beweert dat voor de eer van Pruissen niet gezorgd is. Ik ben met de juistheid der berigten daarover niet bekend. Doch, zoo het verlaten van eene staatkunde die geen vrucht kon dragen en het ontkomen aan de verwikkelingen die zij ten gevolg had, Pruissen verootmoedigd heeft, aan wien de schuld? Misschien aan hen die vastgehouden hebben aan deze politiek. Men zegt dat Oostenrijk aldus een belangrijk overwigt op Pruissen verkrijgt. Ja, het heeft dit verkregen door de politiek waaraan in den laatsten tijd dit ministerie vaarwel gezegd heeft, en daarom keuren wij de tegenwoordige politiek goed. Daarenboven zijn de gevolgen dezer valsche staatkunde niet meer in die mate voorhanden als men beweert. Aan de door Oostenrijk verkregen overmagt is juist nu een einde gemaakt. De winst dien het uit Pruissens feilen getrokken heeft, is weder ontvallen en wij staan op den ouden bodem van vóór 1848. Ook wij hebben geen gevoel van vrede met den tegenwoordigen toestand; met het niet verkrijgen van naauweren band. Ook wij denken met smart aan de ellende waarin de geheele afloop der zaak verscheidene Duitsche landen gebragt heeft. Wij zijn als bij eene aanvankelijke genezing; als men, na zware krankheid, de gevolgen nog allezins ondervindt, maar de vaste hoop heeft dat het gezonde gestel op den weg van versterking geraakt is.'196
1   ...   59   60   61   62   63   64   65   66   ...   78


Dovnload 7.64 Mb.