Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina64/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   60   61   62   63   64   65   66   67   ...   78

Evenmin omtrent Schleswig‑Holstein: `De ongelukkige voortgang heeft geen andere oorzaak dan den ongelukkigen aanvang.'197
IX

Hoedanig is de denkwijs en de invloed van Stahl geweest waar gewigtige vraagstukken uit het volkenregt ter sprake werden gebragt? Een feit beheerscht het geheele tijdperk van zijne parlementaire werkzaamheid: de herleving van het Napoleontische keizerrijk. Het imperialisme.



Aan de wetenschappelijke beschouwing heeft hij in de laatste uitgaaf der Regtsfilosofie een afzonderlijk hoofdstuk gewijd: onder den titel van Die absolute Monarchie.198 Eigenlijk despotisme, zoodat de vorst in persoon over goed en leven der onderdanen beschikt, gelijk in het oosten, heeft in het christelijk Europa niet bestaan. Doch er is tweederlei absolute monarchie. De eene, die zich in Spanje, in Oostenrijk, in Frankrijk, in Denemarken en Pruissen, uit de middeneeuwsche toestanden, uit patrimonieel en feodaal regt, als staatseenheid, met overmagt en veerkracht van het centraal gezag, heeft ontwikkeld. De andere, het imperialisme berust op revolutionairen grondslag. Redmiddel tegen de gevolgen der revolutie, en evenwel met toepassing van haar eigen beginsels, is zij de vestiging der geheele staatsorde op mechanische, in plaats van op organische en zedelijke kracht. Het oppergezag steunt, gelijk men voorgeeft, op den volkswil, inderdaad op het geweld en de berusting in hetgeen onvermijdelijk is. Stenden, autonomie, historisch regt zijn niet slechts ondergeschikt aan den souverein, maar met wortel en tak en stelselmatig vernietigd. Geen in zichzelf onverbrekelijk regt wordt erkend. Al wat regt is moet wijken voor de eisch van het staatsgezag. De kerk wordt voorgestaan enkel als middel en slechts naar gelang van politieke bedoeling. De ambtenaren zijn slechts werktuig. Dit imperialisme, door zware schuld der natie en door een zware ramp dientengevolge tot stand gekomen, is evenzeer tijdelijk en voor de gegeven toestand geregtvaardigd als onhoudbaar in beginsel en wanneer van algemeene en bestendige regeling spraak is. Het is de redding van de maatschappij uit regeringloosheid en uit de slooping van het democratisch fanatisme, het herstel der uitwendige mechanische orde; het beschermt het onontbeerlijkste, leven, eigendom, huisgezin; het geeft, in den geest der revolutie, ook gewetensvrijheid, het laat, in den regel, ook de regtsmagt bestaan. Dit geeft aanspraak op de erkentelijkheid der maatschappij en een aanspraak op het gezag, zooal niet tegen het regt der vorige dynastie, althans tegen den wisselenden volkswil. Maar de hooger zedelijke drijfveeren gaan in dit absolutisme teniet. Het berust enkel op noodzakelijkheid, eigenbaat en eerzucht. Het steunt op de aanneming van het revolutiebeginsel, de volkssouvereiniteit en het onderschrijft aldus zelf den regel naar welken het, zoodra er misnoegen ontstaat, van regtswege verwerpelijk wordt.

Ontzettend en tweederlei is het gevaar dat uit dit imperialisme, gelijk het zich in Frankrijk gevestigd heeft, voor geheel Europa voortspruit. De kracht eener bij uitstek militaire en talrijke natie is, in al haar omvang, voor het staatsgezag naar goedvinden beschikbaar. De staatsvorm zelve, eene centralisatie die allen geregelden en doeltreffenden weerstand onmogelijk maakt, schijnt aan de gouvernementen, als stelselmatige vernietiging van elke oppositie, navolgenswaard. Zoo is het vooral onder Napoleon I geweest; zoo werd het onder Napoleon III nog meer.



Stahl waarschuwt telkens tegen het een en het ander. Het Heilig Verbond is voor hem geen ijdele klank; de tractaten van 1815 niet voor ligtvaardige herziening vatbaar; met het Napoleontische Frankrijk eer wapenstilstand dan eigenlijke vrede denkbaar. Niemand spreekt met meerderen weêrzin dan hij van de navolging die het Bonapartisme vroeger in de staten van het Rijnverbond gehad heeft en waarover, bij het congres van Weenen, de verontwaardiging openbaar werd. Niemand verklaart zich sterker tegen het stelsel waardoor inzonderheid ook de prins von Schwarzenberg199, sedert 1850, zooveel onheil over Oostenrijk gebragt heeft. `Thans loopt men gevaar', schrijft hij in 1856, `dat een magtiger staat dit voorbeeld volge, omdat de kortstondige overweldiging door eene vreesselijke revolutie schijnbare overeenkomst van toestand aanbiedt. De absolute monarchieën, die op het beginsel der legitimiteit berusten, bedenken niet dat zij, door nabootsing van het imperialisme, met het oog op het welgelukken voor het oogenblik, hun eigen grondslag ondermijnen en eene magt doen gelden die met gelijk regt straks tegen hen kan worden gekeerd.'200

De meer regtstreeksche toepassing op Napoleon III is in 1855, toen Engeland en Oostenrijk zich met Frankrijk vereenigd hadden tegen Rusland, door Stahl zelven in het Heerenhuis gemaakt. `De tegenwoordige keizer heeft den dank van Europa verdiend door in Frankrijk de anarchie die vandaar geheel Europa bedreigde, te bedwingen en hij heeft het nieuwe keizerrijk opgerigt met de verklaring, dat het de vrede is.201 Maar het imperialisme, al dankt het zijn oorsprong aan Bonaparte, is geen persoon of dynastie, het is een denkbeeld, een stelsel, eene wereldhistorische kracht en de uitkomst ligt niet in verklaringen, zelfs niet in goede bedoelingen, maar in de magt die van eigenaardige ontwikkeling het gevolg is. De overlevering van het oude keizerrijk is de vrede niet, maar de verovering, geen behoud, maar de propaganda van de denkbeelden der revolutie. Het keizerrijk was de vernietiging van de historisch‑volkenregtelijke orde in Europa, de oprigting eener algemeene monarchie. Het was de vernietiging van de oude grondslagen der maatschappij, de oprigting van gouvernementaal alvermogen op den bodem van revolutionnaire gelijkmaking. Het keizerrijk was de revolutie zonder de anarchie, maar ook zonder de vrijheid.201a Dit is nu het onberekenbare gevaar van den tegenwoordigen toestand dat Europa zelf, ik zou kunnen zeggen, met lust, de overleveringen van het vorige keizerrijk weder oproept. Engeland heeft een bondgenootschap met Frankrijk gesloten, waarin het overwigt naauwelijks aan zijn kant is. Oostenrijk heeft een bondgenootschap gesloten en de dagteekening van twee december schijnt aan te duiden dat daarbij de ster van het Habsburgsche stamhuis door de ster van het huis Bonaparte overstraald is.'202

Vier jaren later, bij het losbarsten van den Italiaanschen oorlog, toen Oostenrijk werd overweldigd en Europa de Napoleontischen overmoed met lijdelijken weerzin aanzag, las Stahl deze zinsneden in de vergadering voor en zeide: `Toen heb ik dat niet met toestemming203 der openbare meening in Duitschland gesproken, door welke de keizer der Franschen als Europas bevrijder van het Russische juk begroet werd. Ik heb het toen uitgesproken, terwijl Oostenrijk nog zijne veiligheid in Italië juist van Frankrijk tegemoet zag.'204

De oorlog tegen Rusland, in 1854‑1856, en de Italiaansche krijg in 1859 zijn de twee Europesche verwikkelingen waarbij Stahl tot ontwikkeling zijner gevoelens in de gelegenheid was.



Ook in Duitschland was men in 1854 hartstogtelijk tegen Rusland. Tocqueville die zich in julij te Bonn bevind[t], getuigt het.205 Welke was de oorzaak dezer hartstogtelijkheid? Stahl zegt: `Men kan conservatief zijn en aan de zijde van Frankrijk en Engeland staan; maar de drift waarmeê men thans oorlog tegen Rusland begeert, heeft geen anderen drijfveer dan de sympathie met de Fransche revolutie, dan de begeerte om de leerstellingen van 1789 eindelijk ook in Pruissen en Duitschland ingevoerd te zien.205a Wij hebben tegen Frankrijk geen nationalen haat; het Fransche volk is zedelijk en verstandelijk hoogbegaafd, een der voornaamste steunsels van de Europesche beschaving. Met Engeland zijn we door velerlei banden gehecht: van geloof, van vorming, van handelsbelang, ook van staatkunde, zoolang Engeland Oud‑Engeland blijft. Maar we hebben waarborgen noodig voor de onschendbaarheid van Duitschland en voor de grondslagen van ons staatgebouw. In de eendragt der drie oostersche magten, in de handhaving van het Heilig Verbond, gelijk dit de vrucht van een veelbeduidend tijdperk geweest is, hebben wij ze tot dusver gehad. Zonder schadeloosstelling ze ligtvaardig weg te werpen, dat gaat niet aan. Zijn dit Russische sympathieën, welaan, ik kom ervoor uit. Wij willen geen Russische instellingen en geen Russischen invloed op onze binnenlandsche politiek. Was het ons om afschaffing der constitutie en om gouvernementaal absolutisme te doen, waarlijk wij zouden dat vrij wat eerder kunnen erlangen door den keizer van de Franschen dan door den alleenheerscher206 aller Russen. We zijn niet op Ruslands eigenaardigheden verliefd, maar wij verlangen beveiliging van Duitschland doordat Rusland aan Frankrijk het evenwigt houdt. De uitnemendste vertegenwoordiger van Duitschlands nationalen opstand, de vrijheer von Stein, toog aan de spits van Russische legers Duitschland binnen en zijne brieven ademen geestdrift voor Ruslands keizer207 en volk; hij was een Rus evenmin als wij. Tweemaal is de Duitsche, de Europésche beschaving door horden van kozakken beschermd tegen de barbaarschheid die uit het beschaafde westen losbrak.

Pruissen moet geen deel nemen aan den strijd. Zoo mogelijk, moet, zonder in vijandschap met Frankrijk en Engeland te geraken, de oude betrekking tot Rusland worden bewaard. Wij willen ons door geene mogendheid, niet door Rusland en ook niet door Frankrijk, een standpunt laten opdringen hetgeen zij, omdat het haar eigen standpunt is, Europésch noemt. We zijn niet begeerig naar een Europésch concert, waarin Frankrijk en Engeland kapelmeesters en de Duitschers de muzijkanten zijn.207a We willen niet vrede met Rusland tegen elken prijs, maar ook niet oorlog tegen Rusland tot elken prijs. Wij kunnen ons niet voegen naar de verheven gedachte dat, omdat Engeland en Frankrijk anders niet bij Rusland kunnen komen, Pruissen met hen tegen Rusland optrekken moet. Voorzeker ook jegens Turkije moet regt en eerlijkheid gelden, maar minder duidelijk is de roeping van christelijke mogendheden om de mahomedaansche heerschappij over eene christelijke bevolking kunstmatig staande te houden.'208

De handelwijs van Pruissen kwam overeen met deze beschouwing. Het bleef onzijdig; het bepaalde zich althans bij een verdrag met Oostenrijk waarbij, alleen in geval Rusland te ver vooruitging, medewerking toegezegd werd. In 1855 trad Stahl als verdediger van deze neutraliteit op. Zoo Rusland, door zijne dreigende houding, de westersche magten in het harnas gejaagd heeft, het uitbarsten van den krijg, ondanks Ruslands terugtred en vredelievend aanbod, is de schuld van Frankrijk en Engeland geweest. `Onze staatkunde is niet dubbelzinnig. Iedereen weet nu wat het van Pruissen te wachten heeft. Rusland weet dat, zoodra het op veroveringen uit is, Pruissen tot een aanvallend verbond verpligt wordt; de westersche magten weten dat Pruissen zich niet mengt in een oorlog die uit naijver ontspruit. Pruissen laat zich niet medesleepen door Fransch‑revolutionairen invloed en het vergeet niet dat er in den band met Rusland een steunpunt tegen valsche beschaving en tegen Aziatisch geweld ligt. Men zegt dat Pruissen aldus geïsoleerd is. Niet door eigen schuld dan, maar ten gevolge der houding van Oostenrijk. Mijne vrienden zeggen: aan het hoofd van een leger is men nooit geïsoleerd; ik zeg, als men eene regtvaardige zaak verdedigt, staat men doorgaans alleen. Beter alleen voor het regt dan in Europésche gemeenschap voor hetgeen men zelf als onregt beschouwt. Ik ben niet onbezorgd voor de toekomst. Mijn troost ligt niet in dezen welligt korten vredestijd met de zegeningen die wij daardoor behouden; dit alleen is mijn troost dat Europa in deze zaak zich aan datgene vasthoudt wat met regt en naauwgezetheid van geweten overeenkomt. Uiterlijk mag het schijnen alsof ook nu de Machiavellistische politiek, naar het afwisselend belang, aanbevelenswaard zij, omdat ze in de zeventiende en achttiende eeuw gunstige gevolgen gehad heeft. Doch, bij een dieper nadenken, kan het ons niet ontgaan dat in ieder tijdperk de gang der wereldgebeurtenissen een eigenaardige wijziging vertoont. Sedert de revolutie, de leer van 1789 bedoel ik, als eene vroeger onbekende magt te voorschijn kwam, heeft de wedervergelding, meer dan tevoren, een snellen en zigtbaren loop. Het lot der koningsmoordenaren van 1792, het lot van Napoleon, van Lodewijk Filips, van de leidslieden der beweging van 1848, welk eene reeks van gerigten Gods! Daarom is er, bij den benevelden gezichteinder, geen verstandiger politiek dan deze: de oude spreuk laten varen dat in de staatkunde geen moraal te pas komt209, zich wachten voor vergrijp tegen hetgeen eerlijkheid voorschrijft, niet trachten naar voordeel door onregt, vooral geen dienaar te worden van de revolutie. Wel is de naaste uitkomst dikwerf ten gunste der revolutionaire magten, maar de laatste, de blijvende uitkomst is zeker altijd voor het regt en de eeuwige waarheid. Nu dan Pruissen heeft in deze gansche oostersch‑Europésche verwikkeling nooit zijn eigen voordeel, maar enkel het behoud des vredes en der maatschappelijke orde en de vrijwaring van Europa tegen zelfverscheuring en zelfverwoesting gezocht. Het is trouw gebleven zoowel aan den ouden bondgenoot als aan den Duitschen nabuur. Het heeft zich vrij gehouden van elke verbindtenis met de revolutionaire elementen en magten van onzen tijd. Het is met het teeken van den strijd voor eene heilige zaak, den haat der openbare meening, versierd en de slotsom is deze: Pruissen wil geen oorlog, waartoe het noch grond noch regt heeft. Zoo is er goed geweten en zuivere hand. Daarin alleen ligt mijn troost en mijn vertrouwen. Dit is onbedriegelijk. Zoo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn!'210

Dit vertrouwen is niet beschaamd. Groot zijn de voordeelen dezer waardige houding voor Pruissen en voor Europa geweest. Daardoor is Duitschland bij den vrede bewaard; daardoor is de oorlog die zoo ligt tot een algemeenen krijg had kunnen overslaan, tot een strijd aan de zeekusten van Rusland beperkt, daardoor is het geheel verbreken van den band tusschen Rusland, Oostenrijk en Pruissen verhoed. Daardoor heeft men de Fransche overmagt tenminste niet overal door volgzaamheid versterkt.



Had het geheele Duitschland de politiek van Pruissen, door Beijeren en Saxen ondersteund, gevolgd, Duitschland had (terwijl nu Pruissen slechts bemiddelaar geweest is) regter in Europa kunnen zijn.210a Het zou aan den geduchten aandrang uit het westen paal en perk hebben gesteld. Nu was integendeel de weg voor verder ondernemingen gebaand. Stahl had telkens doen uitkomen dat er minder uit Rusland dan uit Frankrijk gevaar was. `Aan de coalitiën tegen Lodewijk XIV en Napoleon was een lange reeks van onregtvaardigheden, veroveringen, onderdrukkingen, twisten voorafgegaan; met Rusland, tot op 1853, niets van dien aard. Frankrijk is thans heer en meester van den toestand in Europa. Zegt Frankrijk vrede, dan is het buiten tegenspraak vrede; zegt Frankrijk Europesche krijg, dan is, vrees ik, Europesche krijg daar. Erger nog dan de alliantiën zijn de sympathieën. Engeland vergeet zijn ouden trots en bewondert den Franschen vooruitgang. In Oostenrijk wil men geene andere dan de Napoleontische ideën. Alle regt en alle overlevering van aristocratie en nationaliteit moet onder eenvormigheid der staatsregeling en alvermogen der bureaukratie teniet gaan. Wij willen eene vrijheid op het regt gegrond en we willen niet Frankrijks suprematie; we vergeten Duitschlands vernedering en Duitschlands herstel niet en verlangen onze voorregten niet omgestempeld te zien in Fransche munt. Wij danken onze regering dat zij met deze banier in Duitschland vooraangaat, en we laten de hoop niet varen op den bijstand van Oostenrijk, boven alle staaten geroepen om op te komen ten behoeve van conservatief belang.'211 Welke eene toekomst zou Oostenrijk zich hebben bespaard, indien het geluisterd had naar deze waarschuwende stem!212

In 1854 zeide Stahl: `Verneder Rusland, wat zou het gevolg zijn? Minstens dat we, om de vijf jaren, een krijg zouden moeten voeren om de herziening der tractaten van 1815.'213 Rusland werd vernederd; in 1859 was de Italiaansche krijg daar.

Daarom kon Stahl in 1859 dus spreken: `Een Fransche revolutieveldheer214 beweerde: God is altijd met de talrijkste bataillons! Dat is onwaar; integendeel, als God met een leger is, rigt het met de zwakste bataillons meer dan de vijand met de voltalligste uit. Het lot der volken berust niet enkel op krijgsbetrekkingen, op politieke omstandigheden en kuiperijen; het berust, in den diepsten grond, op wetten van regt en zedelijkheid. Er is eene wedervergelding die door de geschiedenis haar loop heeft; een iegelijk wachte zich van haar te doen opkomen. De grootste diplomatieke slimheid ligt hierin, dat men met een goed geweten aan het overleg deelneemt. Toen, vijf jaren geleden, wij trouw jegens een beproefden bondgenoot en de pligt van oude en nieuwe dankbaarheid hebben gepredikt, toen kon een staatsman op onzen kinderlijken eenvoud glimlagchend neêrzien, dat we in de politiek van zedekunde en dankbaarheid spraken, waar het er slechts om te doen is uit de verlegenheid van anderen voordeel [te] trekken. Vijf jaren zijn ternaauwernood voorbij, en welligt mag thans onze kinderlijke eenvoud gelden voor de regte wijsheid. Zoo toen geschied was hetgeen door Pruissen en Duitschlands middenstaaten begeerd wierd, ja, had toen Oostenrijk, ook met krachtige bescherming van zijne belangen, althans die houding aangenomen welke jegens een ouden vriend en redder betaamde, Rusland zou ook aldus Turkije niet hebben veroverd en wij zouden thans geen Italiaanschen oorlog hebben gehad.'215

In 1859 wordt geen neutraliteit, maar krachtige tusschenkomst wenschelijk gekeurd. `Naar de letter der Bondsakte is Pruissen niet tot hulpbetoon verpligt. Oostenrijk heeft, naar uitwendige toerekening althans, den oorlog begonnen; Pruissen heeft bemiddeling aangeboden en tegen het plotseling losrukken op Piemont gewaarschuwd. Een oproer in Italië, een oorlog tusschen Oostenrijk en Sardinië raakt Pruissen niet. Ook is er voorzeker geen reden om zich te verzetten tegen de hervormingen die van het Oostenrijksche gouvernement verlangd worden. Daarom heeft Pruissen teregt niet onmiddellijk partij gekozen en mede een congres begeerd, waarop, zonder toegeeflijkheid aan revolutionaire woeling, voor Italië bestendige en heilzame verandering in wetgeving en staatsbestuur zou kunnen worden erlangd. Dit uitzigt is verijdeld. Men kan hiervan aan Oostenrijk geen verwijt maken. Het was niet verpligt zijne financiën door uitstel te bederven, niet verpligt een tegenstander wiens bedoelingen het meende te doorzien, tijd tot voorbereiding en toerusting te laten. De casus belli was door de gansche houding van Sardinië aanwezig. Oostenrijk, door te bewilligen in een congres, deed meer dan kon worden gevergd; als souvereine magt was het niet gehouden zijne inwendige aangelegenheden, de hervorming zijner Italiaansche staten, tot een vraagstuk te maken van Europésche beslissing. Het stelde als voorwaarde de ontwapening en toen deze werd geweigerd of van onaannemelijke voorwaarden afhankelijk gesteld, toen had het tot oorlogsverklaring volkomen regt. Toepasselijk is hier wat Napoleon III schrijft: `le véritable auteur de la guerre n'est pas celui qui la déclare, mais celui qui la rend nécessaire.'216

Maar het geldt hier geen gewonen krijg; geen oorlog tegen Sardinië alleen. De zaak verandert van natuur, nu eene groote mogendheid, de uit een militair oogpunt meest geduchte, in de Italiaansche zaken zich mengt en reeds terstond bedoelingen openbaart bedenkelijk voor Pruissen en voor Europa: hervorming der Italiaansche staatsregelingen; confederatie der Italiaansche staten. Daarachter kan men vermoeden heerschappij van de Italiaansche revolutiepartij, onder Fransch protectoraat.



Sardinië en Frankrijk alleen bepalen nu wat door Italiaansche hervorming te verstaan is. De keizer verkondigt vrijmaking van Italië tot aan de Adriatische zee; ongehoudenheid aan de Europesche tractaten; nationale en traditionele politiek. Welke is die Napoleontische overlevering? Verovering en propaganda; toepassing der leer van 1789 in slooping en willekeur. Volgens het eigen getuigenis van den keizer217 de politiek die het zwaard van Brennus in de schaal legt218; die achtereenvolgens oorlogen voert, het volk dat aan de beurt ligt niet aangrijpt, eer het vorige tot magteloosheid gebragt is; die als executeur‑testamentair der revolutie optreedt; de democratische republiek wil oprigten onder erfelijk gezag en voor revolutie het verzachtend woord beschaving gebruikt. Ziedaar de uitlegging van Italiaansche hervorming. En wilt ge daarbij de kantteekening der feiten. Ze ligt in Garibaldi met zijne vrijscharen, in de verzameling van alle revolutionairen uit Italië onder zijne vanen; in den opstand van Toscane, van Parma. In dergelijke omstandigheden is deze krijg een zaak niet meer van Oostenrijk alleen, maar van Duitschland, van Europa'.219

De zaak van Duitschland. `Te zamen zijn Pruissen en Oostenrijk, aan het hoofd der Duitsche vorsten, voor de Duitsche natie zwaard en schild. Te zamen: wordt een der beschermheeren verzwakt, het staande houden van de Duitsche banier in Europa zal den anderen zwaar vallen. De Duitsche natie, vroeger beheerscheres der christenheid, is thans door overmagtige naburen omringd en aan alle grenzen breiden vreemden hun heerschappij over Duitsche stammen uit. Zij is geroepen om ook haar gezag te handhaven over andere stammen; zij moet gezamenlijk zorgen dat er niets van haar gezamenlijk bezit ontroofd worde; dit toch zou eene uitnoodiging zijn aan alle mogendheden om zich ten koste van Duitschland te verrijken. Het bezit van Italië is, eeuwen achtereen, een punt van eer voor Duitschland geweest, en al kan ik niet beoordeelen of het bezit van Italië door eene Duitsche mogendheid voor de Duitsche natie van groot belang zij, dit voorzeker is van groot belang dat geene niet‑Duitsche mogendheid aan Italië de wet stelle.'220

`Doch het is eene zaak van Europisch belang. Vooreerst worden de tractaten van 1815, de waarborg van Europa tegen vernieuwing van een oorlog, door wapenstilstand nu en dan afgebroken, terzijde gesteld. Zal dan weder het regt van den sterkste en het sluwe gebruik van gunstige gelegenheid gelden? Ligt is het een grond, zelfs een schijnbaar regtmatigen grond te vinden voor krijg. Ten anderen wordt het regt der nationaliteiten, op dezelfde wijs als in 1848, uitgebazuind; namelijk als een regt voor hetwelk ieder volkenregtelijk bezit en elke pligt jegens de wettige overheid wegvalt. Ook wij hebben het regt van nationaliteit voor Schleswig‑Holstein voorgestaan, maar wij zijn opgekomen voor verkregen regten in hun verbindende kracht; nooit hebben wij verklaard dat het aan de hertogdommen vrij stond zich van de Deensche heerschappij te ontslaan. Zoo de Italianen hun doel bereiken en de heerschappij van Oostenrijk van zich afwerpen, hoe kan hetzelfde aan de Hongaren, de Polen, de Ieren worden belet? Alles in Europa raakt op lossen voet, elke bodem wordt ondermijnd. Ten laatste, wordt door dezen oorlog de geheele revolutie weder in het leven geroepen. De denkbeelden der revolutie hebben geen afzonderlijk bestaan; zij zijn in onderlingen zamenhang; onverschillig is het of de oproepingskreet met ``vrijheid en gelijkheid'' of met het regt der nationaliteit begint; het eene leuswoord ontsteekt telkens weêr het ander, totdat de geheele orde door regt en historie gevormd, in vlam staat. Voor niemand die door de schaal heen de kern ziet, kan het twijfelachtig zijn dat deze oorlog neêrkomt op het veertigjarig geding in de zaak van het carbonarisme tegen Oostenrijk en Italië. Daarom is het, om het behoud der grondslagen waarop Europa rust, om de zekerheid van ieder grondgebied, om de mogelijkheid eener ware politieke vrijheid onder geheiligd gezag, dringend noodig dat Europa het gebod van vrede doe uitgaan, eer het te laat is.'221
1   ...   60   61   62   63   64   65   66   67   ...   78


Dovnload 7.64 Mb.