Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina65/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   61   62   63   64   65   66   67   68   ...   78

`Dus geen localizeren van den oorlog. Dit te willen is kortzigtigheid of bedrog. Een oorlog van traditionele Napoleontische politiek, een oorlog ter verwezenlijking van het Italiaansche vrijheidsprogram en gij wilt dien localiseren! Ja, het oorlog voeren kunt gij localizeren, maar ziet gij tot het localizeren der werkingen van den oorlog evenzeer kans? Denkt aan Austerlitz en Jena. Ook Pruissen heeft in 1805 den oorlog tegen Oostenrijk en Oostenrijk in 1806 den oorlog tegen Pruissen gelocalizeerd. De oorlog liet zich telkens localizeren met veel geduld, doch veroorloofde zich later het aangewezen locaal te verlaten en elders zijn bezoek te brengen.'222

Dus geen wachten tot de daad volbragt zij. `Walewsky schrijft in zijne nota: `wij mogen tot geen prijs tegenover een tot stand gekomen feit staan!' Zoo Frankrijk zich aldus over het vermeesteren van Piemont door Oostenrijk uitlaat, geldt dit voor Europa minder van de vermeestering van Lombardije door Frankrijk? Indien thans in Europa de veerkracht ontbreekt om het volbrengen van de daad te beletten, des te meer zal zij gemist worden, als er van een terugkomen op het fait accompli spraak is.'223

`Dus geen ongebruikt laten van het nationaal gevoel voor volkseenheid en volkseer. Dat dit gevoel niet onbevredigd blijve, is voor de toekomst van Duitschland, ook wat de binnenlandsche politiek aangaat, beslissend.224 Dit gevoel kan beleedigd worden, het kan ongebruikt blijven, wanneer soms Pruissen te lang talmt met de handeling waar het op aankomt, wanneer Pruissen te lang aan de koele wijsheid der Europesche diplomatie, in plaats van aan de kracht en geestdrift van het Duitsche vaderland, gehoor geeft. Dit gevoel kan evenzeer vruchteloos blijven en omslaan ten verderve, indien men aan Pruissen een rol zijner onwaardig oplegt; indien men aan eene der groote mogendheden van Europa vrije beweging betwist, haar leiding wil geven en in den oorlog ondergeschikt maken aan hetgeen de meerderheid der staten beveelt. Dat is de houding niet eener magt wier leger 300.000 man telt. De kroon van Pruissen heeft het gansche volk achter zich, als zij voor Oostenrijk het zwaard trekt; maar ook als zij elk vernederend aanbod afwijst, en zich dan van elke verpligting vrij rekent, en zich haar eigen besluit voorbehoudt . . . Wij gaan een zwaren, ernstigen tijd tegemoet en geen menschelijk vooruitzigt kan berekenen welke wisselingen, misschien ook onheilen, de toekomst met zich kan brengen, welke de uitkomst zijn zal; maar voor menschelijk doorzigt is niet verborgen wat thans regt en pligt en gebod is, en als we dat spoor volgen, kunnen wij in levendig geloofsvertrouwen de toekomst gerust tegemoet gaan.'225

Of bij Oostenrijk dan wel bij Pruissen de schuld geweest zij, zal eerst uit meer volledige bekendwording der gewisselde stukken blijken. De raad van Stahl is ditmaal niet gevolgd. De oorlog is gelocaliseerd. Men heeft gedraald totdat het oogenblik voorbij was. Pruissen heeft de wapens opgevat, juist toen het strijden niet meer te pas kwam. Men heeft gestaan voor het fait accompli der vermeestering van Lombardije bekrachtigd door den vrede van Villa‑Franca. Aan veerkracht ontbrak het, niet slechts om daarop terug te komen, maar om zich tegen de uitbreiding van het feit, tegen het revolutioneren van geheel Italië, onder bescherming en zijdelings hulpbetoon van Frankrijk en Engeland, te verzetten. Oostenrijk ondervindt reeds wat het beginsel der onvoorwaardelijke nationaliteitsregten ook elders vermag; beiden Oostenrijk en Pruissen leveren het bewijs dat de teleurstelling waar het op handhaving van volkseenheid en volkseer aankwam, een jammerlijken invloed ook op de inwendige politiek heeft.


X

Wat of Stahl zelf over den afloop en den toestand van Europa in 1861 gedacht heeft? Het antwoord ligt in zijn laatste opstel, twee maanden vóór zijn overlijden; de toespraak waarmeê hij de Pastoral‑Conferenz te Berlijn geopend heeft.226 `Het merk van den toestand is de voorbeeldelooze afval van het geloof aan Gods openbaring en alzoo van de gehoorzaamheid aan alle orde die van God ingesteld is.

De omwenteling vertoont zich thans niet met de gruwelen en schriktooneelen als van 1789 tot 1794. Maar ze heeft grooter uitbreiding en zij ontmoet niet meer bij de niet‑gerevolutioneerde staten en de wettige overheden den toenmaligen weêrstand; ja weinig ontbreekt eraan of ze wordt in Europa als grondslag der openbare orde erkend. In het nu magtigste rijk der aarde, in Frankrijk, is het algemeene stemregt, dat is de wil der numerieke meerderheid als oorsprong en rigtsnoer der overheid bovenaan gesteld. In Italië is uit dezen regtstitel het onttroonen van wettige vorsten [voortgevloeid]227, het verbreken van eed en trouw, het stelselmatig verachten van alle volkenregtelijke overeenkomst en bezit, oorlog van een vorst228 tegen andere vorsten, met het uitgesproken doel om ze te verdrijven en uit geen anderen grond of aanleiding, gebeurtenissen tot dusver in de geschiedenis van Europa zonder voorbeeld. Engeland gaf officiële goedkeuring; in eene officiële nota wordt als beginsel gesteld dat de volken regt hebben voor opstand, als er grond is van misnoegen en dat zij grond van misnoegen hebben, wanneer de opstand daar is; dat dientengevolge eene andere magt geene vrijheid heeft de gronden te toetsen om tegen de revolutie te interveniëren, maar wel die om voor de revolutie te interveniëren.229 In Oostenrijk hebben de volken uit den zwijmelkelk gedronken, en na zoo lang te hebben gewacht, schijnen zij dien te willen ledigen tot op den bodem. In Duitschland redeneert en betoogt men, alsof er geen regt van vorsten of van staaten meer is en alsof het Duitsche volk nu230 eerst uit den natuurstand tot een staat zal worden gevormd.

Waar nu in Europa is er nog weêrstand in woord of daad, waar een kracht tot weêrstand tegen alle deze gebeurtenissen en tegen het nieuwe staats‑ en volkerenregt en tegen het geheele stelsel van 1789? Dit is dus de stempel van den hedendaagschen toestand: prijsgeving van het denkbeeld van overheid [en] van verbindend volkerenregt aan den volkswil. Zij heeft tot onvermijdelijk gevolg de prijsgeving ook van alle andere welgevestigde regten, daar deze aan het regt der overheid ondergeschikt en daarin allee[n] gewaarborgd zijn. En allereerst de prijsgeving ook van de kerk aan de wil der volken die thans in de volksmassa doordrong[en] is231 met ongeloof en met een aan de kerk vijandigen zin. Aanvankelijk zien wij reeds hoe in het zuidwesten van Duitschland aldus over het regt der kerk en der geloofseenheid van de kerk getriumfeerd wordt. En gelijk door deze antikerkelijke beweging de overheden ook op kerkelijk terrein zullen worden overweldigd, zoo zal wederkeerig, naarmate het nieuwe politiek beginsel zich in Europa vestigt, des te meer ook overal de vloed der beweging zich rigten tegen de kerk. Dan zal het duidelijk worden wat de kern is van de wereldbeweging: de vijandschap tegen Gods openbaring en tegen Gods ordening en gebod.'232

En welke is nu de roeping der kerk van Christus? `Niet om partij te kiezen voor eenige politische instelling of vorm, allerminst voor onregt en geweld der overheden en voor verdrukking van de volken. Maar tegen deze wereldbeweging in haar geheel en in haar diepste beginselen die inderdaad niet van enkel staatkundigen, maar van zedelijk‑godsdienstige natuur zijn, moet ze strijden door leer en getuigenis en weêrstand.'233

Maar is er voorbereiding tot dergelijken kamp? Ach, neen. In Duitschland zijn de gezindten meer dan ooit tweedragtig. In Engeland heeft de verontwaardiging over de Essays and Reviews234 getoond dat het, waar het evangelie aangerand wordt, nog aan geen kerkelijk bewustzijn ontbreekt. `Daarentegen is er tusschen de christenen in Engeland en Duitschland eene diepe klove door hun erkennen van de revolutie, door hunne sympathie voor de revolutie. In het geheele Engelsche volk is een trek van partijdigheid voor elke revolutionaire beweging, nu voor de Italiaansche, straks voor soortgelijke. Er is daar eene soort van geestdrift en van vrijheidszege, zoodra ergens, door volksopstand, de wettige overheid gehoond wordt. Een christelijk getuigenis daartegen, eene bestraffing, op grond van Gods Woord is ons niet bekend. Ja, het comité der Engelsche Alliantie heeft aan Garibaldi een polyglottenbijbel vereerd en alzoo, als eene bij uitnemendheid christelijke vereeniging aan den held van het carbonarisme hulde gebragt.235 En hiertegen is geen storm losgebroken, is geen stem gehoord. Hoe is zoodanige houding verklaarbaar bij mannen van onvoorwaardelijk geloof en eerbiedige onderwerping aan de Heilige Schrift? Ontbreekt misschien in den Engelschen bijbel, behalve de apocryfen, ook Romeinen 13? Of heeft het goddelijk gebod in Engeland een menschelijk amendement of bijschrift: Wees der overheid gehoorzaam, zoolang ze geen grond tot misnoegen geeft, of wees der overheid gehoorzaam, zoolang zij niet aan de eischen van burgerlijke en godsdienstige vrijheid in den weg is?

Deze houding, ofschoon onverdedigbaar, is niet onverklaarbaar. Er is in Engeland een dwaalbegrip omtrent de beteekenis van den tegenwoordigen strijd. Men ziet daarin nog steeds de tegenstelling tusschen het evangelie als het rijk van Christus en het pausdom als het rijk van den antichrist. Aldus wordt de revolutie iets van ondergeschikten, van onzijdigen aard, zoodat ze, wanneer zij op het pausdom losrukt, zelfs een werktuig en wapen in Christus' rijk wordt. Doch inderdaad is het rijk van den antichrist die loochening van God en Zijne openbaring, die omkeering van Zijne ordeningen, die verheffing van den menschelijken wil, den volkswil tot beheerscher der zedelijke wereldorde, die sedert het einde der vorige eeuw als wereldvervullende, wereldovermeesterende magt optreedt, en de strijd tusschen deze magt en het rijk van Christus is de worsteling en de tegenstelling van onzen tijd.



Voorts is in Engeland de herinnering aan de revolutie van 1688 van invloed op de beoordeeling van hetgeen thans plaatsheeft. De vergelijking gaat niet op en zij is voor de Engelsche natie en haar luisterrijk verleden smadelijk en onverdiend. Toen was het om de heiligste goederen te doen, om de van God geboden pligt der reeds wettelijk gewaarborgde belijdenis van het evangelie; om eene regtens bestaande, door eeuwenverloop bevestigde en beproefde staatsregeling. Nu om een ijdele vrijheid, om het idool van eenen nog onbekenden, nog236 op allerlei uiteenloopende wijs opgevatten staatsvorm, om volkswil en volksgeweld, om emancipatie van Gods gebod en van verkregen regt. Toen werd het wezen der overheid niet aangetast, vermits men niet dan in den uitersten nood zich tegen de overheid verhief. Thans wordt het wezen der overheid stelselmatig vernietigd, de beschikking van het volk over gezag en statenbezit en volkenregt ten blijvenden grondslag gesteld. Ook verliezen de Engelschen telkens meer het onderscheid uit het oog van de echte mannelijke vrijheid gelijk de natuurlijke en historische ontwikkeling hunner eigen instellingen ze geeft en de valsche afgetrokken vrijheid, waarop men volgens de leer der achttiende eeuw jagt maakt. Overal zien zij verdrukking, waar niet hunne vormen der vrijheid bestaan; dat is, vermits wezenlijke overbrenging faalt, waar ze niet in valsche nabootsing bestaan.

Eindelijk lag er reeds in de leer der Whigs, gelijk ze met de puriteinen in verband waren, een beginsel van opstand; niet aan Luther en Calvijn, die dit ten eenemale verwierpen, maar aan Knox en zijne geestverwanten ontleend. Maar ook deze schreef dit regt toe enkel aan het volk Gods, aan de bekeerden, aan de heiligen, alleen ter oprigting van het rijk van Christus en overeenkomstig het oud‑testamentische bevel om den gruwel der afgoderij - zo[o] dus ook afgodische en aan de dwaling gunstige vorsten - uit het midden des volks weg te doen. Gelijk nu deze geheele rigting allengskens een geheel wereldschen zin kreeg, zoo is ook dit zijn beginsel veranderd in het onheilige en ligtzinnige denkbeeld van onze dagen dat ieder volk voor hetgeen goeddunkt en krachtens zijn souvereiniteitsregt aan zijne overheden de wet stelt.



Dat in Engeland de belijders van het evangelie in dit beslissend punt met de denkwijs die het christendom verloochent, overeenstemmen, behoort tot de meest heillooze en smartelijke teekenen des tijds. Ik zwijg thans van het politieke nadeel, van het beletsel voor dat gemeen overleg tusschen Engeland en de Duitsche staten ter onderlinge bescherming en gezamenlijke invloed in Europa, hetwelk zoo dringend vereischt wordt. Er is een dieper kerkelijk nadeel. Aldus is de zamenstemming en hiermede ook de magt van het christelijk, van het evangelisch getuigenis tegen de hoofdzonde en hoofddwaling van onzen tijd gebroken of althans verzwakt. Met Luther en Calvijn eensgezind en niet met Knox, vooral niet waar zijne meening nog geheel van hetgeen hij bedoelde ontaard is, zijn wij op dit punt veel nader bij de geloovige roomschgezinden dan bij onze evangelische geloofsverwanten in Engeland.'237

`Nous n'allons pas en Italie fomenter le désordre ni ébranler le pouvoir du St. Père', zeide Napoleon, 3 mei 1859, bij het openen van den veldtogt.238 Die wereldlijke magt van den paus is evenwel aan het wankelen geraakt. Belangrijk is het te weten hoe Stahl, als geloovig protestant, over dit punt oordeelt.

`Des pausen wereldlijk gezag, zegt men, berust op een grondslag onbestrijdbaarder dan die van eenig gezag in Europa. Daarbij ziet men dan op het positieve, historisch gewaarborgde regt, en dan is de uitspraak, voor zoover gelijkstelling betreft239, juist. Maar voor eene christelijke waardering moet ook de hoogere regtsgrond in Gods ordening niet buiten het onderzoek blijven, en naar dit standpunt moet ik juist het tegendeel zeggen: het wereldlijk gezag van den paus is meer bestrijdbaar dan eenig ander. Omdat in Gods Woord het gezag der burgerlijke overheid, niet evenzoo het wereldlijk gezag van een geestelijk opperhoofd ingesteld en geheiligd is. Omdat de geestelijke voorrang, die daarbij ten grondslage ligt en ondersteld wordt, bestrijdbaar is en door ons, evangelischen bestreden wordt. Omdat, naar onze evangelische begrippen, het den zoogenaamden stedehouder van Christus niet past troepen en kanonnen te inspecteren.240 Ja zelfs uit het meest streng‑katholijke standpunt kan het nut worden bestreden en wordt het inderdaad welligt door de uitstekendste katholijke godgeleerden van onze dagen betwist. En hoe gewigtig de opmerking ook zij dat het opperhoofd der kerk niet de onderdaan van eenigen vorst behoort te zijn, zoo laat zich welligt daarvoor reeds eene - ik wil niet beweeren genoegzame uitkomst vinden in eene volkenregtelijk gewaarborgde onafhankelijkheid, ook zonder eigen grondgebied, en in elk geval vertrouwe men dat het Gode niet aan middelen zou ontbreken, wanneer in den geloove en uit onderwerping aan Hem, om het geestelijk ambt van alle ongeestelijk toevoegsel zuiver te houden, van het wereldlijk bezit afstand werd gedaan. Daarom kan ik, bij alle belangstelling voor het gedijen der Catholijke kerk op haar eigen weg, niet ijveren voor het wereldlijk gezag van den paus.

Desniettemin zou bij den tegenwoordigen strijd mijn votum, indien ik er een te geven had, ten gunste van dit wereldlijk gezag zijn, en is mijne sympathie voor de katholijken welke voor den paus goed en bloed veil hebben, niet voor de protestanten die rebellen en roovers tegen hem ophitsen. Hiertoe brengt mij niet het belang dat ik in deze zijne wereldlijke heerschappij stel, maar mijne belangstelling in elken regtstoestand, en het verband waarin onder deze omstandigheden deze heerschappij met elk verkregen regt is en het karakter der magten die op het ontrooven van dit gezag uit zijn. Dit is eigenlijk eene inwendige aangelegenheid der Roomsche kerk.241 Als het geloovige katholicisme op de afschaffing aandrong, zoo mogten wij evangelischen die begroeten als eene toenadering tot ons en als vooruitgang van geestelijk inzigt in de Katholijke kerk. Maar nu is het geheel anders, daar het geloovig katholicisme in 't algemeen met warmte voor de handhaving strijdt en de paus242 zelf dit regt dat hij niet zelf verworven, maar uit vroeger eeuw overgeërfd heeft, met heldhaftige volharding tegen openbare wederregtelijkheid en geweldenarij verdedigt, en het slechts de revolutionaire en in den grond antichristelijke rigting is welke zich daarin openbaart.243 Ook in dien stand van zaken mogen wij niet uit eigen aandrift in woord of daad eene instelling voorspreken of helpen in stand houden wier grondslag in weerspraak is met onze geloofsbelijdenis. Maar, wanneer plaats en roeping ons noodzaakt te beslissen, dan kunnen wij deze beslissing niet geven dan voor het regt en het regtmatig bezit der Katholijke kerk tegen onregt en geweld en tegen den vernielingsgeest van onzen tijd. Juist zoo is in 1814 het gedrag van den koning van Pruissen244 geweest. Hij zou voorzeker niet uit eigen aandrift een oorlog gevoerd hebben om den paus245 te handhaven of te herstellen in zijn wereldlijk gezag. Maar toen in de Europesche vierschaar ook hem het geven van eene uitspraak opgelegd was, gaf hij ze voor het herstel van den paus in het hem wederregtelijk ontnomen bezit.'246

En nu het slot.247 `In dezen toestand der wereld, in deze verdeeldheid en versnippering van de kerk, laat ons van alle eigen menschelijke wegbereiding, van alle kunstmatige eenheid afzien! Kracht en sterkte is te vinden alleen in gestadige waarheidsliefde, in gestadige trouw op het door God aangewezen pad; in het erkennen en op den voorgrond brengen van de werkelijk bestaande eenheid der christenheid en de hieruit voortvloeijende meer billijke en welwillende toetsing der afwijkingen en in een onophoudelijk en telkens met meer nadruk getuigen voor de eeuwige waarheden en ordeningen waartegen de wereldbeweging aandruischt. Dit is het ons voorgeschreven gebod. De uitkomst is bij Hem die het gebod gaf. En ook wanneer alle grondvesten worden geschud, is er toch één Woord, onwankelbaar, als alles wankelt en valt, waartegen, in de branding, de verbolgenheid der baren breekt en verstuift, waarop men veilig is, waardoor men, daarop vertrouwende in de waarheid geleid wordt. Daarin ligt het middel tot ware eensgezindheid, de levensadem van ons getuigenis, de kracht van onzen weerstand, het oordeel der wereldbeweging, die daaraan gewogen en te ligt bevonden wordt.248 Laat ons daarop vasten voet zetten, opdat wij daardoor en daarmeê onwankelbaar mogen staan. Dit te vermogen geve ons de genadige God!'249
XI250

-------
Noten bij no. 83. Stahl. Studiën etc.


1 

ARA G.v.P., no. 92 (De Vries no. 111), eigenhandig ontwerp. Titel en jaartal zijn ontleend aan de omslag. Het opstel draagt meer het karakter van voorstudie dan van vervolg. Het is aangevangen in 1861 en - blijkens n. 171 - voortgezet in 1862. Cf. Ter nagedachtenis p. 63 en 121; Fafié, Friedrich Julius Stahl, p. 245 n. 111. Veel van de inhoud is verwerkt in Ter nagedachtenis van Stahl, terwijl ook enkele bladzijden letterlijk overgenomen zijn (Ter nagedachtenis, p. 121 e.v.). In het hs. staan meestal alleen aanhalingstekens aan het einde van een `citaat', zodat de bewerker genoodzaakt was uit de werken van Stahl op te maken, waar de diverse aanhalingen beginnen. Deze `citaten' zijn deels letterlijke vertaling, deels uittreksel. Het commentaar beperkt zich tot verwijzing naar de relevante passages.

2 

In het hs. erboven geschreven: `aarzeling'. Cf. Briefw. III, 508.

3 

Van prof. B. J. L. de Geer van Jutfaas; cf. Ter nagedachtenis, p. 1; Briefw. III, 507‑521; 536; 538; 549; Fafié, Friedrich Julius Stahl, p. 128.

4 

Cf. Laboulaye, La liberté, p. 74; Ter nagedachtenis, p. 74; Tellegen, Stahl, p. 9.

5 

Cf. Neue Evangelische Kirchenzeitung van 24 aug. 1861 kol. 531. Groen vertaalt twee door enkele alinea's gescheiden passages. Zie ook Ter nagedachtenis, p. 2; Heraut van 27 sept. 1861 kol. 617.

6 

Rechts‑ und Staatslehre auf der Grundlage christlicher Weltanschauung. Zo luidt de ondertitel van de 2e dr. van Die Philosophie des Rechts II (1845/6). In de 1e dr. luidde de ondertitel; Christliche Rechts‑ und Staatslehre (1833‑1837).

6a 

Stahl betoogde dit ook op het `Stahlfest' op 12 dec. 1852: `Die Wissenschaft bedarf der Umkehr . . .'; cf. Roos, Konservatismus, p. 142.

7 

Citaat niet gevonden. Het komt niet voor in Die Philosophie2.

8 

Cf. Filippenzen 4, 8.



9 

Cf. M. des Amorie van der Hoeven, Over het wezen der godsdienst, p. 15, 1. Zie ook n. 121 van no. 70.

10 

Hs.: `leer'.



11 

Cf. Star Numans Voorrede bij W. E. Channing, Zede‑ en staatkundige toespraken, p. XIV, 1; Ter nagedachtenis, p. 3; Briefw. II, 902.

12 

In 1830. De voorrede is echter gedateerd: `Im December 1829'.



13 

Cf. Stahl, Die Philosophie4 II, 1, p. VII; Nederlander no. 1218, 1295 (14 juni, 12 sept. 1854); Adviezen 1856/7 II, p. VI, 1; Le parti, p. 58, 1; Aan de kiezers [De Vries no. 125] III, 14; Parlementaire studien III, 46; Ned. Ged., 2e serie, II, 389.

14 

Die lutherische Kirche und die Union (1859). Het werk heeft als ondertitel: `eine wissenschaftliche Erörterung der Zeitfrage.' Cf. Le parti, p. 9; Ter nagedachtenis, p. 3; Ned. Ged., 2e serie, IV, 300, 2; Brieven van Da Costa III, 226; Gerlach, Von der Revolution II, 1041.

15 

Der christliche Staat und sein Verhältnisz zu Deismus und Judenthum.

16 

Die Revolution und die Constitutionelle Monarchie (1848). Groen had bij het schrijven blijkbaar de tweede druk (1849) in handen. Cf. Grondwetherziening, p. 348, 2; 532; Brieven van Da Costa I, 360.

17 

Was ist die Revolution? Ein Vortrag auf Veranstaltung des Evangelischen Vereins für kirchliche Zwecke am 8 März 1852 gehalten. Cf. Le parti, p. 54.

18 

Sc. 1851. Cf. Parlementaire studien II, 230 (met citaat uit Stahl, Parlamentarische Reden, p. 116); Briefw. V, 263,2. Talloze sarcastische opmerkingen over deze staatsgreep in de Nederlander van 1851‑1855. Zie ook n. 311 van no. 96.

19 

Der Protestantismus als politisches Prinzip. Cf. Brieven van Da Costa II, 131, 1.

20 

Hs. oorspronkelijk: `op'.



21 

Ueber christliche Toleranz. Ein Vortrag gehalten am 29. März 1855.

22 

Wider Bunsen. Cf. Müller, Worte, passim; Gerlach, Stahl, p. 11; Von der Rev. II, 887; Schoeps, Friedrich Julius Stahl, p. 209.

23 

Cf. Stahl, Reden, p. V‑XVI.

24 

Friedrich Wilhelm der Dritte.

25 

Zum Gedächtnisz Seiner Majestät des hochseligen Königs Friedrich Wilhelm IV. und seiner Regierung.

25a 

Groen doelt hier op Stahls parlementaire redevoeringen in het algemeen. Twee bundels verschenen vòòr 1861: Reden (1850) en Parlamentarische Reden (1856). Uit de Siebzehn parlamentarische Reden (1862) kon pas in Ter nagedachtenis geciteerd worden. De term Adviezen ook in Ter nagedachtenis, p. 6; 12; 16; H.O.W., p. 93.

26 

De tussen haken geplaatste woorden zijn in het hs. abusievelijk doorgestreept.



27 

Marginale aant. van Groen: `Reactionair! Mon[archie 18]48 p. IV.' Cf. Stahl, Die Revolution (1848), p. IV: `Dasz man dieses System in weiten Kreisen als ein reactionäres bezeichnen wird, unterliegt mir keinen Zweifel.'

28 

Hs.: `Niebühr'. Deze spelling ook menigmaal in de gedrukte werken.



29 

Cf. Stahl, Reden, p. V; Ter nagedachtenis, p. 8.

29a 

Cf. Stahl, Die Philosophie4 I, 553.

30 

Willem Pitt de Jonge; cf. Ter nagedachtenis, p. 86‑88.

31 

Cf. Burke, Works VII, 14; Ong. en rev., 2e dr., p. 251, 2.

32 

Cf. Stahl, Die Philosophie4 I, 556.

33 

Ibidem.


33a 

Hs.: `fallait'.



33b 

Groen supprimeert het woord `française' achter `société'.



34 

Cf. Tocqueville, Oeuvres et correspondance inédites II, 444.

35 

Marginale aant. van Groen: `[Tocqueville, Oeuvres et] corresp[ondance] in[édites] II, 444 [ /5].'

36 

Cf. Stahl, Die Philosophie4 I, 357 e.v. Zie ook n. 58 van no. 70; Beschouwingen, p. 154.

37 

Gezegde van Dupin; cf. Frijlink, Gevleugelde woorden, p. 58; Guizot, Mémoires III, 222; Ong. en rev., 2e dr., p. 389(**) en 390;Briefw.IV,135;Stahl, Die Philosophie4 I, 360; Fonfrède, Oeuvres V, 306; 493; IX, 111‑125; Lourdoueix, De la restauration, p. 568; Leopold von Gerlach in Gerlach, Von der Rev. II, 719: `Louis Philippe war parceque Bourbon‑König'; art. Quoique in B.P.W. 1833 p. 120‑122 (waarschijnlijk van E. L. von Gerlach).

38 

Mémoires pour servir à l'histoire de mon temps (1858‑1867).

38a 

Hs.: `invoquer'.



39 

Cf. Guizot, Mémoires I, 157/8.

40 

Cf. Stahl, Die Philosophie4 I, 362; Grondwetherziening, p. 244; Ong. en rev., 2e dr., p. 394(*), waar abusievelijk verwezen wordt naar I, 257 vgg. i.p.v. naar I, 357 vgg.

41 

De la démocratie en France (1849).

42 

Vermoedelijk is bedoeld: Pourquoi la révolution d'Angleterre a‑t‑elle réussi? Dat geschrift uit 1850, ook afgedrukt in deel I van Guizots Histoire de la révolution d'Angleterre (4me éd. 1850), heeft als ondertitel: discours sur l'histoire de la révolution d'Angleterre. Cf. Ter nagedachtenis, p. 29; Ong. en rev., 2e dr., p. 252,1; La Hollande, p. 23, 1.

43 

Cf. Guizot, De la démocratie, p. 55; Grondwetherziening, p. 223; Nederlander no. 1036 (9 nov. 1853); Ned. Ged., 2e serie, IV, 56.

44 

Cf. Guizot, Nos mécomptes, p. 8 (= L'église, p. 216/7); Nederlander no. 1471 (10 april 1855); Le parti, p. 59/60; Ong. en rev., 2e dr., p. 188(*); Ned. Ged., 2e serie, II, 138; V, 77.

45 

Cf. Guizot, Nos mécomptes, p. 9 (= L'église, p. 218); Le parti, p. 60; Ong. en rev., 2e dr., p. 336(*); Ned. Ged., 2e serie, II, 138; IV, 168; 311; 332; V, 47; 77; 204; 255.

46 

Cf. Guizot, Nos mécomptes, p. 11 (= L'église, p. 222); Le parti, p. 60.

47 

Cf. Gen. 3, 5; Zwaan, G.v.P., p. 219.

48 

Zie n. 24 van no. 80.



49 

Cf. Guizot, Méditations et études morales, p. I/II; Discours académiques2, p. 224; Adviezen 1856/7 II, 179; 292*; Le parti, p. 60/1; Ter nagedachtenis, p. 31; Is er geen oorzaak?, p. 11; Bijdrage voor kerkgemeentelijk overleg, p. 35; Ned. Ged., 2e serie, I, 74; III, 380; IV, 333; Maurice et Barnevelt, p. CLVII.

50 

Cf. 1 Kon. 18, 21 e.v.



51 

Cf. Guizot, L'église, p. 34; Ter nagedachtenis, p. 104.

52 

Hs.: `feitenlijk'. De n van het oorspronkelijke woord (eigenlijk?) is wellicht blijven staan.



53 

Marginale aant. van Groen: `[Stahl, Die Philosophie2 I,] p. 358.'

54 

Cf. Ong. en rev., p. 36 e.v.

55 

Zie bibliografie sub Haller; cf. Ter nagedachtenis, p. 9.

56 

Ancillon, Nouveaux essais II, 139/140; Ned. Ged. III, 153; Nederlander no. 1218 (14 juni 1854); Ong. en rev., p. 37, 2; Le parti, p. 42; Archives, 1e série, I (2me éd.), 108*; Briefw. II, 138, 7; Verspreide geschriften II, 290.

57 

Cf. Mohl, Die Geschichte II, 545; Ong. en rev., 2e dr., p. 33, 2.

58 

Cf. Stahl, Die Philosophie4 I, 568; Ter nagedachtenis, p. 10, 1; Nederlander no. 1218 (14 juni 1854).

59 

Cf. Ong. en rev., p. 37, 3; Gerlach, Von der Rev. I, 28 e.v.

60 

Versta: `ziet men over het hoofd' (übersieht' bij Stahl, Die Philosophie4 I, 565).

61 

Cf. Stahl, Die Philosophie4 II, 2, 240. Zie ook n. 38 van no. 61.

62 

Cf. Burke, Works V, 231; Ong. en rev., 2e dr., p. 83, 1.

63 

Cf. Stahl, Die Philosophie4 II, 2, 413.

64 

House of Lords resp. Commons.



65 

Zo typeerde Lafayette het bewind van Lodewijk‑Filips; cf. Ong. en rev., 2e dr., p. 83; 391; Grondwetherziening, p. 321; Verscheidenheden, p. 260; Lemoine, Une visite, p. 21; Alexandre, Le musée, p. 431; Stahl, Die gegenwärtigen Parteien, p. 74.

66 

Cf. Stahl, Die Philosophie4 I, 570/1; Nederlander no. 1453 (19 maart 1855); Ned. Ged., 2e serie, IV, 255; VI, 20.

67 

Cf. Stahl, Die Philosophie4 I, 573; II, 2, 537; Fundamente, p. 17; 100; Der christliche Staat2, p. 72; Nederlander no. 209, 228 (4 en 26 maart 1851); Ned. Ged., 2e serie, IV, 253; Grosser, Grundlagen, p. 133; Heinrichs, Die Rechtslehre, p. 39; 103.

68 

Hs.: `beschouwt'.



69 

Cf. Stahl, Die Philosophie4 I, 587.

70 

Cf. Stahl, Die Philosophie4 I, 588/9.

71 

Römische Geschichte.

72 

Lebensnachrichten.

73 

Geschichte des Zeitalters der Revolution.

74 

Cf. Stahl, Die Philosophie4 I, 589/590; Nederlander no. 1454 (20 maart 1855); Ter nagedachtenis, p. 11.

75 

Cf. Ong. en rev., p. 257; Zwaan, G.v.P., p. 9 n. 18.

76 

Alsof voorafging: `Ik vraag mij af of . . .'



77 

Cf. 1 Petr. 2, 13.



78 

Frederik Willem III.



79 

Deze toespeling op Goethe's Faust (cf. Büchmann, Geflügelte Worte, p. 201) komt veelvuldig bij Stahl voor. Zie b.v. Die gegenwärtigen Parteien, p. 286; cf. Nederlander no. 1123, 1271 (20 febr., 15 aug. 1854).

80 

Stahl, Zum Gedächtnisz, p. 4‑6; Siebzehn parlamentarische Reden, p. 264/5; Ter nagedachtenis, p. 124/5; Ong. en rev., 2e dr., p. XI(*); Ned. Ged., 2e serie, V, 8.

81 

Cf. Stahl, Zum Gedächtnisz, p. 8/9; Siebzehn parlamentarische Reden, p. 267.

82 

Waarschijnlijk Julius Müller; cf.Conférences de Genève II, 383; Merle d'Aubigné, Caractère, p. 32; Monod, Conférence de chrétiens, p. 98; Monod, Conférence de l'Alliance, p. 132.

83 

Versta: vervangen (`ersetzen' bij Stahl, Siebzehn parlamentarische Reden, p. 268).

83a 

Cf. Stahl, Zum Gedächtnisz, p. 9; Siebzehn parlamentarische Reden, p. 267/8.

84 

Cf. Pertz, Das Leben V, 160; 164; 168; 171; 185; 452, waarnaar Groen verwijst in zijn aantekeningen achter deel V. Zie ook n. 276 van no. 70.

85‑86 

Hs. beschadigd.



87 

Cf. Laboulaye, Etudes, p. 285/6; Ter nagedachtenis, p. 93.

88 

Cf. Tellegen, Stahl, p. 6 e.v.; Ter nagedachtenis, p. 64/5; Briefw. III, 548.

89 

Zie n. 43 van no. 2.



90 

Cf. Laboulaye, Etudes, p. VII en 270; Ter nagedachtenis, p. 75.

91 

Cf. Laboulaye, Etudes, p. 295 en 297/8; Ter nagedachtenis, p. 75/6.

92 

Cf. Stahl, Die Philosophie4 II, 2, 332.*

93 

Karl Friedrich Vollgraff. Cf. Stahl, Die Philosophie4 II, 2, 332*); 366. Thorbecke oordeelde ongunstig over zijn staatsleer in Brieven van Thorbecke, p. 12; cf. Briefw. I, 283.

94 

In Ter nagedachtenis, p. 123 vervangen door: `behartiging'.

95 

De voorafgaande alinea is vrijwel letterlijk overgenomen in Ter nagedachtenis, p. 121‑123.

96 

Zie n. 38 van no. 28.



97 

Cf. Stahl, Die Philosophie4 II, 2, 241: `Alle Herrschaft und alles Gesetz geht danach vom Könige aus und besteht durch sein Ansehen; er beruft zu den Aemtern, er vereinigt in sich die verschiedenen Zweige der Gewalt, und es steht ihm Alles zu, was überhaupt im Bereiche der Staatsgewalt liegt, so weit es ihm nicht besonders durch die Verfassung entzogen ist (in dubio pro rege).' Zie over het verband met Stahls `monarchische Princip' Wiegand, Ueber F. J. Stahl, p. 255/6.

98 

Marginale aant. van Groen: `p. 214'. Sc. van de 2e dr. van Stahl, Die Philosophie II, 2.

99 

Versta: vrijlating. Stahl gebruikt hier het woord `Preszfreiheit'.



100 

Cf. Stahl, Die Philosophie4 II, 2, 512; Ter nagedachtenis, p. 13, 1.

101 

Cf. Stahl, Zum Gedächtnisz, p. 10; Siebzehn parlamentarische Reden, p. 268.

102 

Cf. Stahl, Zum Gedächtnisz, p. 9; Siebzehn parlamentarische Reden, p. 268; Roos, Konservatismus, Anm. p. 23 n. 222.

102a 

Groen stemt hierin overeen met Stein. Cf. Pertz, Das Leben V, 325‑327; 355 waarnaar Groen verwijst in zijn aantekeningen achter dit deel. Zie ook p. 772/3.

103 

Groen noemt hier slechts enkele punten uit de toespraak van de koning en kiest een andere volgorde dan het origineel biedt. Zie respectievelijk Frederik Willem IV, Reden, p. 61; 62; 53 en 55. Cf. Briefw. II, 786, 6. Von Gerlach, Aufzeichnungen I, 472 citeert p. 57.

104 

Zie n. 15.



105 

Hs. beschadigd.



106 

Cf. Stahl, Der christliche Staat2, p. 17; Ter nagedachtenis, p. 35, 1.

106a 

Cf. Stahl, Der christliche Staat2, p. XV en 10.

106b 

Versta: `maatschappij'. Stahl heeft hier: `Societät'.



106c 

Cf. Stahl, Der christliche Staat2, p. XV/XVI en 15/6.

106d 

Hs.: `die'.



107 

Hs.: `schragen'. Stahl heeft hier: `Verhältnisse, welche das Königthum bis jetzt noch stützen . . .'



108 

Cf. Stahl, Der christliche Staat2, p. 10.

109 

Hs.: `evenmin'. Stahl zegt echter: `hierin in Gegensatze gegen die Bewegung der Zeit . . .'



110 

Cf. Stahl, Die Philosophie2 II, 2, p. XI‑XII; Grondwetherziening, p. 369.

111 

Cf. Stahl, Die Philosophie2 II, 2, p. XII‑XIII.

112 

Cf. Stahl, Die Philosophie2 II, 2, p. XIII‑XIV.

113 

Cf. Stahl, Die Philosophie2 II, 2, p. XIV‑XVII.

114 

Tijd werd in oud‑Nederlands wel als vrouwelijk opgevat.



115 

Die Politik auf den Grund und das Masz der gegebenen Zustände zurückgeführt. Stahl vond het een `anregendes Werk' (Die Philosophie II, 2 (1837), 20).

116 

Cf. Dahlmann, Die Politik3, p. 235.

117 

Marginale aant. van Groen: `[Dahlmann, Die Politik3,] p. 235.' Cf. Stahl, Die Philosophie2 I, p. X‑XIV. Hetzelfde citaat vindt men, in enigszins andere bewoordingen, reeds in Nederlander no. 1113 (8 febr. 1854), overgenomen uit een art. van Van Reesema in de N.R.C. Cf. Grosser, Grundlagen, p. 124.

118 

Cf. Stahl, Die Philosophie4 II, 2, p. IX‑X.

119 

Cf. Stahl, Die Philosophie4 II, 2, p. X. Groen verwijst in margine abusievelijk naar p. XI.

120 

Cf. Micha 6, 3.



121 

Cf. Stahl, Zum Gedächtnisz, p. 10/1; Siebzehn parlamentarische Reden, p. 268/9.

122 

Cf. 1 Petr. 2, 14.



123 

Hs.: `menschelijken'. Stahl heeft hier (p. 269) het meervoud: `menschlichen Ueberzeugungen'.



124 

Cf. Stahl, Zum Gedächtnisz, p. 11/2; Siebzehn parlamentarische Reden, p. 269; Ter nagedachtenis, p. 125, 1.

125 

Van 20‑26 sept. 1849; cf. Stahl, Der christliche Staat2, p. VII e.v.; Ter nagedachtenis, p. V; 14; 46, 1; Nederlander no. 468 (7 jan. 1852); Nabrings, F. J. Stahl, p. 172‑174.

126 

Zie p. 369.



127 

Hengstenberg.



128 

Cf. Ter nagedachtenis, p. 14.

129 

Cf. Matth. 24, 15.



130 

Cf. Luk. 2, 35.



131 

Marginale aant. van Groen: `[Evangelische Kirchenzeitung 1848] p. 256, 681.' Groen vertaalt hier het slot van het anonieme art. `Der Allgemeine Landtag' in no. 28 van 5 april 1848 (kol. 255/6). Vanaf kol. 681 vindt men een reeks artikelen, vermoedelijk van Hengstenberg, o.d.t. `Was sagt die heilige Schrift über die Revolution?'

132 

Cf. Ter nagedachtenis, p. 14.

133 

Hs.: `noch'.



134 

Zie n. 125. In 1849 vond echter de tweede Kirchentag plaats; cf. Ned. Ged., 2e serie, II, 1; 175; Briefw. III, 536. Zie over de eerste (20‑23 sept. 1848) n. 102 van no. 78. De acta van deze twee congressen zijn o.d.t. Verhandlungen der Wittenberger Versammlung resp. der zweiten Wittenberger Versammlung in 1848 resp. 1849 verschenen. Cf. Nabrings, F. J. Stahl, p. 249.

135 

1848. Zie n. 16.



136 

Hs.: `linkerzij'. Cf. Stahl, Die Revolution, p. III: `zur Rechten'; Grondwetherziening, p. 472.

136a 

Cf. Stahl, Die Revolution, p. 9‑10.

137 

Frederik Willem I van Brandenburg.



138 

Hs.: `was'. Cf. Stahl, Die Revolution, p. 15: `wonach denn auch die ständische Verfassung . . . constitutionell gewesen wäre?'

139 

Vervangt het doorgestreepte `waardoor'.



140 

Cf. Stahl, Die Revolution, p. 16/7.

140a 

Cf. Stahl, Die Revolution, p. 17‑19.

140b 

Cf. Stahl, Die Revolution, p. 20‑35.

141 

Cf. Stahl, Die Revolution, p. 41; Die Philosophie4 II, 2, 242; 323; Grondwetherziening, p. 349.

141a 

Cf. Stahl, Die Revolution, p. 36‑44.

142 

Cf. Stahl, Die Revolution,p. 76/7; Grondwetherziening, p. 186, 2.

143 

Cf. Stahl, Die Revolution, p. 79‑82; Grondwetherziening, p. 532; Nederlander no. 808, 1040, 1042, 1170, 1260, 1266 (12 febr., 14 en 16 nov. 1853, 15 april, 2 en 9 aug. 1854); Ter nagedachtenis, p. 30; Ned. Ged., 2e serie, II, 22; III, 31.

144 

De vellen 1‑9 van het tweede gedeelte ontbreken; cf. De Vries p. 146. Het bevatte kennelijk een samenvatting van het begin van Die Revolution. Groen vertaalt hier p. V: `Wohl wäre jetzt eine grosze Coalition aller Wohlgesinnten gegenüber den Mächten der Zerstörung geboten.' Cf. Grondwetherziening, p. 470; Ter nagedachtenis, p. 115.

144a 

Cf. Stahl, Die Revolution, p. V; Grondwetherziening, p. 470, 2.

145 

Cf. Rom. 9, 33; 1 Petr. 2, 7.



146 

Cf. Stahl, Die Revolution, p. V/VI; Grondwetherziening, p. 473.

147 

Sc. 1848.



148 

Op 9 nov. 1848; cf. Stahl, Die Philosophie4 II, 2, 425.

149 

Versta: hetzij.



150 

In de `Vorrede zur dritten Auflage' worden de toegevoegde hoofdstukken opgesomd; cf. Stahl, Die Philosophie4 II, 2, p. V; Ter nagedachtenis, p. 15; Le parti, p. 85.

151 

Marginale aant. van Groen: `Gr[ond]w[et]h[erziening], p. 5'. Groen dringt t.a.p. aan op `naleving der gewijzigde Grondwet.' Zie het hoofdstuk `Der Verfassungseid und die Heilung destruktiver Verfassungen' in Stahl, Die Philosophie4 II, 2, 296‑306.

152 

Niet duidelijk wie Groen op het oog heeft. Het art. van Laboulaye geeft geen aanknopingspunt.



153 

Cf. Stahl, Die Philosophie4 II, 2, p. XXVI.

154 

Groen let blijkbaar weer op de (vlak achter het citaat geplaatste) datering van de voorrede (12 dec. 1845) en niet op het jaar van uitgave van dit deel (1846).



155 

Cf. Stahl, Die Philosophie2, II, 2, p. XVIII; Grondwetherziening, p. 213, 1.

156 

Willem I.



157 

Reden. Zie n. 25a.

158 

Cf. Matth. 10, 32; Luk. 12, 8; Adviezen 1856/7 II, 208, 1; Nederlander no. 29 (2 aug. 1850).

159 

Cf. Stahl, Reden, p. V‑XVI.

160 

Cf. Stahl, Parlamentarische Reden, p. 330/1.

161 

Groen vertaalt hier art. 11 van de Constitutie van 5 dec. 1848; cf. Quellen zum Staatsrecht I, 199; Stahl, Reden, p. 24; Der christliche Staat2, p. IX.

162 

Cf. Stahl, Reden, p. 24; Parlamentarische Reden, p. 80; Der christliche Staat2, p. XII; Nederlander no. 132 (30 nov. 1850).

162a 

In de tekst staat hier `f[iat] i[nsertio]'. Cf. Stahl, Reden, p. 32 (= Parlamentarische Reden, p. 89): `Die Revolution in Europa schlieszt nur das Christenthum und der christliche Staat und die christliche Schule. Darum bitte ich Sie, die Verfassung in diesem Punkte zu verbessern; stellen Sie das Band wieder her zwischen Staat und Kirche, zwischen Kirche und Schule. Es ist dies das glorreichste Werk, was Sie in dieser Sitzung vollbringen können, und der Segen der spätesten Geschlechter wird Sie dafür lohnen.' Cf. Nederlander no. 178; 768, 1528 (27 jan. 1851, 27 dec. 1852, 18 junij 1855); Narede, p. 22, 1; Le parti, p. 59; Ong. en rev., 2e dr., p. 6, 1; Ned. Ged., 2e serie, IV, 175; 212.

162b 

Cf. Stahl, Parlamentarische Reden, p. 101; De Tweede Kamer en de verzoekschriften, p. 102, 38; Adviezen 1856/7 II, 275*, 1; Ter nagedachtenis, p. 22; L'empire, p. 51, 3; Ned. Ged., 2e serie II, 1, 3. Zie ook n. 11 van no. 73.

163 

Cf. Stahl, Parlamentarische Reden, p. 104.

164 

Art. 108 van de Constitutie van 5 dec. 1848 luidde: `Die bestehenden Steuern und Abgaben werden forterhoben, und alle Bestimmungen der bestehenden Gesetzbücher, einzelnen Gesetze und Verordnungen, welche der gegenwärtigen Verfassung nicht zuwiderlaufen, bleiben in Kraft, bis sie durch ein Gesetz abgeändert werden.' Cf. Quellen zum Staatsrecht I, 208; Stahl, Reden, p. 33 (= Parlamentarische Reden, p. 254); Ter nagedachtenis, p. 16, 1; Von Gerlach, Die Frage, p. 1; Das Budget‑Gesetz, passim.

165 

Ministerie Polignac.



166 

Hs.: `zegevierend'. Stahl, Reden, p. 37 (= Parlamentarische Reden, p. 259) heeft: `die siegreiche Waffe'.

167 

Hs.: `kan'. Stahl, Reden, p. 38 (= Parlamentarische Reden, p. 260) heeft: `konnte'.

168 

Toespeling op het gezegde van Thiers: `Le roi règne et ne gouverne pas.' Cf. Büchmann, Geflügelte Worte, p. 631; Stahl, Die Revolution, p. 46; 54; 66; Reden, p. 39; 90; Die Philosophie II, 2, (1837), 133; Die gegenwärtigen Parteien2, p. 125; 158; Grondwetherziening, p. 17; 150; Nederlander no. 53, 79, 143, 293 (30 aug., 30 sept., 13 dec. 1850, 13 junij 1851); Adviezen 1849, p. 120; Adviezen 1856/7 I, 203; Aan de kiezers [De Vries no. 125] XX, 32; Brieven van Da Costa I, 165; Thorbecke, Bijdrage tot herziening, p. 8; Guizot, Mémoires II, 186; De Potter, Révolution belge II, 113; 252; Blanc, Révolution française IV, 341; 365; 368; V, 287; 363; Lamennais, Politique II, 20; Von Gerlach, Aufzeichnungen I, 354; II, 88; Christenthum, p. 14; Deutschland, p. 53; 56; Fonfrède, Oeuvres II, 32‑39; VI, 32, 124; 149; Witlox, De Katholieke staatspartij I, 334; II, 326.

169 

Het voorafgaande is een samenvatting van Reden, p. 33‑39 (= Parlamentarische Reden, p. 254‑262). In de tekst hierbij: `(f[iat] i[nsertio] p. 41 en 42)'. Cf. Stahl, Reden, p. 41/2 (= Parlamentarische Reden, p. 263‑265). De teneur van deze bladzijden is: `Darum . . . wenn Sie jetzt die Steuerverweigerung beschlieszen, so beschlieszen Sie nicht, wie etwa vor 30 und 40 Jahren, die constitutionelle Monarchie, sondern Sie beschlieszen die Demokratie'.

170 

Cf. Ter nagedachtenis, p. 16.

171 

Hs.: `changements'. Marginale aant. van Groen: `Revue des Deux‑Mondes 1862 p. 210.' Zie bibliografie sub E. Simon.

172 

Ibidem.


173 

Zie n. 54 van no. 81.



174 

Cf. Stahl, Parlamentarische Reden, p. 113/4 (= Siebzehn parlamentarische Reden, p. 23).

174a 

Rede über eine Radical‑Revision der Verfassung (26. Januar 1852) in Parlamentarische Reden, p. 109‑116 (= Siebzehn parlamentarische Reden, p. 17‑27).

174b 

Rede über die Aufhebung der Verfassung (24. Februar 1853) in Parlamentarische Reden, p. 125‑132 (= Siebzehn parlamentarische Reden, p. 27‑36).

175 

In de tekst hierbij: `f[iat] i[nsertio], p. 115, vg.' Zie Stahl, Parlamentarische Reden, p. 115/6 (= Siebzehn parlamentarische Reden, p. 25‑27). Cf. Nederlander no. 497 (10 febr. 1852); La nationalité, p. 13, 2.

176 

Cf. Stahl, Die Philosophie4 II, 2, p. XVI‑XVII; Adviezen 1856/7 II, 508, 1.

177 

Stahl heeft hier: `Ehrfurcht'.



178 

Cf. Stahl, Die Philosophie4 II, 2, p. XVII‑XXVI.

178a 

Groens oordeel over dit ministerie in Nederlander no. 172 (20 jan. 1851).

178b 

Toespeling op de `Bruch mit der Revolution', die Von Manteuffel op 8 jan. 1851 in de Eerste Kamer aankondigde; cf. Roos, Konservatismus, p. 72; 114.

179 

Marginale aant. van Groen: `Fr[iedrich] W[ilhelm] 16'. Cf. Stahl, Zum Gedächtnisz, p. 16/7; Siebzehn parlamentarische Reden, p. 273; Ter nagedachtenis, p. 17, 1.

180 

Cf. Stahl, Parlamentarische Reden, p. 346‑349.

181 

Marginale aant. van Groen: `R. 350'. Zie Stahl, Parlamentarische Reden, p. 350; cf. Ter nagedachtenis, p. 46 en 53; Briefw. III, 423/4; 536/7; 660; 664; 671/2; V, 426; Roos, Konservatismus, p. 146; 153; 170.

182 

Marginale aant. van Groen: `Stahl kon verklaren R[egts]f[ilosofie] III p. IX'. Waarschijnlijk doelt Groen op de eerste zin van p. VIII van Die Philosophie4 II, 2: `Der wiederholten Bestrebung, auf gesetzlichem Wege unumschränkte Regierungsform herzustellen, haben ich und meine Freunde widerstanden, die mit der Monarchie vereinbaren Rechte der Landesvertretung haben wir überall gewahrt, und wenn für Durchbildung und Verbürgung auch der wohlbegründeten neuen Freiheiten nicht die volle Energie aufgewendet wurde, so ist zu bedenken dasz, nachdem die Explosion von 1848 alle die Erschütterung und Zerstörung angerichtet, nachdem der Liberalismus seit mehr als einem Jahrhundert in der Lehre, und mehr als einem halben Jahrhundert in den Maaszregeln der Regierungen geherrscht hat, es doch wohl die überwiegende Anforderung war und noch ist, vorerst die wahren Fundamente der öffentlichen Ordnung zu befestigen, und die Regierung, welche sie pflegt, zu kräftigen.'

183 

Marginale aant. van Groen: `[Oeuvres et] corr[espondance] inédite[s] II, 273'.

183a 

Cf. Gerlach, Der Ministerwechsel im November 1858.

184 

Groen vertaalt hier het begin van Treuherz' inleiding op Stahls Parlamentarische Reden (p. 1).

185 

Marginale aant. van Groen: `[Die d[eutsche] Reichsv[erfassung], p. 11, vgg.' Op p. 11‑13 zet Stahl uiteen hoe de eenheid van Duitsland tot stand gebracht moet worden. Diverse citaten uit dezelfde bladzijden in Verscheidenheden, p. 326‑333.

186 

Cf. Stahl, Parlamentarische Reden, p. 3.

187 

Wilhelm von Humboldt.



188 

Cf. Stahl, Parlamentarische Reden, p. 4‑9; Reden, p. 1‑6. Cf. Parlementaire studien II, 391/2. `Suum cuique' was het devies van het Pruisische koningshuis; cf. Stahl, Friedrich Wilhelm der Dritte, p. 16; Die deutsche Reichsverfassung, p. 84; 99; Ned. Ged., 2e serie, III, 157.

189 

Deze brief van 18 maart 1849 is opgenomen in Frederik Willem IV, Reden, p. 103‑106. Het bewuste citaat op p. 105. Ook bij Hodenberg, Sechs Briefe III (, 5), 70‑73. Cf. Arndt, Briefe III, 321‑323. Marginale aant. van Groen: `Fr[iedrich] W[ilhelm] 14'. Cf. Zum Gedächtnisz, p. 14; Siebzehn parlamentarische Reden, p. 271/2; Ter nagedachtenis, p. 17; Parlementaire studien I, 17, 24; Ned. Ged., 2e serie, V, 153; 359.

190 

Cf. Stahl, Zum Gedächtnisz, p. 14; Siebzehn parlamentarische Reden, p. 271.

191 

Cf. Parlamentarische Reden, p. 13/4. Marginale aant. van Groen: `[Die deutsche] R[eichs]v[er]f[assung,] p. 92.' Op p. 91/2 zegt Stahl: `Preuszen hat die dringende Anforderung, eng verbunden mit Oesterreich zu bleiben, auf diesem ``herzlichen Einverständnisz'' ruhen hauptsächlich Friede und Sicherheit von Deutschland.'

192 

In de tekst hierbij: `(f[iat] i[nsertio] R. 63'. Cf. Stahl, Reden, p. 81/2; Parlamentarische Reden, p. 63: `Ich bekenne auch offen . . . es ist mir nichts Geringes, das einheitliche Band zu Oesterreich aufrecht zu erhalten. Die Einigkeit Preuszens mit Oesterreich ist Deutschlands Macht und Einheit, sie ist der grosze Wall gegen die Revolution, den uns Gott gegeben und den wir nicht leichtsinnig aufgeben mögen . . . Aber sollte damit eine Vasallenschaft Preuszens und Deutschlands von Oesterreich begründet werden, so sind wir die Ersten, welche sich dagegen energisch erheben. Preuszen had eine Mission für Deutschland (möge es sie durch den Bundesstaat oder auf andere Weise erfüllen), in der es sich durch Oesterreich nicht beirren lassen darf.' Cf. Parlementaire studien I, 15, 29.

193 

Cf. Stahl, Parlamentarische Reden, p. 303/4 (= Siebzehn parlamentarische Reden, p. 180/1). Marginale aant. van Groen hierbij: `Pr[euszische] Ka[mmer] 1860 p. 763'. Het is niet gelukt deze Pruisische Kamerstukken ter inzage te krijgen. Zie ook n. 226 en 247.

193a 

Cf. Von Gerlach, Der Bruch, p. 27 over de `Politik Erfurt' en `Olmütz'.

194 

Zowel `hij' als `hijzelf' slaat op Frederik Willem IV.



195 

Marginale aant. van Groen: `Fr[iedrich] W[ilhelm] 16'. Cf. Zum Gedächtnisz, p. 16; Siebzehn parlamentarische Reden, p. 272.

196 

Marginale aant. van Groen: `R. 310'. Cf. Stahl, Parlamentarische Reden, p. 307‑311; Schmidt, F. J. Stahl, p. 55, 7; 86.

197 

Marginale aant. van Groen: `R. 300‑301.' Cf. Stahl, Parlamentarische Reden, p. 300.

198 

Cf. Stahl, Die Philosophie4 II, 2, p. 454‑473.

199 

Hs.: `Schwartzenberg'. Zo ook op p. 392 supra.



200 

Cf. Stahl, Die Philosophie4 II, 2, p. 460.

201 

Cf. Adviezen 1856/7 II, 381; Ong. en rev., 2e dr., p. 410; Parlementaire studien I, 19, 23; Brieven van Da Costa III, 225. Tientallen zinspelingen op dit gezegde in de Nederlander van 1852‑1855. Zie ook Hübner, Neuf ans II, 273; [Jourdan,] Est‑ce la paix?, p. 26; La foi des traités, p. 12; Germain, Aurons - nous la guerre?, p. 4; 30; Grandeffe, Pie IX, p. 9; Une coalition, p. 30. Girardin, L'empire, p. 9; 17.

201a 

Cf. Ong. en rev., 2e dr., p. 377(*).

202 

Cf. Stahl, Parlamentarische Reden, p. 47/8.

203 

Versta: instemming. Stahl heeft hier `Zustimmung'.



204 

Cf. Stahl, Siebzehn parlamentarische Reden, p. 223.

205 

In de tekst hierbij: `f[iat] i[nsertio]'. Marginale aant. van Groen: `[Tocqueville, Oeuvres et correspondance inédites] II, 260'. Men leest t.a.p.: `Quant aux circonstances du temps, tout le monde en ce pays est visiblement passionné contre la Russie, et cette passion rend les Allemands assez favorables à la France à laquelle tant d'autres opinions générales les rendent hostiles.'

205a 

Cf. Nederlander no. 1186, 1207 (5, 31 mei 1854).

206 

Nicolaas I; cf. Nederlander no. 1186 (5 mei 1854).

207 

Alexander I; cf. Nederlander no. 1202 (24 mei 1854).

207a 

Cf. Stahl, Parlamentarische Reden, p. 28; Siebzehn parlamentarische Reden, p. 205; Nederlander no. 1186 (5 mei 1854).

208 

Cf. Stahl, Parlamentarische Reden, p. 32‑35; Siebzehn parlamentarische Reden p. 209‑213; Die Philosophie4 II, 2, p. XIV‑XVI; Nederlander no. 1198, 1204, 1210 (19, 27 mei, 3 junij 1854); Ter nagedachtenis, p. 18.

209 

Cf. Zwaan, G.v.P., p. 31‑33.

210 

Cf. Rom. 8, 31; Stahl, Parlamentarische Reden, p. 41‑52.

210a 

Cf. Stahl, Parlamentarische Reden, p. 40.

211 

Cf. Stahl, Parlamentarische Reden, p. 41‑49.

212 

Groen heeft ook hier aanhalingstekens. Het is dus niet onmogelijk, dat deze zin eveneens een citaat is.



213 

Marginale aant. van Groen: `R. p. 31'. Cf. Stahl, Parlamentarische Reden, p. 31; Siebzehn parlamentarische Reden, p. 208.

214 

Waarschijnlijk is Napoleon I bedoeld. Cf. Büchmann, Geflügelte Worte, p. 673; L'empire, p. 61, 2.

215 

Cf. Stahl, Siebzehn parlamentarische Reden, p. 229.

216 

Cf. Napoleon III, Des idées napoléoniennes, p. 122. Marginale aant. van Groen: `p. 222'. Cf. Stahl, Siebzehn parlamentarische Reden, p. 222; Von Gerlach, Der Bruch, p. 31. Von Sybel bespreekt dit `politisches Programm' in zijn art. Napoleon III, p. 545‑556.

217 

Cf. Napoléon III, Des idées napoléoniennes, p. 21.

218 

Cf. Livius V, 48; Büchmann, Geflügelte Worte, p. 594.

219 

Cf. Stahl, Siebzehn parlamentarische Reden, p. 220‑224.

220 

Cf. Stahl, Siebzehn parlamentarische Reden, p. 225.

221 

Marginale aant. van Groen: `diesem Kriege halt befehle, bevor es zu spät ist.' Cf. Stahl, Siebzehn parlamentarische Reden, p. 226‑229.

222 

Cf. Stahl, Siebzehn parlamentarische Reden, p. 224.

223 

Ibidem.


224 

Cf. Ter nagedachtenis, p. 18, 1.

225 

Cf. Stahl, Siebzehn parlamentarische Reden, p. 231/2.

226 

Sc. Stahl, Ansprache. Marginale aant. van Groen hierbij: `ook in zijn rede van 22 mei 1860.' Zie n. 193.

227 

Stahl schreef: `In Italien erfolgte . . .'



228 

Victor Emanuel II.



229 

Groen laat weg wat Stahl eraan toevoegt: `wie dereinst die Niederlande es gethan.'



230 

Het aan `nu' voorafgaande woord `zich' is abusievelijk niet door Groen geschrapt, toen hij de zinsbouw wijzigde. Stahl schreef: `sich . . . constituiren sollte.'



231 

Stahl is duidelijker: `Völker, die jetzt in Masse von Unglauben und Kirchenfeindschaft durchdrungen sind.' Cf. Studien en schetsen, p. XV.

232 

Cf. Stahl, Ansprache, p. 4‑6; Parlementaire studien II, 294; Ong. en rev., 2e dr., p. 420.

233 

Cf. Stahl, Ansprache, p. 6.

234 

Cf. Stahl, Ansprache, p. 9; Ter nagedachtenis, p. 47; Briefw. III, 538; Brieven van Da Costa III, 52, 2; Neue Evangelische Kirchenzeitung 3 (1861), 225‑232; Conférences de Genève II, 262; Gunning, Vorm en geest, p. 25; Jorissen, Historische studiën, p. 529.

235 

Zie n. 6 van no. 81.



236 

Hs.: `noch'. Stahl heeft (p. 15): `noch . . . noch'.



237 

Cf. Stahl, Ansprache, p. 13‑16; Parlementaire studien II, 194/5.

238 

Cf. Napoléon III, La politique impériale, p. 295. Zie voor de pennestrijd in 1859 bibliografie sub L'empereur Napoléon Ier; Italie et France; La politique napoléonienne; Programme de la Sainte‑Alliance; Girardin; Gerebtzoff; Léon; Forge; Grandeffe; Jourdan; Germain; Guéronnière.

239 

Stahl (Ansprache, p. 20) is duidelijker: `mit Ausnahme etwa des Komparativs'.

240 

Cf. Ter nagedachtenis, p. 59.

241 

Cf. Ter nagedachtenis, p. 60, 1.

242 

Pius IX.


243 

Cf. Ter nagedachtenis, p. 61.

244 

Frederik Willem III.



245 

Pius VII; cf. Nederlander no. 1204 (27 mei 1854).

246 

Cf. Stahl, Ansprache p. 20‑22; Parlementaire studien II, 295.

247 

Marginale aant. van Groen: `Groote strijd aanstaande. Godd[elijk] regt en heiligheid der tract[aten] blijft. Herrenh[aus], 1860, p. 763.' Zie n. 193 en 226.



248 

Cf. Dan. 5, 27.



249 

Cf. Stahl, Ansprache, p. 22/3.

250 

Hiermee eindigt het hs.



84
1   ...   61   62   63   64   65   66   67   68   ...   78


Dovnload 7.64 Mb.