Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina67/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   63   64   65   66   67   68   69   70   ...   78
Redevoering in de Tweede Kamer. 1863.1

Vele jaren ben ik lid der Kamer geweest; nooit in zoo moeijelijken toestand. Voor de vierde maal!2 Ja voor de vierde maal; doch men telt de aanvallen niet, dag op dag met scherpheid tegen mij gerigt, en waardoor ik, zoo als ik gisteren zeide, vertrouwend op de billijkheid der Kamer, tot fragmentarisch antwoorden verpligt werd. Nu mag ik spreken, maar kan ik spreken? Is luisteren, op dit uur, bij zooveel opgewondenheid, nog denkbaar? Had ik bedenktijd verlangd, welke eene grief te meer! Veel, zeer veel dat welligt nog behoorde te worden gezegd, zal ik voorbijgaan; maar aan den pligt van volksvertegenwoordiger en ook aan het gewigt van dit oogenblik gedachtig, zal ik althans trachten zonder overijling aan den minister van Binnenlandsche Zaken3 zoodanig antwoord te geven, als waarop hij, als hoofd en ziel van het kabinet, regt heeft.

De minister van Koloniën4 beklaagt zich over het censureren van de raadslieden der kroon. Ik berust in het oordeel dat in en buiten de Kamer over de taal door hem gevoerd zal worden geveld. De aanval was alles behalve parlementair: in een lid der Kamer werd de Kamer geraakt.5 De aanval was niet onoverdacht. Ik heb daarin niet den voormaligen zeeman, maar den zich vormenden staatsman gezien. Het is nog zoover niet in Nederland gekomen, dat men in deze vergaderzaal het woord voert alleen in den door de ministers afgebakenden kring. Ik wensch niet verder in vrijmoedigheid van spreken te gaan dan de minister van Binnenlandsche Zaken, toen hij opposant was. De roeping der Kamer is ook kritiek en censuur van de verantwoordelijke raadslieden der kroon. Een minister, die daartegen protesteert, raakt de hartader aan van het gemeen overleg. Zoolang, gelijk nu, de beraadslagingen door een van het gouvernement onafhankelijken voorzitter6 worden geleid, zal de vrijheid van spreken gehandhaafd worden in dit Nederlandsche parlement.

De koloniale quaestie. Wat wilt gij? zegt men, we hooren slechts wat gij niet wilt.7 Daargelaten of de aanmerking omtrent leden als bijv. het lid uit Zwolle8 juist zij, antwoord ik in 't algemeen. Het is de taak der regering te zeggen wat zij wil. Van de oppositie kan alleen worden gevergd te zeggen wat zij niet wil. Ik meen te weten dat de minister van Binnenlandsche Zaken als opposant (in de afdeelingen althans) niet zelden op de vraag: wat wilt gij? ten antwoord gaf: ik maak hier het ontwerp van wet niet; ik kritiseer het. La critique est aisée et l'art est difficile.9 Zeer juist; gij hebt de moeijelijkste taak, omdat gij gouvernement zijt. Dit geldt bovenal in koloniale zaken. De minister van Koloniën heeft de overgroote meerderheid der Kamer geneutraliseerd; gij moet allen, zeide hij, doen wat bijv. het lid uit Zevenaar10 doet; allen moet gij elk stuk lezen en bestuderen en u telkens eene eigen opinie vormen op elk gewigtig punt van koloniaal beheer. Maar dat is onmogelijk. Zóó verliest gij de eigenaardige taak der Kamer uit het oog; zóó maakt gij, door de discussie over de hoofdstukken te ontwijken en over de bijzonderheden uit te lokken, de Staten‑Generaal tot instrument uwer inzigten, en schuift uwe verantwoordelijkheid op de volksvertegenwoordiging af. Wanneer ik de leden uit Zwolle en Zevenaar en vooral ook wanneer ik den minister van Koloniën gehoord heb, en de minister mij vraagt: wat wilt gij? dan antwoord ik: daarover verkies ik niet mij uit te laten; ik weet met genoegzaamheid van onderzoek en overtuiging wat ik niet wil.

Nu de leelijke insinuatie11, de politieke machinatie.12 Ik zou er van kunnen zwijgen. De wijs waarop mij het woord gegund is, duldt eene dezer Kamer waardige behandeling van een zóó teeder staatsregtelijk punt niet.

De dezer dagen zoo dikwerf geciteerde zinsnede is te vinden op bladz. 764 van het Bijblad, kol. 2, en luidt aldus: `naar de praktische rigting, die vooral ook dit Ministerie aan het Nederlandsche staatsregt geeft, het zou kunnen gebeuren dat de publieke opinie, in haar officiële diplomatische vertolking, met de opinie noch van de Volksvertegenwoordiging, noch van de natie, noch van dengene aan wien het opperbestuur der buitenlandsche zaken is toevertrouwd, overeenkwam.'13 Ziedaar het corpus delicti.

De aanleiding was de nota aan Rusland. Ik kom er niet op terug: het antwoord ligt nu voor rekening van hen die tegen mijne motie hebben gestemd14, en wat den minister van Buitenlandsche Zaken15 aangaat, toen hij zeide dat onze nota zeer goed was ontvangen, ik onderstel dat hij toen enkel op de slotperiode16 gelet had.

De minister van Binnenlandsche Zaken verklaart nu dat ik bij de interpellatie ons nationaal karakter, de plaats van ons land in de gemeenschap der volken, en onze geschiedenis niet het minst miskend heb. Ik zwijg. Nota, debat en antwoord zijn voor allen leesbaar; die het vaderland lief hebben kunnen, op dit punt, uitspraak doen tusschen hen die voor en hen die tegen de motie hebben gestemd.

Dit in 't voorbijgaan. De nota was aan de Kamer enkel uit een doorgaans wel onderrigt blad17 bekend. Verbaasd hierover, hebben vele leden der Kamer gevraagd: waar moet het met de behandeling der buitenlandsche zaken heen? Is de nota in den ministerraad geweest? Zeker is het niet; en het denkbeeld van een homogeen ministerie gaat te niet; alles wordt specialiteit. Wat beteekent in art. 5918 het opperbestuur? Er mag geen kloof, geen antagonisme zijn tusschen kroon en minister. Ook niet volgens de praktische rigting, die het ministerie geeft aan ons staatsregt, en daarom heb ik niet kunnen misprijzen den zoo dikwerf afgekeurden vermaarden brief van 1853.19 Nu kan het gebeuren - ik zeg ook thans niet dat het gebeurd is - dat volgens dit systeem, een ministerie opgedrongen zij aan de kroon en dan kan ook gebeuren, kan altijd gebeuren, moet uit den aard der zaak somtijds gebeuren wat ik in eene algemeen gestelde zinsnede heb gezegd. Nu heeft men de zinsnede gespecialiseerd, om ze met loopende geruchten in verband te kunnen brengen, en aldus zelf gedaan wat men vervolgens aan een ander verwijt. Van den beginne af heb ik dergelijk ter sprake brengen van hetgeen hier niet voegt, afgekeurd. Men zoekt eene allusie in den volzin. Ik betwist het regt om te beweren dat er eene allusie in ligt. Hoogstens mag gezegd worden: het is mogelijk. Ook laat ik mij het regt van toespeling niet ontnemen. Er kunnen omstandigheden zijn waarin door den volksvertegenwoordiger in de Kamer wat niet mag worden gezegd, moet worden kenbaar gemaakt. Het toeschrijven, op hoogen toon, van eene nevenbedoeling was hier te ongepaster om de onmiskenbaarheid van het doel: opwekking aan de Staten‑Generaal, in den ernst der omstandigheden, om een meer wakend oog te houden over hetgeen in de buitenlandsche zaken gebeurt.

Nog iets over de Eerste Kamer. Men heeft hier gepredikt eene theorie van eensgezindheid20 tusschen de twee kamers der Staten‑Generaal. Uitnemend; maar wanneer die entente cordiale21 telken male door het zwichten der Eerste Kamer moet worden bereikt, is het grondwettige van die regelmatige ondergeschiktheid twijfelachtig. Men heeft bij het ontwerpen van de grondwet getwist of er eene Eerste Kamer zijn zou. Het ergste zou ik achten, wanneer zij niet werd geëerbiedigd in hare constitutionele werking.

Ook nog iets over het gedrochtelijk verbond (l'union monstre).22 Het is opmerkelijk dat de ministeriële drukpers, onder dit bewind, hare roeping om het publiek, uit haar standpunt, omtrent de gewigtigste vraagstukken voor te lichten, vrij regelmatig vergeet. Doch nu schrijft eene courant23, die bij iedereen voor een orgaan van het ministerie op koloniaal terrein te boek staat, in haar leading - artikel over de zitting van gisteren: `De antirevolutionaire partij heeft hare beginselen, jaren lang volgehouden op het gebied van kerk en onderwijs, losgelaten, om op politiek terrein zamen te spannen met andere bestrijders van eene liberale politiek.' Niet in het belang van eigen rigting, maar van de politieke ontwikkeling der natie en van historische waarheid, vraag ik, of het wenschelijk is dat de debatten der Kamer op logenachtige wijze worden overgebragt? Veel is er wat ik nog behoorde te zeggen, doch waarvan het aanhooren ook van de meest welwillende aandacht niet meer kan of mag worden gevergd.

Dit evenwel, daar men over het verbond zoo en émoi is, wil ik nog gaarne berigten, dat het, voor zoover ik weet, niet ter omverwerping van het ministerie bestemd is. Met de geheimste gedachten mijner conservative vrienden ben ik onbekend; had ik eenigen invloed, ik zou zeggen: `haast u langzaam; ik zou niet gaarne terstond weder tegen u opposant zijn.' Mijne vrienden en bondgenooten hebben reeds veel in de school van het ongeluk geleerd; maar ik geloof niet dat de straftijd reeds voorbij is.

De minister van Binnenlandsche Zaken heeft ook nog een uitnemend en gansch niet overtollig steunpunt in den deerniswaardigen toestand, die aan zijn ministerie voorafging. Evenwel, vermits hij zoo even niet geschroomd heeft zijne afwezigheid, zijne onthouding, gelijk hij het genoemd heeft, te bepleiten, zij de opmerking mij vergund, dat hij, in zijne houding jegens de Tweede Kamer, de exceptionele uitnemendheid zijner positie misbruikt.

Vrienden van den minister hebben zich over mijne inconsequentie bedroefd. Ik heb vooral geen minder sympathie, wanneer ik moet aanzien dat de minister van Binnenlandsche Zaken niet meer in den ouden zin parlementair is.

Misschien heb ik mij eenigzins te verwijten dat ik, door schier dagelijkschen aandrang, den minister in de discussie gesleept heb; ofschoon, wegens dag en uur, dit geen eigenlijk deelgenootschap aan de beraadslaging kan worden genoemd. Waarom ben ik zoo onbescheiden geweest? Immers was het blijkbaar dat, in de ministeriële phalanx, geschikte onderbevelhebbers zijn. Dat is zoo, maar het hoofd van het kabinet moet tegenwoordig zijn, waar de eer van het land of de toekomst der kolonie op het spel is; niet om zich in bijzonderheden te mengen, maar om licht en raad te geven over gewigtige punten van staatsregt en politiek en algemeen belang. De minister, naar zijne tegenwoordige zienswijze, is meer op handelen dan op spreken (ofschoon wij hem zoo gaarne hooren) gesteld.24 Hij kan de behandeling der koloniale begrooting als eene parlementaire conversatie over een fait accompli hebben beschouwd, maar hij vooral weet dat menigwerf, somwijlen ook na langdurigen strijd, het spreken bij de uitkomst bleek te zijn de ziel van het constitutioneel gouvernement. Ik weet niet of de geachte afgevaardigde uit Amsterdam25 in den spoortrein of hier is; maar wel is mij zijn veelbeduidend gezegde niet ontgaan, dat ik, in den loop dezer zitting, niet gerezen was in zijne achting.26 Het was eene der zachtste uitdrukkingen die tegen mij gebruikt zijn. Ware hij nog hier, wij zouden hem kunnen vragen: hebt gij bij het, zoo we hopen, naderend einde der zitting, van den minister van Binnenlandsche Zaken, als constitutioneel, als parlementair man, hoogeren dunk? Ik weet wel dat de uitnemende kweekelingen zijner school hunne afkeuring niet mogen uiten; ik verg het niet, maar grievend echter moet het hun vooral zijn den uitmuntenden leermeester zelven te zien afwijken van het weleer met zooveel roem ingeslagen en aangewezen spoor. Zoo ook voor ons, die het ongeluk hebben hier en daar zijne wederpartijders te moeten zijn, is het bejammerenswaard. Veel liever, als voorheen, stelsel tegen stelsel en getrouwheid aan de vlag.

Omtrent de periode van 12 november27 moet ik den minister van Binnenlandsche Zaken doen opmerken, dat zij een geruststellend antwoord bevatte op de vrees van den geachten spreker uit Amersfoort28, dat door den minister ook thans nog een Engelsch parlementarisme en welligt een buitensporig overwigt van de Tweede Kamer bedoeld werd. Daarop gaf de minister het voor dat bezwaar allezins bevredigend antwoord: `Eene Vergadering, waarin van wege de Kroon met de Vertegenwoordiging des lands de publieke belangen in het openbaar worden behandeld.' Maar nu vraag ik: is dit niet eene definitie, die ook het Fransche parlementarisme omvat?29 Welken waarborg geeft ze, ik zeg niet van het gezag, maar van eenigen invloed van het zoogenaamde parlement?

De minister is een voortreffelijk staatsman, heeft op de ontwikkeling van het constitutionele staatsregt hier te lande, misschien meer dan iemand, invloed gehad; in de geschiedenis van het vrijzinnig Nederland kan hij, buiten eenigen twijfel, aanspraak maken op een zeer hoogen rang. Maar laat hij, aan zijn toekomstigen levensbeschrijver gedachtig, zorgen dat niet het hoofdstuk aan zijn tweede ministerie gewijd, gemerkt worde met de zinspreuk:Quantum mutatus ab illo!30

-------
Noten bij no. 86. Redevoering in de Tweede Kamer. 1863.


1 

ARA, G.v.P., no. 125, gedrukt in het aldaar bewaarde exemplaar van het Bijblad van de Nederlandsche Staats‑Courant 1862/3 II vel 242 p. 871/2; T.K., 77ste zitting‑30 mei [1863] XCIII. Definitieve vaststelling van hoofdstuk IX der Staatsbegrooting voor 1863 (Algemeene beraadslaging.). Met potlood schreef Groen op deze krant: `Thorbecke'. Cf. Van Welderen Rengers, Schets I, 284 e.v.; 300; Laman, Enkele aspecten, p. 67; Diepenhorst, G.v.P., p. 463‑472.



2 

Cf. Hand. T.K. 1862/3, p. 870: `Het voorstel van den Voorzitter, om aan den heer Groen van Prinsterer voor de vierde maal het woord te verleenen, in stemming gebragt, wordt met 34 tegen 28 stemmen aangenomen.' Zie ook Briefw. III, 611, 2.



3 

Thorbecke.



4 

Fransen van de Putte.



5 

Cf. Hand. 8621b.



6 

G. C. J. van Reenen. Zie voor zijn onpartijdige leiding o.a. Hand. 8621a; 904b.



7 

Cf. Hand. 858b; 863b; 872b; 8721a.



8 

Beide leden uit Zwolle G. A. de Meester en P. Mijer voerden het woord. Laatstgenoemde is bedoeld. Zijn redevoeringen op p. 864‑867 en 868/9.



9 

Cf. Huizinga, Woorden, p. 170 s.v.



10 

J. A. C. A. van Nispen van Sevenaer (district Nijmegen). Cf. Hand. 869a; 8722b.



11 

Deze woorden had G. M. van der Linden aan het adres van Groen gebezigd; cf. Interpellatie, p. 71. Van Heukelom en Thorbecke kwamen erop terug: Hand. 8622; 8626; 869a en b; 872b.



12 

Van Heukelom had zijn rede besloten met dit verwijt aan Groen: `wij moeten trachten de zaken tot klaarheid te brengen, maar niet altijd politieke machinatien op den voorgrond stellen' (Hand. 8626).



13 

Uit Groens rede van 20 mei 1863; cf. Interpellatie, p. 17; 71; 132.



14 

De lijst van 25 voorstemmers in Interpellatie, p. 174, 1. Veertig Kamerleden stemden tegen Groens motie. Cf. Vreede, Een twintigjarige strijd, p. 361‑364.



15 

Van der Maesen de Sombreff.



16 

Cf. Hand. 853b; Interpellatie, p. 176.



17 

Waarschijnlijk het Algemeen Handelsblad; cf. Briefw. III, 610, 3; Interpellatie, p. 4/5.



18 

Van de grondwet van 1848: `De Koning heeft het opperbestuur der koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen'. Cf. Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. XXXII.



19 

De brief die (het ministerie‑)Thorbecke op 16 april aan de koning schreef. Tekst in Handelingen van de regering I, 249/50. Cf. Nederlander no. 868 (25 april 1853): `Bij openbaar verschil, in de meest gewigtige punten, tusschen den Koning en het Ministerie is de tijd daar tot het geven of het vragen van ontslag. Deze hoofdgedachte der Missive van het Ministerie Thorbecke aan den Koning komt allezins met den eisch van een Constitutioneel Gouvernement overeen.' Zie ook Brugmans, Thorbecke, p. 155‑158; Hand. T.K. 1862/3, p. 122.



20 

Groen chargeert hier enigszins. Over de relatie tussen de twee Kamers onderling en hun betrekking tot de regering handelden Groen (847b), Fransen van de Putte (8545b), J. K. van Goltstein (856b), Dullert (857/8) en Thorbecke (870a).



21 

Cf. Büchmann, Geflügelte Worte, p. 633.



22 

Fransen van de Putte verweet Groen op 28 mei `het onnatuurlijk verbond tusschen de Christelijk‑historische leer met de conservative partij' (Hand. 8545a). Hij noemde het t.a.p. ook `het draconisch verbond'. Het woord `gedrochtelijk' bij geen van de sprekers teruggevonden; cf. Groen (847a); De Brauw (859a); Van der Linden (861 a en b); Groen (8621 a; 909a). Cf. Diepenhorst, Onze strijd II, 364. Met `l'union monstre' wordt gezinspeeld op het bekende monsterverbond tussen de Belgische liberalen en rooms‑katholieken in 1828. Zie b.v. Luykx, Politieke geschiedenis I, 45. Volgens Colenbrander, Gesprekken, p. 265 bezigde koning Willem I deze term in 1829.



23 

N.R.C.?

24 

Cf. Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. XVIII.



25 

C. van Heukelom.



26 

Zie Hand. T. K. 1862/3 p. 8626.



27 

De volzin van Thorbecke d.d. 12 nov. 1862 (identiek met het infra geciteerde `bevredigend antwoord') in Hand. 1862/3, p. 107; 838b; 847b.



28 

J. K. van Goltstein; cf. Hand., p. 106.



29 

Cf. Groen over de Tweede Kamer in Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. XVI: `Is zij volksvertegenwoordiging naar engelsch model, of naar fransch‑napoleontischen trant?' Zie ook Hand. 904b.



30 

Deze laatste alinea ook in Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. XXXVII, 1. Cf. Zwaan, G.v.P., p. 627.


87 Varia over antirevolutionaire demagogie. 1864.1

I. In de zitting van 1862/632, heb ik drieledige verduidelijking der wet van 1857 begeerd; ter eerlijke handhaving in den zin en geest waarin ze tot stand kwam. Dit denkbeeld, als voorstel geformuleerd, vond weêrspraak noch bijval. Zou het nu, in de zitting van 1863/64 desniettemin ter tafel worden gebragt? De reden mijner aarzeling heb ik met uitvoerigheid kenbaar gemaakt. Evenwel heb ik terstond de Kamer gepolst. De weerzin der overgroote meerderheid werd, scherper dan ik verwacht had, openbaar. Ook toen bleek het dat zij `bespreking van het splinterig vraagstuk, op welke wijs en op welken tijd ook, als ongeraden en ontijdig, met schroomvallige bedachtzaamheid afkeurt en vermijdt.'3

Doch ik liet mijne tegenpartij niet los.4 Ik wees op art. 23. Op het ontduiken en braveren van de wet.5 Op het christendom boven geloofsverdeeldheid.6 Op de oogluiking waarmeê zelfs eene aan het evangelie vijandige rigting geduld wordt. Op het verwijt van oneerlijkheid en wetverdraaijing7 door den hoofdontwerper van de wet8 tegen zoodanige praktijk gerigt. Ik deed uitkomen dat de Kamer, na zesjarig zwijgen, aan haar constitutionele roeping gedachtig, nu althans, door duidelijke verklaring een einde behoorde te maken aan de ergerlijke wijs waarop bij voortduring met het woord christelijke gespeeld wordt. Ziedaar het doel der motie van orde9, ingetrokken, ja, maar nadat zij gediend en uitgediend had.10

Ik heb getracht eene beredeneerde opgaaf te leveren van den loop en afloop der discussie.11 Ook elders zijn de uitkomsten hoofdzakelijk medegedeeld.12 Een felle uitval13 waarop ik geen rekening gemaakt had, heeft mij de gelegenheid verschaft, ter verdediging van het christelijk‑nationaal schoolonderwijs.14 Menig punt is toegelicht; de gedachtenwisseling was niet onvruchtbaar. Uit hetgeen [de heer de Brauw, vooral uit hetgeen de heer van Nispen van Sevenaer, en zelfs uit hetgeen de Minister15 gezegd heeft, is het, meer dan ooit, onbetwistbaar dat de wetgever, noch eene vereeniging van kerkelijke bedieningen met het openbaar‑onderwijzersambt, gelijk ze in de meeste Provinciën voortduurt, noch de willekeur der Gemeenteraden, in het al dan niet kostelooze der staatsschool, gewild heeft. De onwil om tegen de verkeerde toepassing, des noods, door verduidelijking der wet, te voorzien, is naauwelijks verklaarbaar dan uit weerzin om een misbruik te stuiten, op zichzelf zeer afkeurenswaard, maar dat de officiële school tegen mededinging] beschermt.16 Maar men heeft zich niet verklaard omtrent het punt waar het eigenlijk op aankomt.

De enkele leden17 volgens wie, ook na de zamenvoeging, op gelijken voet, van Israëliet en christen, het woord christelijke eene gewigtige beteekenis en groote kracht behoudt, hebben herhaald wat daarover in 1857 door den heer de Brauw gezegd is.18 Edoch er werd weinig of niets gezegd over hetgeen alles afdoet: namelijk over het treurig lot [van dit zonderling gevoelen. Men vergeet dat het, ofschoon ook in 1857 te berde gebragt, van regeringswege en door de groote meerderheid der Kamer, als onvereenigbaar met de Grondwet en met het regt voor allen, naauwelijks eener opzettelijke tegenspraak waardig] gekeurd werd.19

En nu de andere leden; de talrijke rigting die in 1857 getriumfeerd heeft; die de bijvoeging van het woord christelijke alleen onder voorwaarde dat het geen inbreuk zou maken op de volkomen neutraliteit vergund heeft? Zij vond verklaring niet oirbaar. Zij berustte gaarne in eene exceptie van niet‑ontvankelijkheid.20 Zij heeft zich [, schier uitsluitenderwijze, beijverd om te bewijzen dat de motie geen onderwerp van overweging] mogt zijn.21 Het betoog hierover vond gereedelijk ingang. Misschien evenwel pleit het voor [de deugdelijkheid van een voorstel, wanneer de wederpartijder zijn veerkracht meer in het ontwijken dan in het bestrijden aan den] dag legt.21a

Aan verwijten heeft het niet ontbroken. Ik voer den strijd, omdat ik mij telkens op duizenden in den lande beroep, op de meest indelicate, illoyale wijs die zich denken laat.22 Ik wil rustverstoring, agitatie23, ik ben een demagoog24, mijne rigting is bij uitnemendheid revolutionair en wat dies meer zij. Blijkbaar werden die verwijten grootendeels ontleend aan een artikel in de Ned[erlandsche] Spectator25 van den heer van Limburg Brouwer, getiteld Antirevolutionaire demagogie. Ik mag niet onopgemerkt laten dat daarin als sleutel van veel dat anders raadselachtig zijn zou, vermeld wordt dat voor de antirevolutionairen de gehoorzaamheid aan de overheid in een hooger dan menschelijke wet haar grens heeft.26 Dat daarvan misbruik door huichelarij en dweepzucht kan worden gemaakt, ligt voor de hand; maar de stelregel is die van den christen. Daarin alleen ligt de waarborg van gezag en vrijheid. De praktische toelichting kan men lezen in de geschiedenis van ons land. De theoretische bijvoorbeeld bij Vinet.

Doch welk wanbedrijf had ik begaan dat nu juist tot deze kritiek aanleiding gaf? Deze zinsnede in 1813 in het licht der volkshistorie herdacht: `Eene wet op het Lager Onderwijs kwam, onder vruchteloozen weerzin van Koning en Volk, tot stand.'27 Menigwerf is dit, ook door mij, in 1857 en later, gezegd. Iedereen weet het. De koning wilde de wet van 1856 niet, althans niet voor het uiterste beproefd was. Daarvoor werd een ander ministerie gevormd. Dit zag zich genoodzaakt voor de meerderheid te zwichten; daarom zuchten28 wij thans onder dezelfde wet29, waartegen de koning bezwaar had, scherper nog in hetgeen bij koning en volk weerzin gewekt had. Ook voortaan ben ik niet voornemens te verzwijgen wat tot de geschiedenis behoort; vooral niet waar het de dankbare vermelding van een koninklijke daad geldt.

Over 't algemeen kan ik in mijne antikritiek beknopter zijn dan ik gedacht had. Aan het einde van het vierde st[ukje] schreef ik: `Ik verlang aan te wijzen dat [de aard der persoonlijke bestrijding die ik, zelfs bij den Minister, en vooral bij zijne medestanders ontmoet heb, als of ik rustverstoring begeer, als of ik, in het gepeupel, tegen de wettige vertegenwoordiging steun zoek, als of ik een antirevolutionaire of, juister, revolutionaire demagoog ben; dat deze zonderlinge polemiek uitloopt op de wegcijfering van de waarborgen die het constitutioneel gouvernement, en die de nederlandsche volksaard, ter handhaving of verkrijging der vrijheid ook van onderwijs,] geeft.'30

Ik acht dit betoog overtollig. Mij dunkt dat de geheele gang der parlementaire werkzaamheden van hetgeen ik hier bedoelde overvloedig bewijs geeft. Wanneer men aan den eenen kant parlementaire discussie en publieke deelneming aan de publieke zaak voorstaat, en daarentegen de meerderheid èn zelve zwijgt èn liefst het zwijgen ook der minderheid begeert31, wanneer zij in de vertegenwoordiging geen volksorgaan maar een regeringsinstrument32 ziet, dan dunkt mij dat hetgeen dezerzijds bedoeld en verrigt werd, door het contrast met een niet bij uitnemendheid vrijheidlievend of nationaal overleg beter dan door uitvoerige redenering aan het licht komt.

Er is eene andere bedenking die ik liever opneem, omdat de wederlegging ons misschien op het spoor zal kunnen brengen der oorzaak van onze zwakheid. De christelijk‑historische rigting, zegt men, mat zichzelve en anderen af met negatieve oppositie en kritiek.33 Ik twijfel of de aanmerking gegrond is. De christelijk‑historische rigting legt een zeer positieve grondslag; volgens haar den onmisbaren hoeksteen van elk gebouw. Maar nu zou het, op haar standpunt, ongerijmd zijn aan het bouwen te gaan, zoolang die preliminaire quaestie niet afgedaan, zoolang die hoeksteen niet gelegd is.34 Maar vooral omtrent het onderwijs, heeft zij, met vasthouding aan haar beginsel, telkens, bij verandering van omstandigheden, een zeer bepaald programma gehad.

Hoedanig was in 1837 de toestand? De openbare school niets dan een flauw en ergerlijk geteem.35 Geen bijz[ondere] sch[olen] zonder au[torisatie]36 . . . Merkwaardig was de houding der r[oomsch‑] catholijken, vooral buiten de Kamer. Een voorstel, ten gunste van het bijzonder onderwijs zou, dacht menigeen, met goedkeuring en bijval door hen worden begroet. Geenszins; onwil was blijkbaar; geen artikel daarover in De Tijd dat niet afkeer en wrevel verraadt. Vanwaar dit? Voor de roomsche kerk is de neutrale school meer dan voor den protestantschen christen genoegzaam. `Die evangelische Kirche, wie sie die Mutter der bibellesenden Völker und so der Volksschule ist, ist eben dadurch zur Lehrerin des Volkes noch in einem anderen Sinn[e] geworden, als dies die christliche Kirche bis dahin gewesen war. [. . .] Die Gedanke der Volksschule ist aus dem Wesen des Protestantismus hervorgegangen' (Flashar, Die Volksschule auf dem deutschen evang[elischen] Kirchentag[e] im Sept[ember] 1862).37 In Nederland kan de godsdienstlooze school een zijdelings middel van roomsch proselytisme zijn. In N[oord‑]Brabant en Limburg is de staatsschool een gezindteschool. De belangen der r[oomsche] kerk staan, ik zeg niet tot dit ministerie, maar tot het liberalisme, dat zij elders bestrijdt, in eigenaardige betrekking.38 Waar elders doordrijving zou te pas komen, is hier ter . . .39


II. Spoedig heb ik ontwaard dat de velerlei werkzaamheid voor de Tweede Kamer het uitgeven van dit Parlementair Fragment40 te lang zou vertragen, indien daarbij, zooals ik voornemens was, een eenigzins uitvoerige antikritiek tegen de verwijten over agitatie en demagogie gevoegd werd.

Misschien is het verkieslijk in een afzonderlijk opstel te beproeven wat niet bepaaldelijk met het lager onderwijs, maar veeleer met den geheelen omvang onzer constitutionele, onzer Nederlandsche vrijheden en regten in verband is. Voor mijne zelfverdediging, indien ze noodig gekeurd wordt, kan ik met een vlugtig overzigt der ingebragte grieven volstaan.



Anti‑revolutionaire demagogie. Dit is de titel van een artikel in de Nederlandsche Spectator van den heer van Limburg Brouwer.40a De anti‑revolutionaire partij heeft een demagogisch‑revolutionair karakter. Twee opmerkingen zijn het vooral waarmeê dit beweeren gestaafd wordt. De eerste van persoonlijken aard. `Wij zien het erkende hoofd dezer partij, den heer Groen, als vertegenwoordiger des volks elke gelegenheid aangrijpen om door alle parlementaire middelen binnen zijn bereik de volgens hem van God gestelde staatsmagt te hinderen en te dwarsboomen in de uitoefening van haar regeringstaak.'41

Ik heb die tegenwerping reeds in 1849 beantwoord. Nadat ik mij veroorloofd had op den strijd der beginsels van twee ministers42 in het nieuwe kabinet te wijzen, vond de heer van Zuylen van Nijevelt43 het onverklaarbaar dat iemand die in theorie zooveel waarde hechtte aan het gezag en het afleidde van een hooger beginsel, het zoo bestreed. Mijn antwoord is toen geweest: `Ik geef in bedenking of wij, wanneer er sprake is van het verband tusschen het gezag en het goddelijk regt der overheid, niet allereerst moeten vragen: waar ligt het gezag? wat is het gezag? wat maakt in ons Land het gezag uit? En dan berust in Nederland het gezag niet alleen bij het Ministerie, maar bij de grondwettige inrigting, waartoe ook de Vergadering der Staten‑Generaal behoort, de Vertegenwoordiging des Volks, wier pligt het is vrijmoedig en rondborstig haar gevoelen open te leggen.'44

De tweede aanmerking is even scherp, maar ook, naar mij voorkomt, even onjuist. De christen heeft, volgens den heer van Limburg Brouwer, altijd een uitnemend middel om, naar welgevallen, ongehoorzaam te zijn bij de hand. `De Heer gebiedt zoo iets toevallig altijd in het geweten der antirevolutionairen zoodra de gestelde magten hun zin niet doen.'45 De antirevolutionair bedient zich als van een masker der pligtverzaking, van het beroep op de consciëntie, van het aanroepen van Gods naam. Dit zou laakbaar, dit zou verfoeijelijk zijn. Maar zoodanig ergerlijk misbruik van den evangelischen regel belet niet dat de tegenstelling van socialist en christen niet ten onzen nadeele uitvalt; wanneer de een zich voor de menschelijke wet onvoorwaardelijk buigt; terwijl de ander in het oog houdt dat in de vreeze Gods het beginsel van gehoorzaamheid en tevens van verzet ligt.46

Men behoeft slechts de redevoeringen van de heren Hugenholtz47 en van der Linden48 over te lezen om terstond te bemerken dat de heer van Limburg Brouwer reeds eer hij lid der Kamer werd49, grooten invloed op de beraadslaging gehad heeft. Zijn opstel was het thema waarop variatiën gespeeld zijn. De geïncrimineerde zinsnede, de volzin die mij zoo heftigen aanval heeft berokkend, komt voor in mijne bijdrage tot het novemberfeest: 1813 in het licht der volkshistorie herdacht. Ook op de volkshistorie der laatste jaren, van 1856 en 1857, wees ik en zeide: `Een wet op het Lager Onderwijs kwam, onder vruchteloozen weerzin van Koning en Volk, tot stand.' Het was niet50 dezelfde wet waartegen de koning51 zich verzet had. De naam des konings moet niet in de discussie worden gebragt.52 Ik beroep mij op het volk achter de kiezers tegen de wettelijke vertegenwoordiging der natie.

Onnoodig acht ik het te herhalen wat ik in de Kamer over dit een en ander gezegd heb. Dit ééne slechts. Men heeft zich als over een ongehoorde zaak, verbaasd getoond over hetgeen algemeen bekend is. Men heeft mij bijna van historievervalsching beticht53, omdat ik ook in de Tweede Kamer aan den eersten regel van historiebeschrijving gedachtig ben geweest dat zonder vrees voor de ergernis die zij geeft, de waarheid, de geheele waarheid, moet worden gezegd. Iedereen wist dat de koning, om het christelijk beginsel, niet om het woord christelijk te behouden, zich tegen het ontwerp van 1856 verzet heeft.54 Iedereen weet dat die poging, door den zonderlingen loop der omstandigheden, deerlijk mislukt is. Iedereen die billijk oordeelt, zal goedkeuren dat, om het smartelijke der teleurstelling, de dankbaarheid voor hetgeen beproefd werd, niet wegvalt; dat men niet op den koning de verantwoordelijkheid wil laten leggen van een wet waartegen hij zich, althans naar de vrij algemeene opvatting van onze staatsregeling, zoo lang mogelijk verzet heeft.55

Ik beroep mij op het volk, en dat volk is, zegt men, het volk achter de kiezers. Inderdaad, althans wat het lager onderwijs betreft, komt het geheele volk in aanmerking, vooral dat gedeelte waarop men somtijds zoo hooghartig neêrziet. Ook in de Kamer heb ik niet geschroomd dit te doen opmerken: `Vooral tegenover [de vrijzinnige rigting die, in Staat en Kerk, voor natie en gemeente (volgens haar, de onkundige volksmassa) verregaande minachting betoont, is de herinnering niet overtollig: ``op de regten en behoeften en op het oordeel van het Nederlandsche volk, ook buiten den kring door de kieswet afgebakend, moet worden gelet. Ja, ook op het oordeel van den geringste naar de wereld, omtrent vragen welke met hart en geweten, met geloof en Christelijke pligtbetrachting in] verband staan''.'56

Maar was de uitdrukking, in september 1856 door mij gebezigd, en die mij telkens voorgeworpen wordt, welligt om het verband waarin zij voorkwam, onvoegzaam? Er was spraak van ontbinding van de Kamer. Ik gaf te kennen dat, wanneer het onderwijs shibboleth wierd, op vele kiezers rekening kon worden gemaakt. `Doch', voegde ik erbij: `neem [aan] de mogelijkheid [dat, bij ontbinding, de tegenpartij triomfeert, wat dan? hebt gij dan de wet? Gesteld er kwam eene Tweede Kamer bijeen met het mandaat om, voor het Nederlandsche volk zonder uitzondering, dergelijke volksscholen op te rigten, meent ge dat de opkomst zelve u niet nadeelig zijn zou? dat de meerdere kracht van binnen niet zou opgewogen worden door kracht daar buiten; dat achter het kiezersvolk niet is de bevolking? zij tot wier behoefte vooral de volksschool behoort? Wanneer Kamers en kiezers collectief de regering uitmaken, heeft daarom de geregeerde Natie geen regt bestuurd te worden overeenkomstig haar geloof? Meermalen heb ik gezegd en herhaal het: ``Bruikbaarheid der openbare school voor eene Christelijke volksopvoeding is een grondwettig en ook historisch regt van het Nederlandsche volk. Het geldt hier een nationaal regt; er zijn regten, die van de willekeur, noch der Kroon, noch der Staten‑Generaal, maar enkel van het gemeen overleg behooren afhankelijk te zijn; er zijn historische regten waaronder hier te lande de Christelijke volksopvoeding behoort, waarop, ook niet met gemeen overleg van de drie takken der wetgevende magt, inbreuk mag] worden gemaakt''.'57

Ik dacht toen niet dat de wet tot stand komen zou; ik dacht niet dat de neutrale school de haven zou bereiken onder christelijke vlag. Doch zoo ik in mijne verwachting teleurgesteld ben, des te meer wordt, dunkt me, vervuld wat ik toen van een doordrijven der wet, met leedwezen voorspeld had: `Ik ga verder; ik neem aan [dat gij niet alleen eene Kamer hebt naar uw verlangen, maar ook eene wet: wat dan? Dan vraag ik naar de uitvoering der wet. Al is er, naar ik vertrouw, onderwerping aan de wet, hebt gij, met het oog op de welvaart van uw land, berekend de werking van het misnoegen dat uit dergelijke wet zou kunnen ontstaan? hebt gij u afgevraagd of daaruit, ik zeg niet - verre van mij - verzet tegen de grondwettelijke instellingen kan geboren worden, maar of de constitutionele Staat daardoor bestendiger zijn zal? De grondwettelijke instellingen hebben, om duurzaam te zijn, nog iets meer noodig dan dat het volk er zich niet tegen verzette, en daarom vraag ik of, indien dergelijke wet aan het Nederlandsche volk opgedrongen wierd, gij berekend hebt in hoever daardoor de liefde voor de Grondwet zou winnen en de zedelijke kracht onzer instellingen zou worden] verhoogd?'58

Het volk achter de kiezers. Ik zou er nog veel over kunnen zeggen. Het is een der verwijten waarin zich het verschil tusschen vrijzinnigheid en vrijheidszin verraadt.59 Ik bepaal mij bij het antwoord dat ik aan den heer van Heukelom gaf: `Naauwelijks is er ééne uitdrukking in de Kamer door mij gebezigd, waaraan ik met meer genoegen herdenk. Wanneer men in le pays légal het vaderland ziet, kan er van nationaliteit geen spraak zijn.'60

Agitatie. Ook hierop heb ik mij verdedigd in en buiten de Kamer. Verdedigd, maar zoo dat ik niet enkel defensief te werk ging. Ik heb mij beklaagd dat de vrijzinnige rigting ons alleen de vormen van het constitutioneel gouvernement laat; zeer weinig, niet slechts op het volk achter de kiezers, maar ook op het souvereine kiezersvolk let; in de Tweede Kamer een talrijken Raad van State en niet den hartader van het volk ziet61; ons een volksvertegenwoordiging geeft, niet meer naar Engelsch model, maar naar Fransch‑napoleontischen trant. Ik behoef dit niet verder te betoogen; ik wijs op de houding van ministerie en ministeriële partij ook in deze zitting. `Ubi rerum testimonia adsunt, non opus est verbis.'62

Aan de christelijk‑historische rigting is dikwerf òf met laatdunkendheid verweten, òf met welwillendheid onder het oog gebragt dat zij zichzelve en anderen afmat met negatieve oppositie en kritiek. Een behartenswaardige wenk. Waarbij echter men ook in het oog dient te houden dat het afdrijven met den stroom minder dan het daartegen oproeijen bezwaar heeft; dat het ontwerpen van staatsvormen en wetten naar grondslagen die met de heerschende wanbegrippen in strijd zijn, weinig baat; dat aan de praktische werking door theoretischen invloed de weg moet worden gebaand en dat de verkondiging der miskende en onveranderlijke beginselen, wel verre dat het als negatieve oppositie zou moeten worden beschouwd, bij uitnemendheid en bovenal positief is.

Doch dit in 't algemeen daargelaten, zoo mag ik hier, om het gewigt der zaak ook voor de toekomst, niet onopgemerkt laten dat, bedrieg ik mij niet, al wat ik voor het onderwijs, voor de christelijke volksopvoeding gewild en beproefd heb, eene allezins positieve en praktische rigting63 gehad heeft. Naast de openbare school geen school zonder autorisatie. Naauwelijks kan men zich thans nog voorstellen welk misbruik van die wetsbepaling gemaakt is. Van 1837 tot 1857 heb ik tegen dit misbruik geijverd met woord en daad.

Sedert de grondwetherziening in 1848 was er eene dubbele taak. Het opkomen tegen gewetensdwang waarvoor in de bestaande verordeningen een voorwendsel gezocht werd. Het voorbereiden der aanstaande wet, in verband met art. 194 der grondwet. Neutraliteit der openbare school en vrijheid van bijzonder onderwijs, ziedaar het stelsel dat de vrijzinnige rigting voorstond. Velen onzer christelijke vrienden64 waren van oordeel dat daarin kon worden berust. Immers er zou vrijheid van onderwijs zijn; van een revolutionairen en godsdiensteloozen staat kon men geen deugdelijkheid van openbaar onderwijs tegemoet zien.65

Terstond heb ik mij tegen dit prijsgeven van het openbaar schoolwezen verzet. Omdat met de bepaling die men in art. 194 ingelascht had, met het overal voorgeschreven onderwijs van overheidswege geen wezenlijke vrijheid van onderwijs kan bestaan. Omdat de grondwet een staatsvorm is die het christelijk beginsel niet uitsluit en, indien zij het deed, met de behoefte en den eisch eener christelijke natie in overeenstemming kan worden gebragt. Van lieverlede is als een axioma der moderne wijsheid erkend wat in 1855 nog door velen met verbazing gehoord werd: `staatsregtelijk is de natie niet uitsluitend eene Christelijke natie.'66 Daarop heb ik beweerd dat ook aldus, ook in een niet‑christelijken staat, bij de organisatie der openbare instellingen, voor zoover de godsdienst daarvan onafscheidelijk is, op het geloof der bevolking van staatswege moet worden gelet. Ik heb verlangd facultatieve splitsing. De mogelijkheid der afzonderlijke school voor Israëliet en christen, voor roomsch‑catholijk en protestant. Voorzeker geen ongerijmd, geen onuitvoerlijk, geen inconstitutioneel denkbeeld. Het zij genoeg te wijzen op artikel 9 der voortreffelijke wet van 1833; een artikel voorgedragen door Guizot, en door Cousin verdedigd, als een reeds bestaande usantie, waardig om als `un nouvel hommage à la liberté religieuse', opgenomen te worden in de wet. `Cette mesure [de haute tolérance nous a paru conforme au véritable esprit religieux, favorable à la paix publique, digne des lumières de notre siècle et de la munificence d'une grande] nation.'67 Een allezins bescheiden verlangen, waarbij in deze volkszaak aan de bevolking zelve overgelaten werd: wat zal regel en wat uitzondering zijn?

Naar den gewonen loop der omstandigheden zouden wij, naar ik acht, de zege hebben behaald. Na veeljarigen strijd was het oogenblik der beslissing daar. Er moest een keus worden gedaan. Lang was er geijverd voor het behoud eener christelijk‑gemengde school; eener school voor roomsch‑catholijken en protestanten, gelijk ze reeds vóór en evenzeer na 1830 aanleiding gegeven had tot onophoudelijk beklag. Dat pleit was afgedaan; dat evangeliewegcijferend evangelie was niet verdragelijk meer. Neen boven dergelijke ergernis was de godsdiensteloosheid der school een voorregt. Een van beide, òf splitsing, òf de school voor allen, de neutrale school, burgerlijk‑maatschappelijk. In elke gemeente van het rijk zal er openbaar onderwijs zijn, waaruit, dit kan, dit mag niet anders, het christendom als sectarisch68, de bijbel als een noodwendig verboden boek, de geschiedenis van ons bij uitnemendheid gezegend vaderland als aanleiding tot tweedragt, zal worden geweerd.

Het tot stand komen der voordragt waarin, naar het zich liet aanzien, de Staten‑Generaal met groote meerderheid zouden hebben berust, werd, in 1856, door het veto van volk en koning belet. Nu was er tegen de algemeen en imperatief godsdienstelooze school voor facultatieve splitsing veel en voor de christelijk‑gemengde school niet de allerminste kans. Zoodra dus de gemengde school die de natie, zeide men, lief heeft,69 als beginsel der wet op den voorgrond gesteld werd, was het uitloopen der poging op de neutrale school gewis. En het doordrijven der wet werd mogelijk, omdat het leger verdeeld geraakt, omdat de kracht van den weêrstand gebroken, omdat ten gevolge der inlassching van het woord christelijke, menigeen en allereerst de minister van Justitie70 zelf, het niet‑christelijke, zooal niet antichristelijke der voordragt voorbijzag.

Ik heb daarop in 1857 de Kamer verlaten, zoo ik dacht, voor altijd. Ik maakte mij geen overdreven voorstellingen. Maar ik gaf ook de hoop niet op. `Indien [veerkracht zich ontwikkelt, zijn we bij getrouwheid aan de hoofdgedachte der wet, magtig genoeg met het wapen dat tegen ons gesmeed werd. Weet ge wat ik bovenal vrees? het verbloemen der verderfelijkheid van het beginsel door de dienstvaardigheden der] praktijk.'71 Deze dienstvaardigheden bleven niet achter. Bij voortduring werd de bevolking in slaap gesust. Maar dit niet alleen. Ik had gerekend op een verdraagzame praktijk.72 Op de handhaving van die geringe vrijheid van onderwijs. Dit was misrekening. Velerlei middelen van zijdelingschen dwang. Nog meer. Wij vertrouwden dat er, zooveel doenlijk, op de neutraliteit der openbare school zou gelet worden. Dat men, verstoken van al wat christendom is, zou gevrijwaard worden tegen al wat christelijk heet. Geenszins. Willekeur algemeen. Veldwinnend ongeloof, zelfs door het schooltoezigt voorgestaan en begunstigd.

In 1860 werd de Vereeniging voor Christelijk nationaal schoolonderwijs gesticht.73 Aldus kwam ik nog meer in de gelegenheid om te ontwaren dat èn in het openbaar èn in het bijzonder onderwijs het regt der christelijke bevolking miskend werd. Daarom is het dat ik in junij 1862 aan het vereerend en aandoenlijk verlangen van velen gehoor gaf ([Ter] nagedachtenis van Stahl, p. IV).74 Ik vleide mij dat dit althans verkrijgbaar zijn zou; dat ook aldus een rationele wetgeving omtrent het onderwijs zou worden voorbereid. Ik vleide mij nog te meer hiermeê, omdat er een tweede ministerie Thorbecke was. Thorbecke had de wet van 1857 doorgedreven. Meermalen was hij tegen de conservatieven onze bondgenoot voor vrijheid van onderwijs geweest. De inlassching in artikel 19475 was er, zijns ondanks, ingebragt. Het onderwijzen is, volgens hem, geen regeringstaak. Waarom zou ik dan niet hierin zamenwerking tegemoet zien?

Zoo dacht ik. Zoo sprak ik in de Kamer terstond. De uitkomst is bekend. Waar ik ondersteuning verwachtte, heb ik gestadige en felle tegenwerking ontmoet.76 Bij de minister. Bij de Kamer, òf ministerieel en gaarne volgzaam, òf conservatief en dus hierin met den minister homogeen. En de oorzaak hiervan? `De Minister [zegt: gij zult niet ontkennen dat ik een vriend van het bijzonder onderwijs ben. Ik erken het gaarne; maar ik acht dat er tegen de soort van onderwijs die wij bedoelen, tegen het christelijk‑nationaal onderwijs dat wij voorstaan, bij u sterke vooringenomenheid bestaat. Ik acht dat het door u met tegenzin als sectarisch beschouwd wordt, en uit die vooringenomenheid wordt mij veel verklaarbaar wat mij verwonderd en leed] gedaan heeft.'77 Bij velen moet de oplossing van het raadsel in onverschilligheid worden gezocht. De zaak is hun der moeite niet waard. Doch waarom heb ik, in deze twee jaren, bij zooveel moeite en strijd buiten de Kamer, bij die christenen van wie kennisneming der publieke aangelegenheden en prijsstelling op hunne staatsburgerlijke regten mag worden verwacht, geenerlei ondersteuning gehad?

Ik spreek van het volk niet. Daar is meer sympathie ontwaakt dan ik zoo spoedig verwacht had. En op de hoogte der politieke aangelegenheden kan het niet zijn, wanneer het van boven af geen leiding en inlichting ontvangt. Ik vergeet niet, ik verklein niet het vele dat deze en gene, dat menigeen door ruime bijdragen, door christelijke toespraak, door voorbeeldigen ijver gedaan heeft. Ik bedoel de medewerking tot het verkrijgen van zoodanigen wettelijken toestand waardoor alleen de concurrentie van het christelijk‑nationaal onderwijs met de staatsschool mogelijk is. Die concurrentie waardoor alleen voor de bevolking vrije keus zal bestaan.

Het is mijn lot geweest doorgaans ook door velen mijner christelijke vrienden niet te worden verstaan. In de kerk heb ik geloofseenheid gewild. Zooals Vinet en De Pressensé. Christelijke kerkgemeenschap zonder het: Wat dunkt u van den Christus?78 scheen mij ongerijmd. In den Nederlandschen staat dacht ik dat, bij wederzijdsche onafhankelijkheid van staat en kerk, het christendom boven kerkelijke geloofsverdeeldheid als grondslag van elke grondwet ondersteld wierd.79 Als beginsel der antirevolutionaire rigting heb ik niets anders voorgestaan dan de weerstand naar christelijk‑historischen eisch, tegen de revolutieleer, gelijk ze tegen al het geopenbaarde en bovennatuurlijke, tegen al wat geloof en gezag heet, gekant is. Het heeft mij niet gebaat. Mijn streven was naar reactie, naar de middeneeuwen, naar alleenheersching, naar geloofsdwang. En mijne kerkelijke of onkerkelijke80 vrienden zagen in onze rigting veelal, wat den staat aangaat, eene politieke partij met wier pogingen de kerk zich niet had in te laten, en wat de kerk betreft, een juridiek‑confessioneel drijven dat zeer schadelijk zijn zou, zoo het niet intijds door de ethisch‑irenische, of zooals ook wel de tegenstelling uitgedrukt wierd, de evangelisch‑confessionele rigting betoomd wierd. Ik herinner mij evenwel dat eenmaal althans, tegen alle die voorstellingen, de eenheid en eenvoudigheid mijner levens‑ en wereldbeschouwing gesteld werd. Niet door een geestverwant. De apologeet was Dr. Pierson.81

Maar, mij dunkt, nu, ten aanzien van hetgeen ik voor het onderwijs sedert september 1862 begeer, kan geen misverstand zijn. Telkens en telkens heb ik het herhaald. Vooralsnog kunnen wij in de wet berusten, indien ze eerlijk wordt nageleefd.82 Doch ook aldus geschiedt aan de christelijke bevolking nog grootelijks onregt. Onze bezwaren komen hierop neer: `Eene wet [op het onderwijs, waarbij in waarheid nageleefd wordt het beginsel van scheiding van Kerk en Staat, dat thans de moderne maatschappij beheerscht, is, zonder wijziging van art. 194 der Grondwet, ondenkbaar. De wet van 1857 is eene partijwet,83 gerigt niet tegen het bijzonder onderwijs, o neen, maar tegen datgene dat ik met velen mijner landgenooten het christelijk‑nationaal onderwijs noem. Er moet voor de eerlijke naleving van deze partijdige wet beter dan tot dusver] gezorgd worden.'84 Eerlijke naleving van de partijdige wet. Antichristelijke eenzijdigheid der algemeene school, gebruik voor den staat van fondsen van de kerk, kosteloos onderwijs ook voor den meest gegoede, ziedaar de wederregtelijkheden waarop ik voornamelijk wees.

Ik vond weerspraak noch weerklank. Ik spreek niet van een enkel courantenartikel. Doch ik vraag wat is er in deze twee jaren, tot aandrang van deze billijke wenschen, door die christenen verrigt, wier studie, wier stand, wier politieke betrekking in de gemeenteraad, in de provinciale vergadering, in de hoogste staatsligchamen, welligt een zeer krachtigen invloed zou hebben gehad. Uitzonderingen voorzeker zijn er; maar, in den regel, neen, dan geven zij niet, in elke sfeer, het getuigenis dat van ons verlangd wordt. Het Maandschrift85 is een krachtige medestander. Ik weet het. Van elke gelegenheid om het te doen weten, maak ik gaarne, maak ik gretig gebruik. Algemeen bekend, algemeen erkend is het nu dat het door een voortreffelijk opvoedkundige86, met zeldzame bekwaamheid, geredigeerd wordt. Welnu, hoe velen of hoe weinigen zijn de abonnenten? En onder hen, de hoeveelste leest het? In onze dagen der omgekeerde toepassing van het non multa, sed multum87, vergete men niet dat zelfs bij hen wien christelijke levensbesteding ernst is, maar wier menigvuldige praktische werkzaamheid hun bijkans allen beschikbaren tijd wegneemt, de drang van allerlei lectuur, ook die weinig moeite vereischt, dikwerf het lezenswaardigste, zoodra het inspanning kost, verdringt.

Bij eerlijke naleving zouden wij kunnen berusten. Namelijk voor een tijd, een leer‑, een proeftijd. Een tijd van oefening en voorbereiding waardoor men, als de volledige vrijheid later zou worden verleend, voor een doeltreffend gebruik geoefend zou zijn. Doch geen berusting op den duur.88 Geen berusting in het beginsel. Geen verflaauwing in het afkeuren van eene partijwet die geen subsidie dan aan scholen waar het christendom verboden waar is, verleent. Geen voorbijzage van den eigenlijken zetel van het kwaad, namelijk artikel 194 der grondwet; omdat, zoodra alle denkbeeld van facultatieve splitsing der staatsschool terzijde gesteld is, de verpligting om overal van rijkswege onderwijs te geven, uit zelfbehoud of eigenliefde, tot begunstiging der openbare, tot benadeeling der bijzondere school en van lieverlede tot eene socialistische inrigting van het schoolwezen drijft.

Socialistisch?89 Of is dit misschien een ijdel schrikbeeld? Zou er in ons land voor het inslaan van een dergelijk dwaalspoor vrees zijn? We zijn reeds sedert lang op weg. De revolutionaire staatseenheid. De staat regelt zich niet naar de natie, maar de natie naar den staat. Alle verscheidenheid niet slechts van gewesten en gemeenten, maar ook van godsdienst en zeden moet89a wegsmelten in de algemeenheid. Een alvermogende volkssouvereiniteit, geconcentreerd in een alles regelend bewind. Eenheid en ondeelbaarheid van den staat. Eenheid ook van het schoolwezen. Nationale school voor allen. Geef dit overal van overheidswege. De christelijke school sektarisch (Bosscha).90

Het christendom boven geloofsverdeeldheid. Ik vraag niet wat in 1857 door het lid uit Deventer91 en in 1862 door den minister van B[innenlansche] Zaken92 daarmeê bedoeld werd. De opleiding tot maatschappelijke deugden. Met een titel voor het oog der menigte en ook der velen die gaarne bedrogen willen zijn, [die] de godsdiensteloosheid der school (niet de goddeloosheid)93 verbergt. Maar volgens den tijdgeest die zich sedert 1857 ook hier krachtig openbaart en in onze schoolorganisatie een uitnemenden steun vindt, heeft deze phrase een geheel anderen zin. Het beteekent dan het deïsme of atheïsme, dat, terwijl het op den naam van christelijk hoogen prijs stelt, tegen het christendom gerigt is.94 Dit is thans geen geheim meer. Hetgeen ik daarvan zeg, kan niet meer op rekening van vooroordeel en overdrijving worden gesteld. Men komt ervoor uit, men beroemt er zich op. Van de daken wordt gepredikt wat tevoren naauwelijks in de binnenkamer met behoedzaamheid geuit werd.95

Geen neutraliteit.96 Vinet, Gervinus, Rousseau.97 Daartegenover christelijke veerkracht. De vrijheid der individus, der associatiën. Wezenlijke scheiding van kerk en staat. Dit is het systema subordinatelijk98 ook van Stahl. Maar tevens van Vinet, Tocqueville, Laboulaye, De Pressensé, Neander.99 Men begreep het kerkelijk standpunt niet. Men wilde zich niet inlaten met eene politieke partij. Maar zal men dan niet eindelijk inzien dat het hier het ééne noodige100 voor kerk en vaderland, de uitkomst van een wereldhistorischen strijd geldt? Anderen zullen zich aan financiële en commerciële en koloniale belangen gelegen laten liggen. Aan belangstelling daarvoor zal het niet ontbreken. Maar, zoo de christenen omtrent de regten ter christelijke pligtbetrachting101 onmisbaar, onverschillig zijn, door wie zullen ze dan worden gehandhaafd? Zoo het zout zouteloos wordt102, wat dan? Heerlijk kan de roeping der christenen zijn. Vrijheid en evangelie. Vrijheid door het evangelie heeft gebloeid op Nederlandschen grond. Hac nitimur hanc tuemur.103 De flaauwheid der christenen heeft den weg aan de vrijzinnigheid gebaand.104 Met de vrijzinnigheid is de vrijheid verloren geraakt.105 Voor vrijheid wanorde, voor gezag dwang. De doode vormen van het constitutioneel gouv[ernement]106 konden weder door het christelijk beginsel worden bezield. - Eenmaal?

--------
Noten bij no. 87. Varia over antirevolutionaire demagogie.


1 

ARA, G.v.P., no. 98 (De Vries no. 124), eigenhandig ontwerp. Titel ontleend aan de omslag: `Varia a.r. demagogie/1795‑1813.' Onder dit no. treft men aan:

a. Een aantal weinig beduidende aantekeningen, een historisch schema van de jaren 1795‑1865 en uittreksels uit verschillende werken.

b. Een onvolledig opstel over antirevolutionaire demagogie (Varia I).

c. Een uitvoeriger opstel over hetzelfde onderwerp (Varia II). Laatstgenoemd stuk is identiek met het `elftal blaadjes' vermeld bij De Vries, p. 167 en in Briefw. V, 583, 4. De diverse toespelingen op deze Varia (Voorrede bij de uitgave in brochurevorm van De Tweede Kamer en de volksopvoeding IV (De motie van orde), p, [III/IV]; Briefw. V, 583; Voorberigten bij de gebundelde uitgave van de vier brochures; cf. De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. IX), de citaten uit deze brochures en de vergelijking met Aan de kiezers [De Vries no. 125] (waarin veel materiaal uit deze opstellen verwerkt is) maken aannemelijk, dat Groen deze Varia in de tweede helft van 1864 geschreven heeft en bieden tevens een verklaring waarom hij publicatie ervan na de verschijning van Aan de kiezers overbodig achtte.

2 

Marginale aant. van Groen: `Uit het P[arlementair] Fr[agment] is gebleken dat mijn ijveren v[oor] vr[ijheid] v[an] o[nderwijs] geenerlei bijval noch bij de K[amer], n[och] bij het m[inisterie] gehad heeft. Zelfs niet waar ik mij tot den wensch v[an] eerlijke handh[aving] v[an] de w[et] bep[erkt] heb. In de v[ergadering] heb ik de red[en] opg[egeven] w[aarom] de poging waarsch[ijnlijk] n[iet] zou w[orden] herh[aald], p. 20.' Cf. Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. II/III: `Voor mij althans is de wensch en het uitzigt van mede te werken tot eerlijke handhaving derzelfde wet, om wier aanneming ik de Tweede Kamer verliet, de reden waarom ik terugkeer.' Cf. Ter nagedachtenis, p. IV. Op p. 20 van De Tweede Kamer en de volksopvoeding handelt Groen over de `(on)tijdigheid van een voorstel ad hoc.'



3 

Cf. De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. 20; VI; Aan de kiezers [De Vries no. 125] XVIII, 27.



4 

Marginale aant. van Groen: `tegen elk soort van proselyt[isme] - woordenspel.' Cf. De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. 25 en 138: `Dit voorbeeld van openhartigheid schijnt navolgenswaard voor de leden der Kamer wier gevoelen omtrent de neutraliteit der staatsschool, als onderlingen waarborg tegen elk proselytisme, gezegevierd heeft . . .' Zie over de verschillende vormen van proselytisme ook: Aan G. graaf Schimmelpenninck, p. 27‑29; 84/5; Over het ontwerp, p. 126; Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs,p. XLI; 4; 18; 136; De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. 18; 47; 83; 98; 104, 3; 106; 121; 129; 132; Aan de kiezers [De Vries no. 96] V, 2; Aan de kiezers [De Vries no. 125] IX, 19; Studien en schetsen, p. 3; 12; 31; 59; 64; 66; 72. Zie over `woordenspel': De Tweede Kamer en de verzoekschriften, p. 83, 9; Adviezen 1856/7 II, 215*; 232*; 243*; 280*; 643; Over het ontwerp, p. 37; 54; 72‑75; 204, 1; Open brief, p. 6; Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. XXXV; 4; De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. 73; 100; 133; 177; Aan de kiezers [De Vries no. 125] VI, 6; Parlementaire studien I, 2, 17; 3, 2; II, 223; III, 64; 89; Wat dunkt u? II, 57; Ned. Ged., 2e serie, I, 19/20; 41; Brieven van Da Costa III, 93, 2; Brieven van Wormser II, 212.



5 

Zie over deze uitdrukking van Van Koetsveld: Berigten en bijdragen I, 225; Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. 4/5; 34; 124; 141; De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. VII; 13; 22/3; 28; 79; 90; 109; 121; 126; 154; 158; 162, 2; 170; Aan de kiezers [De Vries no. 125] II, 11, 1; IV, 9; VI, 17; XVI, 8; 13; XVII, 16; Het lager onderwijs, p. 7; 28; Studien en schetsen, p. 3; 30; Parlementaire studien I, 5, 20; II, 405; III, 73; Wat dunkt u? II, 17; 57, 2; Ned. Ged., 2e serie, I, 306/7.



6 

Formule van Thorbecke. Zie n. 23 van no. 74. Cf. 1813 in het licht der volkshistorie herdacht, p. XI; 19; Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. VI; XIV; XXXIV‑XLI; 9; 51; 60; 117; 119; 142‑150; 171; 177; De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. 41; 70; 91; 94; 118; 162‑168; Aan de kiezers [De Vries no. 125] I, 10; 11; II, 9; 11, 1;III, 10, 1; IV, 6; 15; VI, 2; VII, 10; 12; X, 23; XI, 24; XIV, 13; XVI, 13; XVII, 8; 20; Het lager onderwijs, p. 14; Studien en schetsen, p. XI; 12; 58; 68, 70, 4; 75; 111; 112; 122; 140; 154; Parlementaire studien I, 6, 14; 8, 12.



7 

Cf. De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. VI; 23‑25; 28; 118; 138; 144, 3; 155; 177; Aan de kiezers [De Vries no. 125] IV, 9; V, 13; XVI, 13; Het lager onderwijs, p. 7; 29; Studien en schetsen, p. X; 23; 30; 72; 130; Parlementaire studien I, 5, 27; 7, 18, 1.



8 

Van der Brugghen. Deze bewaarde echter de afstand tussen zijn eigen visie en die van Groen; cf. Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. 140; De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. 117; 178; Briefw. III, 512. Op één plaats wordt ook Thorbecke vanwege zijn invloed op het ministerie - Van der Brugghen als `hoofdontwerper van de wet' aangeduid; cf. De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. 128.



9 

Ingediend op 30 nov. 1863; cf. De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. IX; 90; Briefw. III, 644, 1. Marginale aant. van Groen: `Nota I. Art. l[ager] o[nderwijs]. II. Weth[erziening]. III. Motie v[an] o[rde]. Ook uit 3. a. verw[ijzing] n[aar] G[root‑] B[rittannië]. b. publ[ic] sp[irit]. c. verwijt[en].' Zie over het lager onderwijs: De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. 7‑10; over Thorbecke's verwijzing naar Engeland: p. 10; cf. Adviezen 1849, p. 3; 77; 169; Narede, p. 11; Aan de kiezers [De Vries no. 96] VIII, 4; Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. XV; XVII; 120; 124; 156; Aan de kiezers [De Vries no. 125] XVIII, 3. Het vervolg van onze tekst handelt over de verwijten.



10 

Cf. De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. 172‑174.



11 

Cf. De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. 90‑178.



12 

In de Berigten en bijdragen, het Maandschrift voor christelijke opvoeding in school en huis, etc.



13 

Van Ter Brugghen Hugenholtz.



14 

Cf. De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. 31‑62.



15 

Thorbecke.



16 

Aangevuld overeenkomstig brochure III (Wetherziening) p. [III]; cf. De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. VIII.



17 

De Brauw, De Meester en Wintgens; cf. De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. VIII; 25; 91‑103; 129‑137.



18 

Op 7 juli 1857; cf. Adviezen 1856/7 II, 258*; De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. 97 (waar abusievelijk van 3 juli gesproken wordt); 120, 123.



19 

Aangevuld overeenkomstig brochure III (Wetherziening) p. [III/IV]; cf. De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. VIII.



20 

Cf. De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. 112, 1; 129; 139; 151; 152; 172; 176; 177; Aan de kiezers [De Vries no. 125] VI, 6; Het lager onderwijs, p. 7.



21 

Aangevuld overeenkomstig brochure III (Wetherziening), p. [IV]; cf. De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. X.



21a 

Aangevuld overeenkomstig brochure III (Wetherziening), p. [IV]; cf. De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. IX.



22 

Verwijt van Ter Brugghen Hugenholtz; cf. De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. 32; 34; Aan de kiezers [De Vries no. 125] VI, 7; VII, 3; Studien en schetsen, p. VII; Parlementaire studien I, 14, 18; Februarij 1868, p. 32.



23 

Cf. De Tweede Kamer en de verzoekschriften, p. 13; Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. XVII; 127; 134‑136; 145; Aan de kiezers [De Vries no. 125] VIII, 23, 1; X, 21; XI, 11; 12; XV, 19; XVIII, 2; 15; XIX, 26; 27; XX, 1‑6; 8; 22; 23; 26; 32; Studien en schetsen, p. 97, 1; 98; 128.



24 

Cf. Over het ontwerp,p. 61‑64; Aan de kiezers [De Vries no. 125] V, 14; VIII, 3, 1; XIX, 13; 27; XX, 5.



25 

In no. 47 van 21 nov. 1863, p. 370/1; cf. De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. IX; 35; 39; 52; 62; 127; 172; Aan de kiezers [De Vries no. 125] XV, 2; XX, 27; Parlementaire studien I, 15, 3.



26 

Cf. Van Limburg Brouwer, Anti‑revolutionaire demagogie, p. 370.



27 

Cf. 1813 in het licht der volkshistorie herdacht, p. XI; De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. 33; 48; 60; 146; 149; 157; Aan de kiezers [De Vries no. 125] V, 8; XX, 27.



28 

Cf. Aan de kiezers [De Vries no. 125] XX, 24.



29 

Een cardinaal punt in de discussie; cf. Over het ontwerp, p. 4; 8‑11; 16; 17; 26; 27; 30; 39; 70; 83, 1; 94; 171; 194; Open brief, p. 4/5; Adviezen 1856/7 II, 234*/5*; 278*; 289*; 640; De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. 49; 50, 1; 60; 150; 157, 1; Aan de kiezers [De Vries no. 125] XVI, 4; 9; Parlementaire studien I, 15, 24, 2; Brieven van Da Costa III, 85; 92, 1; H.O.W., p. 140.



30 

Aangevuld overeenkomstig De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. IX; cf. brochure IV (De motie van orde), p. [III].



31 

Cf. Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. XX.



32 

Cf. Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. XV; Aan de kiezers [De Vries no. 125] XI, 7; XV, 17; XX, 30; Parlementaire studien I, 1, 4.



33 

Cf. Aan de kiezers [De Vries no. 125] XIX, 13.



34 

Cf. Over het ontwerp, p. 208; De Tweede Kamer en de verzoekschriften, p. 101.



35 

Een uitdrukking van Van der Brugghen; cf. Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. VII; 18; De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. 22‑24; 150; 167; Aan de kiezers [De Vries no. 125] VI, 3; Studien en schetsen, p. 24; 30; 61.



36 

Aangevuld overeenkomstig Het lager onderwijs, p. 11. Hierna een lacune van één vel (4).



37 

Cf. Flashar, Die Volksschule, p. 47 en 49.



38 

Cf. Aan de kiezers [De Vries no. 96] VII, 1; Over het ontwerp, p. 32; 52, 2; Aan de kiezers [De Vries no. 125] VI, 13; VII, 15; XIX, 7; XX, 10; Studien en schetsen, p. XIII‑XX; 6, 2; 124‑131.



39 

Hier breekt het hs. af.



40 

Ondertitel van De Vries no. 117 en de afzonderlijk verschenen brochures van no. 123. Bij de bundeling kreeg het laatstgenoemde boek de ondertitel: tweede parlementair fragment. Het hier afgedrukte stuk moet dus als derde parlementair fragment beschouwd worden. Enkele marginale aantekeningen van weinig belang zijn niet opgenomen.



40a 

Cf. Parlementaire studien I, 2, 4.



41 

Cf. Van Limburg Brouwer, Anti‑revolutionaire demagogie, p. 370.



42 

Thorbecke en Nedermeijer van Rosenthal.



43 

J. P. P. van Zuylen van Nijevelt.



44 

Aant. van Groen: `Adviezen I, p. 94.' Cf. Adviezen 1856/7 I, 93/4; Aan de kiezers [De Vries no. 125] X, 13.



45 

Cf. Van Limburg Brouwer, Anti‑revolutionaire demagogie, p. 371.



46 

Marginale aant. van Groen: `Adv. I, 444.' Cf. Adviezen 1856/7 I, 444: `Wij wenschen te gehoorzamen, maar uit een hooger beginsel; te gehoorzamen om der conscientie wille. Deze, alleen wenschelijke, alleen Christelijke, gehoorzaamheid, heeft in denzelfden regel, heeft in de hoogere wet, haar steunpunt en haar grens.'



47 

Cf. De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. 31‑34 Briefw., V, 579.



48 

Cf. De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. 142‑149; 156‑159.



49 

Hij werd in febr. 1864 gekozen tot lid van de T.K. voor Almelo en bleef dit tot 1868.



50 

Volgens Groens tegenstanders. Zie n. 29.



51 

Willem III.



52 

Cf. De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. 171.



53 

Cf. De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. 146; 149; Aan de kiezers [De Vries no. 125] XX, 28.



54 

Cf. Over het ontwerp, p. 45; 58; 153‑157.



55 

Marginale aant. van Groen: `Daarom was mijn laatste woord in 1857 een woord van dank. ``Een [eerbiedig woord van dank aan den Koning. Ik prijs den Minister van Justitie dat hij de gedachte des Konings in deze Kamer heeft gebragt; de Koning had herhaaldelijk verklaard, zijne sanctie aan de wet niet te zullen geven. Ik zou gaarne zien dat het denkbeeld eener voorloopige sanctie door dit Ministerie ter zijde gesteld, dat aan den Koning, wat er ook gebeure, de eer wierd gelaten zich zoolang mogelijk, ook tegen deze wet, dezelfde wet, te hebben verzet en geene sanctie, ook geene voorloopige sanctie, te hebben gegeven dan na eene vrije discussie in de beide Kamers der Staten‑Generaal. Deze wet is genoemd eene wet van tweedragt en van gewetensdwang. Welnu! de verklaring van den Koning in 1856 zal eene eervolle bladzijde in zijne geschiedenis, in de geschiedenis van zijn Stamhuis beslaan. Zij zal het bewijs geven dat de Koning, in een belangrijk tijdsgewricht, getrouw is geweest aan de leus van zijn land en van zijn geslacht. Eene wet van tweedragt: dus heeft de Koning gedacht aan de zinspreuk van Nederland: ``eendragt maakt magt.'' Eene wet van gewetensdwang: dus is de Koning zoolang mogelijk getrouw gebleven aan de leus van het Oranje‑wapen, waarmeê zijne voorvaderen de gewetensvrijheid, in en buiten Nederland, hebben gehandhaafd:] Je maintiendrai!'' Adv[iezen 1856/7] II, 289* al. 3 en 4.' Cf. Open brief, p. 10, 1; De Tweede Kamer en de verzoekschriften, p. 95, 27; Parlementaire studien I, 1, 6; 9; 4, 3; 5; 21; 15, 2; 20, 7; 9; II, 12/3; 103‑106; 403; 461; III, 64; 72; Wat dunkt u? I, 23; Ned. Ged., 2e serie, I, 80; Brieven van Wormser II, 211; 229, 1.



56 

Marginale aant. van Groen: `Adviezen 1856/7 II, 184 al. 1 r. 9‑17.' Zie n. 9 van no. 73.



57 

Marginale aant. van Groen: `Adv[iezen 1856/7] II, 174 r. 28‑r. 3 v[an] o[nderen].' Cf. Nederlander no. 1105, 1284, 1433, 1530 (30 jan., 30 aug. 1854, 23 febr., 20 juni 1855); Narede, p. 39; De Tweede Kamer en de verzoekschriften, p. 81; Adviezen 1856/7 II, 63; 131; Over het verband, p. 12; Aan de kiezers [De Vries no. 125] X, 22; XX, 33; Parlementaire studien I, 1, 6; 14, 30; II, 155; Ned. Ged., 2e serie, II, 400.



58 

Marginale aant. van Groen: `Adv[iezen 1856/7] II, 174 r. 2 v[an] o[nderen] - 175 r. 13.'



59 

Cf. Adviezen 1849, p. 155; Antwoord aan J. de Bosch Kemper, p. 35; 1813 in het licht der volkshistorie herdacht, p. 61, 1; Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. XXXVII;Aan de kiezers [De Vries no. 125] XX, 11‑13.



60 

Cf. Hand. T.K. 1862/3, p. 8622; De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. 158/9; Aan de kiezers [De Vries no. 125] XV, 19/20; Februarij 1868, p. 43.



61 

Cf. Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. XVI; 34; 56.



62 

Cf. Zwaan, G.v.P., p. 630.



63 

Cf. Aan G. graaf Schimmelpenninck, p. 95; Grondwetherziening, p. 213; Aan de kiezers [De Vries no. 96] I, 3; Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. 1; Aan de kiezers [De Vries no. 125] I, 9; XIX, 17; Studien en schetsen, p. 105.



64 

Groen doelt niet speciaal op de `Christelijke vrienden' die vanaf 1845 regelmatig bijeenkwamen (cf. Kluit, Het protestantse Réveil, p. 445 e.v.), maar op een ruimer kring van (vaak dubieuze) aanhangers; cf. Adviezen 1856/7 I, p. VI; Over het ontwerp, p. 34; Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. XXIII; 50; 101; De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. X; 147; Aan de kiezers [De Vries no. 125] XX, 16; Studien en schetsen, p. IX; 21; 123; 139; Chantepie, La crise, p. 18; 141/2; 150.



65 

Marginale aant. van Groen: `Verg[adering] van 10 oct. [18]49. Ver[eeniging Christelijke Stemmen] IV, 282 vgg.' Groen betoogt p. 282/3 tegenover degenen die alles op de kaart van het bijzonder onderwijs willen zetten; `Daarom is het van het hoogste gewigt, dat men de regten kent, welke wij door de Grondwet verkregen hebben . . . Mogen wij ons vergenoegen met de bijzondere scholen, en daarmede tevreden, het openbaar onderwijs, waaraan verre weg het grootste gedeelte van de bevolking deel neemt, geheel daarlaten? Spreker gelooft dat niet en meent, dat de bezwaren, welke aan de toepassing van een beginsel verbonden zijn, geene vrijheid geven dat op te geven . . . Het komt mits dien Spreker voor, dat de Staat met de verschillende gezindheden moet in overleg treden, ten einde met waarachtige eerbiediging der Godsdienst het beginsel van vrij onderwijs bij de Grondwet gewaarborgd, onpartijdig en regtvaardig toe te passen en te handhaven.'



66 

Uitspraak van Van Reenen. Zie n. 13 van no. 73. Cf. Nederlander no. 1099, 1105, 1109, 1120, 1167, 1237, 1259, 1283, 1291, 1528 (23, 30 jan., 3, 16 febr., 12 april, 6 juli, 1, 29 aug., 7 sept. 1854, 18 juni 1855); Narede, p. 19; Adviezen 1856/7 II, 76; Brieven van Da Costa II, 185, 5.



67 

Marginale aant. van Groen: `Adv[iezen 1856/7] II, 77.' Cf. Nederlander no. 419, 1175, 1316, 1322, 1402 (7 nov. 1851, 22 april, 6, 13 oct. 1854, 18 jan. 1855); Verspreide geschriften II, 211; Studien en schetsen, p. 5.



68 

Cf. Adviezen 1856/7 II, 258*; Over het ontwerp, p. 9; 97; 152; Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. XXXIII; 139; 177; De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. 41; 120; 134, 2; Aan de kiezers [De Vries no. 125] XIV, 9; XVI, 13; XVII, 8; Studien en schetsen, p. 2; 4; 134.



69 

Cf. Over het ontwerp, p. 3; 13/4; 27/8; 53; 60; 68; 111, 1; 130; 156; 194; 202; Open brief, p. 9; Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. XXV, 1; De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. 147, 2; Aan de kiezers [De Vries no. 125] V, 9; XVI, 7; XVIII, 27; Studien en schetsen, p. 2; 27, 2; 33; 67; 91.



70 

Van der Brugghen.



71 

Marginale aant. van Groen: `Adv[iezen 1856/7] II, 273*; Open brief, p. 10.' Het citaat is ontleend aan laatstgenoemde plaats. Cf. Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. III; 141; De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. 125; Aan de kiezers [De Vries no. 125] VI, 4; Studien en schetsen, p. 60.



72 

Cf. Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. II; IX; 20; Aan de kiezers [De Vries no. 125] III, 6; V, 12; X, 16; XVII, 15; 18; 23; Het lager onderwijs, p. 9; Studien en schetsen, p. 22; 24.



73 

Cf. Studien en schetsen, p. 13; 19.



74 

Zie n. 2.



75 

Alinea 3, de z.g. `ellendige zinsnede': `Er wordt overal in het Rijk van overheidswege voldoend openbaar lager onderwijs gegeven.' Cf. Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. VI/VII; 172; Aan de kiezers [De Vries no. 125] X, 18; XVII, 21; Het lager onderwijs, p. 14/5; Studien en schetsen, p. 25/6; 32; Wat dunkt u? II, 60; Ned. Ged., 2e serie, I, 140; II, 368.



76 

Cf. De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. 3; 160; Aan de kiezers [De Vries no. 125] XX, 25; Het lager onderwijs, p. 32.



77 

Marginale aant. van Groen: `Parl [ementair] Fr[agment,] p. 179.' Cf. Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. 179; Het lager onderwijs, p. 31.



78 

Cf. Matth. 22, 42; Ter nagedachtenis, p. 106. Deze bijbeltekst komt veelvuldig voor bij Groen.



79 

Marginale aant. van Groen: `steeds vrijheid v[oor] de k[erk].' Misschien toespeling op woorden van Bosscha; cf. Adviezen 1856/7 II, 256*.



80 

Toespeling op de in 1864 verschenen brochure van Wormser, De onkerkelijke rigting. Zie Groens Voorberigt, p. III‑VII. Cf. Aan de kiezers [De Vries no. 125] VI, 8; XVIII, 12.



81 

Marginale aant. van Groen: `Koorders.' Bedoeld is diens in 1860 verschenen proefschrift over de antirevolutionaire staatsleer (zie bibliografie). Piersons apologie is diens aankondiging van Groens Verspreide geschriften (zie bibliografie). Zie n. 25 van no. 88.



82 

Cf. Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. VI; XLI; 1; 10; 14; 19; 51; 115; 141; 142; 170; De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. V; 9; 26; 116; 144; 162, 1; 174; Aan de kiezers [De Vries no. 125] V, 5; VI, 5; VII, 21; IX, 19; X, 16; XVIII, 25; Het lager onderwijs, p. 8; 18; 29; Studien en schetsen, p. 60; 120.



83 

Cf. Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. XI; 51; De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. 19; Aan de kiezers [De Vries no. 125] IV, 14; XX, 29; Studien en schetsen, p. 120.



84 

Marginale aant. van Groen: `Parl [ementair] Fr[agment,] p. 170.' Cf. Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. 170.



85 

Maandschrift voor christelijke opvoeding in school en huis; cf. Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. XXVI; 6; 172; Het lager onderwijs, p. 29.

86 

M. D. van Otterloo; cf. De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. 53.



87 

Cf. Zwaan, G.v.P., p. 626.



88 

Cf. Het lager onderwijs, p. 9.



89 

Cf. Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. XL; 7; Aan de kiezers [De Vries no. 125] I, 11; IV, 15; VI, 13; XI, 27; XIV, 13; XVII, 19; XVIII, 20; Het lager onderwijs p. 15; Studien en schetsen, p. 95; 132.



89a 

Hs.: `moeten'.



90 

Cf. Aan de kiezers [De Vries no. 96] II, 6; III, 1; 4; Aan de kiezers [De Vries no. 125] XVII, 13; 15; De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. 137, 2.



91 

Marginale aant. van Groen: `Th[orbecke]. Het is nu zoo. Berusten. Als in [18]47. Much to do a‑



b[out] n[othing]. 1837. In het schema mag die trek n[iet] worden gemist.' Zie over de centrale rol van het `lid uit Deventer': Over het ontwerp, p. 58; Antwoord aan J. de Bosch Kemper, p. 29; Dupliek, p. 16/7; Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. XXXIV; 126; 132; 138; 142; 148; De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. 21; 98; 115; 130; 131; 161, 2; 177; Aan de kiezers [De Vries no. 125] XVII, 9; Het lager onderwijs, p. 29; Studien en schetsen, p. 32; 61; 68.

92 

Thorbecke.



93 

Cf. Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. 67; De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. 166; Aan de kiezers [De Vries no. 125] XVII, 7.



94 

Marginale aant. van Groen: `Opz[oomer] Gr[ond]w[et]h[erziening].' Cf. Grondwetherziening, p. 155: `Dit ongeloof verlangt Christelijk te heeten . . . Dezelfde wijsgeer die Jezus niet voor den eenigen Zaligmaker houdt . . . dezelfde bestrijder van het Evangelie is, in goeden ernst, zeer verstoord, wanneer men hem den naam van Christen niet geeft.' Cf. Ter nagedachtenis, p. 108; Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. XIV; XLI, 1; 100; 143; Aan de kiezers [De Vries no. 125] XVI, 13; XVII, 19; Studien en schetsen, p. 12.



95 

Marginale aant. van Groen: `Ter naged[achtenis] v[an] Stahl, p. 100‑116. Parlem[entair] Fragm[ent, p.] XXXIX, vgg.' Op p. 100 e.v. handelt Groen over `de Revolutie, als worsteling tusschen geloof en ongeloof, in den wijdsten omvang' en bestrijdt hij o.a. Opzoomer, `de nederlandsche Renan' (p. 105). Op p. XXXIX van Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs schrijft hij: `Neutraliteit? Zij ligt niet in de rigting die sedert 1789 de overhand heeft. De Staat die zich van het Christendom losscheurt, is vijandig en geenszins neutraal.' Zie over de gewaande neutraliteit: Over het ontwerp, p. 169; 176; 177, 1; 197; 199; Dupliek, p. 20/1; Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. VI; XXXVI; 2; 4; 5; 19; 30; 76; 99; 136; 137; 142‑146; 171; De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. 15/6; 25; 28/9; 47; 71; 90; 92; 102/3; 106; 109; 112/3; 122/3; 129; 131; 138; 150; 154; 161/2; 170; Aan de kiezers [De Vries no. 125] I, 9; VII, 10; Het lager onderwijs, p. 10; Studien en schetsen, p. 2; 3; 8, 1; 9; 22‑24; 63‑65; 70; 82; 117; 122.



96 

Marginale aant. van Groen: `Gunning, p. 29.' Bedoeld is Gunning, Zeven stemmen, p. 29. Cf. Studien en schetsen, p. 75, 1; 96, 1; De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. 167; Aan de kiezers [De Vries no. 125] VI, 4.



97 

Dit drietal wordt om dezelfde reden vermeld in Grondwetherziening, p. 118/9.



98 

Zie n. 2 van no. 72.



99 

Cf. Aan de kiezers [De Vries no. 125] XX, 20; Ong. en rev., 2e dr., p. 438.



100 

Cf. Luk. 10, 42. Zie n. 147 van no. 47 en n. 68 van no. 78.



101 

Cf. Aan de kiezers [De Vries no. 96] VIII, 7; Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. IV; XXIV; 2; 35; De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. X; 11/2; 147, 1; Aan de kiezers [De Vries no. 125] I, 2; 5; V, 12; X, 13; XIII, 4; XX, 20.



102 

Cf. Matth. 5, 13.



103 

Cf. Aan de kiezers [De Vries no. 96] VI, 4; Aan de kiezers [De Vries no. 125] VI, 7; X, 13; XIX, 16; Studien en schetsen, p. 20; Zwaan, G.v.P., p. 623.



104 

Marginale aant. van Groen: `De vrijzinnigen maken zelf de Napol[eontische] dictatuur. De christenen zelf tot pariaas. Ook in dit opzigt in [18]62 en [18]63 geen steun. P[arlementair] Fr[agment], p. 2. (Niet mij, maar de zaak). Wat doet de kerk? P[arlementair] Fr[agment, p.] 171. (Sticht[elijke] lectuur). Maar Guizot, Discours I, p. 385 vgg. Dan zou de kerk eerbied wekken. Voor haar missie moet zij vrij zijn.' Cf. Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. 2: `De wet van 1857 is geene wet van vrijheid, maar van indirecten dwang. Zij heeft echter eenige vrijheid van onderwijs gewild. Ook die zeer geringe vrijheid wordt betwist en ontroofd.' P. 171: `De Hervormde Kerk, over 't algemeen, is, onder al wat van overheidswege geschiedt, lijdelijk, geduldig, gedwee.' Zie over de christenen als `parias politiques': Over het ontwerp, p. 181; Aan de kiezers [De Vries no. 125] XX, 20; Ong. en rev., 2e dr., p. 438. Met de Discours van Guizot bedoelt Groen waarschijnlijk diens Histoire parlementaire; recueil complet des discours etc. T.a.p. vindt men Guizots rede in de Chambre des députés (16 febr. 1832) ten gunste van de Franse geestelijkheid. Op p. 385 heeft Groen aangestreept: `Pourquoi le clergé est‑il tranquille? Pourquoi se renferme‑t‑il dans les fonctions religieuses? C'est qu'il croit que la religion a une existence séparée de la politique, qu'à travers les vicissitudes des Etats, l'Eglise a toujours une mission à remplir, et qu'elle peut la remplir sous toutes les formes de gouvernement, sous les régimes les plus divers.'



105 

Marginale aant. van Groen: `Pitt in 1806. W[illem] III. Souffrons! ay[e]z pitié.' Groen stelt zich drie staatslieden in articulo mortis voor ogen. Zie voor Pitts moedeloosheid op zijn sterfbed Nederlander no. 1435 (26 febr. 1855); Ong. en rev., 2e dr., p. 28; Ned. Ged. III, 43; Ned. Ged., 2e serie, V, 324; over Groens voortzetting van de politiek van (prins) Willem I en III Verscheidenheden, p. 338/9; Aan de kiezers [De Vries no. 125] III, 14; VIII, 2, 1; XI, 17; over de bereidheid van Willem III te `sterven bij de verdediging der laatste gracht' Handboek, p. 343; Adviezen 1849/50 I, 142; over de lijdzaamheid van Willem I Archives, 1e série, suppl. p. 235*: `Ce fut à ce même Marnix, se plaignant de ceux qui étoient bien aises de le traverser, que le Prince adressa un jour ces belles paroles: ``St. Aldegonde, souffrons que l'on marche sur nous, pourvu que nous puissions aider l'Eglise de Dieu''.' Cf. Ter nagedachtenis, p. 72; Brieven van Da Costa III, 78. Zie over `ay[e]z (misschien staat er `aye') pitié Handboek, p. 138: `De Prins te Delft doorschoten, uitroepende: Heere God; wees mijne ziele genadig; ik ben zeer gekwetst: Heere God, wees mijne ziele en dit arme Volk genadig.' De oorspronkelijke Franse versie is - volgens de Resolutiën der Staten‑Generaal (dl. 4) van 10 juli 1584 - geweest: `mon Dieu, ayez pitié de mon âme, mon Dieu, ayez pitié de ce pauvre Peuple: mijn Godt, ontfermpt U mijnder ende uwer ermer ghemeynte.' (R.G.P., grote serie, no. 43 p. 655). Cf. Nederlander no. 365, 393, 402, 456, 766 (5 sept., 8 en 18 oct., 20 dec. 1851, 23 dec. 1852); Ter nagedachtenis, p. 73; Verscheidenheden, p. 338/9; Ned. Ged., 2e serie, II, 213; Briefw. IV, 239; Archives, 1e série, VIII, p. LII; Brieven van Da Costa III, 198; [Da Costa,] De laatste woorden van prins Willem den Eerste; bibliografie sub Lammers en Ozinga.



106 

Cf. Verscheidenheden, p. 19; 117; 138; De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. IX; Aan de kiezers [De Vries no. 125] II, 9; 14; III, 11; VII, 2; 9; 16; VIII, 5; 7/8; 11; 19; XVI, 9; Studien en schetsen, p. XX; 32.


88
1   ...   63   64   65   66   67   68   69   70   ...   78

  • Varia over antirevolutionaire demagogie.

  • Dovnload 7.64 Mb.