Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina68/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   64   65   66   67   68   69   70   71   ...   78
Lijden en strijden. 1864.1

Binnen weinige dagen2 komt de Tweede Kamer bijeen. Ik moet eindigen. Veel te lang reeds heb ik mij laten afleiden van de taak die mij zoo spoedig wacht. Ook door onze schriftelijke zamenspraak.3 Nooit, zooveel ik mij herinner, heb ik iets geschreven dat mij zooveel moeite, zooveel wikken en wegen, zooveel invoegen en uitwisschen, als dit opstel, gekost heeft. Waarom? omdat ik bevreesd was, of zonder noodzaak, iets te zeggen dat u leed zou doen, of, uit zucht om u niet te bedroeven, tegen eigen pligtbesef, te verzwijgen wat meer dan ooit, in de tegenwoordige omstandigheden, onbewimpeld moet worden gezegd. Doch er is meer. Nooit heb ik iets geschreven met zoo diepen weemoed. Ja, ik mag zeggen dat het mij een lijden geweest is, waarvoor gij althans, zoo gij het hadt kunnen bijwonen (ook gij zijt met dergelijke smarten bekend), medelijden zoudt hebben gevoeld. Niet alsof aan u iets, tegen of over mij, ontvallen ware, dat mij billijke stof gave tot eenig beklag.

Integendeel; uw achting, uw toegenegenheid, uw naauwgezet vermijden van al wat mij zou kunnen kwetsen, uw zucht om overeenstemming op den voorgrond, verschil in de schaduw te plaatsen, is op elke bladzijde, ook uwer laatste geschriften4, blijkbaar. Maar hetgeen mij, buiten uw schuld, in de verdediging van uw gevoelen, waarover ik mij niet in het allerminste beklaag, smartelijk aandeed, was het verband der voorstelling die gij u van mijne beginselen en bedoelingen maakt, met eene, in mijn geheel openbaar leven doorloopende ervaring. En het vestigen van de aandacht hierop is, met het oog ook op den 19 september,5 pligt. Het is niet de wederstand der tegenpartijders, maar het misverstand van christelijke vrienden dat mij, in hetgeen ik voor kerk en vaderland begeer en be[p]roef, telkens opnieuw, krachteloos maakt en ontzenuwt.6

Vergun mij dat ik aan u die, op meer jeugdigen leeftijd, zelf v[o]or hetgeen ik bedoel, niet verantwoordelijk zijt, openha[r]tig voordrage wat ik bedoel, en gelief vooral in het oog te houden dat ik u niet lever een nutteloozen treurzang der gekwetste eigenliefde, maar eene historische opmerking, in het belang der gewigtige taak die mij thans in de Tweede Kamer wacht.

Ik heb niet enkel, o neen! maar ik heb ook uwe geestverwanten, uwe en mijne vrienden, in het oog. Zonder eenige bitterheid, die aan mijn gemoed vreemd is, veel eer met de hoogachting en liefde die ik hun toedraag, acht ik mij, nu wij aan den uitersten rand van een afgrond zijn genaderd, verpligt dit althans aan de leidslieden der ethisch‑irenische rigting (nopens datgene wat aan uw deelgenootschap in hun overleg voorafging) te verklaren: ik heb aan het verbreken der broederlijke verstandhouding, ik heb aan het ontstaan der klove, ik heb aan een verwijdering waaruit voor de evangelische belangen zooveel schade, waaruit alleen de mogelijkheid eener zoodanige wet op het onderwijs7 ontstaan is, evenmin als Wormser of Da Costa, eenige schuld. Evenmin als Wormser; zie slechts zijn, in de tegenwoordige omstandigheden vooral, zeer merkwaardig opstel over de onkerkelijke rigting8, van welks inhoud hij ook in lateren tijd niet afweek. Evenmin als Da Costa. Ook hierin was ik gaarne eenstemmig met hem die zoo langen tijd sieraad en voorbeeld van het christelijk Nederland geweest is, met den uitnemenden geloofsgetuige, die strijden en lijden gekend heeft, dien gij vooral, naarmate u het voorregt van persoonlijken omgang ten deel ware gevallen, in de beminnelijkheid zijner christelijke liefde en overgaaf, telkens meer zoudt hebben gewaardeerd, en die met beide rigtingen, althans in hetgeen ze aanbevelenswaard maakt, homogeen was.

In een brief aan mij, van september 18569, liet hij zich dus uit: `Ik mag het niet ontkennen: mij doet de10 zich meer en meer prononceerende scheiding tusschen de orthodoxen pur sang en de mannen van Ernst en Vrede grootelijks leed. Naar mijne innigste overtuiging, zijn er beiderzijds elementen aanwezig, die elkander konden en moesten corrigeeren en completeeren, in plaats van elkander te bestrijden en te desavoueren. Daarom te meer blijf ik dat gebrek aan zamenspreking en gemeenschappelijk overleg betreuren, dat, vooral ook door de afschaffing der Vereenigingen te Amsterdam en den schroom van Ernst en Vrede om leeken toe te laten of te hooren in hunne zamenkomsten, schier onherstelbaar geworden is. Ik mag of kan11 niet anders dan met de grootste openhartigheid spreken. Het orthodoxe element in de Kerk, het antirevolutionaire in den Staat, heeft bewerking, heeft wijzigingen, heeft versche invloeden noodig om waarlijk eene toekomst te hebben, terwijl omgekeerd, aan zich zelve overgelaten, de in vele opzichten, vooral ook ten aanzien van het personeel zijner leden, zoo belangrijke Ernst en Vrede‑richting op den weg van Bunsen zou kunnen verdwalen, zoo al niet vergaan.'



Christelijke zamenwerking, kon het zijn, en, zoo dit en zoolang dit niet kon, broederlijk overleg althans heb ik ten allen tijde begeerd. Vandaar dat ik mij omtrent het program12 van Ernst en vrede, zooals naderhand bleek, illusie gemaakt heb. Vandaar dat ik, in den strijd over de theologische vorming der predikanten conciliatoire artikelen in de Nederlander13 telkens met dankbaarheid opnam.

Zij die, in het beslissend tijdsgewricht van 1854, de ontwikkeling onzer toestanden hebben gadegeslagen, zij die belangstellende lezers van de Nederlander geweest zijn, zij die de merkwaardige zamenkomst der Christelijke vrienden te Amsterdam14, van 25 october 185415, bijgewoond hebben, zullen, indien het hun niet aan geheugen of aan billijkheid ontbreekt, erkennen dat het voorkomen der noodlottige breuk mijn ernstig en gestadig streven geweest is. Het heeft niet mogen baten. Steeds ben ik bestreden en gedesavoueerd. En waarom niet? Ik laat andere redenen daar.16 Maar de reden waarom ik in den ban gedaan werd, is niet twijfelachtig. Het was, omdat, zeide of dacht men, ik te zeer in protesteren, in procederen, in uitwendige middelen, zonder voorafgaande inwendige waardering en voorbereiding, steun zocht; omdat het mij eer om afsnijden dan om genezen te doen was; omdat ik, voor het intellectualisme eener dorre orthodoxie, den eisch van het geloofsleven vergat; omdat ik, van het juridieke standpunt, voor het ethisch beginsel te weinig gevoel had, en, bij de objective verdediging der waarheid, de onmisbaarheid eener subjective vereenzelviging met de waarheid voorbijzag. Het was, omdat ik heil zocht meer in het vormen eener politieke en kerkelijke partij, dan in de stille werking van den evangelischen zuurdeesem, voor kerk en staat en maatschappij. Het was, omdat ik uitwendige daden begeerde, als resultaat van velerlei overleg en niet als rijpe vrucht van inwendige kracht. O, wees verzekerd, dat ik als reden tot persoonlijke verootmoediging, deze verwijten onderschrijf; ik voel maar al te zeer dat ik waarschuwing tegen te uitsluitend historisch opvatten van het evangelie, tegen gehechtheid aan de leer, zonder gestadig opzien naar de bron des levens, niet slechts gelijk ieder ander, maar boven menig ander, dagelijks behoef. Maar dat mijn gedragslijn, dat mijne raadgeving, waar ik invloed had op mijne geestverwanten, in het streven naar geestelooze daden, naar uitkomsten door voorbarigen dwang, zou hebben bestaan, dit ontken ik; dit werp ik van mij af, met niet onverklaarbaren hartzeer, èn om de verregaande onbillijkheid die er in doorstraalt, èn om de schier onoverkomelijke bezwaren die mij, door het valsche dezer gewaande photographiën, in den weg der pligtbetrachting gelegd werd[en] en gelegd worden.16a Gij zelf, lieve Vriend! ofschoon gij zoo gaarne van mij goeden dunk hebt, houdt mij (ten gevolge dezer veeljarige onregtvaardigheid en voorbijzage van hetgeen u, uit den aard der zaak, gedeeltelijk althans, minder bekend is), ook thans nog, van dergelijke bekrompenheden verdacht. En toch durf ik zeggen dat niemand liever dan ik de schoone woorden van den hoogleeraar Beck beaêmt, van den Duitschen profeet, door onzen ook niet reglementairen, maar confessionelen17 vriend Kögel geprezen en door u aangehaald: `Vruchten moeten het volgens de geheele Schrift zijn, wat goede werken zullen wezen, vruchten, d.i., die natuurlijk, van zelf, uit het inwendige wezen, door de inwendige kracht te voorschijn wassen, niet werken die door uitwendige middelen gedwongen worden. Want zulke door ongeestelijken dwang te voorschijn gebragte levendigheid is een schijn‑leven, dat niet uit den inwendigen geest en uit het leven‑zelf voortkomt, dat daarom ook niet stand houdt en niets bestendigs uitricht, maar als kaf verwaait en het vuur des gerichts niet overleeft.'18 - En niet deze wo[o]rden slechts beaêm ik, maar evenzeer, in de hoofdzaak, wat gij er bijvoegt: `Met welke bedoeling voer ik deze schoone woorden aan? Alleen in het belang van de groote waarheid die bij al deze kerkelijke overwegingen behoort vóóraangesteld te worden. Namelijk dat al wat men doet, gedragen moet worden door de inwendig in het hart levende kracht des Heiligen Geestes. De Wet, de uitwendig in hare eigen volledigheid daar staande en rechthebbende Waarheid, de wet kan en moet wel in het Evangelie blijven bestaan, maar als vervuld, met geest en inwendig leven vervuld. Bij voorbeeld, als de verwijdering van een dwaalleeraar slechts is het gevolg van een beroep op de rechthebbende en uitwendig daar staande waarheid, dan is zij geene vrucht van het inwendige leven dat in zijne voortgaande werking de strijdige bestanddeelen over de grenzen voortstuwt. En dan kan het zeer welgemeend zijn, maar er rust geen blijvende zegen op. Daarentegen, is dat geestelijke leven er waarlijk, zoo brengt het van zelf in zijn voortgang ook deze, gelijk alle andere vruchten voort.'19

Niet om iets te doen heb ik nu en dan ook daden begeerd. Naar een praktisch resultaat te jagen is, ik heb het zelf telkens gezegd, de meest onpraktische praktijk. Maar, in verband met het beginsel, zijn er oogenblikken waarin, met één daad, veel afgedaan wordt. Ik kom niet terug op hetgeen in 's Hage geschied of verzuimd is.20 Dit slechts beweer ik, dat er omstandigheden zijn, waarin één daad het sein voor een heilzaam revirement geeft; dat, na langdurig pligtverzuim, somtijds door één daad van pligtbetrachting het pligtbesef allerwege ontwaakt; dat, in één voorbeeld, wanneer de algemeenheid der afwijking oogluiking voorschrijft, de dwaling omtrent het geoorloofde van het wanbedrijf ophoudt. Over 't algemeen is het juist het kenmerkende mijner politiek geweest dat ik, zonder op de toepassing vooruit te loopen, beginselen voorstond. Of was niet dit mijn beweren dat aan het ontwerpen van bepalingen en vormen het ontwaken van den geest, die zich in eigenaardige organisatiën openbaart, moet voorafgaan? Is niet in de tegenstelling van geboren of gemaakt zijn, het onderscheid der christelijk‑historische en der vrijzinnige staatkunde zigtbaar? Ik was, zeide men, de man der theorie en niet der praktijk. En inderdaad `steeds heb ik beweerd dat geen verandering van staatsvormen kan baten, zoolang elke staatsvorm aan beginsels waardoor wanorde en willekeur onvermijdelijk zijn, ondergeschikt wordt. Wanneer men ook van ons, als een proefstuk van politieke wijsheid, het zamenstellen eener proeve van gewijzigde constitutie begeert, verliest men den aard en de strekking der staatkunde die wij voorstaan, uit het oog. Als ik mij beijver aan den lijder te doen inzien dat de oorzaak zijner kwaal gelegen is, niet, gelijk hij zich voorstelt, in het kleed waarover hij klaagt, maar in de ziektestof die zijn ligchaam aangetast heeft, en de kranke, in plaats van mij gehoor te geven, telkens weder antwoordt: geef mij dan zelf een ander kleed, een kleed dat, in stoffaadje en kleur en snede, met uwe zienswijze overeenkomt, dan betreur ik het misverstand, en zeg: ontbied den kleermaker en laat den geneesheer te huis.'21



Zijn deze zinsneden, waarmeê de spotlust der liberalen zich menigwerf vrolijk gemaakt heeft, niet in den geest van den hoogleeraar Beck21a en van uw voortreffelijk citaat? Denk aan hetgeen ik meermalen te kennen gaf omtrent het niet streven naar eene ministeriële betrekking. `Ik ben steeds van oordeel geweest dat beginselen, waartegen nog zooveel tegenstand, ook in persoonlijke antipathie, zich openbaart, eerst nog meer wortel behooren te schieten en meer veld te winnen in den vorm van oppositie.'22 Denk aan het gezegde van Opzoomer dat bij mij `de leer boven de praktijk gaat.'23 Denk aan hetgeen hij er bijvoegt en dat, niet enkel mijn ijveren voor de school, maar de bedoeling van mijn geheelen arbeid, gunstiger dan Opzoomer welligt bedoelde, in het licht stelt. `En hoe vreemd het ook klinke, misschien is dit zeer praktisch te noemen. De regel van alle doen is toch op het eind alleen in de leer te zoeken. Die het middel weet om deze te bedwingen, heeft van zelf het handelen gebreideld. Stel Groen in staat, om door het lager onderwijs het volk met zijn overtuiging te bezielen, en de toepassing kan niet uitblijven. Uit de school zal de leer haar weg vinden in den staat.'

Nog wijs ik u, op het getuigenis, in 1853, van den heer J. Heemskerk Bzn. in de Gids24, in 1859 van Pierson in de Wetenschappelijke bladen25, omtrent de hoofdstrekking mijner denkbeelden, omtrent de hoofdgedachte waaraan mijn leven gewijd was: Tegen de Revolutie het Evangelie, die ik onlangs noemde `de zinspreuk, zoodra ze begrepen wordt, van den meest eenvoudigen Christen.'26 Pierson schrijft: `Miskenning van het objectieve en van zijne regten; aan deze groote dwaling moeten, volgens den heer Groen al de onheilen en jammeren worden toegeschreven, die in de laatste vijftig jaar op elk gebied over de Europeesche maatschappij zijn uitgestort . . . De toestanden, door de omwenteling voortgebragt, wil hij niet op eens in het niet doen terugzinken. Hij is meer dan iemand overtuigd `qu'on ne refait point le passé.'27 Hierom moet men voorzigtig zijn met28 hem van reactionaire of contra‑revolutionaire bedoelingen te beschuldigen. Hetgeen hij evenwel onmiddelijk verlaten wenscht te zien, is het ongeloof, de leer der revolutie, de miskenning van het objectieve, en hetgeen hij dus onmiddelijk terug verlangt is niet, althans niet quand même, eenige omvergehaalde instelling of wetsbepaling, maar eenvoudig het geloof. - Het geloof. De zin, dien de heer Groen aan dit woord toekent, is ruim en verheven. Het is niet het gereformeerde of het luthersche of het roomsche geloof. Het is er verre van daan, dat hij bijv. met Gladstone op hetzelfde standpunt zou staan en begeeren zou, dat iedere staat het geloof des bewindvoerders bescherme en verbreide. Geloof beteekent bij hem die zedelijke daad, waardoor het individu het werkelijk bestaan eener zedelijke wereldorde, eener objectieve waarheid erkent, en haar voor ons denken toegankelijk acht; een wereldorde en waarheid, die niet de gewrochten zijn van menschelijke willekeur, maar de manifestatie van den wil van een persoonlijken God. Met deze opvatting van het geloof gaat zijn wijsbegeerte der geschiedenis over in eene wijsgeerige, staatsregtelijke theorie. De zedelijke wereldorde, uitvloeisel van den wil van een persoonlijken God, wordt de grond der staten zoowel als de grond van alle betrekkingen tusschen menschen en menschen. De goddelijke gedachte streeft naar historische wezenlijkheid. Het al of niet medewerken met dit streven is de maatstaf, waarnaar ons handelen op ieder gebied en dus ook de vrucht onzer handelingen beoordeeld moet worden. Dit zamenwerken in de rigting, waarin de goddelijke gedachte zich beweegt; een rigting, die empirisch uit de historie en de historische toestanden gekend wordt, kan geschieden langs verschillende wegen; met of zonder gevestigde kerk, met of zonder legitimiteit, met of zonder monarchie, met of zonder constitutie; dit alles, wij herhalen het, is voor den heer Groen van ondergeschikt belang, mits men zich gedrage naar het groote beginsel, dat zeker met één enkel woord niet beter kan worden aangeduid dan als geloof.'29

In beide tijdschriften wees men op het Overzigt mijner beginselen, reeds in 183130, waarin die gedachte, als leiddraad, als de gulden draad, van historische wereldbeschouwing is ontwikkeld. Ik bleef aan dit programma getrouw. Uit vele aanhalingen ter staving veroorloof ik mij slechts ééne van 1837; de laatste regels van een artikel, in den strijd voor de Afgescheidenen tegen den hoogleeraar Thorbecke, in le Journal de la Haye; een citaat, waaruit blijkt dat het mij, ook in de dagen mijner jeugd, op staatsregtelijk terrein, niet om drift en geweld, niet om het voortstuwen op een baan van afgedwongen en opgelegde maatregelen, maar om de werking eens stillen en zachtmoedigen geestes te doen was: `Puisse‑t‑on voir, non par des transitions brusques et forcées, mais par l'influence positive d'un esprit vraiment évangélique, les lois et les institutions sémi‑révolutionnaires se modifier devant les principes chrétiens!'31



Het was te voorzien, wat ik, tot op den huidigen dag gezien heb, dat ik hierom van bekrompenheid en mysticisme en geestdrijverij verdacht werd; dat eene ongeloovige of onverschillige wereld in deze strekking mijner werkzaamheid, zoowel in het boekvertrek als vroeger in het kabinet des konings en nu in de hooge vergadering des lands, Israëlitische of middeneeuwsche verwarring van godsdienst en politiek, van geloof en wetenschap ontwaard heeft; dat weêrzin tegen den christelijken zuurdeesem de voornaamste en door geen verduidelijking verwinbare reden mijner onverstaanbaarheid geweest is. Dit zeg ik was te voorzien. Dit ligt, waar evangelie en wereld tegenover elkander staan, in der dingen onvermijdelijken loop. Maar, dat ik bij christelijke vrienden zoo luttel bijval gehad heb, dat zij zoo weinig sympathie aan den dag gelegd hebben voor de taak die in de eeuw van het ongeloof aan den christen opgelegd is; de taak om den wezenlijken vooruitgang der staatsregtelijke wetenschap, om ook de aspiratiën naar vrijheid, gelijkheid en broederschap, om de denkbeelden van 1789 uit den verderfelijken dampkring van het liberalisme in de evangelische sfeer, ter verwezenlijking van op geen andere wijs bereikbare idealen over te brengen, ziedaar wat mij dikwerf, wat mij gestadig teleurgesteld heeft; wat mij, nu vooral, waar ik op zoo langdurigen, schijnbaar althans, vergeefschen arbeid terugzie, wel eens, wanneer ik niet naar boven opzie, smartelijk valt.32 En het blijft niet hierbij. Er is stelselmatigheid van weêrzin.33 Niet weinigen zijn er die, waar men zich in het strijden afslooft, niet meê doen en zelfs niet meê lijden, maar met een gansch ander soort van medelijden op dat gezwoeg en getob, op dat polemisch bedrijf en gewrijf neêrzien; die hun eigen neutraliteit, als het toppunt eener evangelische pligtbetrachting, beschouwen, en wier zinspreuk het is dat van de christelijke belijdenis, op welk gebied ook, eene partijzaak te maken, met die belijdenis zelve strijdig moet worden geacht. O, ik begrijp de waarschuwing: zorg dat uw ijver voor een heilige zaak niet met onheilige drijfveeren in verband zij; onderzoek uw hart of het u bovenal, of het u inderdaad, om de eer van den oversten Leidsman, om de uitbreiding van zijn rijk, dan wel of het u ook, of het u meest, om den triomf uwer inzigten, uwer op een heilig voorwerp gevestigde doordrijverij, te doen is. Dit, ja! begrijp ik, dit waardeer ik, deze waarschuwing tegen zelfbedrog neem ik dankbaar aan; maar dat men tegen het partijvormen, zooals het door mij bedoeld werd, bezwaar heeft, dat is mij onverklaarbaar. Is het dan vreemd dat de christen voor het geloof tegen het ongeloof partij kiest? ligt niet het eigenaardige dezer eeuw in de bestrijding van de geopenbaarde waarheid en van den levenden God? is het nog twijfelachtig dat het rationalisme op godverzaking, in het gebied des maatschappelijken levens, bedacht is? moet er nu nog aarzeling zijn in het belijden met woord en daad? En hoe kan dit, zonder dat gelijkheid van streving en overleg zich openbare in den vorm der partij of sekte die men, sedert achttien eeuwen of liever sedert het Eritis sicut Deus34 overal weerspreekt? Het fariseïsme is den Heer een gruwel; het sadduceïsme niet minder; maar het laodiceïsme wordt in de Heilige Schrift ook niet met eere vermeld.35 Het verbetert niet, wanneer het geïdealiseerd wordt. Ik vrees dat het bij velen met materialisme, meer dan met spiritualisme, in verband is. Zoo niet, dan bewijze het, in den wedijver der individuele veerkracht, de evangelische gehalte der beweegreden om welke men zich van deelgenootschap aan eendragtigen weêrstand onthoudt. Ook hierin kan jammerlijk zelfbedrog zijn. Men smaalt op de Nachtschool, teregt: maar, wanneer men in verheven onaandoenlijkheid rust heeft, bij de gedachte: `de Heer zal er in voorzien,'36 dan is het verschil zoo groot niet met hen die aan de reizende agenten voor ons christelijk nationaal‑onderwijs zeggen: uwe pogingen zijn uitmuntend, maar zoodra het inschrijvingsbillet voorgelegd wordt, huiverend terugdeinzen, omdat de Heer zelf zal opstaan tot den strijd.37 Ik vind meer schriftuurlijke waarheid en evangelischen zin in de beschouwing van Guizot: `On dit qu'on n'a pas peur; ni moi non plus, pourvu que la défense réponde à l'attaque, pourvu que les fidèles ne demeurent pas indolents et inertes en présence des infidèles actifs et ardents. J'ai pleine confiance dans la cause chrétienne; mais les hommes sont les ouvriers de Dieu; c'est par la foi et le travail des premiers chrétiens que Dieu a fondé la religion chrétienne; c'est par la foi et le travail des chrétiens d'aujourd'hui qu'elle doit être défendu[e].'38 Ook hier geldt van de hooge vlucht, waarbij men de eischen der aardsche bedeeling voorbijziet, het diepzinnige woord van een christen wijsgeer: `Qui veut faire l'ange, fait la bête.'39 Zoodanige verhevenheid van standpunt kan, meer dan men vermoedt, met heerschende krankheden in verband staan. Met de strekking om de eer der menschen liever te hebben dan de eer Gods40; met het verlangen om vrede te houden, niet zooveel mogelijk, maar meer dan voor den christen mogelijk is, met alle menschen.41 Gemakzucht, genotzucht kan zich verschuilen onder deze theorie der kalme berusting.42 Ook bij de spiritualistische wijsbegeerte mogen die overgeestelijke christenen ter school gaan en het oor leenen aan de vermaning van Cousin: `Défendez‑vous de la maladie de votre siècle, ce goût fatal de la vie commode, incompatible avec toute ambition généreuse.'43 Ook in ons ijveraars, zoo het heet, is het niet overmaat van ijver, maar jammerlijke slapheid die veroordeeling verdient. Wat is er, te midden der hedendaagsche verloochening van het evangelie, dat met de gemoedsstemming van een Pascal, in den jansenistischen strijd, eenige gelijkenis heeft? van hem die, in een zamenspraak, bij het zwichten van mannen op wier standvastigheid hij gebouwd had, bewusteloos neêrzeeg. (`Il fut si pénétré de douleur qu'il se trouva mal, perdit la parole et la connaissance'.) Toen naar de reden zijner ontsteltenis gevraagd werd, gaf hij ten antwoord: `Quand j'ai vu toutes ces personnes‑là, que je regardais comme étant ceux à qui Dieu avait fait connaître la vérité et qui devaient en être les défenseurs, s'ébranler et succomber, je vous avoue que j'ai été si saisi de douleur que je n'ai pas pu la soutenir et il a fallu y succomber.'44 Wij moeten elkander corrigeren en completeren, schrijft Da Costa45, en dit geldt niet enkel de ethisch‑irenischen en de orthodoxen. Ook de predikanten en leeken. Leeken zijn de onderteekenaars der adressen van 1842 en 184346 geweest; een leek47 heeft het Amsterdamsche Eindprotest gesteld in 1854; een leek48 heeft dezer dagen in het 's Gravenhaagsche adres een toon aangeslagen, die de hooge kerkvergadering beschaamt. Leeken waren Van der Kemp, Van Hogendorp, Wormser, Da Costa. Over 't algemeen hadden in den veeljarigen strijd de leeken van de predikanten meer tegenwerking dan leiding of voorbeeld of steun. Naar de presbyteriaansche49

Nu vooral. We zijn op een keerpunt. Zoo was het in 1856. Nogmaals wijs ik op dat leerrijke jaar. Laten wij althans eruit leeren, nadat het leeren zoo duur betaald is. Nogmaals wijs ik op een vriend50, door een zamenloop van omstandigheden in moeijelijken toestand geraakt. Niet om hem nu harder te vallen dan in de dagen van teleurstelling en bittere smart toen ik in de Tweede Kamer hem een exceptioneel man noemde `bij wien ook de meest verregaande afwijking met een edele drijfveer moet in verband staan'51; maar om te wijzen op zijn waarschuwend voorbeeld. `Die staat, zie toe dat hij niet valle.'52 We zijn in 1864 op een keerpunt. Zoo was het in 1856. Eindelijk was er een zuiver en duidelijk alternatief. Wilt gij, Nederlandsche christenen! wilt gij, geloovige leden der Hervormde kerk! al dan niet, en, als regel zonder uitzondering, de neutrale school? Neen, dat niet! zoo laag zijn we nog niet gevallen! bijbel en volkshistorie, het christelijk‑nationale der volksopvoeding geven wij niet prijs! dit was de kreet van het christelijkgezinde deel der bevolking; geen opdringen van een school waaruit al wat kenmerkend‑christelijk is moet worden geweerd. De kreet wordt gehoord. De bede wordt verhoord. De koning spreekt. Het kabinet53 valt. Nu zal het christelijk‑historisch programma ten uitvoer worden gelegd, dat Beets in 1851, met zooveel ingenomenheid, in zijn gulden boekske, Fantasie en werkelijkheid, aan de hand gaf: `Onderwijs en opvoeding zijn onafscheidelijk; de school moet christelijk zijn; de gemengde school moet zoo veel mogelijk in eene protestantsche en roomsch‑catholieke volksschool uiteengaan; op de protestantsche school behoort de Bijbel.'54 Maar neen! een minister,55 met Ernst en vrede homogeen, verklaart dat `eene gemengde school goed, zelfs in den waren zin christelijk kan zijn, zonder het gebruik van den Bijbel'56; verbeeldt zich weldra dat het woord christelijke, (onder Israëlitische censuur, op de neutrale school, waar straks hij zelf leerstellig of historisch‑christendom uitsluit) een nationale hulde brengt aan het evangelie; beklaagt zich over de halsstarrigheid der antirevolutionaire partij die aan het vooroordeel tegen de gemengde school vasthoudt; voorspelt dat ze ten slotte veroordeeld zal wezen om buiten alle partijen te blijven; troost haar met het uitzigt dat het haar niet zal schaden, wanneer ze daardoor afleert wat buiten het gebied van den staat en de wet ligt, het evangelie van Christus, over te brengen op het gebied van den staat en onder de wet. Dit was de strijd van Bunsen en Stahl57; een vermaning, een bestraffing, vo[l]komen in den zin en geest der ethisch‑irenische rigting. Ipse dixit. Men was gerust, men viel in slaap. Weinige maanden later werden sommigen wakker; later, toen de concept‑wet onloochenbaar maakte wat van den beginne af, bij onbevangen nadenken, onmiskenbaar geweest was; later, toen de weerstand door tweedragt was gebroken; later, toen de wakkerheid en het berouw te laat kwam.

Zoo was het met de school. Hoe was het met de kerk? Sedert lang was er een streven naar een grenzenlooze vrijheid, waarbij de gansche belijdenis schijnbaar behouden, in het subjectivisme zou teniet gaan. Doch het ontbrak niet aan menig keerpunt. In 1834, toen de afscheiding, aan57a wie in de kerk bleef, met dubbelen ernst, de taak voorschreef van confessionelen strijd. In 1843, toen de synode, met haar verlegenheid en onwil, het dreigend gevaar eener bloot reglementaire kerk aan het licht bragt. In 1848, toen de herziening der kerkelijke reglementen eene gewenschte aanleiding tot overleg gaf. In 1854, toen na58 de ergernis eener toelating zelfs van hen die in de evangelieverhalen kunstig of kunsteloos verdichte fabelen59 zien, tot aansluiting bij het Amsterdamsche Eindprotest dwong. Vanwaar dat elk verzet tegen antikerkelijke dwingelandij gestuit of verlamd werd? Zeg ik teveel, wanneer ik beweer dat de voorbereiding van het ongeloof te wijten is, voor een gedeelte aan de onkerkelijke rigting, [die?] in de beweerde vernietiging van kerkelijke grondslag, dikwerf niet zonder welgevallen, berust en de gemeente tegen elken vijand weerloos gemaakt heeft? Ik spreek niet van leeraars en leeken.

Tien jaren achtereen, is de onkerkelijke rigting, in onze bijeenkomsten te Amsterdam, ondanks telkens uitgesproken bezwaren, meesteres gebleven; ons liefelijk en, in vele opzigten, gezegend zamenzijn, had geen kerkelijk nut. Met Wormser en menig ander dacht ik dat de bijeenkomst der christelijke vrienden moest zijn of worden een vereeniging van de Nederlandsche Hervormde kerk op den confessionelen grondslag, als steunpunt in den strijd voor haar vrijheid en regt. Dit mogt niet. Door evangelischen ijver kwamen vele nuttige inrigtingen, meest zonder vasten bodem, tot stand. Ik heb Wormser genoemd. Ik weet dat deze geloofsgetuige van zeldzame uitnemendheid ook bij u hoog aangeschreven staat. Welnu, over deze zamenwerking, met verwaarloozing van alle kerkelijke bewustheid, schreef hij in 1849, in het bijkans durf ik zeggen profetisch opstel, dat ik reeds meermalen aangehaald heb, en waarvan wij, tot mijne blijdschap, eerlang eene nieuwe uitgaaf tegemoet zien (De onkerkelijke rigting die zich bij vele geloovigen openbaart)60 een ernstig waarschuwende kritiek. Hoe vele instellingen van godvruchtigen en weldadigen aard zijn er in de laatste jaren niet, met groote inspanning en opofferingen, in het leven geroepen! Slechts ééne instelling, maar het is eene instelling des Heeren, de kerk werd daarbij, op niet vele uitzonderingen na, doorgaans vergeten; door sommige geloovigen opzettelijk zelfs terzijde gesteld. In zooverre heeft de zamenwerking der geloovigen nadeelig gewerkt.61

De waarschuwing heeft niet gebaat. Integendeel. Hier kan ik met een enkel woord, onder verwijzing naar Natuurlijk of ongerijmd? volstaan. De dwaling, toen ik dacht dat zij, van een achtbaren kant, door een nieuw predikantengenootschap gesterkt door een eigen orgaan, in woord en daad zou worden wederlegd, verkreeg meer vastheid door een soort van systematischen vorm. Zes jaren achtereen62, heeft de onkerkelijke rigting, herboren in ethisch‑irenischen dosch, de overhand gehad. Van haar werking in 't algemeen heb ik reeds de proef geleverd eener historische schets wat de vergaderingen van Ernst en vrede aangaat63; zij waren, op kerkelijk gebied, ten ware men nog op de heerlijkheden der fusie64 roem draagt, onvruchtbaar. Het eerste deel van Wormser's voorspelling, aldus `moet de Kerk noodwendig den hoogsten trap van ontaarding te gemoet gaan,'65 is, dunkt me, vervuld. Laat men intijds het aangewezen spoor inslaan, opdat niet, in het teniet gaan der vruchten eener van kerkelijken grondslag losgebleven werkzaamheid, de juistheid ook van het tweede deel der onheilsprofecy openbaar zij.

Na de verbazende snelheid waarmeê schrikverwekkende verschijnselen zich hebben opgevolgd; na het opzienbarend Leven van Jezus door Renan66, na Rigting en leven van Pierson67, na de beschuldiging van onverdra[a]gzaamheid68 omdat ouderlingen van de Amsterdamsche gemeente69 tegen de toelating van Réville op den kansel bezwaar hadden70, na den luid verkondigden eisch eener leervrijheid van den christelijken leerstoel zelfs tot het loochenen van de opstanding des Heeren, van de hope der onsterfelijkheid en van het aanzijn van den levenden God, na de aankondiging door Zaalberg van een regelmatigen cursus van evangelieverwerping, toen was er, ook in 1864, dacht menigeen, een laatste keerpunt; zou men in den halstarrig gevolgden weg het dwaalspoor zien bij het ontwaren van den afgrond.

Indien ook deze gelegenheid voorbijgaat, indien ook thans kerkregtelijke pligtbetrachting verzuimd wordt, indien het al dan niet in de kerk blijven, van de consciëntie der bestrijders van de geopenbaarde waarheid afhankelijk blijft; indien de gemeente tegen hun, voor elk christelijk geweten, gewetenlooze kerk‑ en Christusverguizing tevergeefs naar bescherming uitziet, indien elk wapen, behalve prediking tegen prediking, wegvalt, indien het aanbieden van zielegif voor zielevoedsel71 vrijstaat, indien wij `aan de dwaalleeraars geheel en al hunne stelling in de kerk laten'72, indien die grondslag natuurlijk en niet ongerijmd is, uwe illusiën van heden zullen die van gisteren niet in duur overtreffen. Weldra zal ontzenuwing en moedeloosheid even volkomen zijn als het onregt.

Het bovenstaande was bijkans afgedrukt, toen ik genoodzaakt werd tot uitvoerige wederlegging van een verwijt, met veel ophef, namens de Politieke moraliteit, tegen mij gerigt.73

Het zal u niet bevreemden dat ik daarvoor elk ander werk terzijde gesteld heb. Maar thans mag ik u niet langer ophouden. Ik zal uiterst beknopt zijn. Spoedig wacht mij op parlementair terrein een gewigtige taak. Door u zal het mij niet als uitvlugt worden toegerekend: `Ik heb overmaat van arbeid.'74 Ook geef ik thans aan anderen het woord. In mijn bezwaar tegen de kerkregtelijke theorie van uwe rigting sta ik niet alleen.

In Natuurlijk of ongerijmd? gaf ik een overzigt van het gestadig antagonisme van onkerkelijk en confessioneel. Misschien is, wegens eigen deelgenootschap, mijn oordeel minder onbevangen. Ik onderwerp het ook aan uwe historische kritiek. Is het zoo, of is het niet zoo? Dat men de confessionele rigting, in hare verhouding tot de confessie en in den aard van haar telkens herhaalden eisch, miskend heeft? Dat aldus, buiten haar schuld, nevens haar en tegen haar de onkerkelijkheid opkwam, waarvan in 1849 reeds, voorspeld werd: `De glans der tegenwoordige opgewektheid, zoo zij bij hare christelijke rigting niet tevens een kerkelijk karakter aanneemt, is niet in staat voor mij de donkerheid te bedekken van de toekomst, die Kerk en Christendom beiden in ons vaderland, ook door haar, te gemoet gaan.'75 Dat uit deze onkerkelijke praktijk, sedert 1853 vooral, eene onkerkelijke theorie ontstaan is? Dat deze rigting van Ernst en vrede, met welke wij ons aanvankelijk homogeen waanden, tusschen haar en ons weêr verschil in beginsel gezien heeft? Dat ons streven, voortaan althans, haar onvruchtbaar en schadelijk toescheen; zoodat zij, als voorwaarde voor eigen ontwikkeling, in aller belang, ons ten doode gewijd had? Dat haar invloed, om de redenen die ik opgaf, onberekenbaar, negatief en schadelijk was?

Is dit zoo, of is dit zoo niet? Zoo ik mij vergist heb, in hoever en waarin?

Voorts moet ik aandringen op duidelijk aanwijzen van de hoofdgedachte, het kenmerk, den grondslag van76 uw kerkregt. Is leervrijheid exceptioneel of normaal? Om der omstandigheden wille, of als kerkregtelijk beginsel? Exceptioneel, niet waar? Gij hebt het meermalen gezegd. `Velen vergeten dat leervrijheid alleen voor den tegenwoordigen toestand verlangd wordt.'77 Doch begrijp ik u wel, dan loopt dit (tegen uwe bedoeling) op woordenspel uit. De leervrijheid zal door het geweten worden begrensd. Ook dan geen dwang; slechts een beroep op ieders consciëntie en waarheidszin. Als slotsom: `De leeraar zal zijn onregt erkennen en zich bekeeren, of wel hij zal vrijelijk78 uittreden.'79 Uitnemend, indien dit alternatief alles afdeed. Maar hoe nu, als de leeraar desniettemin blijft, omdat hij het onregt niet inziet, of omdat hij eigen belang liever heeft dan het regt. Eene aldus begrensde vrijheid is onbegrensd. Van kerkregt is dan geen spraak meer. Tegen deze vergeestelijking is hierbeneden geen instelling bestand; de kerk verdwijnt en het regt vervliegt.

In Natuurlijk of ongerijmd sprak ik van `onmiddelijke zamenkomst der Predikanten‑Vereeniging, met adsumtie van leeken, ter opzettelijke overweging van de vraag waarop, in de tegenwoordige omstandigheden, alles neêrkomt: Is de Hervormde Kerk al dan niet ontbonden? Is zij opgelost in een louter reglementaire Kerk? Eene vraag, zonder wier voorafgaande beslissing rigtsnoer voor eigen pligtbetrachting en grondslag eener doeltreffende zamenwerking ontbreekt.'80 Onmiddelijke zamenkomst. - De ervaring dezer dagen heeft mij geleerd dat er, voor dit onverwijlde, bij meenigeen (u zonder ik uit) te veel ligtgeraaktheid en te weinig voorafgaand overleg is. Met het wijzen op de Predikanten‑Vereeniging heb ik evenwel, dunkt me, geen onbescheidenheid begaan. Reeds Ernst en vrede trad op, met uw program en met uw orgaan. Ook deze vereeniging wil een middenpunt zijn met een banier. Op de eerste bladzijde van het eerste verslag reeds verkondigt zij haar oogmerk: `ten einde te beraadslagen over de vraag wat in den toestand, waarin de Ned[erlandsche] Herv[ormde] Kerk in dezen tijd verkeert, te doen staat voor hen, die op grond van het Evangelie met haar belijdenis instemmen.'81

Waar zij aldus zich aanmeldt, is een vraag, een bedenking, een voorstel vergund. Vergund en ook pligtmatig, wanneer men overtuigd is dat deze vereeniging, wier personeel82 op vertrouwen en liefde regt heeft, of zeer nuttig, of ook, door te doen of te laten83, zeer schadelijk zijn kan. Dubbel pligtmatig, wanneer reeds nu vrees is, voor een da capo van hetgeen ik (is de verzekering noodig?) zonder iemands eerlijkheid verdacht te willen maken, naar het berigt van geloofswaardige getuigenis, of laat ik zeggen, naar hetgeen overbekend is, in de hoofdomtrekken beschreef.

Spoedig antwoord verlang ik niet op elke vraag die ik u voorleg. Gunstig antwoord zou het dan, bij het vooralsnog aanmerkelijk verschil van zienswijze, niet kunnen zijn. Daarentegen durf ik van uwe waarheidsliefde en edelmoedigheid, voor zoover onverwijld, op sommige punten antwoord noodig gekeurd wordt, onthouding van polemiek in anderen vorm tegemoet zien. Vergelijkenderwijs bevalt mij de usantie der vlugschriften zeer. Geen kerkregtelijke beschouwing, evenmin als godgeleerde wetenschap, voegt op den kansel. De gemeente wordt er niet door gesticht. Ook heeft het vernuftige woord `de preêkstoel is een bomvrije casemat',84 in de tegenwoordige omstandigheden, diepen zin. Als orgaan der gemeente, die haar overtuiging uitspreekt, is de leeraar alleen aan het woord; geen stoornis dus, geen dialoog. Maar wanneer hij, onafhankelijk van de kerkleer, eigen meening voordraagt, dan wijzigt zich de verhouding. Het systeem der leervrijheid, als de leeraar predikant van eigen leer is, leidt naar hoorvrijheid niet alleen, maar billijkerwijze naar zamenspreking, naar de colloquia van vroeger eeuw, waarbij naar een gemeenschappelijk fundament gezocht werd en iedereen tot spreken en weêrspreken bevoegd was. Niet leervrijheid en hoorvrijheid, wederzijdsche leervrijheid moet er dan zijn. Zij is er nog niet. Daarom mag er tegen den, vooralsnog, weerloozen orthodoxen of juridiek‑confessionelen leek, niet op zoo ongelijken voet worden gepolemizeerd. Later zal er des te meer gelegenheid zijn tot vrijmoedige polemiek, tot gestadig exercitium disputandi84a in de kerkgebouwen, wanneer de ontwikkeling der liberale rigtingen tot de volkomenheid waarop ik zinspeel, tot het onovertrefbaar uiterste der heilrijke fusie en confusie, tot de georganiseerde ontbinding, als voorportaal van de kerk der toekomst84b, zal hebben opgeleid.85

En daarna: `Brengt uw kerkbegrip meê dat zich tegen een bedrijf als door Ds. Zaalberg gepleegd wordt, enkel geestelijke bestrijding, predikatie tegen predikatie, behoeft en behoort te worden gesteld?'86 Wij zijn in de onzekerheid `omtrent de vraag of, terwijl ge vasthoudt aan een onveranderlijken grondslag der gemeente, aan het regt der waarheid, die in Christus haar eenig fundament heeft, gij tevens geoorloofd en pligtmatig rekent een handhaven met uitwendig gezag? een handhaven, gelijk tot dusver van het begrip en bestaan eener kerk onafscheidelijk en met den eisch der Heilige Schriften overeenkomstig gekeurd werd. Of gij op verlevendiging van kerkbewustzijn, in den zin ook van kerkregtelijk bewustzijn, prijs stelt?'87

Mij dunkt, uwe meening is niet meer twijfelachtig. Te minder, nadat ik zooëven in de Jaarvergadering van het Nederlandsch Zendelinggenootschap88, blijkens de noodzakelijke toelichting van vier uitgetreden leden van het Hoofdbestuur89, het ethisch beginsel in werking, la morale en action90, zie. Aldus luidt de omschrijving van het voorstel welks verwerping de breuk ten gevolge had: `Ook het tweede voorstel verlangt volle eerbiediging van elks persoonlijke vrijheid, maar 't verlangt daarbij ook de vrijheid voor ieder onzer om aan eenig lid van het Genootschap de artikelen 2 en 6, zoo lang die nog niet zijn geschrapt, in herinnering te brengen. 't Wenscht geen modern uit te sluiten door dwang, of een geloofsonderzoek in te stellen om hem uit te werpen, maar wel de bevoegdheid om een beroep te doen op ieders waarheidszin en geweten. Het wenscht ook deze vrijheid, dat het ons geoorloofd zij tot één der Bestuurders A. of B. of Z. te zeggen: ``Ziehier de grondbeginselen van ons Genootschap uitgedrukt. Bij de door u voorgestane gevoelens, komt het ons voor, dat gij niet opregtelijk met deze bepalingen u kunt vereenigen. Intusschen, gij zelf moet het weten. Laat dus uw eigen geweten beslissen!'' '91 Ook de aanneming van dit voorstel zou weinig hebben gebaat. Zuiverder toepassing van uw voorschrift schijnt mij ondenkbaar. Hierop vraagt men: `Is dat uitsluiting, is dat onverdraagzaamheid?'92 In geenen deele; het is eene verdraagzaamheid waarmeê men zich, gebonden, aan den vijand prijsgeeft. Volle eerbiediging van elks persoonlijke vrijheid, niet om het genootschap te verlaten, maar om erin te blijven, terwijl men het fundament aanrandt, een vrijbrief om naar de subjectieve uitspraak van eigen waarheidszin en93 geweten, te doen wat men verkiest, al zou het met de grondslagen in strijd en volgens alle anderen wederregtelijk zijn, is niet een[e] onverdraagzaamheid die anderen uitsluit, maar eene verdraagzaamheid die de instelling in haar eigenaardigheid vernietigt en alleen de leden welke daarop prijs stellen, na ze magteloos te hebben gemaakt verdrijft. De ervaring in het Zendelinggenootschap is een voorbeduidsel van hetgeen wij in de kerk, op het door u aangeprezen spoor, tegemoet gaan.

Voor de et[h]isch‑irenische rigting vooral geldt dan wat Wormser van de onkerkelijke zamenwerking der geloovigen gezegd heeft94: `Door het verzaken van iederen kerkelijken grondslag en van iedere bepaalde betrekking tot de kerk als steunpunt95 voor hare handelingen, en de onkerkelijke rigting, die zij, ten gevolge daarvan, in beginsel en werkzaamheid heeft aangenomen en aannemen moest, kan zij, dunkt mij, het billijke verwijt niet ontgaan: dat zij de Kerk van Christus, die de Heere in Nederland heeft geplant, en die zich dáár bij uitnemendheid in de Gereformeerde Gezindheid heeft gevormd en ontwikkeld, miskent96; dat zij den tegenstanders van de Christelijke waarheid, door zich met hen op hetzelfde onkerkelijk terrein van een algemeen individualisme en subjectivisme te plaatsen, krachtig in de hand werkt, en den strijd der geloovigen tegen de wereld, door dien te veranderen in een strijd van individuele meeningen, tamelijk onbegrijpelijk en op den duur onmogelijk maakt; en eindelijk, om er niet meer van te zeggen, dat zij de gansche beschikking over den Kerk‑vorm, dien zij geheel verwaarloost en somtijds zelfs bestrijdt, onwillekeurig aan het ongeloof in handen speelt, waardoor de Kerk noodwendig den hoogsten trap van ontaarding te gemoet moet gaan, en de zamenwerking der geloovigen zich zelve van ieder vooruitzigt op duurzaamheid berooft.'97

-------
Noten bij no. 88 Lijden en strijden.


1 

ARA, G.v.P., no. 97 (De Vries no. 122), door Groen zelf gecorrigeerde drukproef. Op de omslag: `1864, Lijden en strijden. Niet uitgegeven.'



2 

Op 18 sept. 1864 werden de geloofsbrieven onderzocht. Cf. Aan de kiezers [De Vries no. 125] XI, 1.



3 

De polemiek met Gunning (De Vries no. 119‑121). Cf. Briefw. III, 714, 2; Bezemer, Groen contra Gunning.



4 

Gunning schreef in 1864 achtereenvolgens: 1. Waartoe verwonderd? 2. Eén doel, twee wegen. 3. De kracht der waarheid. Cf. De Vries, p. 157‑164; Briefw. III, 679‑714. Met Gunnings `laatste geschriften' zijn vooral de tweede en derde brochure bedoeld. Gunning rekende er ook De vrijheid der gemeente toe; cf. De kracht der waarheid,p. 38, 1.



5 

Op die dag werd de zitting der Staten‑Generaal geopend. Cf. Briefw. III, 712, 3.



6 

Marginale aant. van Groen: `N.B. Dat er uitzonderingen zijn, blijkt uit de wijs waarop gij steeds, en ook nu weder, mij voor het christelijk nationaal onderwijs terzijde gestaan hebt.' Groen zinspeelt hier op Gunnings brochures Een woord tot de christelijke gemeente over school‑onderwijs en Zeven stemmen over schoolonderwijs, tot de beschaafde christenen in den lande gebracht. Cf. Studien en schetsen, p. 75, 1 en 82, 1.



7 

De wet op het lager onderwijs, door Van der Brugghen in 1857 tot stand gebracht.



8 

Zie n. 114 van no. 78.



9 

Gedrukt in Brieven van Da Costa III, 59‑66; het citaat op p. 62.



10 

Da Costa: `die'.



11 

Da Costa: `Ik kan of mag'.



12 

Zie n. 130 van no. 78.



13 

Na de scherpe critiek van Beets op Wormsers Adres aan den koning over de theologische faculteiten verschenen achtereenvolgens drie reeksen artikelen in de Nederlander ter verdediging van Wormser. De eerste van de hand van R. te Utrecht, de tweede van S[ingendonck] en de derde van Wormser zelf. Zie de bibliografie s.v. voor de titels en de respectievelijke nummers en data. De serie van Singendonck is het meest `conciliatoir'. Cf. Ned. Ged., 2e serie, I, 224; 229; Brieven van Da Costa II, 294/5; 305, 1; 306, 5; III Index p. XLI; Brieven van Wormser I, 105‑119.



14 

Aant. van Groen: `Toen mij de niet gemakkelijke taak van het voorzitterschap opgelegd was; toen de ethisch‑irenische rigting tegen de adhaesie, zelfs in de hoofdgedachte, aan het Amsterdamsche Eindprotest bezwaar had, toen onze gansch niet irenisch‑gestemde broeder de Liefde dat schrikbarende woord: ``gij predikanten loopt op dezen weg geen gevaar om martelaren te worden!'' uitsprak; toen de voorzitter (in welligt te ver gedreven clericalisme, ook misschien om zijn vooringenomenheid met het program van Ernst en vrede) aan den stoutmoedigen rustverstoorder ongelijk gaf; toen men, als tegenwigt voor niet‑adhaesie (om toch iets te doen en te komen tot een praktisch resultaat) eene Vereeniging van leeraars en leden der Hervormde kerk gesticht heeft, doodgeboren, of wier historie althans niet langer dan één dag geduurd en in het met geestdrift tot stand komen van de lijst der leden bestaan heeft.' Zie n. 203 van no. 78. Cf. Brieven van Da Costa II, 297; 298, 3; 323, 1; 338; 342; 351, 1; 370, 1; Brieven van Wormser II, 143, 1; 153, 1; Van Oosterwijk Bruijn, Het Réveil, p. 179.



15 

Zie n. 201 van no. 78.



16 

Marginale aant. van Groen: `De eth[isch‑] ir[enischen] laat ik nu daar. Doch vroeger en steeds.'



16a 

Hs. abusievelijk: `wordt'.



17 

Toespeling op Confessioneel of reglementair? (De Vries no. 121). Cf. Ong. en rev., 2e dr., p. 161(*); Brieven van Wormser I, 293.



18 

Cf. Gunning, Eén doel, twee wegen, p. 8.



19 

Cf. Gunning, Eén doel, twee wegen, p. 8/9.



20 

M.b.t. de afzetting van dr. Zaalberg.



21 

Aant. van Groen: `Grondwetherziening en eensgezindheid'. Het citaat op p. 19.



21a 

J. T. Beck; cf. Gunning, Eén doel, twee wegen, p. 7.



22 

Cf. Adviezen 1856/7 II, 284*.



23 

Aant. van Groen:`De orthodoxie aan het staatsroer'. Het citaat op p. 7/8.



24 

Het anti‑revolutionaire staatsregt in Nederland, in De Gids 17 (1853) II, 481‑502; 685‑703. Cf. Parlementaire studien III, 41‑45; Ned. Ged. (2e serie) V, 326‑336.

25 

Aankondiging van Groens Verspreide geschriften, in Wetenschappelijke bladen 1859 III Bijblad, p. 17‑36; 1860 II Bijblad, p. 33‑48.



26 

Cf. Aan de kiezers [De Vries no. 125] III, 14.



27 

Zie n. 129 van no. 70.



28 

Drukproef: `niet'.



29 

Cf. p. 34/5 (= Uit de verspreide geschriften, 3e reeks, I, 325/6).



30 

In Ned. Ged. III, no. 21‑27 (p. 81‑108) herdr. in Verspreide geschriften I, 121‑154; cf. Le parti, p. 33; Heemskerk, Het anti‑revolutionaire staatsregt, p. 492 e.v.; Pierson, Aankondiging, p. 32‑34 (= Uit de verspreide geschriften, 3e reeks, I, 322‑324).



31 

Cf. Verspreide geschriften II, 59‑60.



32 

Aant. van Groen: `Het klagen is mij thans, niet slechts vergund (van de vergunning zou ik evenmin nu als van 1857 tot 1862 gebruik maken), het is mij voorgeschreven door de eischen eener doeltreffende polemiek. Komen mijne vrienden niet van hun indifferentisme voor het openbaar leven, voor de behartiging der hoogste volksbelangen in kerk en in staat (bij elke gelegenheid en niet enkel bij de stembus) tot spoedigen inkeer, dan lijdt een laatste poging op dezelfde klip, als zoo menig andere, schipbreuk. Misschien vermoeden zij dat ik, door velerlei gemoedsaandoeningen, eenigzins in opgewondenheid verkeer. Ik leg hun het oordeel voor van een voor mij althans niet partijdigen, van een schranderen regter, van een roomsch‑catholijken schrijver, die bij het vroegtijdig overlijden van de Nederlander, aldus van de doodelijke werking der werkeloosheid mijner vrienden gewag maakt: ``Cinq années d'efforts quotidiens, de labeurs effrayants n'ont pas avancé d'un pas la propagande anti‑révolutionnaire dont M. Groen s'était fait l'apôtre avec un noble désintéressement et une constance dignes d'imitation. L'indifférence a été le plus fort. Un vaillant combattant se retire de la lutte, brisé, deçu dans ses espérances les plus chères, n'ayant d'autre satisfaction que celle d'avoir rempli son oeuvre en conscience. Cette retraite d'un journaliste naguères encore si plein de verve et d'esprit nous remplit d'un sentiment de tristesse et d'amertume. Quelque opposées que soient les doctrines politiques de M. Groen à nos propres convictions, à nos propres aspirations, nous ne pouvons nous empêcher de rendre hommage à l'inspiration éclairée qui l'avait conduit de la hauteur de l'historien et du philosophe chrétien dans les rangs de cette littérature militante de chaque jour qu'un absurde préjugé juge trop souvent comme indignes de l'écrivain convaincu. M. Groen, peut‑être le premier parmi nous, comprit la puissance de la polémique de chaque jour, et nul plus que lui fut aussi constitutionnel, au point de vue de la publicité, en donnant l'exemple d'un représentant du peuple qui ne croyait pas déroger à sa position en répandant dans le public au moyen de son journal, les opinions qu'il émettait dans le parlement, ce sanctum sanctorum des petits esprits. Nous le disons à regret, mais nous ne voulons pas cacher cette vérité, que M. Groen, en sacrifiant son repos et son talent à la publication d'une feuille quotidienne, laissait bien loin derrière lui, ceux de nos amis qui parlent sans cesse de progrès et qui croient que le progrès est accompli lorsqu'ils prononcent de temps en temps un discours devant des collègues dont la conviction reste le plus souvent sourde à la plus puissante logique. Si M. Groen n'avait pas rencontré la même apathie chez ses propres amis, il serait devenu le chef de parti le plus redoutable pour toutes les variétés de gouvernements réactionnaires, conservateurs ou progressistes . . . Mais M. Groen n'a pas à se reprocher l'indolence de ses amis, qu'il protégeait sans cesse de sa mordante plume contre les attaques de la presse et l'oubli du scrutin électoral. Ce sont ses amis qui le laissaient fléchir sous la tâche et qui ne comprenaient pas, comme lui, l'influence grandissante d'un journal''.' Met de r.c. schrijver is bedoeld: de anonieme schrijver in L'Echo Universel; journal des Pays‑Bas, 5me année no. 1304, 4 juillet 1855. Dit nummer is bewaard in ARA, G.v.P., no. 125 sub 135. Het citaat ook in Brieven van Da Costa II, 384/5.

33 

Marginale aant. van Groen: `Niet vergeet ik den bijval en symp[athie]. Bij het volk vooral. Maar hoogere standen. De politiek.'



34 

Cf. Gen. 3, 5; Zwaan, G.v.P., p. 219.



35 

Cf. Openb. 3, 14 e.v.



36 

Cf. Gen. 22, 14.



37 

Cf. Psalm 68 vers 1 naar de berijming van 1773.



38 

Aant. van Groen: `Leervrijheid of kerkbewustzijn? p. 23.' Cf. Aan de kiezers [De Vries no. 125] XVIII, 26; Ned. Ged., 2e serie, IV, 184.



39 

Cf. Pascal, Pensées VI, 358 (Oeuvres complètes, p. 1170 sub 329).



40 

Cf. Joh. 12, 43.



41 

Cf. Rom. 12, 18.



42 

Marginale aant. van Groen: `Vereeniging sept. p. 151. meeningen, eigen denkbeelden/beginsels, evang[elische] belijdenis in elken vorm, in elke kring. Esprit de sacrifice.' Waarschijnlijk bedoelt Groen het artikel van H[eldring] in Ver. Chr. St. 19 (1865), p. 141‑152, in sept. 1864 verschenen o.d.t.: Op welke wijze kan de ongeloovige moderne geestesrigting des tijds tot een zegen voor de kerk van Christus worden dienstbaar gemaakt? Op p. 151 leest men: ` . . . geen heil van de bekeering van de eene meening tot de andere verwacht; vooral niet van een scherpen der pen om andere rigtingen te bestrijden, en zich zelven dikwijls te behagen in eene juiste uiteenzetting van eigen denkbeelden tegenover die van de dwalingen . . . O neen, de wonden liggen dieper, liggen in eigen onbekeerlijkheid en onwil om alles op te offeren, wat wij weten, dat voor den naam en de zaak van Christus opgeofferd dient te worden.'



43 

Cf. Cousin, Du vrai du beau et du bien, p. X.



44 

Het verhaal stamt uit de Mémoire sur la vie de M. Pascal écrit par Marguerite Périer (Pascal, Oeuvres complètes, p. 41). Cf. Vinet, Etudes sur Blaise Pascal (4me éd.), p. 145, 1; Cousin, Jacqueline Pascal, p. 316; Fragments littéraires, p. 241.



45 

Cf. Brieven van Da Costa III, 62.



46 

Van de `Zeven Haagsche heeren'. Met de adressen zijn bedoeld: De Vries no. 54 en 55.



47 

Wormser.


48 

Isaäc Esser. Cf. Aan de kiezers [De Vries no. 125] III, 4; Briefw. III, 679, 4. Biogr. lex. Ned. prot. I, 78.



49 

Van de drukproef ontbreken hier de bladzijden 14‑18. Van p. 19 is het bovenste gedeelte afgeknipt. De nu volgende bladzijden zijn niet gecorrigeerd. Aperte fouten worden stilzwijgend verbeterd.



50 

Van der Brugghen.



51 

Cf. Adviezen 1856/7 II, 288*, 5 en289*. In deze omgeving hoort de volgende aant. van Groen, waarvan de nootaanduiding waarschijnlijk in het weggeknipte gedeelte gestaan heeft: `Mij althans heeft het verband [van] zijne handelwijs als minister, [met] zijne pensée intime over het wezen en de onderlinge verhouding van staat en kerk, overtuigd dat ik, niet ten onregte, reeds eer mij deze oplossing duidelijk voor den geest was, verklaard heb: ``Ik ken uw karakter, ik weet dat, ook wat ik afkeur, bij u met edele beweegredenen moet in verband staan.'' Ook met de herinneringen van 1856 heeft Dr. Fruin onlangs getracht mij in verlegenheid en de beginselen die ik voorsta, in discrediet te brengen. Na beweerd te hebben dat ontrouw aan vroeger beleden beginsels vooral moest worden verklaard uit de zwakheid der karakters, schrijft hij: ``Uwe staatsbeginsels, die zuiver zijn van de smet der revolutie, moesten hun belijders althans tegen afval behoeden. Maar doen zij dit inderdaad? Wij zijn het nog niet vergeten, dat een uwer geloofsgenooten een poos minister geweest is, en toen verder van de leer is afgeweken dan eenig conservatief of eenig liberaal. Verklaart gij die inconsequentie uit den aard der begrippen of uit het karakter van den man?'' Het antwoord gaf ik lang reeds voor de vraag gedaan werd.' De beide conjecturen op grond van Over het ontwerp, p. 162 en 193. Op p. 162 ook het citaat over het karakter van Van der Brugghen. Zie voor het laatste citaat Fruin, Politieke moraliteit, p. 28/9 (= V.G. X, 255).



52 

Cf. 1 Kor. 10, 12.



53 

Van Hall - Donker Curtius, afgetreden op 1 juli 1856.



54 

Cf. Fantasie en werkelijkheid, p. 43; ook aangehaald in Nederlander no. 1324 (16 oct. 1854); no. 1467 (4 april 1855); Adviezen 1856/7 II, 19; Over het ontwerp, p. 165.



55 

Van der Brugghen.



56 

Cf. Adviezen 1856/7 II, 196; Over het ontwerp, p. 126.



57 

Cf. Adviezen 1856/7 II, 265*; 279*.



57a 

Drukproef: ``van''.



58 

De zin loopt, als dit woord geschrapt wordt.



59 

Cf. 2 Petr. 1, 16; Is er geen oorzaak?,p. 6.



60 

Amsterdam, Höveker, 1864 (o.d.t. De onkerkelijke rigting, die zich bij vele geloovigen openbaart; met een voorberigt van G. Groen van Prinsterer).



61 

Cf. Ver. Chr. St. 4 (1850), p. 348.



62 

Ernst en vrede verscheen van 1853‑1858; cf. Verspreide geschriften I, p. VII.

63 

Cf. Verspreide geschriften I, p. VII‑XII. Het is ook mogelijk, dat Groen doelt op De Vries no. 105.



64 

Toespeling op Chantepie de la Saussaye, De nood der kerk, p. 64 (= Brief aan Mr. G. Groen van Prinsterer, p. 84); cf. Verspreide geschriften I, p. VII.



65 

Cf. Wormser, Over de onkerkelijke rigting, p. 442.



66 

Een `Hollandsche' vertaling verscheen in 1863 (Utrecht, Bosch).



67 

Haarlem, Kruseman, 1863.



68 

Toespeling op Piersons Onverdraagzaamheid (1864). Zie de bibliografie sub Chantepie de la Saussaye, Schwartz en Pierson voor de hierop gevolgde polemiek.



69 

F. van Bevervoorde, H. M. Labouchère en J. de Neufville. Cf. Nederlander no. 1122; 1231; 1248 (18 febr.; 29 juni; 19 juli 1854); Is er geen oorzaak?, p. 18 e.v.



70 

Cf. Briefw. III, 656.



71 

Zie n. 205 van no. 78.



72 

Cf. Natuurlijk of ongerijmd?, p. 1.



73 

Zie n. 51 i.f. en Aan de kiezers [De Vries no. 125] VII, 9, 1.



74 

Cf. Aan de kiezers [De Vries no. 125] VII, 15; VIII, 4; 6; Fruin, Naschrift, p. 3 (= V. G. X, 258).



75 

Cf. Wormser, Over de onkerkelijke rigting, p. 450.



76 

Drukproef: `en'.



77 

Cf. Gunning, De vrijheid der gemeente, p. 69: `In welgemeenden ijver voor de waarheid die hun dierbaar is, schrijven velen aan hen die deze vrijheid willen, onverschilligheid jegens die waarheid toe, en vergeten daarbij dat die leervrijheid alleen voor den tegenwoordigen toestand verlangd, en dat hoorvrijheid bepaaldelijk nevens haar geëischt wordt, opdat door de werking van deze twee vrijheden op elkander het geweten der gemeente worde opgewekt om zich uit te spreken.'



78 

Drukproef: `ergelijk'.



79 

Cf. Gunning, De vrijheid der gemeente, p. 75. Zie p. 34 en 74 over Het regt der Hervormde gezindheid.



80 

Cf. Natuurlijk of ongerijmd?, p. 26.



81 

Groen citeert vrijwel letterlijk het Verslag der vergadering van de Evangelisch‑confessioneele predikantenvereeniging, p. 1.



82 

De namen van het hoofdbestuur der Confessioneele Vereeniging bij Vos, G.v.P. II, 254.



83 

Toespeling op het gezelschap Ernst en vrede en zijn voorzitter Beets; cf. Honders, Doen en laten, p. 70.



84 

Cf. Briefw. IV,52



84a 

Cf. Vrijheid van christelijk-nationaal onderwijs,p.31; Parlentaire studien I, 9, 18; II, 47.



84b 

Zie n. 116 van no. 78.



85 

Blijkens de nummering ontbreekt hier één bladzij.



86 

Cf. Is er geen oorzaak?, p. 18; Natuurlijk of ongerijmd?, p. 4.



87 

Groen heeft hier een nootcijfer, terwijl de bijbehorende noot ontbreekt. Hij citeert Is er geen oorzaak?, p. 23.



88 

De jaarvergadering van het Nederlandsch Zendelinggenootschap in 1864, door J. Moll Jaczn. e.a. (Rotterdam, Tassemeijer, 1864). Cf. Vos, G.v.P. I, 291; II, 267; Heldring in Ver. Chr. St. 19 (1865), p. 163‑165.

89 

J. Moll Jaczn., J. H. Bösken, M. Cohen Stuart en H. C. Voorhoeve.



90 

Deze uitdrukking o.a. gevonden bij Moreau (Principes III, 14) en Vinet (L'éducation, p. 127). Het is mogelijk, dat Groen het gelijknamige toneelstuk van De Villeneuve kende.



91 

De jaarvergadering, p. 18/9.

92 

De jaarvergadering, p. 9.

93 

Drukproef: `van'.



94 

Cf. Wormser, Over de onkerkelijke rigting, p. 441/2.



95 

Cursivering van Groen.



96 

Groen laat weg: `dat zij door het voorstaan van een Christendom buiten de Kerk en zonder onderlinge kerkelijke gemeenschap van zijne belijders, de uitputting en versterving der bestaande Protestantsche kerkgemeenschappen bevordert, zelfs zonder eenig bestemd verlangen te openbaren om de vorming van ééne algemeene Christelijke kerk in ons Vaderland voor te bereiden;'



97 

Aant. van Groen op de omslag: `N.B. Slechts gedeeltelijk, ni fallor, uitgegeven. 1864 bij het stichten der Confess[ioneele] Ver[eeniging].'


89 Opstel inzake de Vereeniging tot verschaffing van hulp en
1   ...   64   65   66   67   68   69   70   71   ...   78

  • Opstel inzake de Vereeniging tot verschaffing van hulp en

  • Dovnload 7.64 Mb.