Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina69/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   65   66   67   68   69   70   71   72   ...   78

raad aan gemeenten en personen in de Nederlandsche Hervormde kerk. 1865.1

Geliefde vrienden!

Ten vervolge onzer bijeenkomst van 12 october ll.2 heb ik dezer dagen de circulaire van 6 april3 ontvangen. De uitnoodiging tot eene eerste vergadering van de Vereeniging tot verschaffing van hulp en raad4 aan gemeenten en personen in de Nederlandsche Hervormde kerk te Utrecht, op 27 april.5 Ik voel mij tot het bijwonen van vergaderingen, althans tot het deelnemen aan discussie, vooralsnog, niet sterk genoeg.6 Doch buitendien kan en mag ik aan de uitnoodiging niet voldoen.

De Vereeniging, gelijk ik ze niet begeerd heb, houdt haar eerste vergadering. Grondslag en doel zijn vastgesteld. Men verlangt, zoo spoedig mogelijk, te kunnen overgaan tot de bespreking der voorstellen in de circulaire vermeld.7 De Vereeniging, op dien voet, zonder meer, is in tegenspraak met mijne geheele kerkelijke positie. Ook den 12 october heb ik daarvan telkens doen blijken. Zooveel zonder onbescheiden aandrang doenlijk was, heb ik tegen dezen, mijns inziens, ongenoegzamen afloop van ons onderling overleg geworsteld. Nog in den laten avond, toen voor verdere bedenkingen de tijd voorbij was, heb ik getracht een deure voor heropening der discussie open te houden. Zonder formeel protest, dat ik ongaarne zou hebben ingebragt, kon ik [me] nog niet8 duidelijker uitspreken. Gij doet te weinig zeide ik. Al wat gij u voorneemt, zou slechts een tak van werkzaamheid zijn voor eene vereeniging, zooals de nood dezer tijden eischt, ter algemeene behartiging van de belangen en regten der kerk.9 Niet zonder hoop dat erop zou gelet worden, voegde ik erbij: `Evenwel in geenen deele wordt het denkbeeld dat mij voor den geest zweeft, geprejudicieerd. Eene vergadering als deze, wanneer zij bestendigd en uitgebreid wordt, zou kunnen zijn de kern en kiem der Ned. Hervormde Kerk.'10

Uit de circulaire is mij gebleken dat de commissie geen aanleiding of vrijheid gevonden heeft om, naar aanleiding hiervan, terug te komen op hetgeen bepaald was. Als vrucht van haren arbeid legt zij u de statuten11 voor; maar zij heeft, vergis ik mij niet, gemeend [zich?] te moeten bepalen bij de zamenvoeging, ongewijzigd, van het concept van 186312, met de zeven alinea's van 12 october13. Thans is de Vereeniging een tot stand gekomen feit. Al had ik den 27sten tegenwoordig kunnen zijn, ik zou, op hetgeen afgedaan is, niet hebben willen terugkomen. Het verschil van beschouwing is, dunkt me, ter mondelinge ontwikkeling van mijn gevoelen, ter heropening van discussie, vooralsnog te groot. Met mijn bezwaar nu wederom in uw midden voor den dag te komen zou doellooze stoornis, lastig oponthoud, verregaande onbescheidenheid zijn. Maar wèl acht ik mij verpligt eenigzins uitvoeriger rekenschap te geven van dezen schijnbaren terugtred. Wèl verlang ik, in den drang der omstandigheden, telkens te doen uitkomen wat ik bovenal begeerd heb en begeer. Wat ik, als het naaste doel en de meest eenvoudige en dringende pligtbetrachting, voor u, voor mij, voor allen die den Christus, den Zoon des levendigen Gods14 belijden, beschouw.

Ook nu deins ik evenzeer terug voor eigen raadgeving, als ik reikhals naar onderling overleg.15 Maar ik ben bereid ter openhartige mededeeling van mijn gevoelen. Aan allen die daaraan, met een mij beschamend vertrouwen, eenig gewigt hechten. Aan het hoofdbestuur der Vereeniging Vrienden der waarheid, die ook mijne raadgeving hebben begeerd.16 Aan mijn vriend Schwartz, die mij in de Heraut van 24 februarij met zoo plegtigen ernst en aandrang, de vraag voorgelegd heeft: `Mogen de geloovige leden der Nederlandsche martelaarskerk, naar den eisch der evangelische pligtbetrachting, kerkgemeenschap houden met de geestverwanten van Opzoomer en Zaalberg?'17

Om de kortheid des tijds en het gewigt der zaak, roep ik in dubbele mate uwe toegeeflijkheid in.

Wat is nu deze Vereeniging, volgens aangenomen grondslag en doel? Wat had ik, in mijn streven naar eene bijeenkomst als die van 12 october begeerd? Welke is de oorzaak mijner teleurstelling geweest? Wat mag, ondanks dezen afloop, de geloovige gemeente van eene vergadering als de uwe, op 27 april tegemoet zien?


I. Wat is deze Vereeniging? Het antwoord kan zeer beknopt zijn. Zij is de verwezenlijking van het plan der Evangelisch‑confessionele predikantenvereeniging reeds in 1863, in de grondtrekken goedgekeurd, in 1864 uitgewerkt en overgelegd. In september ll., een maand voor onze bijeenkomst te Utrecht, heb ik het gerangschikt onder de rubriek van stelselmatige slapheid.18 `Het evangelisch‑confessionele,'schreef ik, `is daarin beperkt tot het organiseren van de leervrijheid.'19 De zeven verklaringen20 nu daarbij gevoegd zijn uitnemend, maar heb ik onregt te beweeren dat ook aldus de Vereeniging in beginsel en bedoeling overeenkomt met het rapport der commissie van 1863?21 Met het rapport dat van al wat confessioneel is afzag, een standpunt aannam tegenovergesteld aan het regt der Hervormde gezindheid22; als een fait accompli vooropstelde: `de verbindende kracht der Hervormde belijdenis is van lieverlede verzwakt, totdat zij nul is geworden'23; een rapport dat enkel op het harmoniëren van de reglementen met de belijdenisloosheid te doen24 was? Ook met de zeven verklaringen (waardoor men gewaarborgd is tegen sommige meeningen van wier gevaarlijkheid ik overtuigd ben) streeft uwe Vereeniging eigenlijk, naar mij voorkomt, slechts naar een hoorvrijheid, die veelal op vrijheid om niet te hooren, om van godsdienstoefening verstoken te zijn, uitloopt. Naar een vrijheid van evangelisatie die met vrijlating van evangeliebestrijding gekocht wordt. Naar eene vrijheid op de vrijheid van allen, ook van de modernen, gegrond. Naar een vrije werking ook van de confessionelen in den voor allen gelijkelijk opengestelden werkkring. Naar vrije werking; voor zoover namelijk de eigenaardigheid van het reglement van orde, in dit pseudaemonium dat de Hervormde kerk heet, vergunt. Dergelijke toestand wilt gij niet op den duur.25 Dat zij verre! Het is de provisionele aanvaarding van den reglementairen toestand. Ik bestrijd niet. Ik constateer slechts.
II. Maar wat heb ik begeerd? Het tegendeel. Op den duur is kerkgemeenschap ongeoorloofd. Ik stel er tegen: onverwijlde verbreking is pligt. De verkondiging van dit beginsel is de aanvang der praktijk; is het begin en ook hier zou26 een goed begin, het ontplooijen van een herkenbaar banier, een bazuingeklank van niet onzeker geluid27, het halve werk zijn. Wat heb ik begeerd? Op grond van historische instemming met de christelijke kerk, een occasioneel en actueel verzet der geloovige gemeente tegen de overmoedige sluwheid waarmeê men, in haar eigen boezem, het fundamentele van haar troost, in leven en in sterven28, sloopt of ondermijnt. De predikantenvereeniging, met haar uitnemend personeel, scheen mij, wanneer zij, op presbyteriaanschen en evangelischen voet, leeken in zich opnam, eene vertegenwoordiging der kerk. Ten gevolge van ongelooflijk pligtverzuim der kerkbesturen, was zij allezins bevoegd en verpligt het initiatief te nemen ter verbreking van een antichristelijke kerkgemeenschap. Dat heb ik begeerd. En waarom heb ik het begeerd? Ook dit weet gij. De aanleiding was locaal.29 Ds. Zaalberg is de man aan wien de verdienste niet kan worden ontzegd van alle bewindselen te hebben verscheurd waarin het laodiceïsme, met zijn Vrede, vrede en geen gevaar!30 en `het is zoo erg niet!' en `wij bouwen allen op één fondament', gehuld was. Hij zou een cursus van ongeloovige theologie houden; een antichristelijke vertooning elken zondag, in de kerk.31 Ook ik heb sidderende gevraagd: `Moet dit, mag dit worden geduld? Heeft de Gemeente geenerlei regt? de leervrijheid geenerlei grens? de belofte, bij de aanvaarding van het leeraarsambt afgelegd, geenerlei kracht? Is er dan geenerlei godslastering die, met beroep op de conscientie der Gemeente, door haar opzieners behoort te worden gestuit?'32 Ook ik heb beweerd dat hij die den Christus van Strausz of Renan verkondigt, facto ophoudt leeraar te zijn van de Hervormde kerk. Dat hij, die ligchamelijke verrijzenis van Christus uit de dooden ontkent, de kerkgemeenschap opzegt. Dat, zoo hij, gewetenshalve of traktementshalve, zich aan den kansel vastklemt, dat, zoo hij, uit ongeloofsijver of roembejag, in de kerk, waarvan hij getoond heeft niet meer lid, maar wel een felle vijand te zijn, kerkbestrijding voortzet, de gemeente regt heeft om door haar opzieners, tegen die wederregtelijke driestheid te worden beschermd.33 Dan moet er zijn onverwijlde schorsing en kennisgeving aan hooger kerkbestuur.34

De kerkeraad achtte zich gebonden aan het reglement. Lofwaardige naauwgezetheid inderdaad! Als van den huisverzorger die, aan den opzigter ondergeschikt, de inbrekers of brandstichters ongemoeid laat, totdat hij, regelmatig omtrent zijn bevoegdheid tot stuiting van het kwaad, het goeddunken van zijn supérieur ingewonnen heeft. Velen dachten dat deze naauwgezetheid te ver ging. Het reglement verbiedt niet, maar onderstelt, wat èn het gezond verstand èn het christelijk geweten èn de aard eener kerk voorschrijft; om namelijk onverwijld eene prediking te stuiten, niet tegen deze of gene artikelen van een formulier, maar tegen het eeuwig evangelie gerigt, en waardoor, openlijk in de kerken der gemeente, de ontzettende zonde der Christusverwerping gepleegd wordt.35 Het mogt niet baten. De vijand der gemeente36, de vijand van den Heer der gemeente, bleef meester van den kansel. Wat heb ik begeerd? Tegen deze regtsweigering, tegen deze pligtverzaking, tegen dit reglementaire sussen van het ontwakend geweten der gemeente wenschte ik een beroep37 op de publieke consciëntie van het geheele land, op het geweten van elk die, ook te midden der algemeene beginselloosheid, een eerlijk hart en gevoel voor billijkheid en regt heeft. Na het ongestoord afspelen van het ongeloofsprogram, was het exceptionele dat in de Frechheit38, in de eigenaardige gemeenheid van het kerkschandaal lag, voorbij. De deerniswaardige toestand van een aantal gemeenten was aan den toestand der 's Gravenhaagsche gemeente gelijk. - Wat moet verrigt worden ter verbreking van kerkgemeenschap werd dus een probleem, niet meer van plaatselijk, maar van algemeen broederlijk overleg.39

Ik wenschte eene vergadering ad hoc.40 Eene opzettelijke bijeenkomst waar men door geenerlei ander onderwerp zou worden afgeleid van de vraag: Leervrijheid of kerkbewustzijn? Natuurlijk of ongerijmd? Confessioneel of reglementair?41 Van de vraag: Is er nog een confessie, of is de leervrijheid zoo grenzenloos dat zij de prediking vergunt van een ten derden dage in het graf gebleven Christus? dat zij de verloochening toelaat van den persoonlijken God?
III. Welke is de oorzaak geweest dat mijne poging, op den 12 october, niet gelukt is? Die oorzaak lag niet in het personeel. Aansluiting aan de Predikantenvereeniging was schijnbaar vermetel. Want het was ook mij niet onbekend dat bij het rapport der commissie van 1863 onderscheiding en scheiding en tegenstelling van evangelisch‑ en juridisch‑confessioneel gemaakt was.42 Ik liet mij hierdoor niet afschrikken. Want ik begreep wel dat een ontvallen woord niet in erg gemeend was; dat een talrijk deel der Vereeniging, in den grond der zaak, met ons homogeen was. Ik hield mij overtuigd (en in die verwachting althans ben ik niet teleurgesteld) dat de miskenning der hoofdgedachte van ons streven, sedert 183743 tot op den huidigen dag bij velen door persoonlijke kennismaking en eenvoudige voordragt wegvallen zou. Ook scheen mij de adhaesie aan den te Parijs gevolgden gedragslijn teeken en waarborg van veerkrachtige houding.44

De oorzaak is deze. Ik had gewenscht eene bijeenkomst ad hoc, zonder dat wij door eenig ander onderwerp afgeleid werden van de preliminaire vraag: Confessioneel of reglementair? Ik verwachtte veel van dergelijke behandeling, in den zin waarin die vraag door mij gesteld was. Ik vleide mij dat we daardoor zouden komen tot eendragtige veerkracht in hetgeen men45, niet ten onregte, het abc der kerkelijke, der christelijke pligtbetrachting genoemd heeft. Maar helaas! combinatie [had] er plaats. Er moest op de bijeenkomst meer worden gedaan. Simul et semel zou een vereeniging worden gesticht. Dit ecraseerde mijn voorstel. Wij werden afgeleid van mijn voorstel. De vraag werd niet als preliminaire quaestie gesteld. Zij is zelfs geen onderwerp van geregelde discussie geweest. Geen preliminaire quaestie. Gij weet het en het verslag bewijst het. Onmiddellijk werd de beraadslaging geopend over het plan der predikanten, over grondslag en doel. Wat voor mij de hoofdzaak was, werd bijzaak, en de bijzaak verdween.


Evenwel één alinea was er dat ons incidenteel op het door mij gekozen terrein zou hebben gebragt. Alinea 1. `De vergadering besluit dat zij aan geene poging tot herstel of hulpbetoon in den nood der Kerk de hand leenen kan, die niet uitgaat van eene onbekrompene en ondubbelzinnige instemming met den grondslag der Kerk, in hare belijdenisschriften nedergelegd.'46 Doch daarover juist, ofschoon spreken verlangd werd, zweeg men. Daarover kon geene discussie worden toegelaten; `als bevattende het vereenigingspunt waaruit en waartoe de noodiging tot bijwoning van de vergadering heeft plaats gehad.'47 Mij dunkt hier is een misverstand geweest. Discussie kon niet worden toegelaten over de leus zelve, maar zij was geoorloofd, zij was onontbeerlijk over de beteekenis en over de toepassing der leus. Nadeelig is dit misverstand voor de Vereeniging geweest. Immers had zij, ter bevestiging en uitbreiding, hier vooral behoefte aan bezieling van de doode letter. Waar ze ontbreekt wat is dan uw eenmaal aangenomen leus? In haar ondubbelzinnigheid is zij even dubbelzinnig; in haar onbekrompenheid is zij even rekbaar als al de raadselachtige termen eener phraséologie waartegen wij geworsteld en waarmeê onze tegenstanders gespeeld hebben. Nu eens beginsel en aard, dan weder hoofdzaak en wezen, en wat al meer fraaijigheden, waarachter zich de leervrijheid in haar loopgraven ter ondermijning van de kerk, zonder toelichting (en daarin juist lag het kwaad!) van de raadselachtige phrase, verschansd heeft. Het vertrouwen waarmeê men ditmaal opkwam, lag niet in de leus van den uitnoodigingsbrief, maar in de liefde en achting voor hen uit wier naam de bijeenroeping plaatshad; maar het lag tevens in de onderstelling dat men zich over de beteekenis verstaan zou, dat de vraag om inlichting niet met synodale verwijzing naar het reeds gegeven antwoord afgewezen, maar integendeel, met verlangen naar broederlijke bespreking, zou worden uitgelokt en gewaardeerd. Het lag in de overtuiging dat hier vooral bij de soortgelijkheid der uitdrukking met de nevelachtigheid van het synodaal laconisme de spreuk gold cum duo faciunt idem, non est idem.48 Dat hier elk bezwaar tegen het onbestemde der leus wegviel, omdat haar beteekenis door een levende confessie, door een zich telkens in woord en49 daad uitsprekende belijdenis, zou worden toegelicht en bepaald.

En nu, voor de eerste gelegenheid die zich opdoet, deinst men terug! Zoo ik mij niet vergis, werd het nadeel hiervan reeds blijkbaar. Immers zou de gedachtenwisseling over alinea 1 ook al de volgende alinea's, in onderlinge verhouding50 en in gezamenlijk verband tot een aanhef, toegelicht hebben.51

-------
Noten bij no. 89. Opstel inzake de Vereeniging.
1 

ARA, G.v.P., no. 100 (De Vries no. 122), onuitgegeven drukproef. Aant. van Groen: `Dit opstel is terzijde gelegd, als te polemisch.' Cf. Briefw. III, 755, 2; V, 561; 626; Wat dunkt u? I, 22; Ned. Ged., 2e serie, I, 371; Nauta, De verbindende kracht, p. 77 n. 29.



2 

Op 12 oct. 1864 vergaderde de predikantenvereniging te Utrecht gezamenlijk met 51 `ouderlingen en leden'. Zie het Verslag aan de Hervormde gemeente. Cf. Briefw. III, 720, 1; V, 604, 3; Aan de kiezers [De Vries no. 125] XVII, 20, 2; XX, 18, 3; Parlementaire studien I, 13, 19; 15, 2; 3, 1; 32; 36; 16, 25; 17, 21; 18, 28; II, 171; Vos, G.v.P. II, 248; Rasker De Nederlandse Hervormde kerk, p. 164.



3 

Cf. Briefw. III, 753, 7.



4 

Zowel de concept‑statuten als de vastgestelde bezigen hier het woord leiding. Enige onvastheid in de terminologie is in de stukken te bespeuren; cf. Verslag der derde vergadering, p. 6 en 20; Verslag van de vergadering der Confessioneele Vereeniging, p. 7 en 23; Vos, G.v.P. II, 254.



5 

Sc. 1865. Tot de oprigting werd besloten op 27 april 1864. Cf. Vos, G.v.P. II, 248; Nauta, De verbindende kracht, p. 69.



6 

Cf. Verslag van de vergadering der Confessioneele Vereeniging, p. 6; Briefw., III, 752 no. 1187; 755, 2; 758 no. 1197; 761 no. 1200; V, 627/8.



7 

Aant. van Groen: `Alleen over de onderdeelen zal moeten worden beraadslaagd.' De aanneming en bloc komt mij wenschelijk voor.' De eerste zin is vermoedelijk een citaat uit de circulaire; cf. Verslag van de vergadering der Confessioneele Vereeniging, p. 8.



8 

Schrijf‑ of drukfout voor niet nog?



9 

Cf. Verslag van de vergadering der Confessioneele Vereeniging, p. 30.



10 

Aant. van Groen: `Verslag der vergadering van 12 october, blz. 30, vg.' Cf. p. 31 en Vos, G. v. P. II, 249.



11 

Afgedrukt bij Vos, G.v.P. II, 249.



12 

Afgedrukt als Bijlage B in het Verslag der derde vergadering, p. 20‑26.



13 

Cf. Verslag aan de Hervormde gemeente, p. 7 e.v.



14 

Cf. Matth. 16, 16; Joh. 6, 69; Confessioneel of reglementair?, p. 10; Briefw. III, 755; 767.



15 

Cf. Confessioneel of reglementair?, p. 5.



16 

Aant. van Groen: `Natuurlijk of ongerijmd?' Op p. 13 vermeldt hij `den weerzin tegen de Vrienden der waarheid' bij de ethisch‑irenischen. Over gevraagde raad is in deze brochure niets te vinden, maar wel in Confessioneel of reglementair?, p. 5.



17 

Aant. van Groen: `Aan de kiezers [De Vries no. 125] No. XVI, blz. 13.' T.a.p. in noot 1 voegt Groen eraan toe: `Gaarne zal ik nader inlichting omtrent de eigenlijke beteekenis dezer vraag te gemoet zien. Ik dacht dat mijn antwoord menigwerf, en ook in 1864, kenbaar gemaakt was.'



18 

Cf. Confessioneel of reglementair?, p. 31‑33.



19 

Cf. Confessioneel of reglementair?, p. 32.



20 

Zie n. 13.



21 

Cf. Verslag der vergadering van de Evangelisch‑confessioneele predikanten‑vereeniging, p. 27‑48; Dankbaar, Onbekrompen, p. 6 n. 12; Briefw. V, 561/2.



22 

De Vries no. 70.

23 

Cf. Verslag der vergadering van de Evangelisch‑confessioneele predikanten‑vereeniging, p. 37 over het `fait accompli'. Op p. 41 vindt men de door Groen gewraakte zinsnede.



24 

Contaminatie. Versta: gericht.



25 

Cf. Verslag der derde vergadering, p. 11. Deze formulering reeds bij Chantepie, Opmerkingen (Ernst en vrede II, 40). Cf. Nederlander no. 1136 (7 maart 1854).



26 

Drukproef: `zoo'.



27 

Cf.1 Kor. 14, 8.



28 

Zie n. 28 van no. 6 en n. 69 van no. 78.



29 

Cf. Confessioneel of reglementair?. p. 19.



30 

Cf. Jer. 6, 14; 1 Thess. 5, 3.



31 

Cf. Is er geen oorzaak?, p. 15.



32 

Cf. Is er geen oorzaak?, p. 7.



33 

Cf. Confessioneel of reglementair?, p. 2.



34 

Cf. Confessioneel of reglementair?, p. 3.



35 

Cf. Confessioneel of reglementair?, p. 5.



36 

Zaalberg; cf. Natuurlijk of ongerijmd?, p. 7; Confessioneel of reglementair?, p. 21.



37 

De in de drukproef hierop volgende woorden (dergenen die boven anderen hiertoe verpligt zijn,) zijn doorgestreept.



38 

Cf. Is er geen oorzaak?, p. 16.



39 

Cf. Confessioneel of reglementair?, p. 19.



40 

Aant. van Groen: `Onmiddellijke zamenkomst der Predikanten‑Vereeniging, met adsumtie van leeken, ter opzettelijke overweging van de vraag waarop, in de tegenwoordige omstandigheden, alles neêrkomt: Is de Hervormde Kerk al dan niet ontbonden? Is zij opgelost in een louter reglementaire Kerk? Eene vraag, zonder wier voorafgaande beslissing rigtsnoer voor eigen pligtbetrachting en grondslag eener doeltreffende zamenwerking ontbreekt.' Dit citaat uit Natuurlijk of ongerijmd? (p. 26) eveneens op p. 467.



41 

Aant van Groen: `Naar ik verneem, is er uitzigt op eene zamenkomst van leeraars en leden als waarop ik gedoeld heb. Zoo ja, dan zij één wensch mij vergund. Laat deze bijeenkomst enkel en alleen, aan de vraag Confessioneel of reglementair? gewijd zijn. Te Parijs waren zes dagen naauwelijks genoeg; alhier zal één dag niet te veel zijn. Confessioneel of reglementair? Beteekent dit, of de Belijdenis in haar uitnemendheid gewaardeerd wordt? bij acclamatie zal het pleit beslist zijn. Doch er ligt in de vraag iets meer: Heeft de Belijdenis, gelijk ze van de eenzelvigheid onzer Kerk met de Christelijke belijdenis van achttien eeuwen getuigenis aflegt, ter wering van de Modernen, ook waar ze niet vrijwillig uittreden, verbindende kracht? Op die vraag kan niet terstond eenstemmigheid worden verwacht.' Cf. Confessioneel of reglementair?, p. 38/9.



42 

Cf. Verslag der vergadering van de Evangelisch‑confessioneele predikanten‑vereeniging, p. 34: `Dit [evangelisch‑confessioneel] beginsel onderscheidt zich van het juridisch‑confessioneele,voor zooverre dit de belijdenis als een wetboek en naar een wetboek wil zien erkend, maar veel meer nog van het niet‑confessioneele, dat de belijdenis beschouwt als tot het verledene behoorende.' Zie ook Natuurlijk of ongerijmd?, p. 17, 1.



43 

Aant. van Groen: `Toen ik, op grond der belijdenis, het regt der Afgescheidenen bepleit heb.'



44 

Cf. Verslag der derde vergadering, p. 11 en Bijlage A (p. 17‑20).



45 

Groen doelt op J. J. van Toorenenbergen; cf. Verslag aan de Hervormde gemeente, p. 21 en 27. Van Toorenenbergen richtte in 1864 ook een brochure aan Groen o.d.t. Waartoe evangelisch‑confessioneel? Een exemplaar hiervan in ARA, G.v.P. sub no. 96. Cf. Meeder, Johan Justus van Toorenenbergen, p. 49‑50.



46 

Cf. Verslag aan de Hervormde gemeente, p. 7 (waar `besluite' staat i.p.v. `besluit'). Zie ook Dankbaar, Onbekrompen, p. 7.



47 

Cf. Verslag aan de Hervormde gemeente, p. 7.



48 

Cf. Zwaan, G.v.P., p. 622.



49 

De drukproef heeft `en en'. Wellicht schreef Groen `en in'.



50 

Drukproef: `behouding'.



51 

Aant. van Groen in verso: `N.B. 1865. Terzijde gelegd als te polemisch.'

90

1   ...   65   66   67   68   69   70   71   72   ...   78


Dovnload 7.64 Mb.