Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina71/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   67   68   69   70   71   72   73   74   ...   78

Nederlandsch Hervormde kerk [door] H. Pierson [in de] Gids [van] m[aart 1869 I,] 441‑476. 1869.1

`Op politiek gebied is daarin voor als nog, zoo lang de kieswet blijft die zij is, weinig verandering te wachten: op kerkelijk gebied staat door de invoering van het algemeen stemrecht bij de Nederl. Hervormde[n] een groot[e] omkeer misschien voor de deur.'2 Te vreezen of te wenschen, zal deze niet alleen voor de kerk, maar ook voor de maatschappij een zegen zijn of een ramp? De N.H.K. [is] nog niet zonder macht. Ook in de bourgeoisie orthodoxie, liberalisme en moderne richting.3 Orthodoxie (dáár)4 bevreesd dat de ultra‑orthodoxie den boventoon zal gaan voeren. De `nachtschool' der lagere standen, het doode formalisme der landbouwers, het dogmatisme der afgescheiden . . . ziekelijk twistenden. Uitwassen.5

P. 451. Onder de mindere standen [versta ik] geenszins het plebs, de heffe des volks, het gemeen, of hoe men het betitelen wil. Ik heb bepaaldelijk op hen het oog, die de heer Groen [van Prinsterer] ons gewend heeft: het volk achter de Kiezers te noemen.6

P. 451. Evangelisatie valt der orthodoxie veel gemakkelijker in de lagere standen dan onder haars gelijken.

P. 475. De bourgeoisie moge zich tot de ware geloovigen wenden om van hen te leeren, wat godsdienst is, en van hare zijde hun iets van den nuchteren geest der praktijk en der zedelijkheid mede te deelen, die hare kracht uitmaakt. Laat ons eerbied koesteren voor denkbeelden, wier beteekenis zich vertoont in de hut van den arme, te midden van broodsgebrek en ziekte, in de bedompte achterkamer van den geringen man, die met moeite zijn huis met eere onderhoudt, in de schuur van den oefenaar, die honderden doet luisteren naar zijn[e] in ons oog onmogelijke redeneeringen, en in plaats van dat geloof te bederven, door er rationalistische bijmengsels in te gieten, veeleer trachten te begrijpen, wat er hoofdzaak, wat bijzaak in is . . . Wordt7 dit de taak der bourgeoisie, zoo verwacht ik van de heerschappij der mindere standen in de kerk geen achteruitgang, maar ten slotte vooruitgang. Hoe het zij, in elk geval is het niet meer dan billijk, dat, gelijk in onze eeuw de patriciërs plaats gemaakt hebben voor de bourgeoisie, deze op hare beurt de plaats inruime aan anderen, die stellig minder kennis, maar voor het minst evenveel hart, en op godsdienstig gebied wellicht meer recht hebben dan zij.

P. 450. Karakter der bourgeoisie optimisme en intellectualisme. `Zoowel de orthodoxie in de b[ourgeoisie] met de ethische richting, als de Groninger school en de moderne richting [hebben] een en hetzelfde programma: verzoening van geloof en beschaving.'8

P. 456. De moderne orthodoxie is eene echte Martha, bezig met veel dingen9; zij beroept zich gaarne op haren ijver, hare collecten, hare scholen, haar zending, enz., en ik zal de laatste zijn om het te misprijzen . . . maar dat zij hiermede de innigheid van haar geloof zou bewijzen, meen ik in twijfel te mogen trekken. Van de Maria's geest bezit zij in den regel zoo weinig, dat zij dezen gewoonlijk gering schat.

--------
Noten bij no. 93. Aanteekeningen over De heerschappij der bourgeoisie etc.


1 

ARA, G.v.P., no. 106, eigenhandig ontwerp. Enkele onnauwkeurigheden van Groen zijn stilzwijgend verbeterd. Over de betekenis van Piersons art. handelen Hoogewerff, Hendrik Pierson, p. 13‑20; Schram, Hendrik Pierson, p 36‑39. Cf. Briefw. IV, 486, 5; V, 408, 3; Groen‑Kuyper, p. 333, 3. Zie ook Potgieter, Briefw. I, 583.



2 

Zie p. 441.



3 

Zie p. 443.



4 

Sc. in de bourgeoisie; cf. p. 443: `De orthodoxie, hoewel niet overwegend in hare gelederen, draagt nogtans hier een geheel ander karakter dan in de hoogere of lagere rangen der maatschappij.'



5 

Pierson schreef: `het dogmatisme der afgescheidenen - al beletten deze uitwassen (gelijk zij ze noemt) haar niet om met deze richtingen samen te werken in den strijd tegen een algemeenen vijand‑zijn in haar oog toch ziekelijke toestanden' (p. 443).



6 

Zie p. 451, 1.



7 

Zie p. 476.



8 

Zie p. 449/50.



9 

Pierson schreef `dienens' (Luk. 10, 40). Groen bezigt - bewust of onbewust - het laatste woord van vers 41.


94 Sur la guerre franco‑allemande de 1870. ± 1871.1

La grande famille2 européenne autrefois. Régulariser la situation. Rectification des frontières3, revision de la carte.4 Plus de police. Je suis donc à la merci d'un voisin peu scrupuleux, très fort et très violent. Mais non! Le droit de défense personnelle vous est acquis. Bellum omnium contra omnes.5 Avantage immense pour l'homme d'état qui sait joindre au droit du plus fort6 le calcul habile des intérêts de son pays. Napoléon a le coup d'oeil politique. L'audace et la prudence. Il sait attendre.7 La guerre inévitable.8 Provocations continuelles. Compensations entrevues. Pas le plus petit morceau. Consolidation de l'Allemagne. Etre joué.9 Lutte personnelle. Humiliation de la France. Louis‑Philippe trop pacifique10, dit‑on. Qui osera dire que Napoléon n'eût pas encouru le reproche et le mépris? Moins bien justifiée que [18]66? Deux balances. La déclaration de guerre inexplicable. Ridicule. Le beau côté à l'ennemi. Perturbateur du repos de l'Europe. Surprise pour la nation fr[ançaise], comme la rév[olution] de [18]48. De [18]51.11 Inévitable.12

La responsabilité de la guerre de 1870 doit‑elle reposer sur Napoléon seul? Il ne s'agit pas du prétexte13, mais du motif. Le lendemain de la guerre de 1866 j'écrivais: `Le trop de succès [peut nuire parfois. Précisément à cause des triomphes inattendus de la Prusse, Napoléon semble disposé, forcé peut‑être à devenir moins désintéressé et pacifique qu'on n'avait] supposé' (La Prusse et l'Apocalypse, p. 66 noot 1 regel 2‑5). En 1867, après l'épisode de la question luxembourgeoise14, un de mes amis en Allemagne15 rappela15a que j'avais fait entrevoir la possibilité d'une guerre avec la France.

`On a vu [récemment que mes craintes n'étaient pas chimériques. On a pu se convaincre que, pour mettre le feu à l'Europe, une étincelle suffit. La Conférence de Londres l'ayant étouffée aujourd'hui, chacun se demande: qu'arrivera‑t‑il demain?

Ainsi que moi, M. Nasse suppose qu'il faudra peut‑être maintenir la Confédération nouvelle par une guerre `contre la nation', dit‑il, `qui a déjà fait à l'Allemagne tant de mal.'

Certes je ne contesterai pas les maux et les horreurs dont tant de contrées allemandes rappellent le triste souvenir; mais, je le demande: si la guerre avait éclaté, si plus tard, dans trois mois, dans un an, elle éclate, à qui la] faute?' (p. 66 alinea 2 regel 1 - einde van al. 3 zonder de noot).16

On reproche à Napoléon son entreprise criminelle. Son ambition démésurée. Au ban de l'Europe civilisée. En adorant le succès17, on injurie l'infortune. Les malheurs de la guerre font détester celui qui en est l'auteur. D'autant plus consciencieux dans la désignation du coupable. Le véritable auteur.18 La guerre de 1866. Je ne rentre pas dans la question. La lutte vous semblait fratricide.19 Vous doutiez du moins de sa légitimation. Vous n'avez plus douté dès que le roi vous a rassuré. Vous saviez qu'il ne pouvait vous tromper; vous avez oublié peut‑être qu'il pouvait se tromper.20 Vous avez eu bientôt une preuve surabondante de la justice de la cause dans le succès rapide et complet. La Prusse avait obtenu d'une manière irréprochable, quoi? Un avantage minime, non d'immenses résultats.21 Un changement dans les rapports des états européens, qui, dans l'intérêt de la paix, avait indubitablement besoin de la sanction commune. Une question d'équilibre22, une question européenne. La Prusse s'est retranchée dans le droit nouveau.23 Le système de l'équilibre est une vieillerie.24 Il n'y a plus de tribunal européen. Les traités de 1815 sont déchirés à Auxerre25, finalement à Sadowa.26 Désormais le chacun pour soi27 est la règle, et l'épée de Brennus le moyen: La Prusse et les Pays‑Bas [, p.] 19. De Broglie.28

-------
Noten bij no. 94. Sur la guerre franco‑allemande de 1870.


1 

ARA, G.v.P., no. 106, eigenhandig ontwerp. Titel ontleend aan de inhoud. Het is mogelijk, dat Groen hier bij een bepaald, maar aan de bewerker onbekend geschrift deze aantekeningen gemaakt heeft.



2 

Toespeling op C. J. V. A. de Broglie, La diplomatie et le droit nouveau, waarin vurig gepleit wordt voor deze gedachte. Zie b.v. p. XXVII; 159. Groen citeert p. XIV‑XV en p. XV‑XVI in Ned. Ged., 2e serie, I, 347/8 en stelt dan de vraag: `Of, voor Natiën die beschaafd en christelijk heeten, het ongerijmd wezen zou zich, eenigermate althans, wederom te voegen naar het grondbeginsel eener diplomatie, die den zedelijken familie‑band der Natiën in het oog houdt?' (I, 348; cf. 355). In II, 61 leidt Groen een citaat uit La diplomatie, p. 52/3 in met de verzuchting: `Vroeger was er, onder de Natiën van het Christelijk Europa, eene zedelijke familie‑betrekking, die, tegen het onregt, een onwaardeerbaren steun gaf.' Zie ook II, 192 i.f.



3 

Cf. Klaczko, Etudes, p. 529: `. . . la France ne poursuivait nullement une annexion ou une conquête considérable, elle se serait contentée d'une modeste et juste rectification de frontières . . .' Zie ook Ned. Ged., 2e serie, II, 71; 155; 184 over de `zoogenaamde grensrectificatie' m.b.t. de Elzas en Lotharingen en over `verovering, onder den titel van grensrectificatie'.



4 

Cf. Ned. Ged., 2e serie, III, 42 over `le remaniement de la carte de l'Europe, onder de leus van een nationaliteits‑beginsel'. Zie ook Klaczko, Etudes,p. 527/8; De Broglie, La diplomatie, p. 270; Guizot, La France, p. 61 i.f.



5 

Cf. La Prusse, p. 19: `Nous revenons à la guerre de tous contre tous'; Zwaan, G.v.P., p. 621 s.v.



6 

Cf. La Prusse, p. 23; L'empire, p. 39; Ned. Ged., 2e serie, I, 311; Forcade, Chronique, p. 245; De Broglie, La diplomatie, p. 30; 237.



7 

Marginale aant. van Groen: `Von Sybel.' Groen citeert in L'empire, p. 65 de volgende zin uit Von Sybel, La Prusse, p. 505: `Toute dissidence sur les moyens se taira finalement devant l'évidente nécessité et devant la grandeur du but'. In Ned. Ged., 2e serie, II, 71 haalt Groen de slotzin van hetzelfde art. van Von Sybel (p. 506) aan ter adstructie van zijn stelling, dat alle vijf door Napoleon III gevoerde oorlogen door laatstgenoemde aan het vredelievende Franse volk opgedrongen werden; cf. III, 180. Op dit art. wordt ook gezinspeeld in I, 387 (`merkwaardige brief aan de Forcade').



8 

Marginale aant. van Groen: `[Klaczko, Etudes de diplomatie contemporaine; les] prélim[inaires de Sadowa, p.] 522, svv.' Groen vermeldt dit art. in Ned. Ged., 2e serie, III, 156 en citeert er vervolgens gedeelten van p. 376‑378. Zie over Klaczko Briefw. IV, 825, 2. Zie b.v. p. 552: `Au mois de juin [1866], alors que la guerre était devenue inévitable . . .' Cf. L'empire, p. 8. In deze twee gevallen gaat het om de oorlog van 1866. In Ned. Ged., 2e serie, III, 188 citeert Groen F. de Rougemont, La chute d'une idole, p. 17 over `la guerre inévitable de la Prusse et de la France, et la date accidentelle de 1870.' Over de onvermijdelijkheid van een oorlog tussen Pruisen c.q. Duitsland en Frankrijk handelt ook Guizot, La France, p. 69; 118; 120; 134. De Broglie, La diplomatie, p. 132 zet de onvermijdelijkheid van voortdurende oorlog in Europa in het bredere kader van `le droit nouveau'.



9 

Cf. Ned. Ged., 2e serie, IV, 30: `L'empereur est joué.' Niet duidelijk wie hier door Groen aangehaald wordt. Deze woorden komen niet voor in Von Gerlach, Das neue Deutsche Reich waaruit Groen t.a.p. p. 28 citeert.



10 

Napoleon III wenste ook in constitutioneel opzicht niet de bescheiden rol van `un Louis‑Philippe' te spelen, volgens De Rougemont, La chute, p. 17; cf. Ned. Ged., 2e serie, III, 188.



11 

Cf. Ned. Ged., 2e serie, I, 357: `Eene verrassing, eene surprise. Evenzeer als Februarij 1848. Evenzeer als 2 December 1851'; De Gasparin, Trois paroles, p. 6/7.



12 

Marginale aant. van Groen:`L'excès en tout est un défaut. La grandeur du but, la nécessité, selon vous, évidente de votre triomphe, vita vitalis justifie les moyens. Pas trop scrupuleux. Autrefois un événement d'une aussi incalculable portée ne fut pas devenu un fait légitimement accompli.' Groen lijkt hier weer op Von Sybel te zinspelen (n. 7 supra). Zie over vita vitalis Zwaan, G.v.P., p. 631.



13 

Cf. De Gasparin, Trois paroles, p. 8 i.f.; Ned. Ged., 2e serie, III, 189.



14 

Cf. Briefw. IV, 918; Nasse, Die Niederlande, p. 6 e.v. Zie ook n. 73 van no. 91.



15 

E. Nasse; cf. Briefw. IV, 943 s.v.; Ned. Ged., 2e serie, II, 98.



15a 

Hs.: `rappella'.



16 

Nasse werd in bescherming genomen door Anschütz in een rec. van zijn brochure en de twee tegen Bismarck gerichte van Groen (Die Niederlande und Preuszen).



17 

Cf. La Prusse, p. 12; L'empire, p. 17; Ned. Ged., 2e serie, I, 317; 337: `L'adoration du succès'; 341; 402; II, 206; Forcade, Chronique, p. 245; Von Gerlach, Das neue Deutsche Reich, p. 18; 30; 38; 40; Guizot, La France, p. 61; 136; Klaczko, Etudes, p. 532.



18 

Sc. Bismarck. Waarschijnlijk een toespeling op een zin van Napoleon III in Des idées napoléoniennes, p. 122. Zie n. 216 van no. 83.



19 

Niet duidelijk waaraan Groen deze bewering ontleent. Nasse verwierp juist Groens beschuldiging omtrent `das vorbedachte Herbeiführen eines Bürgerkriegs' (Die Niederlande, p. 22). Cf. L'empire, p. 3 sub f; Klaczko, Etudes, p. 544.



20 

Cf. Ned. Ged., 2e serie, I, 311; 317; 331.



21 

Marginale aant. van Groen: `Guizot, p. 271.' Niet duidelijk om welk werk van Guizot het hier gaat.



22 

Cf. Ned. Ged., 2e serie, I, 348; II, 87; 89; 148/9; III, 42; 181; Guizot, La France, p. 56; De Rougemont, L'armée, p. 5; De Broglie, La diplomatie, passim.



23 

Toespeling op het werk van De Broglie, La diplomatie et le droit nouveau. Ook Klaczko nam de uitdrukking over; cf. Etudes, p. 523 e.v.



24 

De Broglie, La diplomatie, p. 21 vraagt ironisch: `Mais quoi . . . toutes ces questions d'équilibre vous touchent donc? . . . Vous ne voyez donc pas que ces calculs de proportion sont des vieilleries monarchiques . . .?'



25 

Cf. Klaczko, Etudes, p. 547: `Dans un discours adressé au maire de la ville d'Auxerre, l'empereur Napoléon III déclarait détester, comme la majorité du peuple français, ces traités de 1815 dont on voudrait faire aujourd'hui l'unique base de notre politique extérieure . . .' Dit gebeurde op 6 mei 1866; cf. Ned. Ged., 2e serie, III, 130 waar Groen Von Gerlach aan het woord laat over Auxerre (Das neue Deutsche Reich, p. 24; cf. Von Gerlach, Der Congresz in Paris, p. 4/5; Deutschland um Neujahr 1870, p. 5); 158; Star Numan, Brief, p. 61; Von Sybel, La Prusse, p. 495.



26 

Op 3 juli 1866 werden de Oostenrijkers bij Sadowa (Königgrätz) verslagen door de Pruisen. Cf. La Prusse, p. 15; L'empire, p. 1; Ned. Ged., 2e serie, passim.



27 

Cf. Parlementaire studien II, 385; La Prusse, p. 19 r. 1; Ned. Ged., 2e serie, I, 356; II, 8; 61; Smitskamp, G.v.P. en de politiek van Bismarck, p. 173.



28 

Cf. La diplomatie, p. 22: `. . . il est prudent de mettre en réserve chacun pour soi la quantité de cette force qui est nécessaire à l'occasion pour se faire respecter.'


95 Herinneringen. ± 1872.1

I. Nov. 1827 in dienst getreden als referendaris. Kabinetssecretarissen H[ofmann]2 en V[an] K[attendijke3]. Altijd excerperen van rapporten, enz. Febr. 1829. Uitgave der verhandeling over het bekendmaken der historie.4 Verlof om t'huis te werken.5 April. Benoeming tot kabinetssecretaris.6Met Gobart.7


II. Na de verwerping der financiële wetten8 het eerst een gesprek.9 De Zwitzers10 weg; nu komt men op de armee.10a Bij Besluit van 10 april [1829] bepaald dat er bezuinigingen zullen zijn; thans wil men bepalen, waarin die bestaan zullen. Men wil mederegeren, administreren: eene vergadering van 110 leden!10b Men heeft Engelsche en Fransche couranten gelezen, en wil daarnaar onze grondwet beoordeelen. Deze heeft meerdere waarborgen, al is er inviolabiliteit en ministeriële verantwoordelijkheid11 niet in uitgedrukt, de Algemeene Rekenkamer, den Staatsraad, die den koning waarschuwt. Die de magt heeft, kan altijd een streek doen.

De koning ontvangt het crediet: geene af‑ en overschrijving van het eene hoofdstuk op het andere; maar de beschikking over de hoofdstukken zelve aan Z. M. Dus moeten de Staten‑Generaal niet willen bepalen de tractementen van ambtenaren, bladschrijvers, enz. In Frankrijk vraagt het gouvernement crédits supplémentaires: is het geld besteed, dan moet men wel toetreden.12 Dit is hier alleen in 1816, na den oorlog, gebeurd. Maar de heeren zijn op glad ijs gebragt; men heeft hun uit goedwilligheid explicatiën gegeven.

De grondwet is bij ons gebaseerd op vroegere instellingen. De hertogen en graven hadden domeinen en konden beden doen. De leden moesten de historie van die tijden lezen. Zij verstaan hun belang niet. Nu is de koning gebonden; zoo 't verworpen wordt, vrij als een vogel. Dan zal de koning met F[inancieel] D[epartement]12a zien. `In de verwachting dat, enz.'13 Door zooveel op het éénjarige budjet over te brengen, maken zij ook dat noodig.14

De koning heeft van 't budjet negentien ton; de prins van Oranje twee ton. Voor 't overige is de koning administrateur. Hoe ook de vraag omtrent de representatie van noord en zuid mogt worden beslist, de koning kan wel14a regeren. Voor de Hollanders is het erger. (Tegen deze was de koning bijzonder aufgebracht.)15 In 't noorden is nog die oude aristocratische geest.

De grondwet blijft altijd onze basis. Zij zouden wel dwingen om eruit16 te gaan. Doch waar zou het heen, zoo ieder buiten zijne attributiën treedt? Zij kan niet ligt worden veranderd; daarom verlangde de graaf van Hogendorp zamenstemming van 3/4 der leden.17 Als de Hollanders maar bij elkander bleven. Doch onaangename stemming. Niets wordt meer erkend. Zoo de grondwet gemaakt moest worden, dan anders: maar zij is gemaakt.
III. Reis met Z.M. in Henegouwen, Namen, Luik, Limburg, Noord‑Braband18

In Mons, Maastricht, enz. onaangename ontvangst. In kleinere plaatsjes, waar de journalen minder gelezen worden, somtijds aandoenlijke hartelijkheid, vooral ook bij de Fransche grenzen. Te Luik prononceerden zich de industriëlen zeer, en raadden aan zich meer tegen de factie te verzetten. Vorstelijke houding des konings; onvermoeidheid, vooral ook bij de bezigtiging der fabrijken. Te Namen treurig voorbijdefileren der Zwitzers.


IV. October [1829] naar 's Hage. De wet op het onderwijs.19 Er was een vreesselijk lang en reglementair ontwerp gemaakt.19a Ik raadde aan slechts zeer weinige artikelen, waarbij des konings uitsluitend toezigt op de landsinstellingen werd gehandhaafd. Dit vond ingang. Daarbij nam ik de gelegenheid waar om mijne denkbeelden over den toestand des lands mede te deelen.20 Hiertoe betrekkelijk no. 1, 2 en 3.21 Aanmerkingen op een voorstel van den heer Barthélemy over de regterlijke organisatie (no. 4).22 De koning was gedurende de beraadslaging over het budjet23 buitengemeen kalm.

31 dec. [1829]. Aanmerkingen op eene Memorie van Schröter (no. 4a).24 1830. Den 9n jan. opgave van eenige denkbeelden over den kring der bemoeijenissen van het gouvernement (no. 5).25 Februarij. 15. Hoe komen wij tot rust? Anders kan men de belangen der natie niet waarnemen. Despotiek regeren, niet. Dat zou hij26 niet kunnen volhouden.26a 19. Het zijn de liberalen en democraten, die noodzaken les libertés politiques te beperken: de koning zou niets meer wenschen dan zooals het vóór twee jaren was26b. Alles komt aan op de wet over de drukpers.27 De quaestie is niet an?, maar quomodo?27a. Cautie zou welligt ook hier ingevoerd kunnen worden.28 Vóór twee maanden gerust; de koning had zijne partij genomen. Hij zou niet den Wanderstaf29 opnemen; want hij heeft betrekking ook30 op het volk. Het budjet is geene bijzondere zaak van den vorst. Er is thans algemeene oppervlakkigheid. De schrijvers van den Noordstar31 hebben misschien in 1813 aan de verheffing van Oranje medegewerkt. Het kon toen niet als vanouds.31a Daardoor zouden partijschappen zijn ontstaan; daarbij was de koning bewust van het plan om de zeventien provinciën te vereenigen. Had hij dit niet gewild, België zou met Frankrijk of Pruissen vereenigd zijn; dan was Holland afhankelijk geweest; of wel het zou op zichzelf hebben gestaan. Dan had men in Holland en België twee mededingers gehad. Te Weenen was bepaald dat hij, aannemende, als koning zou worden erkend.

Als men veranderingen begeerde, maakte men vele complimenten aan Z.M. over de wijs van regeren, maar noemde hem een accident heureux.32 De stadhouder was de man van het volk, in 1747, in 1813; hij stond tegen de aristocraten. Neem de grondwet weg: dan staan wij als in 1814 en 1815. Souverein vorst, onder gehoudenis eene nieuwe grondwet voor te dragen.32a Den 17n maart. Inlevering eener memorie tegen eene conceptwet op de petitiën (no. 6).33

April. 1. Ongelukkige voorzitter der Tweede Kamer34; toch niet uit partijzucht.34a In Frankrijk zal het stil blijven en dan ook hier. Of eene omkeering heeft plaats; maar wat zullen dan Engeland, Pruissen, Oostenrijk, Rusland doen? Bijna zou men combustie wenschen; dan representatieve regeringsvormen weg. Bijna zou men tegen de vrijheid der drukpers zijn. Het is eene moeijelijke materie voor eene wet.34b

1830. April. De wet op de koffij35, volgens den koning, niet nadeelig voor den handel. Wordt zij niet aangenomen, dan kunnen de Brabanders niet meer klagen over het niet voordragen.35a De koning van Frankrijk36 moet de Kamer niet ontbinden, maar het met deze beproeven. Men wil in deze tijden niet letten op de zaken, maar op den persoon. Welk genoegen geeft de oppositie! Men bouwt niets.36a O, zoo het zestien jaren vroeger ware!36b

25. Wat te doen? Wel eens lust om buiten de gr[ondwet] te gaan; doch er moet eene gelegenheid zijn. In december toe gereed. Hij is positief; geen man van theoriën; voortvarend; wenscht, eens besloten hebbende, dadelijk af te doen.36c Men kan nu niets; moet afwachten. Een boer is gelukkiger. Somtijds zou men eruit willen loopen; maar gevoel van pligt blijft, en dat is het voornaamste. Somtijds zou men zich willen opsluiten en niemand zien. Ook de beste gouvernementsbladen kunnen compromitteren.37 Somtijds zou men liefst enkel een court‑journal hebben. De koning kan niet staan aan het hoofd eener partij. Het volk in het zuiden is wel genoeg.37a

11 mei. Na de aanneming der wet op de koffij deed ik eene poging om haar niet te laten uitvaardigen. Doch . . . Intrekken kan niet wel: dit ware partijdigheid voor het noorden. Het is nu eene quaestie tusschen noord en zuid; de koning kan geene partij kiezen. De belasting is zeer goed; kan geen nadeel doen aan den handel. Thans entrepôts38; op den grenshandel is gerekend. Meer belastbare voorwerpen is verkieslijk boven opcenten. De verandering der provisionele wetten is beloofd; welligt is men daarmede te haastig geweest. De Kamers van Koophandel waren voor de wet. `Nu zoo mag ik het wel lijden.' En thans hevige oppositie. Te Amsterdam is er ook niet op die manier over gesproken.38a De Hollanders zullen, als het blijkt goed te zijn, wel terugkeeren. (De minister van T[ets39] was door de hevigheid der oppositie zoodanig ontzet, dat hij, hangende de discussie, zeer de intrekking scheen te verlangen.)

In junij besluiten over onderwijs en taal40, even vóór het vertrek naar het Loo. Trachtte zich het gewigt ervan te ontveinzen.41 1 sept. Gedachten over de maatregelen ter beteugeling van den opstand (no. 6a).42 De koning bijzonder ternedergeslagen, toen aan V[an] M[aanen] ontslag was verleend.43 Altijd had ik met Z.M. in den zin der Ned. Ged. gesproken. Toen het een oppositieblad werd (II no. 5), gaf ik te kennen dat ik er deel aan had. Sterke uitdrukkingen van misnoegen tegen het Nederlandsch Verbond44 deden mij nu besluiten ontslag te vragen; maar het werd zeer beleefdelijk geweigerd.45 30 sept. Beoordeeling eener memorie van Mr. J. D. Meijer45a en denkbeelden over den toestand des rijks (no. 7).46

October. Vruchtelooze poging om het vertrek47 van den prins van Oranje tegen te houden. (In dezen tijd eens een brief: dat weder een n[agel] aan m[ijn] d[ood]k[ist].)48 De Oproeping gesteld49; doch [ik] had er gaarne Ver[eenigde] Nederlanden50 in gehad; dit kon niet.

1831. 6 jan. Gevoelen omtrent de herziening der grondwet.51 Item van 21 en 24 jan.52 Voorts over een ontwerp van ministeriële verantwoordelijkheid den 10n jan. (no. 8, 9, 10, 11).53 Proclamatie van prins van Oranje aan de Belgen.54 H[oogstdezelve?]55 zeer aangedaan. Door Grey overgehaald.56 Julij. Reis met Z.M. naar het leger; 's Hertogenbosch. Breda.57

1832. Opstel over het barrièrestelsel58; naar Londen gezonden. In de Ned. Ged. uitgewerkt.59 Reis naar het leger met Z.M.60 Bij de coercitieve maatregelen61: Wat zullen zij doen, zoo de koning de armen over elkander kruist?

1833. Mei: Opstel over den val van het Engelsche ministerie in 1673.62 25 sept. Opstel, na de mededeeling der memorie van baron V[erstolk] van Z[oelen], over den radeloozen toestand des lands (no. 12).63 6 oct. Over de onderhandelingen ten aanzien van Maastricht (no. 13).64 17 oct. Het is eene onaangename positie.65 [De koning] beslist niet alleen, maar met de Staten‑Generaal. Er is geld voor een jaar; zij zullen meenen dat daarover wel anders kan worden beschikt. Rusland heeft zich, na de missie van Orloff66, teruggehouden en veel negatief nadeel gedaan. Thans zouden de twee andere (Oostenrijk en Pruissen na de missie van Von Schwartzenberg)67 dit ook doen. Zoo wij nader komen, willen zij ons onder hun bescherming nemen. Evenwel er is geen physieke dwang. Wat de materiële belangen betreft, die worden niet bevorderd door het onderhoud van het leger. In Limburg kunnen wij, uit eigen belang, geen hoogen tol leggen. Na een jaar volhoudens, zal men zich nog meer moeten onderwerpen, zal er nog dringender noodzakelijkheid zijn. De sluiting68 kan het begin wezen der wederopbouwing: daardoor kan de unie van Frankrijk en Engeland worden verbroken of tenminste verzwakt. Het voorstel van Van Nes69 brengt de administratie in de vergadering; hij is met geringe meerderheid herkozen.

18 oct. Overal in het noorden van Spanje insurrectiën, zoo zij dus genoemd kunnen worden. Ongelukkig dat in deze zaak van beide zijden70 verkregene regten zijn. De koning.71 Ongemeen werkzaam. Heeft behoefte om papieren voor zich te hebben. Schijnt somtijds overtuigd dat hij zich teveel met kleinigheden inlaat. Zonderlinge overeenkomst in zijne manier van werken met een zeer verschillend personaadje. Zie Ranke, Fürsten und Völker I, 118.72 Onverzettelijk. Zie Ranke l.l., 107.73 Naijverig op zijn gezag. Gansch niet ongodsdienstig. Spreekt, in drukkende omstandigheden, gedurig van vertrouwen op de voorzienigheid74: wat of de voorzienigheid toch bedoelt? f alles zal uiteenvallen en dan een toestand als die der middeneeuwen, òf een erg despotismus. Deed mij aan den heer Janssen75 schrijven om de vier vragen vóór het Heilig Avondmaal76 op schrift te hebben. Zeide eens eene preek van [Coquerel?]77 gelezen te hebben. Verlangde een bijbel met groote letters om t'huis komende, de tekst na te kunnen lezen.

--------
Noten bij no. 95 Herinneringen.


1 

ARA, G.v.P., no. 17, eigenhandig ontwerp. Grotendeels uitgegeven door Colenbrander, Gesprekken, p. 267‑274. Titel ontleend aan Ned. Ged., 2e serie, V, 259, Briefw. I, 339, 1, Bescheiden, p. 292. Zie de uitvoerige inleiding van Gerretson t.a.p. over de samenhang van deze vier fragmentarische stukken en hun relatie tot de Verspreide geschriften en de Autobiographie. Het verschil in handschrift tussen de hier gepresenteerde stukken (laat) en de Twee reisverslagen van 1829 (vroeg) maakt samenvoeging van alle zes stukken tot één nummer met `Mémoires' ongewenst. Vanaf 9 sept. 1873 verschijnen de `Historische Brieven' in de tweede serie van de Ned. Ged. (V, 145 e.v.). Het ligt voor de hand ook deze notities omstreeks die tijd te dateren. Groen maakte daarbij gebruik van veel eerder gemaakte aantekeningen. Gerretson verwijst voor het tweede stuk naar de `onder de nos. 14 en 25 bewaarde, blijkbaar onmiddellijk, althans kort na het voeren, neergeschreven, zeer bondig geformuleerde, oorspronkelijke opteekeningen' (Bescheiden, p. 291). Het vergelijkbare gedeelte van no. 14 voegt zo weinig nieuws toe aan hetgeen onder no. 17 gevonden wordt, dat integrale publicatie in de Bescheiden niet nodig is.

Bij de annotatie is dankbaar gebruik gemaakt van Gerretsons uitgave, die haar waarde behoudt vanwege haar uitvoerigheid. Ook van Colenbranders commentaar is geprofiteerd. Hier wordt slechts beoogd de teksten uit te geven zoals ze onder dit nummer voorkomen en ze door summier commentaar leesbaar te maken.

Aant. van Groen op de omslag: `1827‑1833. N. B. Gesprekken met koning Willem I. Elout v[an] S[oeterwoude] over 1829. 1836. Besluit over mijne wetenschappelijke reis naar Parijs, enz.' Het is niet duidelijk welk stuk van Elout bedoeld wordt en onbekend waar het zich bevindt. Het afschrift van het K.B. van 12 febr. 1836 bevindt zich thans onder no. 30, maar moet aanvankelijk deel uitgemaakt hebben van no. 17 (dat ten tijde van Colenbranders uitgave nog het nummer 18 droeg).



2 

E. W. Hofmann.



3 

J. W. Huyssen van Kattendijke; cf. Briefw. I, 59, 3.



4 

De Vries no. 16; cf. Briefw. I, 123.

5 

Cf. Briefw. I, 141.



6 

Bij K.B. van 1 april 1829 no. 121; cf. Briefw. I, 151, 6.



7 

J. L. M. Gobart; cf. Briefw. I, 249, 6; V, 13, 3; Annuaire de la noblesse de Belgique 6 (1852), 157.



8 

In mei 1829 werden zowel de tienjarige begroting als de middelenwet met ruime meerderheid verworpen.



9 

Sc. van Groen met koning Willem I, wiens gedachten in het nu volgende gedeelte weergegeven worden. Het gesprek vond waarschijnlijk omstreeks 15 mei 1829 plaats. Aan het corresponderende gedeelte van no. 14 heeft Groen naderhand de titel toegevoegd: `Eene der eerste zamensprekingen met den koning. 1830.' Hij zag toen blijkbaar over het hoofd, dat deze aantekeningen al in 1829 beginnen.



10 

De Zwitserse regimenten waren, op aandringen van de Staten‑Generaal, afgedankt bij K.B. van 31 dec. 1828; cf. Rüter, Rapporten II, 170, 1.



10a 

De eerste alinea in no. 14 is nogal duister: `Hollanders ook tegen. Is veel toegegeven. Zwitzers weg. Nu komt men op de armée. Frankrijk, eerste zeemog[endheid]. Pruissen. Zoo we geen drie à vier maanden, dan of geheel onder, of oorlogslasten, niet W.'



10b 

Cf. Ned. Ged. I, 87a r. 6.



11 

Cf. Verspreide geschriften I, 78.



12 

Versta: dan moet het gouvernement wel in onderhandeling treden met het parlement. In no. 14 volgt dan: `Marine 23 m[illioen] fr[ancs].



12a 

In no. 14: `met Van T[ets] zien.'



13 

Versta: Indien het budget verworpen wordt, heeft de koning het recht op eigen gezag uitgaven te doen. Tot dekking dier uitgaven zou de koning dan, evenals in 1816 tot dekking der eveneens niet gevoteerde oorlogskosten over 1815 geschied was, een `suppletoire petitie' aanhangig kunnen maken `in de verwachting, dat de Kamers de gedane uitgaven wel zullen goedkeuren.' Cf. Bescheiden, p. 305, 3; Gerretson, Gesprekken, p. 157.



14 

Op aandrang van de Tweede Kamer was een bedrag van  4.649.863.59 van de tienjarige of gewone begroting naar de eenjarige of buitengewone overgebracht. In no. 14: `Het tienjarige [budjet] noodig, het andere, daar [de] k[oning] plezier in heeft. Nu maken zij ook [het] éénj[arige] noodig. Bij 18 m[illioen] kan [de] k[oning] wel 2 [millioen] voegen.'



14a 

In no. 14: `toch wel'.



15 

Wegens hun meestemmen met de Belgen tegen de tienjarige begroting.



16 

Versta: buiten de perken van de grondwet; cf. Gerretson, Muiterij I, 8, 1.



17 

Zie art. 232 van de grondwet van 1815.



18 

Recapitulatie van de Twee reisverslagen (no. 10).



19 

Het wetsontwerp dat 26 nov. 1829 bij de Tweede Kamer ingediend en 27 mei 1830 weer ingetrokken werd. Cf. Bijlagen Hand. T.K. 1829/30, p. 708‑726; Colenbrander, Gedenkstukken IX, 2, p. LXIII, 2 en LXXI; Handboek, p. 852: `26 Nov. voordragt eener wet op het Onderwijs, waarbij geen oprigting van partikuliere Scholen zonder getuigschrift van bekwaamheid en goed gedrag en autorisatie van het Plaatselijk Bestuur vergund wordt (onmiddellijk uitgekreten als een ontwerp van legale tyranny)'. Cf. Briefw. I, 205, 8.



19a 

Door de op 30 juni 1829 bij K.B. no. 125 ingestelde commissie. Groens ongunstig oordeel over de lengte wordt door De Nooij (Eenheid, p. 108) minder juist geacht. Cf. Ned. Ged. I, 150.



20 

Groen haalt deze alinea aan in Ned. Ged., 2e serie, V, 260 en voegt er daar aan toe, dat hij zijn raad niet op verzoek van de koning, maar `proprio motu' gaf.



21 

Vermoedelijk naar de nummering van de index van het Archief‑Van der Hoop. De bewerker is niet in de gelegenheid geweest die te raadplegen, maar heeft uit nagelaten aantekeningen van Gerretson wel kunnen opmaken, dat laatstgenoemde Advies no. 3 (ons no. 15) identiek achtte met nota no. 1 van de Verspreide geschriften (I, 79‑81). Voor Advies no. 1 en 2 houden we dan nota no. 2 (ons no. 16) van de Verspreide geschriften en het (door Groen) niet gedrukte Advies van 9 oct. 1829 over. Aangezien het laatstgenoemde Advies (ons no. 14) aan de twee nota's van `November 1829' (cf. Verspreide geschriften I, 70, 1; 79, 1) voorafgegaan is, ligt het voor de hand het hier als no. 1 aangeduide stuk te identificeren met het Advies van 9 oct. Voor nota no. 2 van de Verspreide geschriften resteert dan hetzelfde nummer in de index. Als onze redenering juist is, blijft het raadselachtig waarom Groen de juiste chronologische volgorde van no. 1 en 2 van de Verspreide geschriften (hij spreekt uitdrukkelijk op p. 79 over no. 1 als `mijne vroegere nota') in de index gewijzigd heeft in Advies no. 3 resp. 2 i.p.v. in 2 resp. 3. Daar het Advies van 9 oct. geen plaats kreeg in de Verspreide geschriften moest no. 4 van de index no. 3 worden in de Verspreide geschriften. Zie ook n. 1 van no. 14, 15 en 16.



22 

Cf. Verspreide geschriften I, 81‑85, waar dit stuk het nummer 3 draagt.



23 

Tussen 14 en 23 dec.; cf. Hand. T.K. 1829/30, p. 129‑228. Zie voorts over de `zesdaagsche discussie der Tienjarige begrooting' Handboek, p. 853; Ned. Ged. I, 89.



24 

De hier genoemde `Aanmerkingen' van Groen d.d. 31 dec. 1829 vormen ons no. 21.



25 

Potloodaant. van Groen: `V [erspreide] g[eschriften I,] 85. Dit Advies no. 5 is dus identiek met nota no. 4, o.d.t. Decentralisatie uitgegeven in Verspreide geschriften I, 85/6. De index van het Archief‑Van der Hoop geeft als titel op: `Over den eigenlijken kring van bemoeijenissen van het gouvernement: 9 jan. 1830.' In werkelijkheid is deze nota echter van 11 jan. 1830, zoals blijkt uit Groens eigenhandige datering onder het origineel. Dit bevindt zich in ARA, S.S., inv.‑nr. 3409, Kabinet des konings, exh. 6 juni 1830 no. 86 bij de minuut van een brief van De Mey van Streefkerk aan Van Tets van Goudriaan d.d. 11 jan. 1830 no. 16 over de toepassing van Groens nota op het binnenlands bestuur. Groens minuut is iets wijdlopiger dan de in de Verspreide geschriften afgedrukte tekst. De zakelijke verschillen zijn echter zo onbeduidend, dat van publicatie van de originele tekst zonder bezwaar afgezien kon worden. Niet duidelijk is het of de tekst die Groen liet afdrukken exact dezelfde was als die welke de koning onder ogen kreeg. De verschillen zouden verklaard kunnen worden uit een zekere mate van herschrijving door Groen in 1859.



26 

Willem I.



26a 

In no. 14 volgt: `Thans (De P[otter] c.s.) zijn liberalen, democraten. Tiel[emans] schreef dat de wetten op de drukpers en het onderwijs waarschijnlijk, met eenige veranderingen, aangenomen zouden worden.' Zie over J. F. Tielemans Briefw. I, 266, 5; Procès . . . contre L. de Potter, F. Tielemans II, 94 e.v.; 126 e.v.; 230. Groen kende deze uitgave en citeerde uit Procès II, 24 in Ned. Ged. II, 35; cf. II, 32b; III, 170.



26b 

In no. 14 nog: `Petitiën: Procès V[erbal?] bijzonder bel[angrijk?]. Constitut[iën] van Lodewijk en Schimmelp[enninck].' Betekenis onduidelijk. Misschien slaat de V op Vanderstraeten die tegelijk met De Potter en Tielemans beklaagde was in het proces; cf. Briefw. I, 266, 5.



27 

11 dec. 1829 ingediend met de bekende `Kon. Boodschap'. Zie n. 24 van no. 15. De wet werd aangenomen door de beide Kamers op 22 mei 1830.



27a 

In no. 14 volgt: `Hoe in Frankrijk, waar ook repressie?'



28 

Cf. Ned. Ged. I, 138b. In no. 14 volgt: `Zoo de koning het voorbeeld volgde der Tweede Kamer in de zaak van Br[ugmans]?' Cf. Briefw. I, 196, 2; Ned. Ged. I, 27‑130.



29 

Cf. Gerretson, Gesprekken, p. 158, 1; 215.



30 

Niet alleen op de volksvertegenwoordiging.



31 

Verscheen als weekblad van 4 sept. 1829‑31 dec. 1830; cf. Briefw. I, 197, 2; 904 s.v.; Ned. Ged. I, 144 n.a.v. de Noordstar van 19 febr. 1830: `De strekking van ons Blad is, aanprijzing van een Christelijk Nederland, gehoorzaam aan den schepter van Oranje, bezield met een waarlijk vrijen, dat is Nederlandschen geest. De beginsels der Noordstar, hoe goed ook hare bedoelingen mogen zijn, vloeijen uit liberale Theorien voort . . .'



31a 

In no. 14: `In 1813 souvereine vorst. Waarom niet als vanouds?'



32 

Toespeling op een gesprek tussen tsaar Alexander I en mad. de Staël. Cf. Staël, Considérations (1818) III, 346: `Sire . . . je sais que la Russie est maintenant heureuse, quoiqu' elle n'ait d'autre constitution que le caractère personnel de Votre Majesté.' `Quand le compliment que vous me faites auroit de vérité, répondit l'empereur, je ne serois jamais qu'un accident heureux.' Cf. Ned. Ged. III, 35; Nederlander no. 1448 (13 maart 1855); Adviezen 1856/7 II, 230;Briefw. IV,141.

.

32a 

In no. 14 volgt: `20 februarij. Zoovele cour[anten]. Men twijfelt of men heeft gedwaald. Besl[uit] van 1814 niet toepasselijk op St[assart?] Hoe nog het einde? 21 februarij. Geene reden om de Tweede Kamer te haasten. Als maar de meerderheid. Meest factiën. Zij ontvangen toch geld. Waartoe? Evenals bij Jozef [II]; adel en geestelijkheid.'



33 

No. 6 in Verspreide geschriften (I, 87‑95) is van 30 sept. 1830 en getiteld `Herziening der grondwet'. Het is daarom niet verwonderlijk, dat Groen in margine een vraagteken heeft gezet. Een afschrift van deze memorie in ARA, G.v.P., no. 14. Zie ons no. 22. Op dat afschrift heeft Groen met potlood `No. 6' gezet.



34 

J. Corver Hooft; cf. Ned. Ged. I, 24; 28; Handboek, p. 852; Gerretson, Gesprekken, p. 139 e.v.; Bosch Kemper, De staatk. gesch., p. 692.



34a 

In ARA, G.v.P., no. 14 vindt men sub Aanteekeningen op en over het kabinet vijftien regels van Groen die vrijwel overeenkomen met de hier afgedrukte alinea. Aldaar volgt na `partijzucht': `Thans stil. - Zoo te Brussel éénjarig budget geweigerd [wordt], dan transitoire wet.'



34b 

In no. 14 (sub Aanteekeningen etc.) volgt dan nog: `Hollandsche leden tegen de reductie der renten.' Elders in no. 14 nog de volgende aant. vóór de alinea over de koffij(wet): `Alleen wet op laster en hoon. Onderwijs; de vraag in sectiën of nu? Daarbij kunnen zij wenschen doen kennen. Vermindering der renten; geproponeerd.'



35 

Nadat de middelenwet ten tweeden male (dec. 1829) verworpen was, voelde de regering de noodzakelijkheid, ter vervanging van de teruggenomen verhogingen op het zout, het gedistilleerd enz., een belasting voor te stellen die door de Belgen zou worden aangenomen. Cf. Ned. Ged. II, 9‑11; Briefw. I, 291; 296, 2; 760; Colenbrander, Gesprekken, p. 269, 2; Bosch Kemper, De staatk. gesch., p. 714; Demoulin, Guillaume Ier, p. 43; Rüter, Rapporten III, 64, 1. Zie ook bij n. 99 van no. 27 en n. 89 van no. 35.



35a 

In no. 14 volgt: `Bisschoppen: quaestie over kweekelingen van Collegium philosophicum geschikt. Kleine semin[aria] niet. In eigene stad. Bepaald getal.'



36 

Karel X. Prorogatie der Kamers in Frankrijk op 19 maart, ontbinding op 16 mei 1830.



36a 

In no. 14 volgt: `Men kan eenig kwaad beletten.'



36b 

In no. 14 volgt: `Advert[entie‑] Bl[ad bevat] goed artikel over 1789. Alles [moet] eindigen òf in volstrekte democratie, òf in despotismus. De factie [is] niet zóó talrijk. De menschen hebben gehoorzaamd; hielden op toen zij bemerkten dat het onaangenaam was. - Leuven; onaangenaam. Het is nu juist als in 1828 met D[e] P[otter]. Niet in andere landen zoo onrustig. In Frankrijk kan de koning eer van ministers veranderen omdat zij verantwoordelijk zijn: met hen gaat alles meê (ja, als iemand die [zijn] wapen laat vallen, in plaats van het af te geven). Soms weet men niet of de rev[olutionairen?] dan wel de geestelijkheid [het meest gevaarlijk zijn?] Wel rust als [de wet] op onderwijs, drukpers, petitiën [tot stand gekomen is]. Ook financiële wetten afgedaan.' Cf. Briefw. I, 107, 3 over de arrestatie van De Potter op 12 nov. 1828.



36c 

In no. 14 volgt:`Onbezorgd? Doch men kan' etc.



37 

In de Kamer was luid geklaagd over de toon van de gouvernementele pers, met name over Le National van Libry Bagnano; cf. Briefw. I, 336, 1. Zie ook no. 12.



37a 

In no. 14 volgt: `In eene andere positie zou hij nog wel: maar hier morele en physieke persoon zamen.'



38 

Cf. Gerretson, Gesprekken, p. 142; Colenbrander, Gedenkstukken IX, 2, 471; Bosch Kemper, Handleiding (1865), p. 860.



38a 

In no. 14 volgt: `De aangenomene wet behoeft niet te worden gepromulgeerd: maar! Het is nu eene quaestie tusschen noord en zuid; wij kunnen geene partij kiezen. Bij ons geen responsabel ministerie. - Indien [wel], dan kan [de koning er het] hoo[f]d bij nederleggen. Eenmaal buiten de grondwet wat dan?'



39 

Cf. Briefw, I, 91, 3; 291; Ned. Ged. II, 11.



40 

In feite van 27 mei resp. 4 juni 1830 (Staatsblad no. 9 en 19; cf. Coopman, Bibliographie I, 92/3). Cf. Ned. Ged. II, 20; 26; 39; Briefw. I, 301 e.v.; Handboek, p. 856; Colenbrander, Gesprekken, p. 271, 1; Blauwkuip, De taalbesluiten, p. 2; 61; 264; 280‑300; De Jonghe, De taalpolitiek, p. 355‑370; 413‑422.



41 

Zonder de oppositie te voldoen was de koning met deze besluiten (toelating van bijzondere scholen op verlof van de plaatselijke besturen, en meerdere vrijheid tot het gebruik van de Franse taal voor de rechtbank) op het systeem van de `Kon. Boodschap' van 11 dec. 1829 teruggekomen.



42 

Hiermee is - gelet op de overeenkomstige datering - òf het stuk over `Belgische ministers' bedoeld (= no. 5, Verspreide geschriften I, 86/7) òf het - blijkens n. 2 op p. 86 - in 1859 reeds ontbrekende opstel. De hier door Groen gegeven omschrijving van de inhoud wijst in de richting van de tweede mogelijkheid.



43 

Op 3 sept. 1830; cf. Briefw. I, 336, 3; 782; Ned. Ged. II, 56; Gerretson, Muiterij I, 18; II, 264/5. De te Antwerpen vertoevende kroonprins had er sterk op aangedrongen.



44 

Verscheen van 21 juni - 5 oct. 1830 te 's‑Gravenhage. Meer bijzonderheden in n. 5 van no. 23. Cf. Thorbecke, Briefw. II, 492, 5; Colenbrander, Gesprekken, p. 271, 3. Met name no. 14 had het misnoegen van de koning opgewekt. Cf. Briefw. I, 342, 4. Het verband tussen diens ergernis en Groens ontslagaanvraag ligt hierin, dat Groen algemeen verondersteld werd in relatie te staan tot de redactie van het Nederlandsche Verbond; cf. Ned. Ged. II, 74; Briefw. I, 310.



45 

18 sept. 1830; cf. Briefw. I, 339/40.



45a 

Deze memorie bevindt zich in portefeuille XXV van de Nagelaten papieren van Roëll; cf. Van Baren, De plannen, p. 63, 3. Ze is door Colenbrander uitgegeven in Gedenkstukken X, 4, 122‑137.



46 

Dit nummer komt wel overeen met dat van de index in het Archief‑Van der Hoop, maar is no. 6 in Verspreide geschriften I, 87‑95. Colenbrander herdrukte Groens stuk in Gedenkstukken X, 4, 188‑193.



47 

Naar Antwerpen; cf. Briefw. I, 351; Colenbrander, Gesprekken, p. 271, 4; Ned. Ged. II, 86: `De zending van den Prins komt ons meer dan bedenkelijk, en hoe hij het bestuur over de Zuidelijke Provincien in naam des Konings uitoefenen kan, niet duidelijk voor.'



48 

Bedoeld is de brief van de kroonprins aan de koning d.d. 17 oct. 1830, afgedrukt bij Gerretson, Muiterij I, 49‑53; fragmentarisch bij Colenbrander, Willem II, p. 74/5. Cf. Colenbrander, Gesprekken, p. 271, 5.



49 

De proclamatie Te wapen! Te wapen! van 5 oct. 1830, gedrukt in Staatsblad 1830 (no. 62); Lipman, Nederlandsch constitutioneel archief II, 11/2; Bredasche Courant no. 108 van 8 oct. 1830 (een exemplaar in ARA, G.v.P. no. 125 sub 63); Bosch Kemper, Geschiedenis van Nederland na 1830 I, 41/2. Dat deze `oproeping' door Groen geredigeerd was, wordt ook meegedeeld in Ned. Ged., 2e serie, II, 268. Cf. Ned. Ged. II, 83; Handboek, p. 878; Briefw. I, 350, 5.



50 

Deze woorden komen wel voor in de proclamatie, maar niet ter aanduiding van de nu opnieuw zelfstandig geworden Noordnederlandse staat; cf. Colenbrander, Gesprekken, p. 272, 1; Briefw. I, 351, 5; Ned. Ged. II, 83; 85; 86; 89. Op p. 86b leest men: `En waarom zou het Rijk niet weder De Vereenigde Nederlanden worden genoemd? Die naam is, vóór dat België er in opgenomen werd, altijd die van den Nederlandschen Staat geweest.'



51 

No. 7 (evenals no. 6) o.d.t. `Herziening der grondwet' (Verspreide geschriften I, 95‑104). Groens originele hs. bevindt zich in ARA, S.S., inv.‑nr. 3518, bij de stukken van 30 en 31 jan. 1831. Een copie in ARA, S.S., inv.‑nr. 3575 (10 en 11 juni 1831) sub no. 20. Zie ook n. 1 en 2 van ons no. 24. No. 7 van de Verspreide geschriften is volgens Gerretson (index van het Archief‑Van der Hoop) Advies no. 8.



52 

Deze stukken (= Advies no. 10 en 11 volgens Gerretson) ontbreken in de Verspreide geschriften. Afschriften in ARA, G.v.P., no. 14. Zie ons no. 25 resp. 24.



53 

In Verspreide geschriften I, 105/6 komt als no. 8 een nota voor o.d.t. `Vorming van een ministerie', vermoedelijk identiek met no. 9 in de index van het Archief‑Van der Hoop: `Over een ontwerp van ministerieele verantwoordelijkheid'. Ook in 1849 schreef Groen een nota over dit onderwerp; cf. Grondwetherziening, p. 348, 1; 350, 1; Adviezen 1856/7 I, 195‑197; Hand. T.K. 1848/9, p. 264/5. Zie voor de overige drie nummers n. 51 (Advies no. 8) en 52 (Advies no. 10 en 11).



54 

Van 11 jan. 1831 uit Londen; de Franse tekst bij Colenbrander, Gedenkstukken X, 2, 151/2; Colenbrander, Willem II, p. 82/3; de Ned. vert. bij De Bosch Kemper, Geschiedenis van Nederland na 1830 I, 85‑87; Bosscha, Het leven van Willem den Tweede (2e dr.), p. 509/10; cf. Ned. Ged. II, 144; 150/1; Briefw. I, 406/7; 413, 4.



55 

De koning? Of [Zijne] H[oogheid?] de prins?



56 

Zie n. 50 van no. 29.



57 

Vanaf 23 juli 1831 inspecteerde de koning het leger op verschillende plaatsen in Noord‑Brabant; cf. Briefw. I, 459, 3.



58 

Zie no. 26.



59 

Cf. Ned. Ged. III, 133‑160: Bijdrage ter beantwoording van de vraag: welke behoort de betrekking van België tot Holland te zijn?; 161 s.v. `Barrière'.



60 

In het begin van aug. 1832; cf. Briefw. I, 588, 5.



61 

In nov. 1832 blokkeerde een Brits‑Franse vloot de Nederlandse kust. Op Nederlandse schepen in Engelse en Franse havens werd een embargo gelegd. Een Frans leger trok opnieuw België binnen. Cf. Briefw. I, 561, 4; 672, 1.



62 

Cf. Briefw. I, 672/3; Blok, Geschiedenis van het Nederlandsche volk III, 47/8. Gerretson wekt t.a.p. in Briefw. I de indruk het stuk te kennen, maar de bewerker heeft het tot nu toe niet gevonden.



63 

Waarschijnlijk is hier no. 9 o.d.t. `Al dan niet volharden?' (= Verspreide geschriften I, 106‑120) bedoeld. Dezelfde datum wordt er in I, 106, 1 opgegeven. Die memorie draagt ook duidelijk het karakter van een `opstel'. Blijkens zijn nagelaten papieren beschouwde Gerretson echter ARA, G.v.P., no. 25 als no. 12 van Groens `Adviezen'. Hij baseerde zich op de index van het Archief‑Van der Hoop.



64 

Zie no. 30.



65 

Cf. Colenbrander, Gesprekken, p. 272, 2.



66 

Zie n. 42 van no. 29.



67 

Cf. Briefw. I, 703.



68 

Versta: van de vrede of het tractaat met België. Het werkwoord `sluiten' komt vaak zonder object voor in Colenbrander, Gedenkstukken X, 4 en 5.



69 

Op 9 maart 1833 stelde Van Nes voor de koning in een adres te verzoeken de begroting te splitsen in evenveel ontwerpen van wet als er hoofdstukken waren. Cf. Briefw. I, 676, 5; 686, 2; Colenbrander, Gesprekken, p. 272, 3; De Bosch Kemper, Geschiedenis van Nederland na 1830 II, 20‑35.



70 

Van Don Carlos en Isabella II; cf. Briefw. I, 704.



71 

Vanaf dit punt mijmert Groen zelf weer over Willem I. In ARA, G.v.P., no. 14 nog een bij no. 17 passende aant. van Groen op een los blad over de koning: `Is zeer in de liberale theoriën verward. Ziet geen nadeel in de leer der volkssouvereiniteit, zoo die souvereiniteit hem toevertrouwd wordt. Bijzonder ijverig en naauwkeurig. Van beproefde trouw. Vriendelijk, maar toch eene hoofsche vriendelijkheid.'



72 

Ranke beschrijft t.a.p. de onvermoeibaarheid van Filips II in het bestuderen en annoteren van alle staatsstukken. Cf. Archives, 1e série, I (2e éd.), p. 155*, 1; Colenbrander, Gesprekken, p. 273, 1.



73 

Ranke handelt t.a.p. over de eigenzinnigheid van Karel V. Cf. Colenbrander, Gesprekken, p. 273, 2.



74 

Cf. Gerretson, Gesprekken, p. 215; 221; Colenbrander, Gedenkstukken X, 5, 227/8; Verstolk van Soelen in Recueil I, 277.



75 

Hs. abusievelijk: `Janssens.' Bedoeld is J. D. Janssen, de secretaris van het departement van Hervormde Eeredienst. Cf. Briefw. V, 45, 5.



76 

Men vindt deze vier vragen, aan de gemeenteleden te stellen bij de voorbereiding van het H.A., in de Hand. v/d Alg. chr. synode der Herv. kerk 1817, p. 87/8. Ze waren goedgekeurd in de vergadering van 12 juli 1817. Ook gedrukt bij Hooijer, Kerkelijke wetten, p. 366/7. Duitse tekst bij Fliedner, Collektenreise I, 60*). Groen polemiseerde later menigmaal met de Groningers over de dogmatische waarde van deze vragen. Cf. Adres2, p. 10; Nederlander no. 352, 360, 376, 406 (21 en 30 aug., 18 sept., 23 oct. 1851); no. 661, 681, 683, 727 (23 aug., 15 en 17 sept., 8 nov. 1852); Toespraak aan de leden, p. 44 n. 93. Volgens hofprediker Dermout stelde de koning `ongemeen hoogen prijs' op `het Heilig Bondzegel des Avondmaals'; cf. Nederlander no. 750 (4 dec. 1852).



77 

Groen heeft hier de naam niet ingevuld. In ARA, G.v.P., no. 25 vindt men in een soortgelijke notitie slechts een C. Colenbrander, Gesprekken, p. 274 drukt - zonder toelichting - `Coquerel' af. A. L. C. Coquerel was van 1818‑1830 Waals predikant te Amsterdam; cf. Briefw. I, 54, 4.

96

1   ...   67   68   69   70   71   72   73   74   ...   78

  • Sur la guerre franco‑allemande de 1870.
  • Herinneringen.

  • Dovnload 7.64 Mb.