Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina72/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   68   69   70   71   72   73   74   75   ...   78
Autobiographie. ± 1872?1

1817‑1827

Ook ik heb langen tijd tot de vrijzinnigen behoord. Opgevoed in een liberalen dampkring. Vooral op de academie. De geschriften van Rousseau heb ik verslonden. M[ada]me de Staël heeft behoord onder mijne meest gewaardeerde auteurs. De pogingen der liberale oppositie in Frankrijk kwamen mij lofwaardig voor. Elk verwijt tegen de Bourbons, elke smaadrede tegen de Noordsche mogendheden kwam met mijne denkwijs overeen. Hoog ingenomen was ik met de gesteldheid van het vaderland. Hier hadden wij de gulden middelmaat, het veilige pad. Onze leeftijd de meest verlichte; ons land het meest bevoorregte. Mijne leermeesters Borger, Kemper.

Het is zoo, ook de lessen van Bilderdijk heb ik gehoord.2 Veel heb ik daaraan te danken gehad. Door hem vooral ben ik tot een onbevangen onderzoek van de volkshistorie en aan het twijfelen omtrent de uitnemendheid van het liberalisme gebragt. Eerst later heb ik de juistheid leeren inzien van veel dat mij toen overdreven en de vrucht enkel van wrevel en zonderlingheid toescheen. Ik was overtuigd dat aan de openbare meening niet teveel moet worden gehecht; ik begreep reeds dat er in paradoxen veel waarheid zijn kan.3 Ik was in het vormen, vooral in het uiten van een stellig oordeel over personen en zaken zeer schroomvallig. Mijne verbazing, mijne verontwaardiging over snelheid en stoutheid van oordeelvelling werd uitgedrukt in stellingen achter mijne dissertatie.4

Dit liberalisme in staat en kerk werd evenwel veelzins getemperd. Eerbied had ik voor de christelijke waarheid. Op de catechisatiën bij ds. Dermout5 was mij een uitnemend en orthodox onderrigt te beurt gevallen; verdediging van de evangelische leer op schriftuurlijken grondslag. Pijnlijk is het mij geweest als tegenstander van een kerkinrigting, waartoe ook hij medegewerkt had, te moeten optreden6; nooit heb ik de verpligting aan hem vergeten; nooit is de band verbroken, waarmeê ik sedert mijne kinderjaren aan den veelzins voortreffelijken man gehecht was. Op de academie behoorden de geschriften van Van Alphen onder mijne geliefkoosde lectuur. Hoog ingenomen was ik met Van der Palm.

Ingenomenheid met de schriften der oudheid. Daarin had ik tot leidslieden K[appeyne] v[an] d[e] C[oppello], B[orger] en Bake. Ook in mijne schatting onnavolgbare modellen; onwaardeerbaar voor de vorming van stijl en goeden smaak. De klassieke studiën behooren, als in Engeland, de grondslag van het hooger onderwijs te blijven. Ook waarschuwingen tegen twijfelarij en vrijzinnigen overmoed. De verderfelijkheid en ongerijmdheid van het subjectivisme der sofisten; de dwaasheid van plotselinge hervorming en van constitutiën waarbij naar willekeur en op één dag een volk in een nieuw staatskleed gehuld wordt.

Vooral de geschiedenis. Altijd is de historie mijne geliefkoosde studie geweest. Op de academie was daaraan al het overige ondergeschikt. Het waren historische onderwerpen waarover ik prijsverhandelingen en doctorale dissertatiën schreef. De aard en gevolgen van den voorrang dien Athene onder de staten van Griekenland gehad heeft7; de verzameling van levensberigten en fragmenten van den Romeinschen geschiedschrijver Coelius Antipater8; de voortreffelijkheid van het Justiniaansche regt uit de historische beginselen en ontwikkeling blijkbaar9; het eigen oordeel van Plato over de personen die hij in zijne dialogen sprekende invoert of op merkwaardige wijze vermeldt.10 Het kwam mij voor dat men in Plato te uitsluitend den wijsgeer en den dichterlijken11 prozaschrijver geroemd, te weinig op het historische element gelet had.

Deze mijne voorkeur was aan Kemper, die zich meermalen een vaderlijken vriend voor mij betoond heeft, niet ontgaan. Zijn wensch was mij aan de academie te verbinden.12 De historie zou niet langer met het onderwijs in de taal worden vereenigd. Aan één hoogleeraar zou het doceren in de geschiedenis, zoo de vaderlandsche als de algemeene worden opgedragen. Het voorstel, terwijl ik nog midden in mijne academische studie was, strekte om mij, op dien voet, nadat ik eerst ook aan de Duitsche hoogescholen een jaar zou hebben doorgebragt, als buitengewoon hoogleeraar te doen benoemen. Ook uit aanmerking mijner toen zwakke gezondheid, werd mij [de?]13 zaak ontraden, van een kant14 waar tegenspraak onvoegzaam ware geweest. Doch ook dit betoon van welwillendheid heeft mij aan den voortreffelijken man gehecht; en toen, juist nadat ik onder zijn gastvrij dak en in zijn leerrijken omgang eenige dagen geweest was15, de mare van zijn plotseling overlijden werd vernomen, heb ik het verlies van den braven en edelen man, een verlies voor het geheele vaderland, opregt en levendig betreurd.16

Twee jaren ongeveer ben ik bij de Haagsche balie, waar het mij gegund werd, gaarne pleiter en voorts, alsof ik mij geheel aan de advocatie zou wijden, belangstellend toehoorder geweest. Maar naturam expellas furcâ, tamen usque recurret.17 Geschiedenis en staatsregt kon ik niet vergeten. Politieke bladen en geschriften te lezen was mijne geliefkoosde uitspanning. Weldra werd de begeerte om zelf over de politiek te schrijven bij mij opgewekt. In het najaar18 van 182619 leverde ik mijne eerste bijdrage voor de periodieke drukpers: afkeuring van het ministerie Villèle20, een woord ten behoeve van de Grieken21, uitvallen tegen het jesuïtisme, lofspraak van De Montlosier22 en wat dies meer zij. In december van hetzelfde jaar, toen Spanje een inval op Portugeesch grondgebied gedaan had, de Engelsche hulptroepen onder zeil waren, en het woord van Canning dat alle misnoegden in Europa, zoo zijne regering het sein gaf, gereed zijn zouden zich om de vaan van Engeland te scharen, de hagchelijkheid van den toestand had doen uitkomen, kon ik mij niet weerhouden in het Over den oorlog in Portugal23 de waarschijnlijke gevolgen, nu of later, van den onvermijdelijken strijd der beginsels te schetsen.24

Vooral ook op de geschiedenis van het vaderland was, sedert eenigen tijd, mijn aandacht gerigt. Ook in december 1826 deed ik eene voorlezing over de redenen om de geschiedenis der25 natie bekend te maken.26 Om de voortreffelijkheid van haar inhoud, om de geringe en gebrekkige kennis van het algemeen aan zijne eigen historie. Om de gesteldheid der dagen die wij beleven. Ook thans nog beaêm ik in de hoofdtrekken wat omtrent deze laatste reden gezegd werd. De historie van het gemeenebest, een gesloten tijdperk zijnde, behoeft thans niet tot een bron van twist en partijschap te worden gemaakt. De bestudering ook van die historie is een krachtig middel om de beginsels der Fransche of Europesche revolutie te bestrijden. Zij is het ook om den te grooten invloed tegen te gaan dien, ter uitwissching van het nationale, de steeds naauwer geworden gemeenschap der Europésche natiën heeft.27 Eindelijk de bevestiging van den constitutionelen staatsvorm moet bovenal in de aanwakkering van den historischen volksgeest worden gezocht.

Weinige dagen na de voorlezing van dit opstel werd ik verrast door het besluit des konings van 23 december, waarbij het verkrijgen bedoeld werd eener geschiedenis der Nederlanden, betrekkelijk tot alle de gewesten van het rijk. Tot bevordering van burgerdeugd, aankweeking van vaderlandsliefde en instandhouding van het nationaal karakter. Maatregelen zouden worden genomen om de nog onbekende bronnen op te sporen en in 't licht te geven. Alle vaderlandsche geschied‑ en letterkundigen werden uitgenoodigd om vóór Paschen in te zenden eene uitgewerkte schets der bewerking en eene opgaaf der middelen ter verwezenlijking van het plan. Hij aan wiens ontwerp de voorkeur verleend wierd, zou, bekwaam en genegen zijnde, tot geschiedschrijver des rijks worden benoemd. Onverwijld zette ik mij aan het werk. Eerst de algemeene regels; daarna een overzigt der historie, ten proeve van de verdeeling en den gang der bewerking. Voorts aanwijzing hoedanig eene geschiedenis thans kon worden verkregen; twee hoofdmiddelen: aanmoediging van grondige studie, aanstelling van den historieschrijver. Op welken voet? Enkele wenken. Hij moet voor die gewigtige bezigheid leven. Onafhankelijk zijn bij den aanleg, den omvang zijner taak in het oog houden.28

Het onderzoek der talrijke opstellen werd aan eene commissie ad hoc opgedragen. Veel was er dat in eene benoeming op den door mij aangewezen voet, bekoorlijk toescheen. Eene politieke werkkring, als lid der Tweede Kamer, zou daarmeê zeer wel vereenigbaar zijn. Zoowel de advocatie als elke administratieve betrekking, zou mij de beoefening der wetenschap bijkans onmogelijk maken. In 1825 was ik, ter gedeeltelijke vervulling van den leerstoel van Kemper tweemaal, eerst terstond, andermaal na de weigering van Den Tex, op de voordragt geweest. Misschien zou ik mij aan deze taak, met het oog op staats‑ en volkerenregt, niet hebben onttrokken. Evenwel zij zou minder dan regtstreeksche beoefening der historie met mijn aanleg en wenschen hebben gestrookt. Aan de Nederlandsche volksgeschiedenis mij te kunnen wijden scheen mij benijdenswaard.

Een geruime tijd ging met het vergelijkend onderzoek voorbij. De beslissing was dat er aan vijf der inzenders, daaronder ook aan mij, eene medaille verleend, maar niemand tot historieschrijver benoemd werd.29 Doch inmiddels had mijn lot eene verandering, even onverwacht als gewigtig, ondergaan; eene verandering minder door mijzelven dan voor mij door anderen begeerlijk gekeurd. Mij was de eer te beurt gevallen eener aanstelling tot referendaris bij 's konings kabinet.

1827‑1829

De taak van den referendaris bestond voornamelijk in de voorbereiding der stukken voor de inzage des konings. Het maken van uittreksels, waardoor Z.M.30 in één oogopslag den voornamen inhoud, de hoofddenkbeelden, de strekking en slotsom van de dikwerf zeer uitvoerige rapporten der ministeriële departementen kon overzien. Aldus had men, in het middenpunt van 's rijks beheer, het groote voorregt van den geheelen gang der administratie te leeren kennen en omtrent personen en zaken in veel dat voor het algemeen verborgen bleef, ingewijd te zijn. Somwijlen was er overvloed van werk. Doorgaans kon menig tusschenuur aan studie worden besteed. Vooral in deze jaren heeft zich mijne christelijk‑historische geloofsovertuiging, door de wetenschap en in het praktische leven gevormd en ontwikkeld.

Grooten indruk had, reeds eenigen tijd tevoren, het vermaarde werk van Von Haller, Die Restauration der Staatswissenschaft op mij gemaakt.31 Hetgeen mij daarin voornamelijk had getroffen was de historische aanwijzing van den oorsprong der Europésche staten, van de vorming der monarchiën en gemeenebesten en de wederzijdsche pligten, in elken staatsvorm, van de onderdanen die, naar gelang der verschillende instellingen en wetten, tot gehoorzaamheid zijn gehouden, van de overheid die voor de uitoefening van haar gezag, overeenkomstig de voorschriften van regtvaardigheid en liefde, aan God verantwoordelijk is. Vooral ook van het ontstaan der theorie van staatsregt die op de onderstelling berust van een primitieven natuurtoestand, van een maatschappelijk verdrag en van een overgedragen gezag; alle betrekkingen omkeert, het volk tot souverein maakt en de overheid tot zaakgelastigde en dienares. Van de geschiedenis der laatste halve eeuw als reeks van vruchtelooze pogingen ter verwezenlijking van een staatsleer die met de natuur en het wezen der dingen in strijd is. Ook mij kwam het voor dat, wat er ook van zijne eigene begrippen omtrent het herstel der staten zijn mogt, hij de algemeene dwaling onzer tijden omtrent contrat social en volkssouvereiniteit met juistheid aangewezen en, door de historie van leer en praktijk, wederlegd had.

Ik wist dat Von Haller roomsch‑catholijk was. Menigeen heeft later, om mijne ingenomenheid met zijne kritiek der wijsbegeerte van de achttiende eeuw, ook in mij overhelling naar Rome vermoed. Doch ik was spoedig overtuigd dat er hier geen verschil tusschen protestant en roomsch, maar tusschen christelijk en onchristelijk, godsdienst en godverloochening was. Evenzoo meende men in Von Haller eene strekking naar despotisme, eene miskenning van volksvrijheden te ontdekken. Maar tegen dergelijke bedenkingen werd ik door de lezing van de Engelsche publicisten, van Pitt en Burke gesterkt.32 Dat waren de uitnemendste staatslieden van het protestantsch en vrijheidlievend Engeland die, in naam der vrijheid, zich tegen de revolutionaire leerstellingen verzetten. Daar leerde ik dat de nieuwerwetsche wijsheid, die zich als erfgename der grootsche herinneringen van vroegere vrijheidsliefde33 voordeed, met ware vrijheid onvereenigbaar was; dat zij, door het stooken van rebellie, de onmisbaarheid van dwang deed ontstaan; dat zij met atheïsme in verband was; dat er tusschen 1688 en 1789 contrast is; dat zoowel het schrikbewind van 1793 als het despotisme en de overheersching van Napoleon, door de zegepraal van die leer onvermijdelijk geweest was; dat de zwakheid der geallieerden tegen Frankrijk in het heulen met de revolutie had bestaan.

Het werd mij duidelijk dat het liberalisme niet anders dan de revolutionaire theorie is. Onder de geschriften, die mij veel licht hieromtrent gaven, tel ik het werk van Lamennais Des progrès de la révolution et de la guerre contre l'église. Verbazenden invloed heeft dit opstel, ook in België, gehad.34 De R[oomsch‑catholijke] kerk moest van de denkbeelden van vrijheid en gelijkheid, in plaats van ze te bestrijden, ter vestiging van haar opperheerschappij gebruik maken. In deze hoofdgedachte lag de kiem der unie tusschen liberalen en roomsch‑catholijken, waardoor weldra geheel België, als één man, tegenover het wettig gezag stond. Eene groote waarheid wordt er telkens in het licht gesteld. Het liberalisme is de vrucht der verloochening van het droit divin.35 De mensch is te groot om zich te onderwerpen aan een bloot menschelijk gezag.36 Aldus getuigt het lib[eralisme] van de verhevenheid onzer natuur en het is enkel door terugkeering tot hooger beginsel bedwingbaar.

Ik bragt deze beschouwingen in verband met de historie ook van ons vaderland en van onzen tijd. Het werd mij duidelijk dat de vrijheid der liberalen voor onze geloofshelden een gruwel zou geweest zijn. Veel werd mij duidelijk en onbetwistbaar dat mij, in de lessen en werken van B[ilderdijk] vroeger overdreven, onwaar en bijkans belagchelijk scheen. Ik begreep nu dat het voortwoelen der zelfde leer die de Fransche revolutie gebaard had, het kenmerk ook onzer dagen was en bleef; dat zij in den grond der zaak, met de publieke meening vereenzelvigd, door onderdanen en gouvernement vastgehouden en nageleefd werd; dat men alzoo nieuwe omwentelingen kon tegemoet zien.

Mijne plaatsing bij het kabinet gaf mij velerlei gelegenheid ter bestudering, in verband met die beginsels, van de gebeurtenissen van den dag. Ik was belast met het lezen der talrijke dagbladen, ook Fransche, Engelsche, Duitsche, met aanschrapping van hetgeen voor Z.M. opmerkenswaard was. Dit dagelijks leven te midden der veelzijdige beschouwingen van de politieke partijen hier en elders, is mij ter eigen oefening zeer nuttig geweest. Onder anderen had ik veel te danken aan de Gazette de France, die vooral sedert den val van het ministerie Villèle tot aan de julijdagen meesterlijk geredigeerd werd.37

Voorts was mij opgedragen het geregeld bijwonen der beraadslagingen in de Tweede Kamer; namelijk toen de zitting te Brussel, in october 1829, door de heftigheid der oppositie, buitengemeene belangrijkheid verkreeg. De koning wenschte spoedig van den loop en afloop der discussie, in de hoofdpunten, berigt te ontvangen. Ik was aldus van nabij toeschouwer van het drama, dat in die gewigtige maanden gespeeld werd.

Hierbij kwamen, sedert ik, in april 1829, bevorderd was tot het secretarie van het kabinet, de gesprekken met den koning. Telkens bragt ik de gereedgemaakte stukken en dikwerf, onder en na het teekenen, maakte Z.M. aanmerkingen over de gebeurtenissen in en buiten 's lands; vooral des avonds, wanneer hij, die winter en zomer reeds om 4 uur aan het werk was, eer hij zich ter ruste begaf, somtijds behoefte scheen te hebben om zich nog tot dezen of gene over hetgeen hem ter harte ging, te uiten. Ik waag mij niet aan eene karakterschets. Elders38 heb ik reeds mijne beschouwing, voor zoover ik mij hiertoe berekend achtte, medegedeeld. Men heeft hem kleingeestigheid, bekrompenheid van inzigten toegeschreven. Vooral in de Herinneringen39 van Van der Duyn van Maasdam, een geschrift dat belangrijke bijzonderheden bevat, fijne en juiste wenken omtrent zaken en personen, ook omtrent den persoon des konings; doch waarin men telkens betreurt dat aan de nagedachtenis van een man die, om 1813, bij ieder Nederlander geëerd was, zich nu de verontwaardiging paart over het sarcastisch welgevallen waarmeê elke zwakke zijde van den vorstelijken vriend en weldoener in het volle licht gesteld wordt.40 Het is intusschen, ter waardeering van het verwijt, in het oog te houden welke soort van onbekrompenheid de edele graaf wenschelijk zou hebben gekeurd: de koning had, zonder zich aan de vroegere geschiedenis van land en huis gelegen te laten liggen, om ware rijkseenheid te verkrijgen, het zwakker door het sterker deel moeten bedwingen; zich, met verloochening ook van de godsdienst zijner vaderen, aan het hoofd van het roomsch‑catholijke België tegenover het protestantsche Holland behooren te stellen.40a Gelukkig dat voor eene zoo laaghartige verhevenheid van inzigten Willem I te edelmoedig geweest is. Hij behoorde niet onder de dagelijksche menschen of middelmatige vorsten. Stalen geheugen, schranderheid, werkzaamheid, behoefte aan werk. Nooit meer tevrede dan wanneer de stapel stukken groot was. Voorbeeldeloos kalm. Slechts eenmaal uitzondering, toen na het berigt van de stoutmoedigheid van den prins van Oranje41 om het oproerig Brussel binnen te gaan, er gedurende meer dan 24 uur geen nader berigt kwam. Milddadig, niet slechts in het ondersteunen van ondernemingen van handel en nijverheid, maar in allerlei hulpbetoon. Belangstelling in de openbare godsdienst. Bijbellezing. Liberaal. De Staten‑Generaal eene lastige noodzakelijkheid.42 Geen staatsman, maar financier en administrateur van het staatshuishouden. Autocratie.

Tot in 1827 geprezen. Model van een vrijzinnig vorst. Tegen adel en roomsch‑catholijke geestelijkheid. Vergelijkenderwijs met Frankrijk. Bedriegelijke lof. De val van het ministerie Villèle had hierin verandering gebragt. Nu toetste men zijn eigen toestand aan de voorschriften van het liberalisme. Nu bevond men, in België, dat er overvloedig reden van beklag was. De liberaal had veel oogluiking gebruikt, omdat hij voor de tenonderhouding van bijgeloof en jesuïtisme aan de regering verpligtingen had. De roomsch‑catholijk durfde zich niet te zeer laten gelden, omdat hij tegen de ultraliberalen door het gouvernement beschermd werd. Doch onder de leus `Vrijheid in alles en voor allen' kon er voortaan gemeen overleg en zamenwerking plaatshebben. Maar dan ook stond de koning in België met de industriëlen, de voorstanders van stoffelijke belangen tegen de hartstogtelijke voorstanders van vrijheid en roomsch‑catholijke godsdienst bijkans alleen.

De zitting van 1828‑29 was voor de toekomst van België beslissend. De voortvarendheid en heftigheid der oppositie in en buiten de Kamers scheen bijkans geen tegenstand te ontmoeten. Petitiën en journalen werden het middel om de bevolking in het harnas te jagen. Noordelijke en zuidelijke leden tegenover elkander. Maar het was blijkbaar dat door de oppositie de overhand zou worden behaald. Er was geenerlei stelsel van weêrstand noch in de Kamer, noch bij den koning; of liever het regeringsbeleid was enkel een, zoo langzaam mogelijk toegeven aan den eisch namens beginselen wier deugdelijkheid erkend werd. De noordelijke leden schaarden zich om den koning, doch zonder eigen rigtsnoer of standpunt. Eigenlijk was er in België geen gouvernement meer. Alles zwichtte. De zegevierende houding en stoutmoedige voortgang van het liberalisme in Frankrijk had grooten invloed. Het stond geschapen dat onder den ijver, schijnbaar alleen voor politieke instellingen, de overmagt van België op Holland zou worden gevestigd, en Holland met België onder den invloed, later de heerschappij, van Frankrijk zou worden gebragt.

Ik had die zitting bijgewoond. Ik had mij dag aan dag geërgerd en [opgewonden?]43 over de stoutmoedige, dikwerf welsprekende taal der opposanten; over de schroomvalligheid, weifeling, toegeeflijkheid der verdedigers van het gouvernement; over hun eigen ingenomenheid met de dwaalbegrippen die men enkel om de buitensporigheid der toepassing bestreed; over de wijs waarop de regering meer en meer onder de overmagt van haar stelselmatige bestrijders geraakt was. Vooral ook vond ik reden van bezorgdheid in het allezins verklaarbare, maar hoogst gevaarlijk gebrek aan belangstelling en kennisneming in Holland, waar bijkans niemand scheen te begrijpen of te vermoeden dat de rust en het aanzijn van het rijk, de onafhankelijkheid althans van Holland, al het vaderlandsche en nationale, op het spel was.44

Het zwijgen was mij niet mogelijk. Het openlijk optreden zou, in mijne betrekking, niet voegzaam zijn geweest. Naamloos gaf ik het vlugschrift Volksgeest en burgerzin45 uit: de kracht van het rijk der Nederlanden berust op den grondslag der Nederlandsche nationaliteit aan een groot deel van België met Holland gemeen. Eerbiedig de eigenaardigheid der Waalsche provinciën; wacht u ook elders voor al wat naar opdringen zweemt; maar vooral vergeet niet dat verwaarloozing van hetgeen in de overige gewesten nationaal is, op Franschgezindheid uitloopt en aan Franschen overmoed prijsgeeft.

In den zomer van 1829 viel mij ten deel de koning in eene reis in Henegouwen, Namen, Luik, Limburg en Noord‑Brabant te vergezellen. Op verscheidene plaatsen, inzonderheid te Bergen in Henegouwen en te Luik gaf de koele, somtijds ternaauwernood betamelijke ontvangst het bewijs van het misnoegen en de opgewondenheid der bevolking. Elders, waar de dagbladen minder doorgedrongen waren, in stedekens of onder de landlieden, werd de smartelijke gewaarwording somtijds ook door een aandoenlijk betoon van hartelijkheid getemperd. Overal trof mij de heuschheid, gevatheid, gemeenzaamheid, vooral ook vorstelijke waardigheid waarin zich de koning, ook bij min aangename ontmoetingen en bejegeningen gelijk bleef.45a

Geen beginsels, geen stelsel, geen regels, geen plan. Bij den dag leven. Doch één punt was er waarop aller aandacht werd gevestigd: het tienjarig budget. Onder alle tegenheden der vorige zitting had niets zoo zeer hem getroffen als de verwerping. Het was juist toen dat ik voor de eerste maal in zijn werkkamer toegelaten werd. Hij was in opgewonden gemoedsstemming. Vooral aan de Hollanders werd het tegenstemmen zeer ten kwade geduid. Niet ten onregte werd in hooge mate zijn bezorgdheid gaande gemaakt. Met de spreuk point de redressement de griefs point de subsides46 kon de koning tot volslagen magteloosheid worden gebragt. Met october zou de veldtogt beginnen. Het was te voorzien dat, zoo er bij de regering geen meerdere veerkracht openbaar wierd, zoo de bevolking in het noorden even onverschillig en lijdelijk bleef, zoo er geen grondslag voor weêrstand in beproefde beginsels wierd gelegd, er binnen weinige weken geen alternatief zou blijven dan volslagen onderwerping of een coup d'état.

Al het mogelijke moest, dacht mij, ter afweering van dergelijk onheil worden beproefd.47 Reeds had ik gewezen op de wenschelijkheid om ook het middel der periodieke drukpers te gebruiken. Met enkele vrienden kwam ik overeen de uitgaaf van politieke beschouwingen, onder den naam van Nederlandsche Gedachten te beproeven. Het programma was, onder betuiging van welwillendheid voor de, naar ons inzien, welgezinde overgroote meerderheid van Belgen en roomsch‑catholijken, oorlogsverklaring, met opwekking van den echt‑Nederlandschen geest, tegen eene het rijk overheerschende factie, door welke tegelijk de constitutionele troon, het protestantismus en de Nederlandsche eigenaardigheid bedreigd werd.

1   ...   68   69   70   71   72   73   74   75   ...   78


Dovnload 7.64 Mb.