Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina75/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   70   71   72   73   74   75   76   77   78
Historische bijdragen (Ned. G[ed., 2e serie,] V). 1873.1

Niet de polemiek van den dag.2 Principieel. Maar rectificatie der vroegere historie, om den invloed van het principiële te versterken.

1829‑1872. Wetenschap en praktijk. Ook v[an] [18]62‑[18]72.3 De Brieven van Da Costa. Nu Thorbecke en Merle d'Aubigné.4 De princip[iële] tegenst[elling]. Een deelg[enoot] van het Réveil.5 Na veertig jaar onbekend6 bij het wetenschappelijk en toongevend publiek. In beginsels, bedrijf, karakter. Ook nu. In een valsch licht. Herinneringen en correspondentiën.7 Ach, hoe weinig! Een levensdraad. Enkele voorbeelden hoe nu zelfs de hoofdgedachte mijner politieke werkzaamheid voorbijgezien wordt. Geen leerling van B[ilderdijk], al heb ik veel van hem geleerd.8 Twijfel aan het liberalisme. Niet Van Haller.9

1829‑1831. Met weerzin in het kabinet. Liever geschiedenis of Staten‑Generaal. Afkeer van bureauleven.10 Evenwel daar het keerpunt. Merle d'Aubigné. Réveil.

1829‑1831.11 Burke12, couranten.13 Staten‑Generaal.14 De Nederlandsche Gedachten.15 Memoriën.16 Overzigt.17 Christelijk‑historisch en antirevolutionair. Overzigt n[o.] 21‑27 (Verspreide geschriften).18 Evangelie tegen revolutie. Theocratie.19 Strijd tegen den lev[enden] G[od].20 Hemel of h[el].21 N[o.] 26. Geen verschil van staatsvorm, van christ[elijke] gezindte, van oud of n[ieuw].22 Religiestrijd.23 Daarna Ongeloof en revolutie, Grondwetherziening en eensgezindheid. Wetenschap en parlement. Strijden en lijden.24 Vroeger gevierd. Hoogleeraar in de geschiedenis, regten.25 1825. Kabinet. Griffier van N[oord‑] H[olland].26 Nederlandsche Gedachten. Dermout.27 Vrienden: V[an] L[ennep?]28, H[ora] Sicc[ama]29, B[rugmans?].30 Tegenover België en een weifelend gouvernement doode vlieg.31 Vóór augustus 1830.32

Na 1833. Beschouwingen.33 1837. De Archives.34 1840. Onbruikbaar, gevaarlijk.35 Verkoeling met V[an] L[ennep?] enz. 1835‑1848. In de Tweede Kamer.36 Zelfs niet cur[ator] v[an] h[et] gymn[asium].37 Zelfs niet in de gem[eente]raad.38 Gestreden voor het beginsel. Verbum Dei manet in aeternum.39 De historie en de Heilige Schrift.40

I. De letter der belijdenisschriften; ethisch‑irenische r[igting].41

 II. Van Bemmelen.42 Het eigenlijk distinctieve, het levensbeginsel ziet hij voorbij.43 De titulatuur!44

III. Réville. 15 nov. Thorbecke.45 Nous maintiendrons.46

1. p. 388: Bilderdijk enrayé.47 Eigen school.48

2. p. 391: tegen hervorming.49 1837, 1848.

3. p. 392: l'advers[aire] le plus redoutable.50

1849‑1853 (niet door de Aprilbeweging).51

De conservatieve p[artij]. Haar principiële zwakheid dubbel gebleken in haar numerieke kracht.


Historische br[ieven] voor de N[ed]. G[ed].52 1850. Roeping t[egen] Th[orbecke] (onder de H[istorische] b[ijdragen]). Brief van Heldring 1856?53 De Liefde 1868.54 Merle 7 jan. 1872.55 Stahl.56 Dermout. Secrétan 1848. 1869.57 Verg[adering in Dilig[entia]. 1848.58 Comm[issie] voor het hooger o[nderwijs].59

-------
Noten bij no. 97. Historische bijdragen.


1 

ARA, G.v.P., no. 106, eigenhandig ontwerp. Cf. Ned. Ged., 2e serie, V, 17; 24.



2 

Cf. Ned. Ged., 2e serie, IV, 4; V, 1; 10; 12; 41. Marginale aant. van Groen: `Deel IV p. 3 (Recapitulatie).' Met potlood heeft Groen hierboven geschreven: `H[istorische] b[ijdragen] 1.' Op p. 3 (10 febr. 1872) kondigt Groen `die meer principiële en historische voortzetting, waarvan ik reeds meermalen gewag heb gemaakt' aan; cf. V, 19; Briefw. IV, 567.



3 

Cf. Ned. Ged., 2e serie, V, 2; 38.



4 

Cf. Ned. Ged., 2e serie, V, 1.



5 

Cf. Ned. Ged., 2e serie, IV, 400; V, 275.



6 

Marginale aant. van Groen: `Vreemdeling. Niet [of Niets?] evangelisch en historisch'. Cf. Ned. Ged., 2e serie, V, 12; 17.



7 

Cf. Ned. Ged., 2e serie, V, 1.



8 

Cf. Ned. Ged., 2e serie, V, 66; 250.



9 

Cf. Ned. Ged., 2e serie, V, 83; 245; 250.



10 

Cf. Ned. Ged., 2e serie, V, 161.



11 

Marginale aant. van Groen: `Parti [antirévolutionnaire, p.] 79.' Men leest t.a.p. dat Groen reeds in 1829/30 de koning waarschuwde voor het liberalisme. Deze bladzij wordt aangehaald in Ned. Ged., 2e serie, II, 267.



12 

Cf. Ned. Ged., 2e serie, V, 304‑306; 323‑326; 331‑336.



13 

Zie n. 367 van no. 96.



14 

Groen doelt op de opdracht van de koning de zittingen van de Tweede Kamer bij te wonen.



15 

Cf. Ned. Ged., 2e serie, V, 25.



16 

Cf. Ned. Ged., 2e serie, V, 231.



17 

Cf. Ned. Ged., 2e serie, V, 25.



18 

Zie Verspreide geschriften I, 121‑154.



19 

Cf. Ned. Ged., 2e serie, V, 61.



20 

Cf. Ned. Ged., 2e serie, I, 29; 73‑75; 318; II, 47; 56; V, 53.



21 

Cf. Ned. Ged., 2e serie, V, 76.



22 

Cf. Ned. Ged. III, 102/3.



23 

Cf. Ned. Ged., 2e serie, V, 55; 317; 336.



24 

Cf. Ned. Ged., 2e serie, V, 4; 17.



25 

Cf. Tazelaar, De jeugd, p. 156 e.v.



26 

Cf. Briefw. I, 91; Tazelaar, De jeugd, p. 174.



27 

Cf. Ned. Ged., 2e serie, V, 249.



28 

Als de aanvulling juist is, zal Jacob van Lennep bedoeld zijn. Zie n. 116 van no. 2.



29 

Johan Hora Siccama; cf. Briefw. I, 154, 8.



30 

Waarschijnlijk A. Brugmans; cf. Briefw. I, 28, 3.



31 

Cf. Prediker 10, 1. Wellicht bedoelt Groen, dat hij alleen stond tegenover de regering en dat zijn wijze raad als dwaasheid beschouwd werd.



32 

Cf. Ned. Ged., 2e serie, V, 38.



33 

De Vries no. 30.

34 

Het eerste deel verscheen al in 1835.



35 

Misschien hebben deze adjectieven betrekking op de in de Autobiographie sub 1840 vermelde `nietsbeteekenende veranderingen' in de grondwet.



36 

Zie n. 107 van no. 96. Men zou achter deze zin een vraagteken verwachten.



37 

Het Haagse zal bedoeld zijn. Cf. Briefw. III, 253, 3; 302, 8 en Vreede, Een twintigjarige strijd, p. 211/2; 226 over het curatorschap van de Leidse universiteit.



38 

Dezelfde klacht in no. 96 sub 1833‑1840.



39 

Cf. Zwaan, G.v.P., p. 630 s.v.



40 

Cf. Ong. en rev., 2e dr., p. XVII; Ned. Ged., 2e serie, II, 144.



41 

Cf. Ned. Ged., 2e serie, V, 15.



42 

Cf. Ned. Ged., 2e serie, V, 13, 1; 24; 49 e.v. Van Bemmelens art. Sociaal‑politische gezindheden verscheen in Metis 1 (1872/3), p. 26‑112; 135‑219. Hoofdstuk II (p. 41‑55) ging over `De christelijk‑protestantsche gezindheid.' Hierbij twee marginale aant. van Groen:' [1.] `Later Buys.' [2.] `welgezind, kundig. Kiesregt; p. 41: geene halve eeuw oud.' Zie over J. T. Buys Ned. Ged., 2e serie, V, 5; 39; 70; 118; Zwaan, G.v.P., p. 492. Van Bemmelens `kunde' en `welwillendheid' worden geprezen in V, 49. Over het kiesrecht laat Van Bemmelen zich in hoofdstuk II niet uit. Op p. 41 leest men: `Doch terwijl de ultramontaansche [gezindheid] vele eeuwen oud is, zoo is de christelijk‑protestantsche nog geene halve eeuw oud . . .' Hij liet de ARP beginnen bij Stahl en kwam zo tot zijn `chronologische opgaaf . . . nog geen halve eeuw oud' (V, 53).



43 

Cf. Ned. Ged., 2e serie, V, 52.



44 

Cf. Ned. Ged., 2e serie, V, 57; 60; 319; 360; Van Bemmelen, Sociaal‑politische gezindheden, p. 54.



45 

A. Réville schreef in de Revue des deux mondes van 15 nov. 1872 een nekrologisch art. o.d.t. J.‑R. Thorbecke; étude historique sur le gouvernement parlementaire aux Pays‑Bas. Groen citeert het art. - conform de inhoudsopgave en de verkorte titel boven de rechter bladzijden - als Un homme d'état hollandais. Cf. Ned. Ged., 2e serie, V, 13, 1; 24; 49; 62‑69; 81/2; Briefw. IV, 609, 7.



46 

Cf. Parlementaire studien I, 3, 21: `Nous maintiendrons! onder de leus van Oranje zal, naar het schijnt, de heer Réville de kerkelijke leus pogen te handhaven die, volgens Dr. Pierson, een demoraliserenden invloed heeft.' Cf. I, 4, 26; 8, 5‑11; 12, 18‑20; Ned. Ged., 2e serie, V, 63 (waar in n. 1 abusievelijk verwezen wordt naar Parlementaire studien II, no. 3 i.p.v. naar no. 8).



47 

Cf. Ned. Ged., 2e serie, V, 65; 211. De cursiveringen in de citaten uit Réville (p. 387‑392) zijn van Groen.



48 

Cf. Ned. Ged., 2e serie, V, 66: `Of ik al dan niet een school gevormd heb, zij verbleven aan het oordeel der nakomelingschap . . .'



49 

Cf. Ned. Ged., 2e serie, V, 68.



50 

De conservatieve partij was volgens Réville de meest geduchte tegenstander van Thorbecke; cf. Ned. Ged., 2e serie, V, 69.



51 

Versta: had het ministerie‑Thorbecke moeten vallen. Zie n. 329a en 330 van no. 96.



52 

Deze beginnen te verschijnen op 9 sept. 1873 (V, 145 e.v.).



53 

Het vraagteken is door Groen met potlood achter het jaartal gezet. Men kan denken aan de brief van 14 juni 1856 (Briefw. III, 233). Meer nog komt Heldrings brief van 7 nov. 1856 in aanmerking (Briefw. III, 247). Het gaat er over Groens evangelische mildheid, zo gunstig afstekend bij het wetticisme van Stahl.



54 

Wellicht had Groen het voornemen in de Historische brieven gebruik te maken van de brief d.d. 2 maart 1868 (Briefw. IV, 170‑173). De Liefde schrijft er, dat Groens eigenlijke vijanden `niet waren de liberalen, niet Thorbecke, niet de Roomschen, maar uwe vrome orthodoxe dominees, die stomme honden . . .' Zie ook Groens In memoriam in Ned. Ged., 2e serie, I, 128.



55 

Het verband tussen de datum en Merle is niet duidelijk. In de Ned. Ged., 2e serie, komt geen nummer van 7 jan. 1872 voor, in Briefw. IV geen brief van Merle van die datum. Merle overleed op 21 oct. 1872. Zie Ned. Ged., 2e serie, IV, 400; V, 1; 265‑275; 395; Briefw. IV, 583.



56 

Zie Ned. Ged., 2e serie, V passim.



57 

Secrétan bereidde samen met Heldring, Groen e.a. de bijeenkomst van 18 aug. 1848 voor. `Eenige hoofdgedachten' van Secrétan `omtrent aard en doel der Bijeenkomst van 18 Augustus' werden door Groen uitgegeven in de Nalezing der Brieven van Da Costa (III, 270). Groen kwam hierop terug in no. 16 van 16 dec. 1869 van de Ned. Ged., 2e serie (I, 125, 1). Cf. V, 273; H.O.W., p. 132,2


58 

Zie over de vergadering van 2 oct. 1848 in Diligentia te 's Gravenhage De Vries, p. 85; Verspreide geschriften II, 99,1.



59 

Cf. Adviezen 1856/7 II, 215 e.v.


98 Partijdigheid. ± 1873.1

Voor de bestudering der geschiedenis een radicaal gebrek. Integendeel. Een onmisbaar vereischte.2 Partijdigheid, zooals ik ze bedoel, is m.i. de conditio sine quâ non der onpartijdigheid van den geschiedschrijver, gelijk ze door onzen voortreffelijken historiekenner dr. Fruin, in zijne merkwaardige intreêoratie3, aangeprezen en in zijne geschriften in beoefening gebragt is. Beginselloosheid is van hetgeen hij en ik bedoelen de karikatuur. Wie zelf beginselloos is, maakt zich van het bij uitnemendheid historische der beginselen geen begrip. De beginselen zijn de feiten van den hoogsten rang. De feiten waarin de vormkracht der geschiedenis ligt: Ong. en rev. [, 2e dr.,] p. 14 al. 2 regel 7 - einde.4 `C'est sur des faits [que notre esprit s'exerce, il n'a que des faits pour matériaux, et quand il en découvre les lois générales, ces lois sont elles mêmes des faits qu'il constate . . . En étudiant les faits l'intelligence peut s'en laisser écraser; elle peut s'abaisser, se rétrécir, se matérialiser; elle peut croire qu'il n'y a de faits que ceux qui la frappent au premier coup d'oeil, qui nous touchent de près, qui tombent, comme on dit, sous nos sens: grande et grossière erreur; il y a des faits éloignés, immenses, obscurs, sublimes, très‑difficiles à atteindre, à observer, à décrire et qui n'en sont pas moins des faits, et que l'homme n'est pas moins obligé d'étudier et de connaître, et s'il les méconnaît ou s'il les oublie, sa pensée, en effet, en sera prodigieusement abaissée, et toute sa pensée portera l'empreinte de cet] abaissement.'5

Die een beginsel heeft, kiest partij. Onpartijdigheid is alleen in een partijman denkbaar. Partijman wordt iedereen die waarheid bovenal en dus ook in het beginsel, dat hij voor waar houdt, liefheeft. Uit die waarheidsliefde ontstaat een streven naar volledigheid van onderzoek. Een streven om regt te doen wedervaren aan elke wederpartij. Een waarheidsliefde, die voor de moeite der navorsching kracht geeft, en zoowel in openbaarmaking als in oordeelvelling, de verzoekingen der principiële voorliefde overwint.

Merkwaardig is het oordeel van Fruin over Bilderdijk. `Van den [geschiedschrijver te vorderen dat hij de geschiedenis anders schrijve dan hij ze zich voorstelt, is even ongerijmd als van den schilder te vragen dat hij een voorwerp afbeelde anders dan hij het ziet.

Wat volgt hieruit? Dat onpartijdigheid te vorderen van iemand die partijdig is, onredelijk zou wezen. Het is, te verlangen dat hij anders zal schrijven dan hij denkt. Laat een partijdig man, zoo hij zich geroepen acht om een geschiedenis te schrijven, partijdig schrijven. Hij trachte de overtuiging, die hem bezielt, zoo levendig, zoo sprekend mogelijk uit te drukken. Zoo zal hij althans een stuk leveren, dat kunstwaarde bezit, dat een reden van bestaan heeft. Zoekt hij daarentegen die overtuiging te bedekken en te bemantelen, om andersdenkenden geen aanstoot te geven en aan allen te voldoen, hij zal een misgeboorte voortbrengen, dat niet leven kan, omdat het beginsel van het leven moedwillig vernietigd is. En hij zal zelfs niet eens den schijn van onpartijdigheid kunnen bewaren, want onze overtuiging kunnen wij gelukkig niet verloochenen. Wij mogen haar verbergen zoo veel wij willen, op het onverwachtst straalt zij door, en geeft dan des te meer ergernis, naar mate zij schroomvalliger bedekt was. Reeds de eerlijkheid vordert dat men zijn oordeel te kennen en niet te raden geeft, dat men zich toont zoo als men is, en niet zoo als men denkt het minst te mishagen. Wat is het dat Bilderdijk zoo ergert in Wagenaar? Juist die bedekte partijdigheid.6 In plaats van ruiterlijk uit te komen voor zijn gevoelen, hartstogtelijk te roemen of te laken, zoo als Bilderdijk gewoon is, pleegt Wagenaar zijn eigen oordeel bescheiden te verzwijgen, maar den lezer als van zelf tot het vormen van een oordeel te leiden, dat met het zijne overeenkomt. Zoo houdt hij zich schijnbaar onzijdig, maar oefent inderdaad op de meening zijner lezers een even beslissenden invloed uit, als indien hij zijn eigen gedachte met kracht van taal had aangedrongen. Zeker, wij zullen den ruwen, heftigen toon van Bilderdijk niet prijzen, maar aan zijn ronduit spreken geven wij de voorkeur boven het behendig insinuëren, dat vele oogenschijnlijk minder partijdige schrijvers zich veroorlooven.

De onvergefelijke fout van Bilderdijk ligt, naar mijn oordeel, niet in zijn partijdige opvatting, maar in zijn gebrekkig onderzoek. Hij heeft zich de noodige moeite niet getroost om naauwkeurig te leeren kennen hetgeen hij beschrijven wilde. Hij heeft dezelfde fout begaan als de schilder, die zijn portret op het doek brengt voor hij den af te beelden persoon juist heeft opgenomen. Hoe fraai geschilderd, hoe geniaal opgevat, zijn stuk zal geen portret, maar een bloot fantaisiestuk] wezen': Fruin, De onpartijdigheid [van den geschiedschrijver,]p. 27 al. 1 regel 5 - p. 29 einde van al 1.7

Bilderdijk was een partijdige partijman. Een zoogenaamde geschiedenis kon hij schrijven; geschiedenis niet. Zij werd pleitmemorie en de voorliefde van den advocaat zou, vrees ik, ook bij nauwkeuriger onderzoek schier ongeneeslijk zijn geweest. Tout connaître serait tout pardonner, schrijft mad[ame] de Staël8, maar wetenschap baat niet, wanneer de vooringenomenheid aan het weten eigen kleur en licht geeft.9

-------
Noten bij no. 98. Partijdigheid.


1 

ARA, G.v.P., no. 106, eigenhandig ontwerp. Titel ontleend aan de inhoud. Deze heeft er misschien wel gestaan in het hs., maar lijkt er uitgeknipt. Vermoedelijk niet lang vóór no. 44 en 45 van de Ned. Ged., 2e serie (10 febr. 1874) geschreven. Ons no. lijkt een vingeroefening voor dat gedeelte van de Ned. Ged.



2 

Vrijwel dezelfde bewoordingen in Ned. Ged., 2e serie, V, 357 waar de bekende paradox volgt: `Onpartijdig kan hij alleen zijn, die partij kiest.' Zie ook p. 398; Maurice et Barnevelt, p. CVI.



3 

Hieronder aangehaald.



4 

Hier en bij het citaat uit Fruin tekende Groen aan: `h[oc] l[oco] l[audandum]'.



5 

Groen geeft de plaats wel op in de 1e dr. (p. 17, 1): Guizot, Civilisation en France I, 31 (= Cours d'histoire moderne I, 30).



6 

Fruin verwijst t.a.p. naar Bilderdijk, Geschiedenis des vaderlands I, 215; XIII, 66 e.v.



7 

Zie over Fruins oratie Maurice et Barnevelt, p. CIII‑CVII; over zijn waardering van Bilderdijks geschiedschrijving Rogier, Terugblik II, 128.



8 

Cf. Büchmann, Geflügelte Worte, p. 404. Aangezien Groen de juiste vorm van dit gezegde kende (cf. Maurice et Barnevelt, p. CLVIII), moeten we concluderen, dat hij hier in verband met de context (wetenschap/weten) `comprendre' verving door `connaître'.



9 

Belangrijke uitspraken over theorie en praktijk van de onpartijdige geschiedschrijver voorts in Beschouwingen, p. 128; 131, 1; 151/2; 206; Antwoord aan M. C. van Hall, p. 88; Handboek, p. VI; Ong. en rev., p. 67; Ong. en rev., 2e dr., p. 145; 293(*); 364; 386(***); Wat dunkt u? II, 37; Ned. Ged., 2e serie, I, 394; II, 161/2.


99 Over de kerk in de Parkstraat. 1875.1

Incognito schrijven behoort onder mijne geliefkoosde usantiën niet.

Er zijn evenwel omstandigheden waarin, om meer dan ééne reden, anonymiteit betaamt.

Thans wil ik gaarne, als eigen betoog, opnemen het artikel in de Haarlemsche Courant van 16 april2 omtrent het, naar mij voorkomt, miskende hoofdbeginsel der wet van augustus 1853.3

Apaisement4 van religietwist was het doel. Art. 235 een der gewigtigste artikelen ter doelbereiking.
Bij het aanhangig geschil over de oprigting van eene roomsch‑katholieke kerk in de Parkstraat te 's Hage, waarin eerstdaags door den Raad van State uitspraak zal worden gedaan6, behoort te worden gelet op de merkwaardige discussie van 24 augustus 1853 in de Tweede Kamer over de wet op de kerkgenootschappen (Bijblad, p. 337).7

Op de woorden van den minister van Justitie (Donker Curtius): `Men heeft gevraagd aan der zaak kundigen binnen welke afstand er geene hindernis van de eene kerk aan de andere zou worden gegeven, en de ruimte van 200 ellen is ons toen opgegeven.'8

Op de woorden van den heer V[an] Goltstein.9 Maar bovenal moet op den aard dezer wet worden gelet. Het schijnt, dat haar speciaal karakter in vergetelheid raakt. Door deze wet hebben de kerkgenootschappen een verkregen regt. Het regt om zich, volgens hare bepalingen, te vrijwaren tegen stoornis. Dit verkregen regt moet ook door elk administratief collegie worden gehandhaafd.

Alleen door de welwillendheid der wederzijdsche kerkgenootschappen is wijziging van het cijfer verkrijgbaar. Zoodra de onveranderlijkheid van het cijfer niet in het oog wordt gehouden, is het zeer ligt denkbaar (al stellen wij nu de mogelijkheid terzij), dat vroeg of laat in den Gemeenteraad, in de Gedeputeerde Staten, en zelfs in het hoogste administratief collegie, het verkregen regt der kerk van protestantsche of roomsch‑katholieke partijdigheid, van stembusspeculatie en populariteitsbejag afhankelijk worde gemaakt.

De Hervormde kerkeraad te 's Hage verzet zich. Daarmede is, in den zin en geest der wet, de zaak afgedaan. Had de kerkeraad toegestemd, ook dan nog, maar eerst dan zou de administrative magt moeten onderzoeken, of de publieke orde, door de nabijheid, gevaar loopt.

---------


Noten bij no. 99. Over de kerk in de Parkstraat.
1 

ARA, G.v.P., no. 106, door Groen gecorrigeerde drukproeven. Aant. van Groen op de omslag: `N[ed.] G[ed]. Vooralsnog terzijde leggen. 1875. Over de kerk in de Parkstraat.' In verso een strook van `Boekdrukkerij H. P. de Swart en Zoon 's Gravenhage.' Cf. Briefw. IV, 475, 5; V, 216, 4; Briefw. Groen‑Kuyper, p. 142, 6. In het desbetreffende onderdeel van no. 106 vindt men:

a. een door Groen met pen gecorrigeerde drukproef (1 blz.). Groen schreef erboven: `N.B. op p. 23'. Het is niet duidelijk waarop `p. 23' betrekking heeft. Wellicht aanduiding van het in de tekst genoemde art. (= paragraaf?) 23.

b. drie exemplaren van dezelfde drukproef waarin Groens correcties zijn aangebracht. Boven de eerste schreef Groen: `Niet plaatsen'.

Zie over deze aan de Heilige Jacobus gewijde kerk Waar Hagenaars kerkten, p. 178‑182.

2 

Cf. Briefw. IV, 796, 4. Het art. (vanaf `Bij het aanhangig geschil') staat echter in no. 90 van 17 april 1875 op p. 2 kol. 1/2 sub `Mededeelingen van verschillenden aard'.



3 

Cf. Adviezen 1856/7 II, 321‑345.



4 

Drukproef: `Apuisement'. Cf. Narede, p. 33; 96; Aan de kiezers [De Vries no. 96] IV, 1; V, 7; VII, 3; Adviezen 1856/7 I, 177‑182.



5 

Groen heeft kennelijk art. 7 op het oog van de wet van 10 sept. 1853, tot regeling van het toezigt op de onderscheidene kerkgenootschappen. Cf. Staatsblad 1853 no. 102. De aanhef van dit art. luidt: `Elke oprigting of inrigting van een gebouw tot uitoefening van de openbare godsdienst, binnen den afstand van twee honderd ellen van eene bestaande kerk, vereischt in het belang der openbare orde een onderzoek omtrent de plaats van vestiging.' Het is niet duidelijk waarom Groen art. 7 aanduidt als `art. 23'.



6 

Het advies werd uitgebracht op 5 mei 1875; cf. Briefw. IV 796, 6.



7 

Cf. Hand. S‑G (zitting van 14 junij‑10 sept. 1853), p. 337.



8 

Cf. Hand. S‑G, p. 339.



9 

In de Haarlemsche Courant volgt nog: `, die, op dien grond, zijn amendement introk'. J. K. van Goltstein trok zijn aanvankelijke bezwaren tegen art. 7 in met deze woorden: `Ik ben van de zijde der Regering behoorlijk ingelicht, dat deze afstand [van 200 ellen] alleen bepaald is ten gevolge van een gehouden onderzoek van deskundigen. Ik moet dus aannemen dat die afstand dien ten gevolge behoorlijk is geregeld en het voorbeeld, hetwelk zoo even is aangehaald, van de moeijelijkheid welke zich op het eiland Urk heeft opgedaan, bevestigt mij in het denkbeeld, dat deze afstand op goede gronden steunt.' Cf. Hand. van de regering en de Staten‑Generaal over de grondwets‑bepalingen III, 166; Schokking, Historisch‑juridische schets, p. 281; 340‑352.


HIER MOET NOG NUMMER 100 TUSSEN!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!

101

1   ...   70   71   72   73   74   75   76   77   78

  • Partijdigheid.
  • Over de kerk in de Parkstraat.

  • Dovnload 7.64 Mb.