Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina76/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   70   71   72   73   74   75   76   77   78
Historische brieven. 1875.1

In 1833 kwam ik in het Huis‑Archief. Van 1835 - 1841 zag de eerste serie der Archives het licht.2 Van 1841 tot 1846 het Handboek. Van 1846 tot 1857 had ik eenig aandeel in de historie van mijn eigen leeftijd. Van 1857 tot 1861 de tweede serie der Archives. 1862‑1865 derde druk3 tot 1813. In 1862 lid der Tweede Kamer. Desniettemin de eerste aflevering 1 jan. 1863; de tweede 31 oct. 1863; de derde 15 dec. 1864; de vierde 20 dec. 1865. En de vijfde. Eerst zeven jaren later. Geen wonder. Dit zevental is voor mij, al heb ik verscheidene moeijelijke tijdsgewrichten doorleefd, het moeijelijkste en het pijnlijkste geweest.



Een zevenjarig uitstel dat bij de uitkomst noodeloos bleek. Immers na 1813 is de derde4 druk herdruk.5 Omwerking en voortzetting minstens tot 1848 was en bleef langen tijd mijn oogmerk.6 Eindelijk heb ik begrepen dat deze taak te zwaar was. Het exemplaar waarop mijne aanhalingen en aanteekeningen te lezen staan7 kan misschien het bewijs geven dat ik aan dezen mijne krachten verre te boven gaanden taak althans geene moeite gespaard heb.8

De tweede druk is herdruk geweest. Bij inteekening en tot zeer verlaagden prijs. De eerste  12,10. De tweede  4,80. Aan Wormser heb ik dit denkbeeld te danken gehad. `Eenigen tijd [geleden heb ik met sommige heeren van de Vereeniging tot bevordering van Christelijke lectuur gesproken over eene poging om eene tweede editie te bezorgen van uw Handboek, in formaat, met letter en papier, het werk waardig. Maar ik hoop dat te eeniger tijd al uwe werken, met uitzondering van de Archives, voor het volk zullen verkrijgbaar gesteld worden, zooals men thans in Edinburg de werken van J. Owen uitgeeft, waarvan ik door tusschenkomst van den heer Tiddy9 thans het 1e deel heb ontvangen. Die uitgaaf is uitmuntend; gr. 8 formaat, groote letter, zeer goed papier, 5 deelen van 600 blz. per jaar voor één] guinje' (Brieven van Wormser I, 189 regel 1 - alinea 1, 28 febr. 1851).10 `Een toevallige ontmoeting op een zomeravond, dat Wormser met zijne vrouw en ik11 met de mijne eene wandeling deed en Z.E[d.] over het wenschelijke eener goedkoope uitgaaf van uw Handboek sprak, gaf aanleiding dat ik hem verzocht u dienaangaande een voorstel te doen, dat zulke gezegende gevolgen gehad heeft.'12 Ik schreef 10 julij: `Hetgeen ge [omtrent het Handboek schrijft, heeft mij aangenaam verrast. Ik heb slechts twee bedenkingen. Komt het u voor, dat er eenig uitzigt is voor Höveker om met goed financieel gevolg het werk zoo laag verkrijgbaar te stellen? Ten anderen zou welligt onze betrekking tot Kemink ten gevolge behooren te hebben dat hem vooraf gevraagd werd of de onderneming, op die voorwaarde, door hem begeerd] werd?' (Brieven van Wormser I, 228 alinea 1 van onderen). W[ormser] schrijft mij 14 julij 1851: `Ik heb Höv[eker gevraagd iets te mogen weten omtrent zijn uitzigt om met goed finantiëel gevolg den prijs van het Handboek zoo laag verkrijgbaar te stellen. Hij heeft mij daarop het bijgaande billet gezonden, dat ik niet terug behoef. Voor het overige acht men in het algemeen dat Höveker niet gewoon is zich omtrent zijne geldelijke belangen te vergissen. Ik heb bij de zaak een belang van gansch anderen aard. Bij scholen en kerken moet ons volk een eigen Huis‑Bibliotheek hebben van werken van blijvenden aard, die de ouders hunnen kinderen nalaten. Dit is sedert jaren mijn verlangen geweest. Er wordt door de Boekverkoopers op een onverantwoordelijke wijs gespeculeerd op de beurs van den burgerman, door hem te overstelpen met een stroom van dubbeltjes‑preeken en brochures, waardoor het volk altoos hetzelfde leest, tijd en geld verspilt en niet vooruit komt. Wanneer ik zie wat men in Engeland doet, dan behoort die zaak eens geschud te worden. Vele belangrijke werken kunnen goedkoop geleverd worden, zoo men tracht veel koopers te vinden. Het volk kan voor hetzelfde geld betere en blijvende lectuur bekomen; de boekverkoopers kunnen dezelfde verdiensten hebben, maar met een weinig meer arbeid. Indien door u tot de uitgave besloten wordt, hoop ik daarop zooveel invloed te mogen hebben, dat ik gelegenheid verkrijg de tusschenstanden te doen gevoelen, dat het Handboek no. 1 zal zijn van eene reeks belangrijke werken op die wijze uit te geven.13

Met Kemink ben ik wel een weinig verlegen; maar die verlegenheid wordt getemperd door overwegingen als de volgende: door u werd geen uitgever gezocht; - de aanvraag komt tot u; - de meeste boekverkoopers zullen de onderneming gewaagd achten; - van uwe zijde kon aan Kemink niet wel een gewaagde onderneming worden voorgesteld; thans zou het voor Höveker hard zijn te zien dat een ander ploegde met zijn kalf; zoo iemand, dan is Höveker door zijne relatiën en manier van handelen berekend om eene eerste onderneming van dien aard te doen gelukken; aan het welgelukken der zaak is veel, ook voor het vervolg gelegen; - het is van belang dat het blijkt dat ook andere uitgevers dan die van de Nederlander met de werken van den heer Groen iets durven] ondernemen (Brieven van Wormser I, 229‑230).14 De onderneming scheen niet zonder bezwaar. `Ook ik ben [overtuigd dat Höveker een goed financier is. Echter vind ik  4,80 voor een begin, voor een proeve die ook hare nadeelige kansen heeft, nog al matig. Hij zegt mij 10 jaren volstrekt noodig te hebben; eerst vroeg hij] 15 jaren' (Brieven van Wormser I, 235, alinea 2, 22 aug. [1851]). Spoedig overtrof de uitkomst Hövekers verwachting. De eerste druk15 2500 ex[emplaren]. Binnen tien jaren 2200 à 2300 verkocht. Het overige werd door mij geschonken.

-------
Noten bij no. 101 Historische brieven.
1 

ARA, G.v.P., no. 117, eigenhandig ontwerp. In Nagelaten papieren, p. 77 draagt dit stuk de titel: Aanteekening in zake het Handboek. Cf. Ned. Ged., 2e serie, V, 145 e.v.; 311; 313; 386.



2 

In 1841 verscheen de 2e dr. van dl. I. In 1847 verschenen nog dl. VIII en het supplement van de 1e serie.



3 

Sc. van het Handboek.



4 

Hs. onduidelijk.



5 

Cf. Handboek3, voorwoord: `Evenwel het tijdvak van 1830‑1840 bleef onveranderd. Wijziging zou niet veelbeduidend zijn geweest. Misschien vooral in het uitwisschen van elken spoor of schijn van ingenomenheid tegen de Belgen hebben bestaan.'



6 

Cf. Handboek3, voorwoord: `Voortzetting tot 1863, eerst bedoeld en ondernomen, heb ik voorbarig gekeurd. Dubbel voorbarig en roekeloos welligt in iemand die aan den strijd der beginsels, in de sfeer der wetenschap en der politiek, bijkans onafgebroken deel had.' Cf. Briefw. IV, 78, 6.



7 

Cf. Verslag van de aanwinsten der K.B., p. 302 waar naast andere drukken van het Handboek een derde druk `met aanteekeningen van den Schrijver' vermeld wordt. Zie voor verschillende voorstudies in manuscriptvorm: ARA, G.v.P., no. 47‑49 (1842‑1845), no. 17 (1869). Sub no. 61 een `Exemplaar met aanteekeningen' van de 5e afl. van de 1e dr. (1846).



8 

Cv. Briefw. IV, 959.



9 

Cf. Briefw. II, 535, 5; Brieven van Wormser I, 78.



10 

Cf. Ned. Ged., 2e serie, V, 387.



11 

Hiermee is H. Höveker, de uitgever van de 2e‑5e dr. van het Handboek bedoeld.



12 

Groen citeert hier uit een brief van Höveker aan Groen (ARA, G. v. P., no. 124) d.d. 27 nov. 1852. Cf. Briefw. IV, 657, 4. Zie over de ontmoeting ook Höveker aan Groen op 1 mei en 25 nov. 1873. Mededeling van mevr. van Essen.



13 

Cf. Ned. Ged., 2e serie, V, 388.



14 

In het hs. gaf Groen slechts aan, dat hij `de geheele br[ief]' wilde opnemen. Voorts vindt men diverse aanwijzingen voor inlassing (f[iat] i[nsertio]).



15 

Versta: oplage (van de 2e dr.).


102 Laatste vellen van de Nederlandsche Gedachten. 1875.1

[A.] Tempora mutantur et nos mutamur cum illis.2 Ook de Neue Evangelische Kirchenzeitung was, in vroeger jaren, nogal ingenomen met Bismarcks geniale politiek.3 In november 1875 niet meer. Thans is haar oordeel over 1866, over het uiteenspringen der Conservatieve Partij en meer nog over den genialen rijkskanselier zelfs uitermate scherp. Die magtige partij is, door eigen schuld en meer nog door het initiatief van Bismarck, aan stukken geslagen en niet ligt zullen de fragmenten weder tot eenheid worden gebragt.

`Man kann nicht sagen, dasz unsere Zustände befriedigend sind; selbst die Optimisten, wenn sie auf eine bessere Zukunft hinweisen, können doch in der Gegenwart keinen rechten Grund ihrer Hoffnung aufweisen. An dem materiellen Leben unseres Volkes zehrt eine Krisis, welche, ebenso sehr durch die Schuld einer wüsten und geldgierigen Speculation wie durch die Fehler einer unvorsichtigen Gesetzgebung bedingt, je länger desto heftiger wird und täglich neue Opfer fordert, nachdem sie die Wohlstand Aller erschüttert hat. In dem geistigen Leben der Nation treten die edlen Kräfte zurück hinter dem oberflächlichen Treiben eines Liberalismus, der von aller Selbst‑, Menschen‑, und Staatskenntnisz verlassen ist, und hinter dem Hasz, mit welchem die Ultramontanen das protestantische Preuszen, die Socialisten das ganze deutsche Reich verwüsten. Die deutsche Einigkeit ist auf dem Schlachtfelde errungen, in der Gesetzgebung garantirt; aber tiefer als ehemals Nord‑ und Süddeutschland, sind jetzt die Parteien getrennt, die Geister von einander gerissen; und über den Main, der die innere Einigung spaltet, scheint keine Brücke der Versöhnung zu führen. Das Staatsideal, welches der Deutsche in sich trägt und welches zuletzt in Preuszen nahezu verwirklicht schien, dasz jede berechtigte Kraft unter der Zucht und unter dem Schutz der Gesetze sich frei entfalten darf, ist nicht verwirklicht und für die nächtste Zukunft unmöglich. Denn es sind Kräfte losgebunden, die auf die Zerstörung des Vaterlandes gerichtet sind und eben deszhalb bekämpft werden müssen; in weiten Kreisen herrschend, wird die ultramontane und socialistische Weltanschauung durch das allgemeine Stimmrecht organisirt und bei jeder neuen Reichstagswahl in ihrer Macht dargestellt. Diese beiden Parteien scheinen unbesiegbar; jene unterliegt dem Culturkampfe, diese der Polizei nicht, vielmehr sind beide durch die Haltung des Staats in den letzten Jahren wesentlich gestärkt. Der Liberalismus, unfähig wo er es mit Ideen zu thun hat, steht seinen Gegnern hülflos gegenüber; aber rechthaberisch und über sich selbst im Unklaren, wie er est, hat er nicht den Muth, seine Sünden zu bekennen und abzudanken. Die grozse conservative Partei, zum Theil durch ihre eigene Schuld und wohl noch mehr durch das Vorgehen des Reichskanzlers, ist zertrümmert, und ihre Bruchstücke werden sich schwer zu einem Neubau eignen. In der Regierung wie bei den Regierten fehlt der richtige Compas; was die Thronrede zur Eröffnung des Reichstages in Bezug auf die wirtschaftliche Noth erklärte, das ist eigentlich die Signatur der ganzen Lage: wir können nicht helfen.'4

Ditmaal is de boetpredikatie inderdaad evangelisch. `Magteloos zijn we. De wijzen, zegt de profeet Jeremia, zijn beschaamd. Zie zij hebben des Heeren woord verworpen; wat wijsheid zouden zij dan hebben?'5

`So viel ist uns klar: den Kampf gegen Rom und den Altkatholicismus aufgeben,wäre für die preuszische Regierung eine Niederlage ihres Geistes. Der Liberalismus, der in seinen Organen ganz offen die Beendigung des Culturkampfes fordert, würde sich bald zufrieden geben; er ist in den Kirchenkampf ohne Glauben hineingegangen und hat bei dem Friedensschlusz wenig zu verlieren. Solche Kämpfe musz man im Geiste Gottes führen und nicht als blosze Machtfragen behandeln. Und bei diesem Punkt stehen wir wieder am Anfang, bei der Diagnose der Gegenwart. Es fehlt an religiöser Begeisterung und darum an unerschütterlichem Muth; man hat die christlichen Grundlagen verlassen und weisz nun keinen Baugrund; man will die religiösen Gedanken, weil man sie nicht entbehren kann, aber man will sie nicht in erster Linie, erst nach den Staatsgedanken soll das Wort Gottes seine Stätte haben. Aber es liegt im Wesen der Religion, dasz sie entweder Alles oder Nichts wird. Dieses Gesetz herrscht im Leben der Einzelnen wie der Nationen. Trachtet am ersten nach dem Reiche Gottes und seiner Gerechtigkeit, so wird euch solches Alles zufallen'.6

Zinrijke beknoptheid! Den christelijken bodem hebt ge verlaten en nu hebt ge geen bouwgrond. Als middel wilt gij de religie, niet als levensbeginsel. Gij stelt het staatsidee voorop en maakt de godsdienst aan uw lievelingsgedachte dienstbaar. Deze rangregeling is tegenovergesteld aan die welke het evangelie voorschrijft. Voor staat en individu is de godsdienst alles of niets. Tracht eerst naar het rijk Gods en Zijne geregtigheid en alle dingen zullen u toegeworpen worden.7


[B.]8 Meer dan ooit is en blijft overal, en dus ook in Nederland de religiekwestie en dientengevolge ook de onderwijskwestie op den voorgrond. Dus ook, of men het wil of niet (uitstel is geen afstel) de vraag naar herziening van de Onderwijswet.9 Laat mij nu in verband hiermeê de wegneming beproeven van een misverstand, hetwelk tot jammerlijke spraakverwarring en verdeeldheid aanleiding geeft.

Evenwel is het christelijk volksbelang waaraan10 ik een aanmerkelijk deel mijns levens gewijd heb, ook aldus niet in vergetelheid geraakt. Sedert maart 1874 heb ik weinig of niet deelgenomen aan de politiek van den dag. Althans niet aan dagbladenpolemiek. Historisch‑politischen arbeid heb ik geleverd. Evenwel ook daarbij steeds aan den eisch onzer dagen gedachtig.



Maurice et Barnevelt.11 Ook in dat werk, hetwelk mij onbeschrijfelijken arbeid gekost heeft, heb ik telkens in den consciëntiedwang van de Staten van Holland op den consciëntiedwang onzer liberalen gelet en gezinspeeld.

Schier te gelijker tijd met de uitgaaf was ook het tweede deel der Brieven van Wormser gereed. Evenals het derde der Brieven van Da Costa, rijk in bijdragen ter verklaring van de wijs waarop in 1857 het schier onverklaarbare tot stand kwam.

Sedert heb ik met dezelfde bedoeling mijne briefwisseling van 1856 en 1857 nader onderzocht. Ik vlei mij weldra12, zonder aanteekeningen (periculum in morâ dacht ik) te kunnen uitgeven wat mij, met het oog op herziening eener antinationale wet, dienstig voorkomt.

Temidden van dezen ook hartaangrijpenden arbeid, heb ik te weinig misschien op de couranten en op het Bijblad gelet. Eén punt evenwel is mij, zooals ik in De Standaard13 meermalen te kennen gaf, niet ontgaan. Namelijk het voortdurend verlangen naar herziening van art. 194 der grondwet.14 Onbegrijpelijk was mij deze terugkeer tot hetgeen dat lang afgedaan is. Onbegrijpelijk vooral dat dergelijk een aandrang, zelfs na 1872, zelfs thans nog, naar het schijnt ten mijnen gevalle geschiedt. Nogmaals wil ik de wegneming beproeven van een zoo schadelijk misverstand.


[C.] Ik zou het mij verwijten, indien ik niet aan Dr. Kuyper een woord van diepgevoelden dank bragt. Door te wijzen op hetgeen aan iedereen, die iets van politiek weet, in het oog valt. Zijn beleid en veerkracht hebben op de verhouding der partijen een magtigen invloed gehad. In drieërlei opzigten, door pligtmatige meêdogenloosheid in de toepassing der antirevolutionaire zinspreuk: In ons isolement ligt onze kracht.15

De uitkomst der verkiezingen van 1875 is drieërlei.

1. De Conservatieve partij sprong uiteen.

Sedert 1831 heb ik tot die rigting, volgens haar zonderling zamenstel, in tweederlei betrekking gestaan. Door twee citaten16 zal, voor wie het ook thans nog niet weet, de zaak duidelijk zijn. Vooreerst een opmerking van Thorbecke in november 1862, waartoe mijne toespraak aan de conservatieve rigting17 aanleiding gaf:


[D.] Ziehier wat de hoogleeraar Kuenen in november 1871 schreef.18 Over de schoolkwestie. Over de cardo quaestionis. Het citaat omtrent het al dan niet toelaten van eene gezindteschool betreft de uitspraak van eene Londensche Schoolcommissie tegen een Schoolverbond19 aan het Nederlandsche soortgelijk.

`Er moest eene proef worden genomen in eene of andere richting. Welnu, de richting, die de commissie heeft ingeslagen, is niet die van ``het schoolverbond''. Er zal - bij uitzondering en zonder consequentie voor het vervolg, maar dan toch - niet alleen kwijtschelding, maar ook vergoeding van schoolgelden plaats hebben. De beperkingen, waaronder dit geschieden zal, zijn zoovele concessiën aan `het schoolverbond'; het beginsel, waarvoor die vereeniging opkomt, heeft de Londensche schoolcommissie niet tot het hare gemaakt. Wèl heeft zij, vroeger reeds, besloten hare eigene neutrale scholen op te richten. Doch nu stelt zij de gezindte‑scholen in de gelegenheid om, onder niet al te bezwarende voorwaarden, te concurreeren met de nieuwe inrichtingen. Zóóver wilde ``het schoolverbond'' in geen geval gaan. Het blijft altijd eenigermate een waagstuk, over de wetgeving in een vreemd land een oordeel te vellen. Dán vooral, wanneer daar zooveel eigenaardigs valt op te merken als in Engeland. Toch wil ik niet verzwijgen, dat de Londensche schoolcommissie mijns inziens den voet heeft gezet op den goeden weg. In liefde voor de neutrale school wensch ik voor geen der mannen van ``het schoolverbond'' onder te doen. Maar daarom juist zou ik mij willen onthouden van elke poging om die school op te dringen. In haar eigen belang moet er prijs op worden gesteld, dat zij zich zelve den weg bane door hare deugdelijkheid. Elke pressie ten haren gunste zal de kerkelijke hartstochten in beweging brengen, tot groot nadeel voor de zaak der volksopleiding, waarom het toch in de allereerste plaats moet te doen zijn. Zou de ijver der kerkgenootschappen voor het onderwijs de vrijzinnigen doen vreezen of hen zelfs verleiden tot beperkende maatregelen? Het is zoo: de gezindte‑school beoogt óók de handhaving en voortplanting van haar dogma. Maar zij is toch gezindte‑school en werkt mede aan hetgeen in het algemeen belang wenschelijk is. Paulus verheugde zich, dat Christus verkondigd werd, al was het onder een deksel.20 Zouden de liberalen der 19de eeuw voor hem willen onderdoen? Past het hun, nadat zij de alleen‑zaligmakende kerk en dogmatiek hebben laten varen, te ijveren voor eene alleen‑zaligmakende school?'21

Leg naast deze scherp‑ironische vuurpijl (de alleen‑zaligmakende school) het geestige spotschrift waarvan de vrijzinnige pers, tot dusver, weinig melding gemaakt heeft.22

-------
Noten bij no. 102. Laatste vellen van de Nederlandsche Gedachten.


1 

ARA, G.v.P., no. 118, gecorrigeerde drukproef. Titel ontleend aan Nagelaten papieren, p. 77. Aant. van Groen op de omslag: `Ned. Ged. Varia'. Onder dit archiefnummer bevindt zich ook een exemplaar van no. 7 (29 april 1876 = Ned. Ged., 2e serie, VI, 49‑56).



2 

Cf. Zwaan, G.v.P., p. 629 s.v.



3 

Cf. Ned. Ged., 2e serie, II, 159; 163; IV, 152; L'empire, p. 14, 3; Briefw. IV, 59, 1; 62, 2; 64, 2.



4 

Cf. Neue Evangelische Kirchenzeitung 17 (1875), kol. 721/2 (no. 46 van 13 nov.). Groen citeert hier de aanhef van het anonieme hoofdart. `Zur Diagnose der Gegenwart', vermoedelijk afkomstig van hoofdredacteur Hermann Meszner. De drie spel‑ dan wel drukfouten heeft de bewerker stilzwijgend verbeterd met behulp van het originele art. De cursiveringen in dit fragment en in het volgende zijn van Groen.



5 

Cf. Jer. 8, 9.



6 

Groen citeert hier het slot van hetzelfde art. (kol. 723).



7 

Cf. Matth. 6, 33; Le parti, p. 81; La Hollande, p. 7/8; L'empire, p. 27; Parlementaire studien I, 19, 11/2; Von Gerlach, Die Grundzüge, kol. 244; Von der Revolution II, 1193; 1201; Guizot, Discours académiques (2e éd.), p. 81, 1. Zie ook n. 183 van no. 70.



8 

Na de als A. (door de bewerker) genummerde tekst vindt men eerst een aparte drukproef, die het hier sub B. afgedrukte stuk gedeeltelijk overlapt. Die drukproef is als Bijlage VI opgenomen in Briefw. IV, 917/8. Zowel op p. 917, 1 als op p. 847, 5 wordt abusievelijk verwezen naar ARA, G.v.P., no. 117 i.p.v. naar no. 118. In de elfde regel schijnt na `maakte' het woord `voorlegde' (met de betekenis `opstelde', cf. Aan de kiezers [De Vries no. 125] XIX, 2) vergeten te zijn door Groen. In verso van deze drukproef schreef Groen: `Nog ter drukkerij 24 november [18]75. Wat is nog bruikbaar? Afgedaan.' In verso van de eerste bladzij van B. schreef Groen met pen: `Deze strooken (die ik terug verzoek) behoeven niet te blijven staan.' Met potlood: `N.B. Dit is al hetgeen er nog staat van de Ned. Ged.'



9 

Van 1857.



10 

Drukproef: `waarin'.



11 

De Vries no. 148. Cf. Briefw. IV, 762‑782.

12 

Hieruit blijkt, dat Groen dit nummer van de Ned. Ged. aan het eind van 1875 samengesteld heeft. H.O.W. verscheen volgens de titelpagina in 1876, maar Groen kreeg al bedankbrieven vanaf 30 dec. 1875. Het voorwoord is gedateerd: 17 dec. 1875. Cf. Briefw. IV, 870‑879.



13 

B.v. van 11 mei 1875; cf. Briefw. IV, 805, 1; Ned. Ged., 2e serie, V, 400.



14 

In verso van C. een marginale aant. van Groen, die hierop betrekking heeft: `N.B. Deze strooken voor de Nederlandsche Gedachten bestemd betreffen mijne verhouding tot artikel 194 der grondwet.' Cf. Ned. Ged., 2e serie, VI, 7; 26; 33; 42.



15 

Zie over dit devies het gelijknamige art. van Fabius. Cf. Ong. en rev., 2e dr., p. 333(*); Register, p. [448] s.v. Isolement; Over het ontwerp, p. 4; 84, 1; Le parti, p. 76; Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. 33; Parlementaire studien II, 320; 336/7; III, 150; Wat dunkt u? II, 29; Zelfstandigheid herwonnen VI, 14; VII, 13; 21; Ned. Ged., 2e serie, I, 30; 66; 85/6; 114; 251; II, 172; 181/2; 330; 399; V, 39; 71; 124; 138; 192; 197/8; 214; 264; 398; Brieven van Da Costa II, 223, 1; 266; III, 26; 59; Index, p. X s.v. Isolement; XXII; XXIV; XLVI; H.O.W., p. 37; 42, 1; Briefw. IV, 135; Standaard no. 346 (15 mei 1873) met hoofdart. `Isolement'; Fabius, Studien II, 148; III, 14; IV, 115; V, 79; 145; XII, 123/4.



16 

Men vindt ze beide in Ned. Ged., 2e serie, VI, 5. Het eerste citaat stamt uit Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. 37/8. Het tweede uit Zelfstandigheid herwonnen III, 13/4.



17 

Cf. Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. 33/4.



18 

Kuenens art. De schoolquaestie in Engeland, in Nieuw en oud 1872, p. 42‑48 is gedateerd: 8 nov. 1871.



19 

The Birmingham School‑League; cf. Kuyper, `Ons program', p. 558.



20 

Cf. Fil. 1, 18.



21 

Cf. Kuenen, De schoolquaestie, p. 47/8. Alleen in de laatste zin is de cursivering van Groen. Cf. Kuyper, `Ons program', p. 559/60. Zie over Kuenens belangstelling voor Engeland ook Groens Studien en schetsen, p. 136 e.v.



22 

De neutraal‑christelijke staatskerk voor Nederland (geschreven door A. F. de Savornin Lohman; cf. Briefw. VI, 654, 677..In de drukproef volgt dan de hele alinea vanaf de 14e regel v.o., zoals afgedrukt in Ned. Ged., 2e serie, VI, 24. Men leest echter nog tussen de 3e en 2e regel v.o. in de drukproef: `De volgende twee laatste regels komen met het signalement der opgelegde Neutrale school door Kuenen volkomen overeen.'
103
1   ...   70   71   72   73   74   75   76   77   78

  • Laatste vellen van de Nederlandsche Gedachten.

  • Dovnload 7.64 Mb.