Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina77/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   70   71   72   73   74   75   76   77   78
Sur la foi. ± 1875.1

L'abîme qui se creuse tous les jours plus profondément entre les pasteurs et les troupeaux. Personne, je crois, ne songera à nier que les idées introduites dans le sein de nos églises par la théologie nouvelle sont, pour dire le moins, en dehors des notions religieuses du grand nombre. Quelque soit l'affaiblissement de la foi, il reste dans la conscience générale certaines vérités qui font l'aliment habituel de la piété, et qui, lorsque la piété s'alanguie2, ou s'efface, servent de point d'appui pour la ranimer dans les âmes.

A défaut d'un enseignement plus explicite, les formes de notre culte suffisent à elles seules pour rappeler et pour inculquer les vérités dont je parle. La lecture solennelle de la Parole de Dieu et les liturgies disent clairement aux plus simples que notre foi repose sur un témoignage surhumaine, et qu'elle a pour objet un Dieu manifesté au chair3, venu dans le monde en Christ pour le réconcilier avec soi‑même4, invitant les pécheurs à accepter de sa part l'offre d'un salut gratuit et assurant à tous ceux qui croient le pardon et la vie éternelle.

-------
Noten bij no. 103 Sur la foi.


1 

ARA, G.v.P., no. 106, eigenhandig ontwerp. De inhoud komt met Groens denkbeelden overeen, maar het is mogelijk, dat hij hier een Frans auteur afschrijft. De datering berust op gissing.



2 

Hs. abusievelijk: `allanguie'.



3 

Cf. 1 Tim. 3, 16.



4 

Cf. 2 Cor. 5, 19.


104 Over beginselen. ± 1875.1

Beginselen van welke wij het behoud des lands, zoowel als ieder voor zich, onze eigene behoudenis verwachten:

Groot moge de ophef zijn waarmede ongeloof en onwaarheid worden verkondigd; die ophef is voor hem die hooger ziet, niets anders dan eene reeds wegstervende vertooning. Alles toch wat machtig en geëerd is naar de wereld gaat als eene schaduwe voorbij; de schittering van eer en aanzien in de oogen der menschen verbleekt evenals de nacht, wanneer de morgenstond opgaat, en eenmaal - welhaast - blijft niets anders over dan die eeuwige dingen, die in het oog der wereld als loutere hersenschimmen worden geminacht, en de dag breekt aan, die voor vriend en tegenstander zal openbaren, dat slechts hij die den wille Gods doet, blijft tot in eeuwigheid!2

-------
Noten bij no. 104. Over beginselen.


1 

ARA, G.v.P., no. 106, afschrift (?) in de hand van mevr. Groen. Titel ontleend aan de inhoud. De datering berust op gissing.



2 

Cf. 1 Joh. 2, 17.


105 Aanteekeningen over de kabinetsformatie van 1856. 1876.1

Twee gesprekken met den heer de Kock.2 Op de wandeling; aan mijn huis.3

Den 18en mei 1856: Missive uit het Loo (no. 1).4

Den 23 mei: Antwoord (no. 2).5

Den 23 mei: Missive aan den heer de Kock (no. 3).6

Den 26 mei: Missive van den heer de Kock (no. 4).7

1 junij: Bezoek van Singendonck. Aan Van der Brugghen is het ministerie van Justitie aangeboden.8

2 junij: Bezoek bij Singendonck, na zijne conferentie te Rotterdam met Van der Brugghen. Deze had het in beraadslaging genomen, omdat ik had geweigerd.9 Z.M. wil het onderwijs geregeld [hebben]10 in mijn zin.

2 junij: Brief van Singendonck (no. 5).11

2 junij: Brief aan den heer de Kock (no. 6).12

2 junij: Antwoord van den heer de Kock (no. 7).13

3 junij: Conferentie met den heer de Kock.14 Van Hall zal 10 junij ontslag vragen. Had den koning bestudeerd, omsingeld, afhankelijk gemaakt. Uitgekomen [was dit] door zijne berigten omtrent prof. Mulder.15 - Onderwijswet. - Zou ik het ministerie van Buitenlandsche Zaken [willen aanvaarden]? Groote bezwaren [mijnerzijds]16: het tijdstip niet gelukkig. Eerst de behandeling der Wet in de Tweede Kamer. Vooral niet, gelijk het plan was, benoeming van het ministerie juist op 10 junij17: te smadelijk voor de kiezers; zweemt naar een coup d'état, naar minachting althans van den bestaanden regeringsvorm. Te haastig. Nooit iets aannemen, zoo niet degenen op wie men het oog heeft, in de gelegenheid zijn, eerst met elkander, daarna ook met Z.M., de hoofdpunten te bespreken.

5 junij: Brief van Singendonck (no. 8).18

11 junij: Brief van den heer de Kock (no. 9).19

11 junij: Conferentie met den heer de Kock. Eenige huivering bij Z.M. voor de gevolgen mijner benoeming; sensatie20 te sterk. Evenwel . . . zaterdag te 10 uur conferentie van Van der Brugghen met den koning. Wil ik ook? O ja, als ik verneem dat Z.M. het verlangt; ik wil mij niet opdringen.

12 junij: Brief aan den heer de Kock (no. 10).21 Ik wenschte dat de Tweede Kamer niet zou worden verdaagd. Het was reeds geschied. Nu wilde men mij niet vergen22 de conferentie van 13 junij23 bij te wonen. De koning aarzelde; maar Singendonck.24

14 junij: Brief van Van der Brugghen (no. 11).25

15 junij26: Conferentie met Van der Brugghen op Oud‑Wassenaer.

Een ministerie - Groen zou welligt zijn een ministerie - Polignac. Het is hard, het is grievend; maar het is zoo.27 Of ik opposant zijn zou? [Men moet] naar beginsels te werk gaan.28
Voor29 Binnenlandsche Zaken gevraagd B. Donker Curtius30 te Amsterdam, Tromp31 te Leeuwarden. Voor Buitenlandsche Zaken E. van Bylandt.32

14 junij: Aan Van der Brugghen opgedragen de vorming van het ministerie. Smits van den Broecke had bezwaren33; zou echter later34; doch nu wilde men liever een spreker.35

16 junij: Van Rappard onderwijs? Weigert. Alle ministers vragen ontslag.36 Berigt door De Kock aan Z.M., juist terwijl Van der Brugghen zijn mandaat nederlegt en de koning het terugneemt. Wederom opdragt van de taak.37 Geen minister van Roomsch‑Catholijke Eeredienst. Toch voortgaan. Aangeboden aan Borret38, Verheijen39, later Van Nispen van Sevenaer.40 Simons41 een uur gecatechiseerd. Regt ook voor de roomsch‑catholijken. Tegemoetkoming aan het christelijk gemoedsbezwaar, meer ernstige bestrijding van Thorbecke.41a Voor de openbare school de eisch der christelijke beschaving. Steunen op het protestantisme gelijk het bestaat.
Benoeming van het ministerie in de Staatscourant42, 's avonds vóór de herstemming te 's Hage (24 junij), tegen de waarschuwing van Philipse.43
Het overleg omtrent mijn deelgenootschap aan het kabinet is niet afgebroken door mij. Wel heb ik aangedrongen op instandhouding van het ministerie.44 Het was bekend dat de koning zelf tegen het tot stand komen der Wet gewetensbezwaar had.45 De zaak was nu in staat van wijzen gebragt. Met gespannen verwachting zag men de discussie eerstdaags tegemoet.

Den 12en junij waarschuwde ik tegen de verdaging der Tweede Kamer (f.i.).46

Den 14en junij ontving ik van Van der Brugghen den volgenden brief (f.i.).47 Mijn optreden zou verderfelijk zijn. `Een ministerie - Groen zou welligt zijn een ministerie - Polignac. Het is hard, het is grievend, maar het is zoo.' Nu was de groote vraag, waarvan zijn besluit afhankelijk gemaakt werd, of ik al dan niet opposant zijn zou. Tegen Thorbecke en mij zou teveel zijn. Onze langdurige zamenspraak was geheel onbeduidend. Telkens herhaalde ik hem gaarne te zullen ondersteunen, zoo mogelijk, maar niet met loslating van beginsels, maar geen zweem van eenig plan of gedragslijn werd mij kenbaar.

16 junij: Terwijl Van der Brugghen, ten einde raad, zijn mandaat neêrlegt, komt het berigt bij Z.M. dat alle de ministers ontslag hebben gevraagd. Andermaal wordt Van der Brugghen met de taak belast.


N.B. Mijne strikte geheimhouding. Zelfs [niet] aan mijne intiemste vrienden, behalve aan mijne parlementaire medestanders48, heb ik iets medegedeeld van de wijs waarop ik bij de kabinetsformatie in 1856 betrokken ben geweest. Zelfs niet aan Da Costa.49 Vooral na hetgeen onlangs in de Protestantsche bijdragen uit de papieren van Van der Brugghen is medegedeeld50, zal het noodig zijn niet ter wederlegging, maar ter aanvulling, te constateren welk mijn aandeel in het constitutioneel overleg geweest is. Thans dit slechts. Ik behoor onder degenen aan wie een schriftelijk oordeel over the state of the nation gevraagd is.51 Er is niets geweest dat naar een stellig aanbod geleek52, wel mijnerzijds, bij eventueel aanbod, een volslagen gebrek aan die luchthartige bereidvaardigheid welke mij steeds en toen vooral ongeoorloofd scheen. Het is allezins verklaarbaar dat dit abnormaal verschijnsel tot misvatting grond of althans aanleiding gaf. Aan mijzelven is door Van der Brugghen geen inlichting gevraagd.53 Zoodra de beteekenis van mijn schrijven: Verzint eer gij begint! duidelijk werd, reeds op 2 junij, toen het kabinet nog in fieri was, is er ook met mij ernstige gedachtenwisseling aangevangen.54 Zij is, na eenige dagen, afgebroken. Niet mijnerzijds. Ook Van der Brugghen zal niets, dat onopregt of onkiesch was verrigt hebben. Maar wenschen kon of mogt hij mijn optreden niet.55 In de eenige conferentie die ik (15 junij) met Van der Brugghen op Oud‑Wassenaer gehad heb, was het eerste woord: `Een ministerie - Groen zou welligt zijn een ministerie - Polignac. Het is hard, het is grievend, maar het is zoo.' Een dag of vier vóór de sluitingsrede56 (5 julij) werd mij het concept door Van der Brugghen medegedeeld. Toen was er nog niet in de zinsneê57 waardoor de raison d'être58 van het kabinet wegviel. Thorbecke werd bondgenoot en meester. Ik werd pligtshalve opposant.59 [Adviezen 1856/7] II, 197.
1854. Uithuizen.60 Geen petitioneren: Adviezen 1856/7 II, 123.61

1855. September. In de Tweede Kamer. Adres der predikanten.62

1856. - Nu.63 Roomsch‑catholijken en Simons.64

28 april.65 Aan de kiezers.66 Laauwheid bij vele vrienden. Discordia. Het ministerie ad terminos non loqui.67 Van Hall.68 Geraadpleegd.69 Van der Brugghen. Oud‑Wassenaer. Conceptt[roon]rede.70 Altijd [heb ik] daarop gezinspeeld.71 Van der Brugghen [heeft] altijd gezwegen. Oppervlakkigheid. Geen esprit de suite. De portée niet begrijpende.72 Geen menschenkennis. Sedert 1831 [was hij] tegen het systeem van 1806. Tegen de gemengde school.73 Protestantsche bijdragen (Qui trop embrasse mal étreint). Deel III, p. 109.74


Geen pleidooi, maar historie:

1. dat men weigering ondersteld heeft, waar rijp beraad begeerd werd;

2. het misverstand weggenomen zijnde, het afbreken van mijn aanvankelijk deelgenootschap [in]74a he[t] overleg niet mijnerzijds geschied is;

3. Van der Brugghen geen gedachtenwisseling met mij begeerd heeft dan nadat hij de taak aanvaard had. Conditioneel. Onder ééne voorwaarde: dat ik geen opposant zijn zou. Hij kon mij niet mededeelen wat hij zelf nog niet wist.

Tweede75 feit. Op 5 julij de sluitingsrede [die] het voldoen aan des konings last onmogelijk gemaakt en mij tot oppositie verpligt heeft. Ontbinding van de Tweede Kamer.76
Geen77 huivering der lafhartigheid die voor den kamp terugdeinst, maar berekening van den aard en ernst der taak die, als voorwaarde van onvervaardheid, aan den strijd voorafgaat. Geen weigering, maar aandrang tot meer rijpheid van beraad. Ik ontving een dankbetuiging. Eerst den 2 junij vernam ik dat Van der Brugghen de kabinetsformatie in beraadslaging had genomen omdat ik had geweigerd.78 Z.M. wil het onderwijs geregeld hebben [in] mijn zin. Het misverstand omtrent mijne weigering was weg. Omtrent de voor mij meest geschikte taak trad men in overleg. Tevens vernam ik dat de heer Van Hall, door het vragen van ontslag, de ontbinding van het ministerie schier onvermijdelijk had gemaakt.
Mijn advies (p. ) met de daarbij gevoegde missive (p. ) was opgenomen als weigering79 van verder overleg. Reeds 26 mei had ik hiervan berigt.80 Den 2en junij vernam ik dat Van der Brugghen, omdat ik had geweigerd, de taak had aanvaard. Z.M. wilde het onderwijs geregeld hebben in mijn zin. Het misverstand was weggenomen denzelfden dag. Ik betreurde zeer het ontslag van den heer Van Hall, die nog op 23 april beloofd had pal voor de wet te zullen staan.81 Discussie van het ontwerp zou haar onaannemelijkheid eerst bij de natie in het volle licht hebben gesteld. Desniettemin heb ik mij niet ongenegen verklaard om aan82 de taak van een kabinet ad hoc, hetzij als lid van het ministerie, hetzij met een speciale missie voor de onderwijswet deel te nemen. Niet mijnerzijds is aan het overleg desaangaande een einde gemaakt. Wel heb ik op den 12. junij gewaarschuwd tegen verandering van ministerie als ontijdig en noodlottig.83 Conferentie met mij heeft Van der Brugghen begeerd enkel om de verklaring te verkrijgen dat ik geen opposant zijn zou. Uit pligtbesef. Om Nederland te vrijwaren tegen de domme84 vermetelheid mijner politiek.
De indruk der zamenspraak schijnt voor Van der Brugghen geenszins bemoedigend te zijn geweest. Althans in mijne aanteekeningen lees ik: `16 junij. Alle ministers vragen ontslag. Berigt van den directeur van het kabinet aan Z.M., terwijl Van der Brugghen zijn mandaat neerlegt en de koning het terugneemt. De taak wordt wederom aan Van der Brugghen opgedragen.'
Uw ministerie.85

Het tijdstip ter kabinetsformatie scheen mij bij uitnemendheid ongeschikt. Zie p. 24 van mijn brief van 12 junij aan den directeur van het kabinet.86 Desniettemin is er geen onvoorwaardelijke weigering geweest. Het misverstand desaangaande was reeds den 2. junij weggenomen toen ik vernam dat aan Van der Brugghen de taak was opgedragen omdat ik had geweigerd; Z.M. wil het onderwijs geregeld hebben in mijn zin.

---------
Noten bij no. 105. Aanteekeningen over de kabinetsformatie van 1856.
1 

ARA, G.v.P., no. 82 (volgens Verslagen sub 81), De Vries no. 97, eigenhandig ontwerp. Gedrukt bij Van der Giezen, Een halve eeuw, p. 229‑232. Van diens tekstuitgave meent de bewerker menigmaal af te moeten wijken. Aant. van Groen op de omslag: `1856. Kabinetsformatie. Aanteekeningen.' Cf. Brouwer, Het binnenste, p. 293/4. Van het eerste gedeelte (tot `5 junij') is er nog een tweede - iets kortere - versie, die wellicht de basis gevormd heeft voor de hier afgedrukte tekst, hoewel ze in het archief enkele blaadjes verder geplaatst is. De regels wit geven deels de ruime afstand op één blaadje, deels de overgang van het ene blaadje op het andere aan. Lens heeft een aantal - tussen de briefwisseling van 1856 voorkomende - aantekeningen over hetzelfde onderwerp uitgegeven in zijn art. over Groen van Prinsterer en de ministerieele crisis van 1856. De datering volgt uit het feit, dat Groen in dit stuk H.O.W., p. 26 aanhaalt. Hij zal daarbij gebruik gemaakt hebben van zijn eigen aantekeningen van 1856. Een schifting naar jaartal lijkt niet wel doenlijk. Evenmin de eliminatie van de vele herhalingen. Groen heeft - waarschijnlijk in 1876 - sommige zinsdelen met potlood onderstreept en soms afkortingen aangevuld. Daar ze vrijwel allemaal evident zijn, is het niet nodig de typografie ermee te ontsieren. Van der Giezen heeft de afkortingen laten staan.



2 

Van 1854‑1868 directeur van het Kabinet des konings; cf. Briefw. III, 227; H.O.W., p. 109, 1: `De met de bijzonderheden der vorming van het Ministerie bekende Kabinets‑secretaris des Konings.'



3 

Cf. Briefw. III, 227, 1.



4 

Blijkbaar wilde Groen de authentieke stukken aan zijn relaas toevoegen. De Kocks brief van 18 mei 1856 is gedrukt bij Lens, G.v.P., p. 759‑761; Diepenhorst, G.v.P., p. 141‑143; Goslinga, Het conflict, p. 290/1; regest in Briefw. III, 226/7.



5 

Groen gaf zijn antwoord aan de koning uit in H.O.W., p. 18‑25 o.d.t Advies. Bij Lens (p. 762) staat abusievelijk: `pag. 218 e.v.' Reeds op 10 juli 1857 gaf Groen zijn voornemen te kennen dat advies bekend te maken `aan de Kamer en aan het Volk' (Adviezen 1856/7 II, 284*). Hij daagde toen Van der Brugghen uit `verlof [van den koning] tot volledige mededeeling, niet tot halve openbaarmaking' te verkrijgen.



6 

Bedoeld is de aan het Advies toegevoegde missive aan De Kock, grotendeels uitgegeven in H.O.W., p. 25/6; cf. Briefw. III, 227, 1; Goslinga, Het conflict, p. 294. In een van de twee onder no. 80 van ARA, G.v.P., bewaarde exemplaren van H.O.W. heeft Groen ook het begin van zijn brief erbij geschreven: `Ik neem de vrijheid mijn antwoord aan Z.M. op uwen brief van [18 mei l.l.] aan U H[oog] E[del] G[estrenge] te doen geworden. Mijn gevoelen omtrent den tegenwoordigen bedenkelijken toestand is daarin met de meeste openhartigheid vervat. Bij het onverwachte en verrassende der vereerende raadpleging zij het mij vergund u met bescheidenheid te herinneren aan hetgeen ik bij de nog vertrouwelijker vragen die mij mondeling door u voorgelegd zijn, telkens op den voorgrond heb gesteld. Namelijk dit:'.



7 

Bevatte `een dankbetuiging voor het advies en de toezegging, dat Z.M. het zou overwegen' (Briefw. III, 227, 1).



8 

Cf. Briefw. III, 229, 4; 940; Lens, G.v.P., p. 763; Goslinga, Het conflict, p. 294. De Kocks brieven aan Van der Brugghen d.d. 28 mei en 3 juni 1856 zijn afgedrukt bij Van der Giezen, Een halve eeuw, p. 226/7.



9 

Versta: geweigerd heette te hebben. Niet alleen in dit stuk, maar ook in andere geschriften heeft Groen die weigering ontkend. Zie Adviezen 1856/7 II, 196: `Weet gij, mijn vriend, dat een stellig aanzoek geschied is? dat er eene stellige weigering op is gevolgd?'; II, 284; 647; Aan de kiezers [De Vries no. 125] XX, 12: `Gesteld in 1856 ware mij de taak der regeling van het onderwijs opgedragen en ik had mij niet (gelijk men onderstelt en beweert) aan een weigering, aan het ongehoord vergrijp van ``niet te willen Minister zijn'' schuldig gemaakt . . .'; Parlementaire studien I, 7, 2; III, 52; H.O.W., p. 98; Briefw. III, 942; VI, no. 180, 185, 187, 189, 194, 238.



10 

Aangevuld naar de tweede versie.



11 

Gedrukt bij Lens, G.v.P., p. 764; regest in Briefw. III, 229.



12 

Hij verzocht De Kock daarin om een onderhoud; cf. Briefw. III, 229, 4; 942.



13 

In ARA, G.v.P.; cf. Briefw. III, 229, 4.



14 

Deze hele alinea komt bijna woordelijk overeen met de versie bij Lens, G.v.P., p. 765.



15 

Cf. Briefw. III, 17, 9; 239, 7.



16 

Ontleend aan de tweede versie.



17 

Op die dag werden de verkiezingen gehouden. De liberalen wonnen een zetel en Groen werd niet herkozen; cf. Briefw. III, 940 i.f.; 942; Goslinga, Het conflict, p. 295.



18 

Gedrukt in Briefw. III, 230; grotendeels ook bij Lens, G.v.P., p. 766.



19 

Nu verzocht De Kock Groen om een onderhoud; cf. Lens, G.v.P., p. 766.



20 

Bij Lens staat `Reactie' (p. 767).



21 

Gedrukt in H.O.W., p. 31‑33; cf. Goslinga, Het conflict, p. 295/6.



22 

Het transitief gebruik van dit werkwoord komt vaker voor bij Groen en zijn tijdgenoten.



23 

Op zaterdag 14 juni confereerde de koning met Van der Brugghen; cf. Lens, G.v.P., p. 767.



24 

Vermoedelijk is de zin: overtuigde de koning van de noodzaak Groen te laten vallen en (alleen) aan Van der Brugghen de opdracht tot kabinetsformatie te geven.



25 

Gedrukt in H.O.W., p. 34/5. Lens (p. 769) geeft abusievelijk `11 Juni' als datum op. Van der Brugghens briefje kwam - volgens Elout - aan op `Zondagochtend' (15 juni); cf. De Vries, p. 119.



26 

Het is vreemd, dat in H.O.W., p. 101 voor deze conferentie tweemaal een onjuiste datum genoemd wordt (14 resp. 13 juni). Waarschijnlijk is er verband met de fout op p. 105, waar met `Zaterdag den 12en Junij' zaterdag 14 juni bedoeld is, en met die op p. 104, waar i.p.v. `het misverstand van 14 Junij' 15 juni gelezen moet worden.



27 

Dit was Van der Brugghens `eerste woord' (H.O.W., p. 35). Cf. Van der Giezen, Een halve eeuw, p. 183. Volgens Mackay was de vergelijking van Groen met Polignac een vondst van Van Rappard; cf. Duyverman, Uit de geheime dagboeken, p. 62/3.



28 

Cf. H.O.W., p. 36: `Handelt ge overeenkomstig mijne u bekende beginsels, dan zijt ge van mijne bereidvaardige medewerking zeker; doet ge dit niet, dan kunt ge geen lijdelijkheid verwachten'. Zie ook p. 102; Briefw. III, 233, 6; IV, 827; Lam, Openbaar of bijzonder onderwijs, p. 93 e.v.



29 

Het nu volgende gedeelte (t/m `Philipse') weer vrijwel woordelijk bij Lens (p. 771).



30 

Cf. Briefw. III, 131, 5; 229. Deze neef van de minister van Justitie overleed in 1856.



31 

Vermoedelijk J. W. Tromp; cf. NNBW X, 1061/2. Groen bezat diens brochure uit 1848 tegen de rechtstreekse verkiezingen (zie bibliografie).



32 

E. J. A. van Bylandt; cf. Briefw. III, 857, 7.



33 

(De) Smit van den Broecke was minister van Marine van 8 febr. 1855‑1 aug. 1856; cf. Briefw. III, 231, 3; 942.



34 

daarop terugkomen? Het punt‑kommateken kan ook als i gelezen worden. Daarachter lijkt nog een letter (n?) te staan.



35 

Zijn opvolger werd Lotsy. Het was een slechte keus volgens W. van Lijnden; cf. H.O.W., p. 62. Volgens NNBW V, 323 onderscheidde Lotsy zich o.a. `door welbespraaktheid'.



36 

Cf. Briefw. III, 231, 3; V, 331, 3.



37 

Sc. aan Van der Brugghen; cf. Briefw. III, 942 sub 5.



38 

E. J. H. Borret; cf. Briefw. III, 103, 2; 942 sub 5.



39 

J. B. A. J. M. Verheijen; cf. Briefw. III, 943, 1.



40 

J. A. C. A. van Nispen van Sevenaer; cf. Briefw. III, 55, 7; 943; 945.



41 

G. Simons; cf. Briefw. III, 224, 1; 942: Hij werd door de rooms‑katholieken beschouwd als `ultra‑Protestant'. Volgens Van Assen stond hij echter bekend `als zeer stout in het belijden van zijn ongeloof' (H.O.W., p. 55). Cf. Van der Giezen, Een halve eeuw, p. 185; Duyverman, Uit de geheime dagboeken, p. 52; 69.



41a 

Cf. Briefw. III, 230 r. 9‑11. Misschien staat er i.p.v. `meer' `maar', zoals Van der Giezen (Een halve eeuw, p. 230) las.

1   ...   70   71   72   73   74   75   76   77   78

  • Over beginselen.
  • Aanteekeningen over de kabinetsformatie van 1856.

  • Dovnload 7.64 Mb.