Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina78/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   70   71   72   73   74   75   76   77   78


42 

No. 148 van 24 juni 1856.



43 

J. A. Philipse; cf. Briefw. III, 234, 3 en 4.



44 

Cf. Brieven van Da Costa III, 34; Van Welderen Rengers, Schets I, 154, 1.



45 

Cf. Over het ontwerp, p. 8; 155; Brieven van Wormser II, 197/8 (17 juni 1856).



46 

Zie n. 21.



47 

Zie n. 25.



48 

In engere zin waren dat alleen Elout, Van Lijnden en Mackay. Van Foreest, Hoffmann en Van Reede van Oudtshoorn stemden vaak met Groen mee.



49 

Cf. Brieven van Da Costa III, 44 (13 aug. 1856); Ned. Ged., 2e serie, V, 91.



50 

Groen doelt waarschijnlijk op de in 1860/1 geschreven, posthuum verschenen Studiën over de verhouding tusschen de beginselen van gezag en vrijheid op staatsgebied; uit de nalatenschap van mr. J. J. L. van der Brugghen. In Protestantsche bijdragen III, 369, 1 en 451, 1 verdedigt Van der Brugghen zijn ministerie tegen de critiek van Groen. Daar in deel IV en V geen aanknopingspunten te vinden zijn en III in 1872 werd uitgegeven, moeten we concluderen, dat Groen òfwel het begrip `onlangs' rijkelijk ruim interpreteert, òfwel dit gedeelte ver vóór 1876 op schrift heeft gesteld.



51 

Zie n. 5. De Engelse uitdrukking is misschien een reminiscentie aan Burke's Observations on . . . `The present state of the nation' (Works II, 7‑220).



52 

Zie Groens `wedervragen' aan Van der Brugghen in Adviezen 1856/7 II, 196; 283*‑285*; H.O.W., p. 18; Brieven van Da Costa III, 74. Hij had zich `niet ongezind verklaard' in een ministerie ad hoc `de behandeling der onderwijskwestie' op zich te nemen (H.O.W., p. 35; cf. Adviezen 1856/7 II, 284*; 647). De Liefde had reeds in 1857 zijn twijfel geuit over de feitelijkheid der aanbieding: `Het verwondert mij daarom geenszins, indien ooit werkelijk aan den heer Groen ene portefeuile aangeboden is, dat hij er voor bedankt heeft' (Over het ontwerp, p. 180). Kennelijk wilde Groen in die fase van de strijd nog geen opheldering geven. De parallel met de situatie van 1854, toen Da Costa `een ministerie Groen' gewenst achtte, is opvallend: `Misschien, zoo er aanbieding en aandrang geweest ware, zou ik de taak hebben aanvaard' (Ned. Ged., 2e serie, V, 86).



53 

Sc. vóór de conferentie op Oud‑Wassenaer; cf. H.O.W., p. 35: `Gedachtenwisseling met van der Brugghen, vóór 15 junij, is er niet geweest, evenmin als met een der andere leden van het toekomstige Kabinet.' De overige ministers moesten dus afgaan op Van der Brugghens optimistische verslag van de conferentie: `Na de raadpleging met mij over de Kabinetsformatie en hetgeen desaangaande door van der Brugghen was medegedeeld, had men zoo felle oppositie niet kunnen te gemoet zien' (H.O.W., p. 101). Nadat Groen in het begin van dec. 1856 vergeefs geprobeerd had Van der Brugghen tot een tweede conferentie te bewegen over de interpretatie van de eerste, voerde hij Van der Brugghen tegemoet: `Evenwel dit ééne mag ik niet onopgemerkt laten dat het mijns inziens voor de zaak beter geweest ware, indien er met ons, ik zeg niet als vrienden, maar als leden van de Kamer, eenig overleg althans vóór het begin der zitting geweest ware; indien gij niet aan ons, en bepaaldelijk aan mij, getoond hadt geenerlei gedachtenwisseling omtrent den politieken toestand te verlangen' (H.O.W., p. 109).



54 

Via De Kock en Singendonck.



55 

Cf. Adviezen 1856/7 II, 196: `zoudt gij mij aangeraden hebben de taak op te nemen?'



56 

Cf. Adviezen 1856/7 II, 166; 187; 286*; Brieven van Wormser II, 198; H.O.W., p. 49; 97; 107, 1.



57 

Sc. over de handhaving van `het beginsel der gemengde school, waaraan sedert 1806 de Natie gehecht is.' Cf. Studien en schetsen, p. 67; 91. Groen schreef deze zin toe aan Van Rappard; cf. Van der Giezen, Een halve eeuw, p. 186.



58 

Cf. Adviezen 1856/7 II, 167; H.O.W., p. 33; 48.



59 

Cf. Brieven van Da Costa III, 40: `Thorbecke werd bondgenoot en ik, uit beginsel, ook tegen wil en dank, opposant.'



60 

Ook in dat dorp ging het om het recht om een christelijke school op te richten; cf. Adviezen 1856/7 II, 60; 77/8; 82; 87; 89; 97; 99; 101; 108; 115; 120; 216*; Narede, p. 38: `Te Uithuizen, toen de openbare school, onder den invloed der Groninger leer, Christelijk genoeg (niet enkel om die aldus te behouden, maar om aan andersdenkenden een eigen school te ontzeggen) gekeurd werd'; p. 154; De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. 113, 1; Parlementaire studien I, 12, 10, 2; III, 152; Ned. Ged., 2e serie, I, 40; Brieven van Wormser II, 93. Het verloop der zaak in Nederlander no. 1149 (22 maart 1854)‑1530 (20 junij 1855), passim. Zie ook Open brief over vrijheid van onderwijs, p. 11.



61 

Men leest t.a.p.: `Het petitioneren scheen mij onraadzaam'. Daarna citeert Groen zijn beschouwing in Nederlander no. 1328 (20 oct. 1854), die aldus eindigt: `Het petitioneren moet eerst het gevolg van eigen onderzoek zijn.'



62 

Sc. van febr. 1856. Zie n. 18 van no. 74.



63 

Hs. onduidelijk. Als de lezing juist is, moet `Nu' betrekking hebben op 1856 of 1857, niet op de zeventiger jaren.



64 

Volgens Groen deed de antipapist Simons - onder supervisie van Van der Brugghen - onaanvaardbare concessies aan de rooms‑katholieken; cf. H.O.W., p. 122/3. Zie over Simons ook Adviezen 1856/7 II, 165; 188; 195; 203; 207; 226*; 242*; 266*; Studien en schetsen, p. 68; 91; 99; Brieven van Da Costa III, 40.



65 

Op 28 april 1856 stelde Groen aan de Tweede Kamer voor een commissie te benoemen `om over de verzoekschriften, die omtrent de voordragt op het lager onderwijs ingekomen zijn of nog zullen inkomen, een Algemeen Verslag in te leveren . . .' (De Tweede Kamer en de verzoekschriften, p. 2). Cf. Aan de kiezers [De Vries no. 96] I, 1; 3; VIII, 6; Adviezen 1856/7 II, 149 e.v.; Brieven van Da Costa III, 23; 29, 2; 40.



66 

Cf. Brieven van Da Costa III, 35; 38, 1; Brieven van Wormser II, 194.



67 

Groen vertaalt de uitdrukking met `tot zwijgen', `tot sprakeloosheid', `ten einde raad'. Cf. Nederlander no. 317 (11 juli 1851), 1374 (13 dec. 1854); Aan de kiezers [De Vries no. 125] VI, 5. Zij komt tientallen malen voor. De herkomst niet gevonden.



68 

Op 7 juni schreef Groen: `de ministeriële krisis zal ons overleveren of aan Thorbecke of aan van Hall, wiens ontslag welligt slechts eene manoeuvre is . . .' (Brieven van Wormser II, 195).



69 

Sc. Groen door de koning. Zie n. 5 supra. Cf. Adviezen 1856/7 II, 284*r. 8.



70 

Een verwarring met `het Concept der Sluitingsrede' (H.O.W., p. 47; cf. Briefw. IV, 827) ligt niet voor de hand. Evenmin met de in sept. 1856 uitgesproken troonrede (cf. Adviezen 1856/7 II, 166 e.v.). Waarschijnlijk doelt Groen op de noodzaak van een regeringsprogram, vervat in een concept‑troonrede. Voor een eventueel ministerschap stelde Groen slechts `ééne voorwaarde': `Namelijk dat, door gezamenlijke bespreking en vaststelling der hoofdpunten van het regeringsbeleid, in tegenwoordigheid des Konings, ik genoegzamen waarborg zou hebben van opregte en kordate homogeneïteit' (H.O.W., p. 35).



71 

Cf. Adviezen 1856/7 II, 196/7: `zou het te misprijzen zijn, wanneer . . . men huiverig is zich zonder voorafgaand overleg en rijp beraad met zoodanigen arbeid te belasten? huiverig om in deze Vergadering te belijden dat, op het punt der formatie van het Kabinet, een zoekend Ministerie gevormd is?'; II, 285*: `ik daarentegen ben altijd, en vooral ook in Mei en Junij 1856, van oordeel geweest, dat de vorming van een Ministerie niet dan het gevolg kan zijn van overleg, zoowel onderling, als daarna in het bijzijn van den Koning, omtrent de grondslagen en, in dergelijke crisis, omtrent de lijn der operatien van het Kabinet.'



72 

Cf. Adviezen 1856/7 II, 286*: `ik houd mij overtuigd dat de Minister den aard en de portée der daad niet ingezien heeft'; Studien en schetsen, p. 91; H.O.W., p. 49; 205, 2: `Van der Brugghen, in onverklaarbare zelfvoldaanheid en argeloosheid, heeft voorzeker noch den aard noch de portée der toegebragte wonde gevoeld.' Zie ook Van der Giezen, Een halve eeuw, p. 103.



73 

Cf. Van der Brugghen in Nijmeegsch schoolblad V (1848/9), 18 n.a.v. de `uitmuntende brieven' Aan G. graaf Schimmelpenninck van Groen over `dat jammerlijke en toch nog bewonderde stelsel van 1806'. Zie ook VI, 25; 35, 1; VII, 39; 66; VIII, 26 [abusievelijk 34 genummerd]; 50. Cf. Vrijheid van christelijk‑nationaal onderwijs, p. XXV, 1.



74 

Van der Brugghen geeft er in een aflevering van de hierboven genoemde Studien een beschrijving van `de antirevolutionaire Staatsleer.' In de Ned. Ged., 2e serie, V, 14, 1 beklaagde Groen er zich over, dat de redactie van de Protestantsche bijdragen dit stuk `zonder eenige kantteekening' geplaatst had; cf. V, 55, waar Groen repliek aankondigde. Die is echter noch in deel V en VI noch in de hierna verschenen gedrukte werken van Groen te vinden. In het hs. volgt hierna de in n. 1 gesignaleerde doublure. Volgens Van der Giezen (Een halve eeuw, p. 216) gaf bovengenoemde publicatie in de Protestantsche bijdragen Groen aanleiding tot zijn notities.



74a 

Cf. Van der Giezen, Een halve eeuw, p. 230.



75 

Blijkbaar beschouwde Groen de bovenstaande drie punten over de eigenlijke kabinetsformatie als het eerste feit.



76 

Aant. van Groen in verso onderaan dit vel: `Z.M., De Kock, J. A. Singendonck.' De plaatsing van de vijf laatste woorden van de tekst na de mededeling over 5 juli verhindert om hier aan Groens standpunt over de politieke toestand direct na 28 april te denken. Groen wenste toen rustig onderzoek van het wetsontwerp: `Eerst als vrucht der discussie zou er reden zijn voor Kabinetsformatie en Kamerontbinding; uitnemend standpunt voor een anti‑revolutionair bewind' (Brieven van Da Costa III, 40). Groens samenvatting van Gefkens brief aan hem d.d. 24 juni 1856: `Noodzakelijkheid eener ontbinding van de Tweede Kamer' (H.O.W., p. 46) is een objectieve weergave van Gefkens mening en vormt geen bewijs dat Groen inmiddels tot andere gedachten gekomen was. Zo komen we tot de conclusie dat de in sept. ontstane situatie bedoeld is. Na de adres‑discussie van sept. 1856 had Van der Brugghen aanvankelijk de Kamer willen ontbinden. Cf. Goslinga, Het conflict, p. 303: `De eerste ontmoeting met de Kamer liep dus daarop uit, dat Van der Brugghen, die eerst haar ontbinding onvermijdelijk had geacht . . ., voor haar zwichtte.'



77 

Op dit nieuwe blaadje is een deel doorgestreept. Het blijkt de minuut van Groens brief aan De Kock te bevatten vanaf `Ik huiver' tot het slot (H.O.W., p. 26). Zie n. 6. Vrijwel dezelfde passage (zonder de laatste twee regels en vanaf `Ik huiver bij' = H.O.W., p. 25) bevindt zich in ARA, G.v.P., no. 82 in verso van het door Groen als vel 1 genummerde blaadje, dat de tekst bevat vanaf `Geen huivering' (bij n. 77) t/m `onvermijdelijk had gemaakt.' Ook daar met potlood door Groen doorgestreept. Deze tekst vertoont enkele verschillen met de reeds gedrukte passage.



78 

Zie n. 9.



79 

Onderaan de bladzij enkele duistere notities die als uitwerking van deze bewering opgevat kunnen worden: `Als weigering. 2 junij. miss[chien?] w[eigeren?]. Kab[inets]f[ormatie] zou ik niet h[ebben] gew[eigerd]. Nog op 12 junij [was ik] ten ernstigste [bereid]. Maar de onderh[andelingen] zijn spoedig afgebroken. Maar casu quo heb ik mij genegen betoond om de taak v[an] [een] k[abinet] ad hoc, hetzij als lid v[an] het m[inisterie], hetzij met een speciale m[issie] aan te nemen.' Als we `miss.' tot missive aanvullen, levert de aanvulling van de `w.' grote problemen op. Van der Giezens lezing (Een halve eeuw, p. 232): `miss. 2' biedt geen oplossing. Zie over Groens bereidheid, ook in 1858, om een kabinet `ad hoc' te formeren Duyverman, Uit de geheime dagboeken, p. 61.



80 

Zie n. 7.



81 

Cf. Adviezen 1856/7 I, 187; II, 164.



82 

In het hs. staat vóór `aan' nog `in'. Een van de twee voorzetsels moet geschrapt worden.



83 

Groen gebruikt deze woorden ook in zijn samenvatting van de in n. 21 genoemde brief (H.O.W., p. 31).



84 

? Hs. onduidelijk. Van der Giezen (Een halve eeuw, p. 232) las `onbezonnen'.



85 

Cf. H.O.W., p. 35: `Uw Ministerie. - Tot vorming van een Ministerie waaraan, mijns inziens, . . . de discussie van het wetsontwerp behoorde vooraf te gaan, is mij geen opening geschied.' Cf. Van der Giezen, Een halve eeuw, p. 184.



86 

Zie H.O.W., p. 26.
1   ...   70   71   72   73   74   75   76   77   78


Dovnload 7.64 Mb.