Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina8/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   ...   78


1. De catholijken deel te doen hebben aan het schoolwezen. Er is thans een zelfstandig beheer over de scholen, in zeker opzigt onafhankelijk van de regering. Geene drijfveeren dan om het onderwijs zoo goed mogelijk te maken. Dat hebben Cuvier en Cousin zóó bewonderd. Niet in eene directie406; men heeft vele methoden beproefd. Niet langzamerhand, maar dadelijk de onevenredigheid herstellen.

2. Aan de kerken toezigt geven. De leeraars roepen407 om de schoolcommissiën, en de collegiën van toeverzigt. La garantie la plus complète.408 Onderscheid van belijdenis moet niet overgebragt worden in de school.

Eene tweede normaalschool408a is mij wel. Maar ik zou tegen de afscheiding der gezindheden zijn. Herziening van de Wet nuttig en noodig.
Van der Capellen.

Niet de bezwaren aliunde409 [behandelen].
7 januarij 1841.410
1. De aard en omvang der bezwaren. In betrekking tot het groote punt van de vrijheid tot eigene scholen. Ook die der protestanten. Het bezwaar van alle zijden toelichten; anders zouden zij het ergste lot hebben, die niet gerequestreerd, geene circulaires gezonden, geen onrust in de scholen gezaaid, maar zich op de wijsheid der regering verlaten hebben. Zijner Majesteits wensch; in de benoeming.411 Ook de rapporten van Binnenlandsch Departement412 en R[oomsch‑Catholijke] E[ere]d[ienst].413 Zelfs een Israëlitisch consulent.414 Men kan ons niet terzijde stellen. Want de bezwaren der roomsch‑catholijken moeten toch niet weggenomen worden op eene wijs die de protestanten bezwaren zou. Zoo wij het godsdienstig bezwaar niet in zijn geheel behandelen, voldoen wij niet aan de intentie des konings en aan de billijke verwachting der natie.

De bezwaren der catholijke kerkvoogden. Protestantsche rigting. Gegrond. Ongodsdienstige of valsch‑godsdienstige rigting. Dit het voornaamste. En toch is dit juist bij onze discussiën op den achtergrond geraakt. Het is zeer gegrond. Die strekking is algemeen. Nog algemeen in het onderwijs, zoowel als bij de natie en in de kerk. De verwaarloozing van het christelijk leerstellige; daardoor valsche leerstellingen. Op zeer weinige uitzonderingen na, zijn de leerboekjes in dien geest. De toongevers van het onderwijs insgelijks. Zie bijvoorbeeld de Bedenkingen, Rotterdam, 1838.415

Er is thans eene heilzame terugwerking. Ik vraag niet naar het getal, maar naar de waarheid van hun sustenu. Spoedig zal het meer worden erkend. Dit bezwaar, niet wat alle feiten betreft, maar wat de hoofdklagt aangaat, is gegrond en gewigtig. Ik beschouw de klagten slechts als de aanvankelijke manifestatie van eene zeer wezenlijke kwaal. Deze beschouwing in het rapport.416

2. De oorzaak der bezwaren. In de uitvoering. In de reglementen. Ook en vooral in de Wet. Om de vereeniging der gezindheden417, welke dat onderwijs ten gevolge heeft. De willekeurige admissie of weigering van bijzondere scholen.

3. De middelen van redres. De inconsequentie der roomsch‑catholijke kerkvoogden zie ik niet. Of splitsing of eigene scholen. Meer inconsequent van tegelijk te beweeren dat de geest van de Wet eigenlijk een godsdienstloos onderrigt wil, en dat het bezwaar niet ligt in de Wet. Maar nu! Tegen de protestantsche rigting zijn vele middelen en waarborgen voorgesteld; nader te onderzoeken. Tegen de onchristelijke weinig of niets. Ik heb twee middelen voorgesteld: verbetering der gouvernementsscholen en vrijheid van bijzonder onderwijs. Ook thans nog. Maar ik hecht, nu tenminste, vooral aan het laatste. Gaarne wil ik ter verbetering medewerken, maar goede scholen, christelijke scholen ervan te maken, acht ik onmogelijk. Ik meende voor de gemengde school een basis te zullen hebben in de gemeenschappelijke waarheden, die in onze christelijk‑protestantsche belijdenissen op den voorgrond gezet zijn, en die de Roomsch‑Catholijke kerk niet heeft verloochend. Maar die hoop was een droombeeld, een ideaal. In de tegenwoordige omstandigheden. Ook deze discussiën hebben het mij getoond. Men gaat uit van het beginsel: Eene school voor alle gezindheden; welligt zelfs voor de joden; althans voor allen die zich christenen noemen. Niets dat hun aanstootelijk is.418 Dan zijn er slechts twee resultaten, en wij protesteren tegen beide:

1. Godsdienstige strekking en christelijke zedekunde, waarmede zich de rationalist, de neoloog, en zelfs de jood vereenigen kan. Dit zagen en zien wij nog in werking. Alle scholen in een positief‑christelijken geest zijn anomaliën. Niet eens het systema aannemen dat alle godsd[ienstig]419 onderrigt er vreemd aan is; reeds420, indien er geen aanstoot gegeven mag worden. Het positief chr[istendom] geeft aanstoot. Vandaar ook dat men nu, bij de klagt over een antichristelijk onderwijs en désespoir de cause, tot een godsdienstloos onderrigt de toevlugt neemt.

2. De godsdienst buiten de school: vergoeding in afzonderlijke uren.



a. De gemengde school. Zonder godsd[ienstig] onderrigt. Dus nu juist omgekeerd: de vereeniging niet op christelijken grond, maar op den bodem der ongodisterij. En dit niet te sterk. Van concessie tot concessie. Geen psalmgezang. Geen bijbel. Een florilegium. De vertaling der roomsch‑catholijken. Wij zouden nog het Onze Vader, de Tien Geboden, enz. [behouden]. Niets van dat alles. Zelfs geen gebed. Om consequent te zijn, ook de naam van Christus niet meer. Ook ongodsdienstige onderwijzers. Anderen zullen voor zoodanige school bedanken; of telkens contraveniëren. Ook vreest men den invloed des leeraars. Aldus ontneemt men aan de school het karakter van een opvoeding‑gesticht. Slechts lees‑, schrijf‑ en rekenlessen. En dat [is dan] de volksschool. Bijna de eenige opvoeding die het volk ontvangt. Om een tweede voorbeeld van zoodanige inrigting te vinden, zou men den tijd der decades421 moeten raadplegen. Welk een voorbeeld!

b. De afzonderlijke uren.

1. Het zal zich waarschijnlijk reduceren tot het catechetisch onderwijs. De bijbelsche geschiedenis, de geschiedenis des vaderlands zal wel op de gemengde school blijven; zooals zij nu is, of erger.

2. Ik zie nog geene waarborgen. Eene circulaire? Vroeger is er eenigzins aan voldaan. Voorstel aan het synode.422 Maar hoe kunnen de predikanten?423 Velerlei zwarigheden. De staat maakt er zich vanaf, en draagt alles over aan de kerk. Maar dit mag niet. De staat moet goede scholen hebben, en hiertoe behoort godsdienstonderrigt, het zij dan op afzonderlijke uren. Een vader, een voogd mag het evenmin overlaten: hij wendt zich tot den leeraar. Maar hoe de kerk te dwingen? De kerk zal het verlangen; doch zij moet ondersteund worden.

3. In de praktijk ongenoegzaam en dikwerf nadeelig.



aa. Een enkel uur daags: bijbellezing en godsdienstonderrigt geheel op zichzelf.

bb. Welk onderrigt! In hoever evangelisch! Het godsdienstonderwijs onder den invloed der leeraars. Maar is dit thans een waarborg in de Hervormde kerk, in het kerkgenootschap dat dezen naam voert. Slechts een enkel woord hiervan. De bijbel naar ieders meening. Alles wordt geduld. De een neemt de verzoening niet aan; de ander doet onderzoek naar het wezen des christendoms en neemt alle de waarheden één voor één weg.424

Dus zullen de bezwaren niet weggenomen zijn. Noch omdat de school van al wat naar godsdienst zweemt, zal worden gezuiverd, noch omdat er nog welligt in eenige afzonderlijke uren leerstellig onderrigt zal gegeven worden. Veel erger dan vroeger. Leerstellig onderrigt moest ook nu. Een godsdienstig onderwijzer kon nog eenige heilrijke zaden strooijen. Thans verboden. Dat zal de vrucht zijn onzer commissies.

Ik onttrek mij niet aan de poging ter verbetering zooveel mogelijk. Indien wij zoodanige scholen moeten hebben, dan wil ik trachten bijbellezing en geregeld onderwijs, enz. te behouden. Maar ik wanhoop aan voldoende verbetering. Steeds half werk. Heilloos systema. Een gemengde school, aldus ingerigt zal teweegbrengen: onverschilligheid (De godsdienst als bijzaak, zonder invloed op het geheel.), twijfelarij, godsdiensthaat.

Is het wonder dat men dan vrijheid verlangt om iets beters te stichten? Maar hoedanige school wenschen wij?425 Niet verwaarloozen de kundigheden voor de maatschappelijke zamenleving. Niet overladen en hierdoor tegenzin wekken. Niet dringen in verborgenheden. Maar de waarheden die noodig zijn ter zaligheid, wenschen wij te maken tot het middenpunt der verstandelijke en zedelijke ontwikkeling van het kind. Niet veel behoeft het kind te leeren; maar het nuttige; en bovenal het ééne noodige.426 Dit ons rigtsnoer. De onderwijzer zij een christen; niet enkel met het verstand, maar ook met het hart. De bijbel zij er het boek der boeken; de grondslag van onderwijs en opvoeding. De geschiedenissen, voorschriften, beloften der Heilige Schrift, de bijbelsche, de algemeene, de vaderlandsche geschiedenis met de evangeliewaarheid in verband. Ook andere deelen van het onderwijs. De omgang, toespraak, vermaning christelijk. Van het kwaad afmanen, omdat het zonde is, overtreding van Gods wet. Tot pligtvervulling opwekken, uit dankbaarheid voor Gods liefde jegens ons. Aldus leden der kerk, nuttige burgers van den staat.

Zoodanige scholen niet bij gouvernementsbevel. Maar in een christelijk land behoorde de regering, in zoover haar de zorg voor het openbaar onderwijs opgedragen is, daarnaar te trachten. Dergelijke scholen kunnen er zijn; zij zullen er wezen, overal waar een christen, zonder belemmerd te worden, de kinderen onderwijst. Nu is het op de openbare scholen niet mogelijk. Of het volgens de Wet op de thans bestaande bijzondere scholen plaats mag hebben, of het bij oogluiking zou mogen geschieden, hierover is nog verschil. Maar, zoo de regering niet kan, laat zij dan tenminste voor anderen den weg openstellen.

Objectie: De weg is geopend; autorisatie.

Refutatie: Een treffend voorbeeld in onze discussie.

Prof. Kist ziet het ideaal in art. 22 en 23 van het Reglement.427 Hij vertegenwoordigt het gevoelen van velen. Zou hij nu voor dergelijke428 inrigtingen zijn?

Wij vragen de vrijheid tot oprigting van eigene scholen als een regt. Het regt van de ouders en vooral het regt van de kerk. Dit regt uit pligt jegens God. Wij vragen het als een grondwettig regt. Art. 190 en volgende.429 De geest van het zesde hoofdstuk.430 Daaruit volgt vrijheid van het bijzonder onderwijs. De Wet van 1806 strijdt daarmede. Art. 226.431 Kemper en Falck bij Besluit van 2 aug. 1815432 vrijheid voor middelbaar en hooger onderwijs. De regering moet zorgen dat er, naar gelang der behoefte, openbare scholen opgerigt worden. Zorg en openbaar. Twee bolwerken: de woorden worden dikwerf in restrictiven of ruimeren zin genomen. Maar de natuurlijke uitlegging is dat openbaar onderwijs gegeven wordt op de openbare scholen. Art. 3 van het Reglement.433 Zoo werd het ook steeds begrepen. Maar men kwam in verlegenheid. Toen werd de vague uitdrukking in het voordeel van het gouvernement gepreciseerd; en toen kwam men tot de aanmatiging uitgedrukt in de projectwet van 1829.434 Thorbecke [, Aanteekening], p. 305.435 L'instruction publique. Ministre de l'instruction publique? Hij laat zich gelegen liggen ook aan l'instruction privée; maar daarom is deze er nog geen deel van. Ministre des travaux publics. Werk van Cousin, sur l'instruction publique.436 Maar zie [Cousin, De l'instruction publique] I, p. 23 in fine.437 Loi sur l'instruction publique van 28 junij 1833 (Guizot).438 Art. 3: L'instruction primaire est privée ou publique.439 En dan Titre III: des écoles primaires privées.

Wij vragen het als eene noodzakelijkheid voor de rust en eendragt in het vaderland. Ik spreek nu niet van de tweedragt op de gemengde scholen zelve. Maar zoo die scholen voor het grootste deel der bevolking verpligtend blijven, zoo blijft ook het gewetensbezwaar hetzelfde voor de meeste roomsch‑catholijken, zeer vele protestanten; en sterker nog, wijl de hoop op redres afgesneden wordt.



Men late dan de twee systemata naast elkander. Noch het een, noch het ander door dwang. Of de openbare scholen zullen vallen, of de bijzondere; of zij zullen zich wederkeerig ondersteunen. Men rekene dan ook een weinig op den goeden geest der door het lager onderwijs gevormde bevolking. Ik wil de openbare scholen versterken; de concurrentie niet gemakkelijk maken. Of liever, ik verzet mij ook thans niet tegen die versterking. Mijn gevoelen is door hetgeen ik in de discussie gehoord heb omtrent de gemengde scholen aanmerkelijk gewijzigd. Ik beschouw de gemengde scholen als een vooralsnog noodzakelijk kwaad. Gaarne zou ik medewerken tot maatregelen die de splitsing kunnen voorbereiden. `De staat opgelost in kerkgenootschappen.'440 Dat zie ik niet in; maar wel dat de natie ééne ongeloovige volksmassa zou worden, met verdrukking van al wie zich die combinatie niet zou laten welgevallen.

Voorts, na hetgeen ik omtrent den geest en de strekking der Wet heb gehoord, is mij het ongrondwettige daarvan duidelijk geworden. Kan de koning, eigener autoriteit, eene wet wijzigen of buiten werking stellen, die hij acht strijdig tegen de grondwet te zijn? Dit is een der meest delicate punten van het staatsregt. Ik zou niet toestemmend durven antwoorden. Hier althans onraadzaam. Doch, bij dit ongrondwettige, moet Z.M. doen al wat mogelijk is. Armscholen, familiescholen, circulaires. Spoedige voorziening. Zoo eerst de gansche herziening van wetten en reglementen plaats moet hebben, dan of broddelwerk, of ad calendas graecas. Maar reeds in deze zitting zou aan de Tweede Kamer het beginsel kunnen onderworpen worden; zooals vroeger met de jury in 1829.441

Objectie: De Staten‑Generaal zullen het verwerpen.

Refutatie: Het is mogelijk, zelfs waarschijnlijk. Zij hebben zich, behalve in de crisis van 1829, slechts met financiële aangelegenheden beziggehouden; zij zullen willen volharden. Groote ondienst aan het vaderland. Maar de koning zal niet meer verantwoordelijk zijn. Later zullen zij de wet aannemen. En in een dergelijke zegepraal, door overtuiging en ervaring, ligt de ware kracht van een gouvernement.

Ik zou mijn geweten niet durven bezwaren door mede te werken tot eene zoodanig gewijzigde inrigting der gemengde scholen. Thans: nu een betere geest bij de natie is ontwaakt. De wetgeving, in plaats van dien te ondersteunen, zou dien tegengaan. Hier: in Nederland, waar men steeds op het evangelie prijs gesteld heeft; terwijl nu in Frankrijk, Pruissen, Engeland, België men verbetert in een christelijken zin. Vooral ook niet tot handhaving van een stelsel van willekeur en dwang.


7 januarij 1841.
Van Hugenpoth.

Er zullen weinige scholen opgerigt worden. Onze leeraars geven met ijver catechetisch onderrigt. Roede voor de schoorsteen is mijn doel met de eigene scholen.442 Bij Besluit. De lijn tusschen wetgevende en uitvoerende magt is niet scherp getrokken. De uitvoerende magt heeft geen regt van penale sanctie.
Van der Hoeven.

Het christendom heeft dikwerf weinig goede vruchten gehad.


Kist.

Dissentieert van G[roen] bijna in alle punten. Geheel eens met het resultaat. De quaestie van eigene scholen is een object voor de wetgeving.


Van der Capellen.

Verbetering van de scholen. Herziening van de Wet.


8 januarij 1841.
Denkbeeld van den heer Piepers omtrent eene additie, na de eerste alinea van art. 1443 van Besluit van 27 mei 1830.
Van Hugenpoth

Geen surrogaat, maar additamentum.
Van der Hoeven.

Vindt er nogal bezwaar in. De voorstanders beschouwen het Besluit van [27] mei [1830] als eene wezenlijke en nadeelige verzwakking der Wet van 1806. Indien toenadering, eenstemmigheid . . .444 Het een of het ander. Zoo men aandringt op eigene scholen, dan moeten de openbare scholen blijven hetgeen zij zijn. De bijzondere scholen in de steden zijn veel minder goed dan de openbare. De scholen der Maatschappij van 't nut van 't algemeen waren gemengde scholen.
Kist.

Geheel eens met Van der Hoeven. De zaak van mijnheer Mulder445 te Rotterdam.
Van der Hoeven.

De bedoeling van art. 4446 zal wel geweest zijn aan ééne en dezelfde familie.447 Zou men welligt kunnen bepalen: de kinderen van hoogstens drie huisgezinnen?
Lezing der stukken.448

Binnelandsch Departement stelt voor om meerdere449 leerlingen door zes te verklaren.

Raad van State merkt aan dat dit een weinig milde beperking zou zijn. Strijdig met de Wet van 1806 en vooral met het Besluit van 27 mei 1830. Zoo geene herziening, dan moet de nota van toelating beperkt worden tot een of ander bijzonder vak.

Binnenlandsch Departement inhaereert zijn gevoelen. Circulaire van den inspecteur, van 15 mei 1812.450 Het was Van den Ende (die wil drie of vier leerlingen).451 Geene beperking. Het breidt den werkkring uit. Zes kinderen uit verschillende huisgezinnen.

Raad van State: De inspecteur had de bevoegdheid niet om de beperkende uitlegging te geven. Het kenmerkend onderscheid tusschen school en onderwijs niet in het getal der leerlingen, maar in den aard van het onderwijs.


11 januarij 1841.
Wijziging van art. 1 van het Besluit van 27 mei 1830.452 Wenschelijk reeds terstond, in afwachting der herziening, een weg te openen. Dan kan de herziening zelve meer bedaardelijk plaatshebben. Dan is er minder ongelegenheid te wachten van de moeijelijkheden en botsingen, in geval van tegenstand en weigering. Korte termijn moet er worden gesteld. De bijzondere scholen [moeten worden] vrijgesteld van het vergelijkend examen. De onderwijzers voor bijzondere scholen der tweede klasse zijn eraan onderworpen: Besluit van 13 aug. 1831.453 Voor de eerste klasse onzeker. Onderwijzer van den tweeden, ondermeester van den derden rang. Art. 22 en 23 van het Reglement454 daarop niet toepasselijk.

Uitbreiding van het huisonderwijs. Art. 4 van het Reglement.455 De verklaring van K[ist]456 al te eenvoudig. Dan `door wie afzonderlijk aan de kinderen van één huisgezin onderrigt gegeven wordt.'457 `Eenen of meerdere'458: is onbepaald. Dus het art. 4 houden met dien verstande dat het `eenig gedeelte'459 gehandhaafd worde. Een huisonderwijzer zal aan de kinderen van hoogstens drie huisgezinnen in het gansche lager onderwijs onderrigt kunnen geven. Familiescholen?

Opzigt over de bijzondere scholen der eerste klasse: zie art. 13 van Reglement A.460 Dus hebben wij niets te doen met de hierarchie van den bisschop.

Bezwaren: de protestantsche rigting; de antichristelijke en onchristelijke rigting.

Oorsprong: de protestantsche rigting tegen de Wet; de onchristelijke rigting: daartoe is aanleiding, of althans daartegen is geene genoegzame waarborg in de Wet.

Middelen: verbetering der openbare scholen. De voldoende verbetering is onmogelijk. Daarom meerdere vrijheid van bijzonder onderwijs.

Verbetering: positief‑christelijk. Volksschool; geene461 lessen in schrijven, enz. Onderwijs onafscheidelijk van de godsdienst; bovendien onderwijs en opvoeding gaan hier hand aan hand. Dien stempel der onchristelijkheid mogen wij niet drukken. De kerken hebben niet slechts regt op bijzonder onderwijs, maar ook op462 een openbaar onderwijs in verband [gebragt] met de godsdienstige behoefte en gesteldheid der natie. Niet aanstoot geven; maar men geeft aanstoot, als men weglaat wat voor eene gezindheid onmisbaar is op de school. Maar dan de suprematie van Rome? Tot dusver niet; doch dit zou geene reden zijn om alle godsdienstig onderrigt te weeren, maar een bewijs dat er geene gemengde school hier te lande mogelijk is. Hierin gaat de roomsch‑catholijke geestelijkheid te ver. Dan zouden wij het doodvonnis van het schoolwezen onderschrijven. Ik wensch die gemengde scholen te behouden; maar door versterking, niet door verzwakking van het christelijk element.

De maatregelen waartoe de commissie Z.M. zou kunnen adviseren, zijn van drieledigen aard, naarmate zij door

I. Ministeriële dispositiën,

II. Koninklijke Besluiten,

III. Wettelijke bepalingen

zouden kunnen ten uitvoer worden gelegd.

1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   ...   78


Dovnload 7.64 Mb.