Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Subjectieve belastingplicht

Dovnload 337.93 Kb.

Subjectieve belastingplicht



Pagina1/9
Datum05.12.2018
Grootte337.93 Kb.

Dovnload 337.93 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9

Inkomstenbelasting

HC 1, 07-02-2017,


Subjectieve belastingplicht

Aan art. 1.1 staat dat aan de inkomstenbelasting natuurlijke personen zijn onderworpen. Die worden onderscheiden in binnenlandse en buitenlandse belastingplichtigen. De buitenlandse worden volgens andere regels belast. Bij de binnenlandse belastingplicht gaat het om personen die in Nederland wonen en die door een fictie geacht worden in Nederland te wonen. Bij de buitenlandse belastingplicht wordt geheven van natuurlijke personen die niet in Nederland wonen en niet geacht worden in Nederland te wonen, maar wel in Nederland inkomen genieten. De volgende heffingsbeginselen liggen ten grondslag aan de IB:



  • Woonplaatsbeginsel  is het belangrijkste beginsel. Als iemand in een bepaald land woont, wordt hij geacht op basis van dit beginsel in dat land belastingplichtig te zijn. Hij wordt dan voor zijn totale wereld inkomen in dat land belast.

  • Oorsprongsbeginsel  ligt ten grondslag aan de buitenlandse belastingplicht. Als je inkomen uit een bepaalde staat ontvang, heeft die staat daarop een heffingsrecht, ook al woon je niet in die staat. Als je valt onder hoofdstuk 7 en je woont niet in NL, dan ben je buitenlands belastingplichtige.

  • Nationaliteitsbeginsel  als je de nationaliteit van een land hebt, wordt je geacht in dat land belastingplichtig te zijn. In art. 2.2 lid 2 wordt de nationaliteitsfictie toegepast. Gaat om Nederlanders die in dienstbetrekking staan tot de Staat en zijn uitgezonden.

Hoe bepaal je nu waar iemand woonachtig is? De belangrijkste bepaling is art. 4 AWR. Daar staat dat naar de omstandigheden moet worden beoordeeld waar iemand woonachtig is. Die omstandigheden staan niet in dit artikel. De rechterlijke macht heeft criteria bedacht waaronder iemand ergens woonachtig kan zijn. De belangrijkste is waar iemand zijn hoofdverblijf is. Als dat in Nederland is, dan is dat een duidelijke aanwijzing dat hij in Nederland woont en in Nederland belastingplichtig is. Ook de woonplaats van je echtgenoot kan nog van belang zijn. Verder wordt nog naar woonplaats gezin gekeken en de arbeidsplaats. In art. 4 lid 2 staat een regeling voor schepelingen; mensen die aan boord van een schip wonen. Dat is een nadere uitwerking van een situatie die valt onder het eerste lid. Als je aan boord van een schip woont, wordt je geacht te wonen waar het schip zijn thuishaven heeft. Kom je op basis van lid 1 tot de conclusie dat hij aan boord van een schip woont, dan moet je dus naar lid 2. Hij is dan binnenlands belastingplichtig als de thuishaven van het schip in Nederland ligt. Je moet dan kijken wat de plek is waar het schip naar terug keert; wat de uitvalsbasis is. In art. 2.2 lid 2 IB staat de eerder besproken diplomatenfictie. In lid 1 staat de twaalfmaandenfictie. Als iemand op grond van 4 lid 1 niet in Nederland woont, kan hij toch op basis van deze ficties in Nederland geacht worden te wonen. De twaalfmaanden fictie is een bepaling die de positie van de belastingdienst moet versterken. Als je Nederland verlaat en binnen twaalf maanden weer terugkeert, wordt je geacht in die tijd ook in Nederland te hebben gewoond. Dit is niet het geval indien je ergens anders hebt gewoond of elders inkomstenbelasting hebt betaald. Dat moet je dan wel zelf aantonen.


Objectieve belastingplicht

Waar wordt je dan voor belast? In art. 2.3 wordt duidelijk gemaakt dat we drie soorten inkomen kennen: belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1), belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) en belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3). We hebben nu een analytisch stelsel van heffingen. Wordt zo aangeduid, omdat de drie categorieën tegen verschillende tarieven en verschillende manieren wordt belast. In art. 2.4 staat een verwijzing naar latere hoofdstukken in de IB, daarbij wordt er onderscheid gemaakt tussen de drie inkomensboxen voor binnenlandse belastingplichtige en die voor buitenlandse belastingplichtige.


Onder inkomen uit werk en woning valt alles wat in art. 3.1 staat. Het tarief staat in art. 2.10 (en 2.10a). Het tarief loopt op tot 52%. Dat behaal je relatief snel. Het is een progressief stelsel, dat houdt in dat je over de eerste paar euro’s een lager tarief betaald en naar mate je meer verdiend, betaal je over de meer verdiende euro’s meer. Als je in de hoogste schrijf valt, wordt je eigenlijk belast voor 56%. Als je IB betaald moet je de tarieftabel toepassen, maar je moet ook rekening houden met het feit dat je recht hebt op heffingskortingen. Dat wordt ervan af getrokken. De heffingskorting varieert ook met het inkomen uit werk en inkomen. Als je een laag inkomen hebt, dan heb je de volledige heffingskorting. Als je meer inkomen hebt, dan neem de heffingskorting af. Naar mate je meer gaat verdienen en je in een hogere schrijf valt, ga je niet alleen extra belasting betalen, maar neemt dus ook je heffingskorting af. Dat heeft tot gevolg dat je over ieder extra verdiende euro geen 52% betaald, maar in de praktijk 56% betaald. Op het moment dat de heffingskorting niet meer af neemt (ongeveer rond 100.000 euro) betaal je wel weer 52% over elke extra euro. Het marginaal tarief in de tweede, derde en vierde schrijf is dus hoger dan het aangegeven tarief.
Het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang is belast in box 2. In art. 4.1 IB staat de opbouw van box 2. Het negatieve resultaat van de ene box kan niet verrekend kan worden met een positief resultaat uit een andere box. Dat is het algemene uitgangspunt. Hierdoor kan je wel in totaal een negatief resultaat hebben, maar dat je alsnog inkomstenbelasting moet betalen. In art. 4.53 en 2.11a wordt dat systeem doorbroken. Onder omstandigheden kunnen verliezen uit aanmerkelijk belang toch worden overgeheveld naar box 1.
Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen is belast in box 3, art. 5:1 IB. Er wordt hier uitgegaan van een fictief rendement van 4%, wat in de praktijk met een spaarrekening niet meer behaald wordt. De grondslag is de waarde van de bezittingen minus de schulden. De 4% gold tot 2017 voor het hele inkomen van box 3. Inmiddels is het zo dat we te maken hebben met een fictief rendement dat uit drie onderdelen bestaat. Is een oplopend percentage dat oploopt als je een groter vermogen hebt. Met ingang van 2017 hebben we dus een gewijzigd systeem gekregen. Het tarief is 30% is box 3, dat is niet veranderd. Door de wijziging is het eigenlijk zo dat de heffingsgrondslag progressief is gemaakt en dat daardoor de heffing ook hoger is geworden naar mate je meer vermogen bezit. Er is veel discussie over box 3 en er zijn juridische stappen ondernomen door belastingplichtige tegen box 3. Ze stelde dat het systeem in strijd was met de rechten van de mens, namelijk het recht van eigendom. De Hoge Raad heeft voor een aantal jaren gezegd dat gelet op de historische rendementscijfers dat de wetgever in redelijkheid had kunnen besluiten tot het systeem. De heer Bouwman denkt dat de Hoge Raad het systeem niet snel onderuit zal halen, omdat er naar een langere periode wordt gekeken.
Ook voor buitenlandse belastingplichtige is een apart hoofdstuk, namelijk hoofdstuk 7. Belangrijk verschil is nog dat buitenlandse belastingplichtige bijna geen aftrekposten hebben. Verliesverrekening kan alleen binnen de boxen. Daar was nog een uitzondering voor aanmerkelijk belang box 2, daar hebben we het eerder over gehad.
Keuzeregime/ kwalificerende buitenlandse belastingplichtige

De kwalificerende buitenlandse belastingplicht (art. 2.5 IB) moet je plaatsen tegen het verdrag van de Werking van de Europese Unie. Daarin staan een aantal vrijheden. Een van de vrijheden is het vrij verkeer van werknemers. Dat vrije verkeersrecht ligt ten grondslag aan het keuzeregime. Het regime is voor een beperkte groep buitenlandse belastingplichtige van belang. De achtergrond is het Schumacker-arrest. Hierin was spraken van meneer Schumacker. Hij woonde in een lidstaat en werkte in een andere lidstaat. Daardoor verdiende hij zijn inkomen niet meer in zijn woonstaat, maar in zijn werkstaat. Dat leverde een probleem op. Hij had nog persoonlijke aftrekposten, daarbij moet je denken aan aftrekposten voor ziektekosten. Die zagen op zijn persoonlijke situatie (draagkracht en gezinssituatie). De werkstaat zei: ‘je woont hier niet en we kennen die aftrekposten alleen toe aan inwoners’. Hij had het probleem dat hij in zijn woonstaat geen inkomen genereerde. De woonstaat zei dat hij daarom niet kon aftrekken. Met dat probleem ging hij naar het Hof van Justitie van de EU. Hij stelde dat dit in strijd was met het vrij verkeer van werknemers. Het HvJ oordeelde dat het inderdaad een schending van het vrij verkeer van werknemers was en dat de werkstaat toch aftrek moet toestaan, ook al woont hij niet in de werkstaat. Deze rechtspraak zal geldt alleen in de situatie dat de betrokken belastingplichtige 90% of meer van zijn inkomen verdient in de werkstaat. Er was een artikel waarin stond dat de lidstaat mocht kiezen tussen de toepassing van Schumacker of behandeling als binnenlands belastingplichtige. De rechter oordeelde echter dat de voorwaarden die eraan waren verbonden, waren in strijd met het EU-recht. Daarom is het keuzeregime inmiddels ingetrokken. Daarvoor in de plaats is nu het regime van kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. Dat houdt in dat als je gekwalificeerd buitenlandse belastingplichtig bent, je recht hebt op persoonsgebonden aftrek en aanspraak hebt op heffingskortingen.


In art. 7.8 IB staat de faciliteit van de kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. De faciliteit staat in lid 1, 2 en 3. Deze categorie heeft dus net als binnenlandse belastingplichtige recht op aftrekposten en heffingskortingen. Ze worden dus behandeld alsof ze binnenlandse belastingplichtige zijn. Er zijn drie voorwaarden voor de kwalificatie (lid 6):

  • Je moet een inwoner zijn van de EU, van de EER, van Zwitserland of van de BES-eilanden.

  • Je moet 90% of meer van je wereldinkomen van Nederland voor de aftrek van aftrekposten hebben behaald.

  • Er moet een inkomensverklaring zijn van het woonland.

Deze regeling is verplicht. Als je aan de eerste twee voorwaarden voldoet, zou je al onder de regeling moeten vallen. De inkomensverklaring is een bijkomstigheid. Als je niet onder de regeling wilt vallen, dan laat je de inkomensverklaring gewoon achterwege. Je blijft dan buiten de regeling, ook al heeft de wetgever gezegd dat het regime dwingend is als je aan de eerste twee voorwaarden voldoet.
De 90% toetst is gedefinieerd in lid 7. Eigenlijk is die toets de uitkomst van deze breuk: Nederlandse inkomens in de zin van hoofdstuk 7 uit box 1, 2 en 3 (gecorrigeerd door bepaalde aftrek- en bijtelposten waaronder die voor de eigen woning) gedeeld door het verzamelinkomen (gecorrigeerd voor bepaalde aftrek- en bijtelposten, waaronder die voor eigen woning, zoals van toepassing voor binnenlandse belastingplichtige (wereldinkomen)). Als je lid 7 toepast, dan staat hetgeen wat boven de streep staat in het tweede gedeelte van lid 7. Het gedeelte onder de streep staat in het eerste gedeelte in lid 7. Het is dus niet heel duidelijk geformuleerd. Je moet allereerst kijken wat het inkomen is dat in Nederland is verdiend en ook ter voorkoming van heffing van dubbele belasting in Nederland mag worden belast. Men hanteert hierbij een soort bruto regeling, dus bepaalde aftrek en bijtelposten moet je neutraliseren voor de berekening van het Nederlandse inkomen. De eigen woning, moet eigen woning in Nederland zijn. Zal niet vaak voorkomen. Wat onder de streep staat is het totale inkomen, het wereldinkomen dat de belastingplichtige zou hebben gehad indien hij in Nederland woonachtig zou zijn. Ook hier bepaalde aftrek- en bijtelposten gecorrigeerd. Als de uitkomst van deze breuk 0,9 of hoger is, dan is voldoet hij aan de 90% toets. Voldoet hij ook aan de overige voorwaarden, dan is hij gekwalificeerde buitenlandse belastingplichtige.
Als je aan de toets voldoet, dan wordt je inkomen in beginsel nog bepaald aan de hand van hoofdstuk 7. De aftrekposten worden dan niet afgetrokken van het wereldinkomen, maar van het inkomen dat belast is in de werkstaat. Je doet dit voor box 1, 2 en 3:

  • Nederlands inkomen uit werk en woning

    • Minus: negatieve inkomsten uit buitenlandse eigen woning

    • Minus: uitgaven voor inkomensvoorzieningen

    • Minus: persoonsgebonden aftrek

  • Nederlands inkomen uit aanmerkelijk belang

    • Minus: persoonsgebondenaftrek

  • Nederlands inkomen uit sparen en beleggen

    • Minus: persoonsgebondenaftrek

    • Minus: heffingsvrije vermogen bij de berekening van de grondslag


Voorbeeld 1

A, 40 jaar, is woonachtig in Duitsland. A betaalt € 20.000 alimentatie aan zijn ex-echtgenote. A geniet uit een Nederlandse dienstbetrekking € 75.000 belastbaar loon. Uit een in Duitsland vervulde dienstbetrekking geniet A € 5.000 belastbaar loon. A is alleenstaand en in Nederland premieplichtig voor de volksverzekeringen.

Als je hier de breuk gaat invullen, dan is het Nederlandse inkomen 75.000 euro (boven de streep). Er wordt geen rekening gehouden met de alimentatie, dus die wordt er niet afgetrokken. Het wereldinkomen bedraagt 80.000. De meneer uit het voorbeeld kwalificeert als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. De alimentatie kan hij daarom in Nederland in aftrek brengen. In artikel 7.8 staat dat de 5000 euro belastbaar loon in Duitsland toegerekend kan worden aan de alimentatie, dus dat er maar 15.000 in aftrek kan worden gebracht. Dat is niet helemaal duidelijk zegt de heer Bouwman.


Voorbeeld 2

A, 40 jaar, is woonachtig in Duitsland. A betaalt € 20.000 alimentatie aan zijn ex-echtgenote. A geniet uit een Nederlandse dienstbetrekking € 75.000 belastbaar loon. Uit een in Duitsland vervulde dienstbetrekking geniet A € 10.000 belastbaar loon. A is alleenstaand en in Nederland pre­mieplichtig voor de volksverzekeringen

Als je hier weer dezelfde berekening maakt: 75.000:85.000. Dan valt hij niet onder de regeling, want er is niet voldaan aan de 90% eis.


Er geldt een soort aftrekbeperking voor belastbare inkomsten eigen woning, uitgaven voor inkomensvoorzieningen en persoonsgebonden aftrek voor zover deze in het buitenland in aftrek kunnen komen (lid 4). De berekening van de omvang inkomensafhankelijke aftrekposten en heffingskortingen is op basis van wereldinkomen (lid 5). Als je partner bent, kan je gezamenlijk ook voldoen aan de regeling (lid 6). Dan geldt wel dat voor hen gezamenlijk voldaan moet zijn aan de 90% eis. De 90% eis is in normale gevallen gewoon gehandhaafd, maar als je in je woonstaat en je werkstaat een relatief klein inkomen hebt (in beide), dan voldoe je misschien niet aan de 90% eis, maar kan je op basis van het EU-recht misschien nog wel op basis van Schumacker kwalificeren als gekwalificeerde buitenlandse belastingplichtige. Dus in die gevallen vervalt de 90% eis.

HC 2, 08-02-2017



Kwalificerende buitenlandse belastingplichtige.

We gaan eerst nog even terugkomen op de kwalificerende buitenlandse belastingplichtig. In de praktijk kan je er tegen aanlopen dat het standaardfiguur zich niet voordoet. Dat kan onder andere het geval zijn in de situatie dat je niet het hele jaar in Nederland werkzaam bent, maar een gedeelte van het jaar. De vraag is dan of je aanspraak kan maken op de regeling van art. 7.8. Stel iemand is in Duitsland woonachtig en werkt tot 1 oktober in Nederland. Daar heeft bij een inkomen van 90.000 euro. Daarnaast werkt hij nog 2 maanden in Duitsland en verdient hij 5.000 euro respectievelijk 15.000 euro. Hij heeft in Duitsland een eigen woning en dat levert negatief inkomen van 2.000 euro per maand op. De vraag is of je in dit geval tijdsevenredig art. 7.8 moet toepassen of het op jaarbasis gebeurd. HvJ heeft beslist dat in principe art. 7.8 op jaarbasis wordt toegepast. Betekend dat voor beide situaties moet worden bekeken of aan het 90% criterium wordt voldaan op jaarbasis. In de eerste variant is het totaal inkomen 95.000 euro. Meer dan 90% is in Nederland verdiend. In eerste variant is voldaan aan het criterium van 7.8. Dit geldt voor het hele jaar. De hypotheekrenteaftrek van 24.000 (2.000 per maand) kan in aftrek worden gebracht in Nederland. In de tweede variant waarbij hij 15.000 euro in Duitsland verdient, is het totaal inkomen van 105.000 euro. In dat geval is niet voldaan aan het 90% criterium. Nederland staat de aftrekpost niet toe, hij is geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige.


Stel dat de Duitser in de loop van het jaar in een niet EU-lidstaat gaat wonen en wel in een lidstaat blijft werken. Daarover is iets gezegd in art. 21bis van het Uitvoeringsbesluit IB. In dit overgangsjaar zou er waarschijnlijk nog aanspraak worden gemaakt op het Schumacker arrest.
Een ander voorbeeld is een procedure dat op dit moment nog loopt. Meneer X woont in Spanje en heeft daar een woning staan. Hij heeft daarop negatieve inkomsten van 30.000 euro. In Spanje heeft hij verder geen positief inkomen, maar wel in Nederland van 80.000 euro en daarnaast een positief inkomen in Zwitserland van 50.000 euro. De vraag is nu hoe in dit geval art. 7.8 moet worden toegepast. In dit geval valt ook Zwitserland onder het bereik van art. 7.8. Als je kijkt naar het 90% criterium in deze driehoeksverhouding is in Nederland en in Zwitserland niet aan het criterium voldaan. We hebben hier wel een situatie van een werknemer die in dit geval in een derde land negatieve inkomsten heeft uit een eigen woning. In zijn EU-woonland heeft hij het negatieve inkomen. In Nederland kan hij het niet in aftrek brengen en ook niet in Zwitserland. Had hij al het inkomen in een van de landen ontvangen, dan had hij wel recht op de aftrekpost. Je zou kunnen zeggen dat dit in strijd is met het vrij verkeer van werknemers, want het maakt het minder aantrekkelijk om in een andere lidstaat te gaan werken. De Hoge Raad wil nu van het HvJ weten hoe ze hier mee om moeten gaan.
Genieten van inkomen

Het genieten van inkomen gaat eigenlijk om de inkomenstheorie die achter de IB schuil gaat. Oorspronkelijk kon je zeggen dat de wetten nog sterkt gedomineerd werden door de bronnentheorie. De bronnentheorie houdt in dat er sprake is van inkomen op het moment dat er een min of meer duurzame bron is waaruit met enige regelmaat voordelen opkomen. Stel dat je te maken hebt met een vermogensbestanddeel en je verkoopt het voor meer dan je het destijds hebt gekocht, dan haal je een verkoop winst. De vraag kan dan zijn of deze winst onder de bronnentheorie valt. Het antwoord is nee, want vloeit niet voort uit de bron zelf, maar is een voordeel van vervreemding van de bron. De bron wordt daardoor niet aangetast.


Het begrip belastbaar voordeel is door de rechter ontwikkeld in de loop van tijd. Voor de vraag of er sprake is van inkomen (belastbaar voordeel) moet je aan drie criteria voldoen: voordeel beogen, voordeel moet redelijkerwijs te verwachten zijn geweest en deelname aan het economisch verkeer.
Voordeel beogen

Als aan alle drie de voorwaarden is voldaan, is er sprake van inkomen. In de praktijk is het vereiste van voordeel beogen op de achtergrond geraakt. Alleen als je in de privésfeer moet iemand werkzaam bent en je zou daaruit een voordeel verkrijgen, wordt nog weleens gezegd dat het alleen een voordeel is als het daadwerkelijk is beoogd. Een voorbeeld is een zoon die de tuin van zijn ouders onderhoud en daar een kleine vergoeding voor krijgt. Voordeel verwachten is wel belangrijk, want dat zorgt ervoor dat speculatieve voordelen (voordelen waar je niet zeker van bent of je ze ontvangt) buiten het inkomensbegrip valt.


Voordeel verwachten

Voordeel verwachten doet zich voor als het redelijkerwijs te verwachten is dat een activiteit voordelen zal opleveren. Dat doet zich niet voor indien bijvoorbeeld een varkensboer naast zijn activiteiten speculeert op de termijnmarkt. Dat behoorde niet tot de normale activiteiten van varkensfokken en die varkensfokkerij had niet de afloop van de termijnmarkt kunnen beïnvloeden. Dat betekend dat in dit geval niet voldaan was aan het criterium voordeel verwachten. Speculatieve voordelen vallen dus niet onder het inkomensbegrip. Dit criterium is ook nog voor een andere reden van belang. Stel dat iemand bijvoorbeeld op 75-jarige leeftijd nog een boerderij begint waarvan eigenlijk wel te voorzien is dat het alleen maar verlies gaat op leveren en er redelijkerwijze niet verwacht wordt dat hij voordeel haalt, dus is er geen sprake van voordeel verwachten en dus geen bron van inkomen. Daarmee kan het verlies dus niet ten laste van de overige bronnen van inkomen worden gebracht.


Deelname aan het economisch verkeer

Deelneming aan het economisch verkeer doet zich voor zodra je buiten de privésfeer treedt. Als je iets als gezinslid voor een ander gezinslid doet, zal het in beginsel niet in het economisch verkeer plaats vinden. Zodra je boven de gebruikelijke activiteiten in de privésfeer uit gaat neem je wel deel aan het economisch verkeer. Ook de bankovervaller die geld heeft buit gemaakt, wordt ook geacht deel te nemen aan het economisch verkeer en wordt ook geacht aan de andere criteria te voldoen. Hij wordt dus in beginsel belast voor de buit. Aan het vereiste deelnemen aan het economisch verkeer is dus snel aan voldaan.


Een dienstbetrekking is al een garantie dat er voordelen worden genoten, het is altijd het inkomen. Geldt ook als je aanmerkelijk belang-houder bent. De voordelen daaruit wordt ook geacht inkomen te zijn. Zo net al is aangegeven in het voordeel van de bankoverval, is onrechtmatig verkregen inkomen ook gewoon inkomen. Of het ook tot heffing komt is nog het tweede. Drugshandel valt hier ook onder. Onverschuldigd ontvangen inkomen wordt in principe ook gezien als inkomen. Komt in de loonsfeer nog weleens voor; dat er te veel wordt uitbetaald. Hoewel het onverschuldigd betaald is, is het in principe inkomen, tenzij de werknemer binnen een redelijk termijn te kennen heeft gegeven dat hij het weer terug zal betalen. Stel nou dat als je ten onrechte inkomen hebt en je moet het toch terug betalen, dan heb je op het moment dat je terugbetaald een negatief voordeel. Dus als de werknemer niet te kennen heeft gegeven dat hij zal terugbetalen, maar hij door de werkgever daartoe moet worden gedwongen. Dan is het ontvangst gewoon belast en op moment van terugbetalen dus negatief inkomen.
Toerekening tussen en binnen de belastbare inkomens

In de huidige IB moet je letten op de regeling van 2.14. Er is een regeling voor de rangorde. De eerste regel is dat je voor wat betreft het inkomen dat je ontvangt, je als het bijvoorbeeld gaat om inkomen uit arbeid, je de eerste bron van inkomen die in de wet wordt genoemd en kan worden belast, dat je de eerste categorie pakt en op basis daarvan belast. Indien blijkt dat een arbeidsvoordeel voortvloeit uit een onderneming, dan moet op basis van voordelen uit een onderneming worden belast. Stel nou dat het voordeel in principe als winst uit onderneming moet worden belast, maar daarvoor een (gedeeltelijk) vrijstelling is. Dat betekent dat de vrijstelling voor de hele wet doorwerkt. Als een voordeel op basis van de eerste in aanmerking komende regeling in de wet is vrijgesteld, dan is het niet mogelijk om datzelfde voordeel op basis van een latere bepaling in de wet alsnog in de belastingheffing te trekken. Geldt alleen maar niet als de wet daar uitdrukkelijk uitzondering op maakt.


En regeling staat in lid 2. Stel dat je een onderneming hebt met een pand erin. Met het pand en het bedrijf behaal je winst. De winst is belast in box 1. Dan kom je vervolgens in box 3. De vraag is dan of er sprake is van inkomen uit spraken en beleggingen. Je kijkt dan naar bezittingen en schulden. Je hebt een pand in bezit, zit wel in de onderneming, maar je bezit het wel. Wordt het dan belast in box 3? Is al een keer meegenomen in box 1; de wetgever heeft tot uitdrukking gebracht dat vermogensbestanddelen die gebruikt worden in box 1 of 2 niet nog een keer als bezitting worden meegenomen in box 3.
In lid 3 staat nog een anti-ontgaansbepaling. De wetgever was bang dat voor vermogensbestanddelen die toch in box 3 vallen, de vermogensbestanddelen heel kort voor de peildatum (1 januari) bezittingen van box 3 overbrengt naar box 1 of 2. De peildatum geldt namelijk voor het hele jaar. Als het op de peildatum in box 3 zit, wordt het geacht het hele jaar in box 3 te zitten. Om te voorkomen dat hier misbruik van wordt gemaakt, is in lid 3 geregeld dat het kort voor de peildatum brengen van bezittingen en weer terugbrengen wordt genegeerd en geacht wordt om op de peildatum in box 3 te zitten.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9

  • Objectieve belastingplicht
  • Keuzeregime/ kwalificerende buitenlandse belastingplichtige
  • Kwalificerende buitenlandse belastingplichtige.
  • Genieten van inkomen
  • Toerekening tussen en binnen de belastbare inkomens

  • Dovnload 337.93 Kb.