Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Subjectieve belastingplicht

Dovnload 337.93 Kb.

Subjectieve belastingplicht



Pagina6/9
Datum05.12.2018
Grootte337.93 Kb.

Dovnload 337.93 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

Resultaat uit overige werkzaamheden.

ROW is een ontzettend lastige bron van inkomen, art. 3.93 e.v. Het is een artikel dat al heel lang in de wet staat, maar altijd al een restartikel is geweest. Alles hoort erin thuis wat niet in een van de andere bronnen onder te brengen valt. Inkomen dat overduidelijk belast zou moeten worden kan daardoor toch belast worden. Het effect van het restartikel is ook dat het in de praktijk lastig toepasbaar is, want zo’n rechtsartikel heeft de nijging om divers te zijn in zijn verschijningsvormen. Je kan daardoor vrij makkelijk de discussie voeren over de vraag welk inkomen daarin thuishoort. Zo’n artikel is dan ook ruim geformuleerd.


Voorbeelden ROW

Wat hoort er allemaal in thuis? Een vergoeding voor het geven van een lezing op bijvoorbeeld de universiteit, indien je dat eenmalig of een paar keer doet en je niet in dienst bent bij de universiteit. Er moet dan geen gezagsverhouding zijn en dus niet in dienstbetrekking zijn. Een ander voorbeeld is het uitponden van onroerend goed. Daar zijn wel allerlei voorwaarden aan verbonden. De kern van die discussie is dat je ergens arbeid in steekt en je in staat bent om met de aankoop en de verkoop van de verschillende onderdelen winst te genereren. Alles wat de wetgever verboden heeft in het Wetboek van Strafrecht en als je daarmee inkomen genereerd, valt het bijna altijd onder ROW. Dus alle voordelen uit illegale activiteiten. Als een dief heel vaak steelt kan hij dat duurzaam doen en kan hij dus een onderneming hebben. Het verschil zit hem dan dus in de duurzaamheid. Een ander voorbeeld is nog het kopen van aandelen met voorkennis.


Tweedeling

Er is een tweedeling te maken in de ROW, art. 3.93 IB. De eerste is de categorie diensten. De tweede is de categorie vermogenstransacties. Die kunnen beide in de ROW zitten. Je kan je afvragen of die samen wel in één bron van inkomen horen, want ze gedragen zich heel anders in de praktijk.


Afbakening andere bronnen van inkomen

Als inkomen niet onder 3.93 valt, dan kan het voortvloeien uit een dienstbetrekking. Dan zal het hoofdzakelijk gaan om de dienstencategorie. Als het voortvloeit uit dienstbetrekking kan het geen ROW meer zijn door de rangorderegeling. Dus bij diensten is het de vraag of het in dienstbetrekking is of ROW.


Winst uit onderneming is ook een bron van inkomen. Dat zie je wel meer bij bepaalde vermogenstransacties. Uit een dienst kan ook winst uit de onderneming voortvloeien, maar dan moet je de dienst zelfstandig verrichten in het kader van een duurzame onderneming. Je moet kijken hoe het zich verhoudt tot box 3. Als je bij ROW aankomt, dan heb je je al afgevraagd of het een dienstbetrekking of onderneming was. De enige vraag is of het dan ROW is of box 3. Het grote tariefverschil is dat je bij box 3 maar 1,2 % betaald of iets meer en aan de andere kant betaal je maximaal 52% IB. Dit is dus grote reden voor discussie.
Je moet dus weten wat de kenmerken van een dienstbetrekking en het ondernemerschap zijn. Daarnaast moet je weten hoe aanmerkelijk belang en box 3 zich gedragen. Je moet dat hele plaatje overzien.
Discussie ROW

De discussies van ROW zijn lastig. Door de hoge tariefverschillen is het vaak een alles of niets discussie. Het verschil tussen gelijk krijgen of ongelijk krijgen loopt behoorlijk in de papieren. Het nadeel van de discussie is ook dat het bij wijze van spreken A of B is, maar er zit niet heel veel ruimte tussen. Je kan niet een beetje gelijk krijgen. De dreiging van het opleggen van de aanslag kan al heel verlammend werken richting een belastingplichtige.


Werking van de bron

Om te kunnen begrijpen hoe ROW in elkaar steekt moeten we terug naar de bronvoorwaarden die inherent zijn aan het bronnenstelsel. De Wet IB werkt volgens het bronnenstelsel. De aan een bron van inkomen toerekenbare inkomsten kunnen in de belastingheffing worden betrokken. Is er geen aanwijsbare bron, dan wordt het voordeel niet belast. In die theorie zien we eigenlijk dat een bron van inkomen wat problemen bij de beschrijving oplevert, omdat het een cirkelredenering oplevert. Een bron van inkomen is een bestanddeel dat de belastingplichtige positieve voordelen kan opleveren. Aan de andere kant valt onder de omschrijving van inkomen datgene wat zich van een bron heeft afgescheiden. De wetgever heeft om dit te verduidelijken de bronnen van inkomen in de wet genoemd. De inspecteur moet bewijzen dat er inkomen is dat getrokken is uit de bron. Heeft de inspecteur een goed verhaal, dan is het aan de belastingplichtige om het verhaal te weerleggen. De inspecteur moet dus aanwijzen onder welke bron het valt.


De artikelen waarin de bronnen omschreven zijn, met uitzondering van de ROW, hebben een bijzonder kenmerk. Het bijzondere kenmerk is dat ze een duidelijke herkenbare verschijningsvorm hebben. Als je namelijk voordelen gaat toewijzen uit de bron uit dienstbetrekking, dan weet je dat het bestaan van de dienstbetrekking een soort anker punt is om je hele standpunt om te gaan vormen. Je kan toetsen aan het begrip dienstbetrekking, want daar is duidelijke criteria voor. Bij een onderneming heb je een beetje hetzelfde hulpsysteem. Winst uit onderneming is gelukkig gekoppeld aan het bestaan van de onderneming. Het fysieke bestaan van een onderneming maakt dat het relatief makkelijk is om een voordeel toe te rekenen aan de onderneming. Bij ROW hebben we in feite geen algemene herkenbare beschreven verschijningsvormen van dit type voordeel. We hebben niet veel meer dan de algemene bronnentheorie om ons aan vast te houden.
Bronkenmerken art. 3.93

Uit de tekst van 3.93 blijkt niet veel, want de tekst is erg algemeen. Er zijn bronkenmerken die je achter het artikel moet lezen. Je moet onthouden dat er vier bronkenmerken zijn. Het verrichten van arbeid door de belastingplichtige, het deelnemen aan het economisch verkeer, het beogen van voordeel en het redelijkerwijs kunnen behalen van voordeel (de voordeelsverwachting). Deze vier criteria zijn de belangrijke broncriteria.


Je moet je realiseren dat we de voordelen belasten die voortvloeien uit de arbeidscapaciteit van de belastingplichtige. Het gaat dus niet om vermogensvoordelen. Het onderwerp van de arbeid kan natuurlijk heel goed vermogen zijn, maar daar moet je onderscheid tussen maken. Als je gaat uitponden genereer je wel voordeel waarbij het onderwerp van zijn handelingen een vermogensbestanddeel is, maar de winst realiseert hij omdat hij aan het werk gaat. Het zijn de vruchten van de arbeid die belast wordt. Dus het voordeel dat ook door iemand genoten kan worden die de hele dag niks doet, is geen ROW. Je moet dus continu in je achterhoofd houden of je wel de vruchten van de arbeid belast. Het arbeidskarakter is dus erg belangrijk.
De discussie over de vraag wat we aan het belasten zijn, komt het best tot uitdrukking wanneer we ons afvragen wat we moeten doen met de voordelen die door arbeid worden veroorzaakt, maar waarin het rendement op vermogen besloten ligt. Stel dat je een renderende onroerende zaak hebt en je rondom de onroerende zaak arbeid verricht waardoor je rendement uitstijgt boven het normale huurniveau. Moet je dan gaan splitsen tussen arbeid en vermogensrendement of moet je zeggen dat alles in de ROW komt omdat het arbeidscomponent zo belangrijk is? We zijn dus steeds bezig met het uitfilteren van de vraag of arbeid de oorzaak is van het voordeel van de belastingplichtige.
De bronvoorwaarden zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en hebben dus onderlinge samenhang. Ze zijn ook cumulatief; als een van de voorwaarden niet is vervuld, is er geen sprake van ROW. Als we dat goed toepassen, dan zouden we dus eigenlijk bij een casus alle vier de bronvoorwaarden tegelijk moeten toetsen. We mogen dus niet de fout maken door ze allemaal los stuk voor stuk te gaan toetsen. Dan kan je namelijk alles wel in de ROW doen, want er is bijna geen enkel voordeel te bedenken waar je helemaal niks aan arbeid verricht. We doorlopen ze wel individueel, maar relateren aan de andere onderwerpen. Je moet dus gaan kijken of hoe de arbeid staat in relatie tot de deelname in het economisch verkeer. Dan moet je weer kijken of de arbeid in het economisch verkeer in relatie staat met het willen behalen van voordeel. Daarna moet je nog kijken of die drie samen leiden tot de conclusie dat het voordeel ook redelijkerwijs te verachten was. Je moet ze dus in onderlinge samenhang zien.
Arbeid

Arbeid die door de belastingplichtige wordt verricht kan twee vormen aannemen. Dat zie je terug in de jurisprudentie, want de HR heeft een tijd geleden gesproken over de aard en omvang van de verrichte werkzaamheden. In die aard en omvang zitten de kwalitatieve en kwantitatieve componenten. Die zijn als het ware complementair aan elkaar. Als die twee in samenhang een bepaald minimumniveau overschrijden is er sprake van zodanige arbeid dat de bron wordt betreden. Als je van de een heel veel hebt, heb je minder van de ander nodig.


Voorkennis is hoogkwalitatieve arbeid, want maakt dat je met weinig fysieke arbeid nodig hebt. Je hebt dus weinig kwantitatieve arbeid nodig. Omgekeerd, is het meestal ook het geval. Als je arbeid hebt waarvoor je niet veel bijzondere kwaliteiten nodig hebt, dan zal de verklarende factor voor het realiseren van het voordeel wellicht zitten in de omvang van de arbeid.
Als je arbeid achterwegen laat en je door dat niet doen voordeel realiseert, dan zal dat waarschijnlijk ook arbeid zijn. Geestelijke arbeid zal ook wel arbeid zijn. Dan is er dus ook wel enige arbeid. Kan dus ook heel weinig arbeid zijn, als de kwaliteit maar hoog is. Dat feit moet de inspecteur weten te benoemen. Hij moet erachter komen hoe je het voordeel hebt kunnen verdienen. Ook de arbeid van derden telt mee. Dus stel dat je om je heen een groep mensen verzameld en hen taken toedeelt en daarmee vervolgens winst realiseert, dan moet je die arbeid van die mensen ook aan jezelf toerekenen. De arbeid van de notaris telt niet mee, want daar heb je een tarief voor betaald en is geen winst verhogende factor. In de arbeid van derden moeten aan dezelfde kwaliteitseisen voldoen als je eigen arbeid. De derden moeten dus een wezenlijke functie vervullen. De arbeid die ze verrichten moet van wezenlijke aard en omvang zijn. Bij deze voorwaarden moet je alvast nadenken over de andere drie vereisten.
Deelname aan het economisch verkeer

Deelname aan het economisch verkeer is over het algemeen een van de makkelijkere bronvereisten. In te literatuur wordt verklaard dat deze eis er is om alles wat zich in de particuliere sfeer afspeelt af te zonderen. Alles wat je doet in de familiaire kring waar een kleine vergoeding tegen over staat zou anders inkomen zijn. Je loopt aan tegen interessante vraagstukken. Een van die vraagstukken is of er sprake is van deelname aan het economisch verkeer als je wederrechtelijk handelt. Handelt iemand in het economisch verkeer als hij steelt? Inmiddels weten we uit de jurisprudentie dat alles wat wederrechtelijk is, ook in de heffing wordt betrokken. Een ander vraagstuk is of hobbyactiviteiten ook soms in het economisch verkeer plaatsvinden. Als je een moestuin hebt dan doe je dat in principe voor privédoeleinden en niet omdat je daarmee het handelsverkeer wilt betreden. Als je te veel komkommers hebt en er een paar langs de weg verkoopt, waar ligt dan de grens? Deze grenzen zijn moeilijk vast te stellen bij hobbyactiviteiten.


Het bekendste onderdeel van discussie is het persoonsgebonden budget. De vraag rees of een ouder die een beloning van haar zoon krijgt voor het uitvoeren van de zorg in het kader van het persoonsgebonden budget, was of de beloning belast moest worden. Ja, dat moest. Dat past ook volledig in het plaatje, want het is niet meer in de persoonlijke sfeer. Er zou anders geen beloning zijn.

Voordeel beogen

Voordeel beogen als bronkenmerk heeft een relatief bescheiden functie, omdat het voordeel beogen bijna altijd wel wordt onderkend. Het is lastig om vol te houden dat als je een ton hebt verdiend, je het voor de lol deed. Er zijn uitzonderingen. Een voorbeeld uit de jurisprudentie was een belastingplichtige die een huis zocht voor zijn dochter. Vader kwam een huis tegen. Het was een blokje van 3 woningen en moesten samen gekocht worden. De vader deed dat en twee zette hij te koop. Hij realiseerde daarmee winst, want door de verkoop had hij het huis van zijn dochter bijna gratis. HR: belastingplichtige heeft aangetoond dat het oogmerk niet was het handelen in huizen, maar het vervullen van woonbehoefte van de dochter. Het ging om het huis voor zijn dochter, dat hij daardoor toevallig winst maakte veranderd daar niets aan. Het motief van de belastingplichtige werd van belang geacht.


Voordeel verwachten

De eis voordeel verwachten is in de praktijk de lastigste en de belangrijkste. Deze eis moet je eigenlijk ombouwen qua criterium in een hele andere richting. Het feit dat je een voordeel redelijkerwijs kan verwachten zegt niet heel veel. Dit is in de jurisprudentie ingevuld, doordat je eigenlijk moet kijken of de belastingplichtige de financiële uitkomst van zijn handelingen heeft kunnen beïnvloeden. Als je iets kan beïnvloeden kan je het ook redelijkerwijs verwachten. Als je arbeid heel specifiek is gericht op het realiseren op het voordeel en het voordeel het kenmerk heeft dat het te beïnvloeden is door de arbeid, is het ook een logische verbinding tussen de elementen. Als het voordeel geen invloed heeft op het voordeel, waarom zou je dan arbeid verrichten? Met het oogmerk moet je het voordeel kunnen beïnvloeden. Daar zijn twee categorieën voor denkbaar: ofwel sprake van een gunstige aankoop ofwel sprake van het verrichte van werkzaamheden aan een goed. Als je het handelen niet onder die twee categorieën kan brengen, moet je ervan uit gaan dat je als inspecteur niet geslaagd bent in je bewijsopdracht.


Een voorbeeld van een gunstige aankoop is de situatie waarbij een belastingplichtige vooraf al weet (op het moment van aankoop) dat het voordeel in de transactie al ligt besloten en eruit rolt door het tweede deel van je transactie af te ronden.
Een voorbeeld van het verrichten van werkzaamheden van een goed is het kopen van een pand voor marktwaarde en juridische of fysieke aanpassingen maken. Je voegt waarde toe aan het pand en verkoopt het weer. In het boek staan nog meer voorbeelden.

HC 10, 08-03-2017,

In een zaak waren mensen voor een commissie gevraagd waarvoor geen beloning was afgesproken. Achteraf werd er toch aan de leden een beloning gegeven. De leden stelde dat er geen bron was, want ze hadden geen voordeel beoogd. De HR heeft toen gezegd dat dit anders is bij diensten. Als er sprake is van een geldelijke beloning die duidelijk staat tegenover arbeid die in het economisch verkeer is verricht, dan kom je niet meer toe aan de toets of er sprake is van voordeel beogen en voordeel verwachten. Gister hebben we gezien dat diensten een categorie van ROW is. De inspecteur moet bewijzen dat iets een dienst is.

Bij het piramidespel is het niet duidelijk of het een vermogenstransactie of een dienst is. De HR is daar nooit duidelijk over geweest.


Stel je hebt een huurhuis in Amsterdam en je gaat naar de verhuurder toe en zegt: ik huur van u voor 750 per maand en ik zou van plan kunnen zijn om te gaan verhuizen, wat heeft u ervoor over als ik vertrek? De markthuur is 1250 in de maand. Is dat bedrag dat hij krijgt belast of niet? Is geen verhuiskostenvergoeding, want heeft niet te maken met kosten voor de verhuizing. Daar is niet over geprocedeerd en blijft hangen in de aanslagregeling. Men weet dat het gebeurd, maar het is een onopgelost probleem.
Winstregime

Op het regime van ROW is een stelselwijziging doorgevoerd. Nu wordt er via het winstregime belast. Het winstregime is van overeenkomstige toepassing verklaard via een schakelbepaling in de ROW, tenzij specifieke elementen zo anders zijn dat het winstregime niet toegepast kan worden. Welke artikelen van toepassing zijn staat in art. 3.95. Ongeveer alle nadelige elementen zijn van toepassing en alle gunstige niet. Je wilt dus niet in de ROW terecht komen. Je kan dan beter ondernemer zijn, want dan heb je nog wat extra faciliteiten. Voor 2001 was het kasstelsel het toepasselijke stelsel. Stel je koopt aandelen, dan moet je gaan activeren en volgens goedkoopmansgebruik moet je een stelsel van winstneming kiezen. Dit is gek want iemand die in de ROW terecht komt is geen ondernemer. Het winstregime is van overeenkomstige toepassing verklaard, maar past dus niet altijd. Ondernemers en de resultaatgenieter moeten een administratie bijhouden. Als je dat niet doet, dan is er omkering van bewijslast. Stel dat de belastinginspecteur stelt dat jij iets hebt gedaan, namelijk een aandelenpakket gekocht. Je hebt daar niks van bijgehouden. De inspecteur vraagt hoe de transactie is gegaan en neemt het standpunt in dat het ROW is. Jij moet dan aantonen dat geen ROW is, terwijl je dacht dat het box 3 vermogen was. Je moet dus goed opletten met de analyse van een casus je ook nadenkt aan de complexiteiten die toepassing van het winstregime met zich mee brengt, zoals de formaliteiten.


Je kan je ook afvragen hoe de regels omtrent vermogensetikettering werken bij ROW. Er bestaat bij ROW geen keuzevermogen zei de SS. Hij bedoelde daarmee dat het onderwerp van de ROW geen keuzevermogen kan zijn. Als de belastingplichtige in december een aankoop heeft en verkoopt in december. Dan mag de computer die je daarvoor hebt gebruikt wel keuzevermogen zijn. In de oude jurisprudentie is hier nooit wat over gezegd. Dit is dus ook een vraagstuk dat nog nooit is opgelost.
De discussie over het begin en eind moment van je werkzaamheid zijn essentiële onderdelen die nog belangrijker zijn geworden met de invoering van het winstregime. Ook belangrijk is of de invoering consequenties heeft voor de snelheid waarmee de bron aanwezig wordt geacht. Daar gaan we later op in.
Wat betekend de invoering van het winstregime voor de belastingplichtige die een dienst verricht die over de jaargrens heengaat? Hij moet dan een openingsbalans maken. Die moet gemaakt worden naar de dag waarop de werkzaamheden zijn gestart. Het startmoment moet dus bepaald worden. Daarnaast moet de belastingplichtige bepalen wat er allemaal op de balans komt te staan. Je moet dan kijken naar de vermogensetikettering. Op het moment dat je aangifte doet moet je bepaald hebben of iets een werkzaamheid is of niet. Soms weet je dan nog niet of het een bron van inkomen gaat worden, omdat je nog niet weet of het inkomen gaat opleveren of niet. Je moet dus al met je billen bloot voordat je winst binnen hebt. Je moet ook een administratie voeren. Ook als het een dienst is zou je een administratie moeten voeren vanaf het begin tot het einde. Het eindmoment is ook belangrijk, want je moet ook een eindbalans maken. De begrippen die in de winstsfeer zijn ontstaan moet je kopiëren naar de ROW en herinterpreteren of ze nog wel van toepassing zijn of niet. Dit zorgt voor waarderingsproblemen.
De reden van de toepassing van het winstregime is het voorkomen van belastingarbitrage. Om een economisch voordeel te realiseren dat niet belast werd, kon je in het oude regime bijvoorbeeld schenken aan je partner of kinderen. Stel je hebt aandelen die in waarde gestegen zijn en die schenk je aan je zoon en hij verkoopt het door, dan was de schenking onbelast. Er was dan geen realisatiemoment, waardoor er niet belast kon worden. Dit is de enige echte reden waarom het winstregime van toepassing is verklaard.
Een andere oplossing om zonder te schenken toch belastingvrij winst te genieten is door te emigreren. Inmiddels kan dat niet meer. Als je de laatste paar euro’s in dat land realiseert, dan is het onbelast. Je zou toen ook de aandelen uit de ROW-sfeer kunnen inbrengen in het ondernemingsvermogen. Inbreng in de onderneming doe je altijd tegen WEV. Ook als je iets onttrekt doe je het tegen de WEV. De waarde sprong was onbelast, omdat je het vermogensbestanddeel opwaardeert in de ondernemingssfeer. Nu kan je alleen maar in de winstsfeer en er weer uit met afrekening. Hetzelfde systeem kennen we in de echte winstsfeer.
Art. 3.91 en 3.92 gaan over het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een eenmanszaak of aan de ab-houders. In box 2 horen de belastingplichtige thuis die een aandeel hebben in een vennootschap met een pakket dat ten minste 5% is. Art. 3.91 e.v. creëren eigenlijk een winstachtige categorie vermogensbestanddelen die zich gedragen alsof ze in een onderneming geëxploiteerd worden met de daarbij behoren afrekenverplichtingen, maar die niet horen tot het vermogen van de onderneming/vennootschap waar ze aan ter beschikking zijn gesteld maar op zo’n manier samenhangen dat ze niet in box 3 terecht mogen komen. De wetgever was bang voor misbruik. Stel je hebt een pand en verhuurt aan onderneming van partner. Je laat je meer huur betalen, omdat het voor de onderneming aftrekbaar is en voor de verhuurder onbelast. Dat is de gedachte waar de wetgever zich druk over heeft gemaakt en de terbeschikkingstellingregeling in het leven heeft geroepen.
Vermogensbestanddelen die ter beschikking worden gesteld door de belastingplichtige aan een specifieke groep andere belastingplichtige die bij wet omschreven is ten behoeve van de uitoefening van eenmanszaak, vof of BV die vallen binnen een andere bron van inkomen en trekken we weg uit box 3 en plaatsen we onder box 1. Daar moet je ook een balans van bijhouden. Je moet doen alsof hij op een fictieve balans staat en dus afschrijven, een waarderingsstelsel kiezen etc. Alles is winst denken.
De wetgever heeft die bepalingen vrij breed beschreven om ervoor te zorgen dat er veel onder valt. We gaan nu even kijken naar art. 3.92. De belastingplichtige stelt iets ter beschikking aan een BV waarin hij of bepaalde personen een belang hebben. Het gaat om het rendabel maken van vermogensbestanddelen. Het rendabel maken is afzonderlijke geen eis meer, want de wetgever heeft in het artikel gezet: ‘al dan niet tegen vergoeding’. Dat is eraan toegevoegd om te voorkomen dat er discussie ontstond over het rendabel maken. Het rendabel maken wordt al verondersteld.
Het gaat om een vermogensbestanddeel. Dat kunnen ook vorderingen, patenten, merkenrechten, materiële zaak etc. zijn. Het wordt ter beschikking gesteld aan een BV ‘voor zover’. Stel dat je maar drie verdiepingen van een pand ter beschikking stelt, dan dus alleen dat deel en niet het hele pand stel je ter beschikking. Met ‘rechtens dan wel feitelijk’ wordt bedoeld dat je ofwel een contract hebt of dat er feitelijk ter beschikking wordt gesteld zonder contract. Er staat nergens welke belangrijker is. Dat kan best lastig zijn als je iets feitelijk ter beschikking stelt op basis van één dag in de week, maar in het contract vier dagen in de week staat. ‘Indirect of direct’ ter beschikking gesteld houdt in dat het een rechtstreekse ter beschikking mag zijn, maar mag ook indirect; als je verhuurt aan bijvoorbeeld je neef en hij weer aan de BV.
In het artikel staat dat ter beschikking wordt gesteld ‘door de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon’. In lid 2 sub a 6e staat een verwijzing naar de verbonden personen van art. 3.91. In art. 3.91 lid 2 sub b 1e staat de partner van de belastingplichtige. In 2e staan de minderjarige kinderen van de belastingplichtige of zijn partner. Onderdeel c geeft nog een uitbreidingsregel voor minderjarige kinderen. Het effect van deze artikelen is dat de regels van de winstsfeer van toepassing zijn van box 1.
Je moet bij het maken van opdrachten vooral denken aan wanneer de TBS begint, wanneer die eindigt en wat de waarde is die in aanmerking genomen moet worden. Daarnaast moet je kijken welke voordelen in aanmerking worden genomen en welke vermogensbestanddelen daarbij horen. Ook de vrijstellingen en correcties op vrijstellingen zijn belangrijk.

HC 11, 14-03-2017, aanmerkelijk belang



Aanmerkelijk belang

Aanmerkelijk belang is niet erg ingewikkeld, maar je moet wel rekenen. Je kan een AB-vraagstuk niet goed oplossen als je voor jezelf geen overzicht hebt. Vergeet je rekenmachine niet. Als je de AB-regeling goed wilt toepassen, dan moet je het fenomeen ‘regulier voordeel’ uit de Wet IB ‘69 kennen. De basis en de systematiek zijn niet meer te vinden in de huidige wet. Je moet ook in een keer de VPB en IB tot je nemen om de AB-principes goed te snappen. Je hebt namelijk te maken met het verkeer tussen de aandeelhouder en zijn vennootschap. Als je niet snapt wat agio is en hoe het werkt, ga je het tentamen niet halen. Als je daar weinig van weet moet je je dus even gaan verdiepen.

1   2   3   4   5   6   7   8   9

  • Afbakening andere bronnen van inkomen
  • Bronkenmerken art. 3.93
  • Deelname aan het economisch verkeer

  • Dovnload 337.93 Kb.