Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Subjectieve belastingplicht

Dovnload 337.93 Kb.

Subjectieve belastingplicht



Pagina7/9
Datum05.12.2018
Grootte337.93 Kb.

Dovnload 337.93 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

Bronnenstelsel binnen AB

We hebben in de Wet IB het bronnenstelsel. Dat bronnenstelsel brengt een aantal dingen met zich mee. Inkomen dat aan de belastingplichtige wordt toegerekend en bij hem belast wordt, moet bron voor aan te wijzen zijn. De methode van heffing wordt eigenlijk ook door de bronnentheorie bepaald. In de Wet IB staat nog maar één verwijzing naar de bronnentheorie, namelijk in de AB-regeling. In principe belasten we niet het voordeel uit de vervreemding van een vermogensbestanddeel. Dat past namelijk niet binnen de bronnentheorie, want de waarde van het object is nooit meer of minder dan het inkomen dat in een bepaalde tijd eruit kan halen. Als het rendement op een vermogensbestanddeel stijgt, dan gaat de waarde van het object omhoog. Stel je hebt een huis en de huurprijzen stijgen. Dan stijgt ook de waarde van het huis. Het is dan logisch dat een vermogensbestanddeel volgens de bronnentheorie niet belast wordt, want de opbrengsten daaruit worden al belast. Als de opbrengsten worden belast, kunnen de waarde mutaties onbelast blijven.


In de praktijk zitten er wel allemaal haken en ogen aan. Risico, marktrente en de aantrekkelijkheid hebben bijvoorbeeld ook effect op de waarde. Rendement en voordeel hangen dus niet helemaal met elkaar samen. De bronnentheorie is wel theoretisch in dat opzich. In de wet staat maar één verwijzing naar de bronnentheorie, namelijk in art. 4.12 staan de woorden ‘getrokken uit’. Omdat dat in de wet staat, weet je dat de bronnentheorie in principe toegepast moet worden op het fenomeen aandeel. Dat hebben we nodig om te begrijpen hoe we reguliere voordelen gaan belasten.
De bronnentheorie is dus het fundament van de Wet IB, maar er zijn ook uitzonderingen op de bronnentheorie. Er wordt soms toch belasting geheven over de opbrengst bij vervreemding van een vermogensbestanddeel. De opbrengst van de verkoop van een verhuurd huis is niet belast, omdat dat niet binnen de bronnentheorie past. Er staat nergens in de wet dat dat niet belast is. Dat hoort dus bij het raamwerk van de Wet IB en is een ongeschreven spelregel.
Stel je koopt weiland met een vijver en je spreekt af met een bouwbedrijf dat hij jou 100.000 euro betaald voor het feit dat hij al zijn bouwafval in de vijver mag storten. Daarbij maak je de afspraak dat als het gelijk ligt met het maaiveld, hij er een laag aarde overheen gooit, zodat je er schapen op kan laten grazen. Is die 100.000 euro dan belast? Als die plas eenmaal gevuld is, is het water verdwenen en heb je de mogelijkheid verkocht om de bron aan te tasten. In feite zou die 100.000 euro dus onbelast moeten zijn.
Stel je hebt een stuk weiland en iemand wil graag op jouw weiland een windmolen zetten. Je krijgt een eenmalige vergoeding voor het plaatsen van de windmolen. Door het plaatsen van de windmolen is de exploitatieopbrengst van het weiland, afgezien van dat kleine stukje waar de windmolen op staat, niet aangetast. Je krijgt een vergoeding van aantasting van de bron, maar de bron wordt niet aangetast. Dan zou het misschien weer belast moeten zijn.
Stel je hebt een vakantiebaantje en je werkt in de vleeswarenfabriek. Je krijgt de opdracht om de gehaktmolen schoon te maken, je blijft met je mouw in de molen steken en verliest je arm. Je krijgt van je werkgever na 10 jaar een schadevergoeding van 600.000 euro. Is dat belast of niet? Je arbeidscapaciteit is duurzaam aangetast. Die schade-uitkering wordt vaak berekend door zijn verlies aan inkomen potentieel te bepalen. Dat zijn onbelaste schade-uitkeringen. Rechtbanken maken nog weleens de fout dat het bij ondernemers wel belast is. De vorm waarlangs jouw arbeid een weg vindt naar de economie maakt niet uit. De aantasting vindt plaats op het niveau van het menselijk lichaam.
Stel dat mevrouw Jansen uitgenodigd wordt om voor een tv-programma waarbij ze een volledige make-over krijgt. Ze krijgt een nieuw gebit, nieuwe borsten etc. Is dat belast? Je zou dan kunnen denken dat dit een verbetering is van de bron of juist een aantasting. Als het een aantasting is, dan zou het onbelast moeten zijn. Zo zou het ook onbelast moeten zijn als je een van je nieren verkocht. Bij de vraag of iets een aantasting van de bron is, moet je kijken of het ooit nog terug komt. Soms kom je er niet anders uit dan door er de bronnentheorie op los te laten.
Aan de ene kant heb je de reguliere voordelen die worden getrokken uit de bron. De bron is dan het aandeel en het voordeel is alles wat je uit de bron trekt met instandhouding met de bron. Je moet je steeds afvragen het voordeel wordt getrokken met instandhouding van de bron of dat je de bron aantast. Over een aandeel of een huis kan je ook de discussie voeren over de aantasting van het object. Een aandeel zou dus ook niet tot het belaste voordeel horen als je de strikte bronnentheorie zou toepassen, maar je ziet in de AB-regeling dat dat wel gebeurd. Het tegen vergoeding zijn van bloed- of spermadonor is belast, want dat maakt je lichaam weer aan.
Plaats AB in de wet

De wetgever heeft een uitzondering gemaakt op de regel dat vervreemding van de bron niet belast zou moeten zijn voor ab-aandelen. De verkoop van een huis met voorkennis is wel belast, omdat de invloed van de arbeid van de belastingplichtige zo belangrijk is dat je niet de bronnentheorie aantast. Je bent dan bezig met het rendement van de arbeid binnen de bronnentheorie tot uitdrukking te brengen. Het voordeel stijgt uit boven het voordeel dat binnen de bronnentheorie onbelast zou moeten blijven. De bron is de arbeid geworden en niet meer het vermogensbestanddeel waar het rendement uit getrokken wordt. De platte verkoop van een huis is mutatie van de bron. De arbeid is niet doorslaggevend, maar het vermogensbestanddeel zelf genereert het rendement.


Als je dat terugbrengt naar de AB-sfeer zie je dat in de wet een nadere regeling staat die beide elementen in de heffing trekt. Daar is een historische verklaring voor. De wetgever heeft altijd een duidelijk verschil gezien in invloed die een aandeelhouder in een eigen BV heeft ten opzichte van een aandeelhouder die in een heel groot fonds zit. Het voordeel dat je trekt uit de bron is het dividend op het aandeel wat je jaarlijks op je rekening gestort krijgt. het dividend is dus een voordeel getrokken uit de vennootschap met instandhouding van de bron. Daarom voldoet het aan de voorwaarden van de bronnentheorie.
Iemand die in de aandeelhoudersvergadering van lampenfabriek Jansen BV zit gedraagt zich toch over het algemeen anders dan een aandeelhouder die de aandeelhoudersvergadering van Phillips zit. De aandeelhouder van Phillips die stemt zal wel naar geluisterd worden, maar zal nooit in zijn eentje iedereen meekrijgen. Hij heeft in z’n eentje niks te vertellen. Dat betekend dat je mag verwachten dat het dividendbeleid wordt bepaald door bedrijfseconomische en markttechnische overwegingen en daar geen manipulatie tussen zal zitten van een specifieke aandeelhouder met hele specifieke belangen. De aandeelhouder van Jansen BV heeft een hele andere rol. Hij kan een voorstel doen over het uitkeren van dividend en bepaald in feite in zijn eentje. Het kan ook zijn dat meneer Jansen als beleid heeft dat hij zijn leven lang geen dividend uitkeert en pas als hij 65 is, hij de aandelen verkoopt en een beroep doet op het bronnenstelsel door te stellen dat het een bronmutatie is. Dan ga je opeens een groot onderscheid zien tussen de twee soorten aandeelhouders. Dan gaat er in de ogen van de wetgever iets fout en krijgt hij in. Er is daarom een heffing voor de verkoopopbrengst van aandelen. Dit is de oorsprong van de AB-regeling.
Het bestaansrecht van de AB-regeling kan niet verklaard worden in een tijdperk waarin we box 3 kennen. Box 3 werd geïntroduceerd als vervanging van art. 24 Wet IB 69. Art. 24 zei dat alle voordelen die getrokken werden uit vermogensbestanddelen belast zijn. Voor aandelenpakketten was dat het dividend, voor verhuurde woningen was dat de huur etc. Daarom was het relevant om in de gaten te houden of een belastingplichtige wel op tijd en naar marktconforme maatstaven voordelen trokken uit hun aandelenpakket. Dan heb je gewoon een vergelijkbare heffing en is ook de vergelijking tussen Jansen BV en Phillips relevant. De hele gedachte van de AB was dat als hij met zijn eigen lampenfabriek ging rommelen met de naar marktomstandigheden normaal te achten dividend, hij aan het einde van de rit moet afrekenen bij de inspecteur.
Je ziet ook gebeuren dat de praktische verklaring van het machtsbeginsel in de wet is veranderd. Oorspronkelijk was de AB-regeling een regeling waarbij je moet beginnen vast te stellen wanneer iemand als aandeelhouder in die bijzondere machtspositie kwam te verkeren. Dat machtsbeginsel was nog op een vrij redelijke manier terecht gekomen. Eerst moest je met je partner 7% hebben of samen met je familie 1/3e. Dat oude criterium van 1/3e moest in een nieuw daglicht geplaatst worden toen de IB 2001 kwam. Toen heeft men de omslag gemaakt naar 5%. Je bent al AB-houder bij 5% van de aandelen. Dat is raar, want met 1/3e van de aandelen kan je misschien nog zeggen dat je iets te vertellen hebt. Met dat 5% criterium vallen alle gewone beleggers in box 3 en alle aandeelhouders die iets te zeggen kunnen hebben vallen in box 2.
5% eis

In art. 4.6 is het begrip aanmerkelijk belang uitgewerkt. Het gaat om direct of indirect hebben van 5% van de aandelen. Direct of indirect zie je ook terugkomen in de terbeschikkingstellingsregeling. Onmiddellijk aanmerkelijke belangen zijn gewoon rechtstreeks aandelenbezit. Middellijke belangen zijn wat ingewikkelder. Die doen zich voor als je via een andere vennootschap een belang hebt in een onderliggende BV. Je moet ook rechtstreeks een belang hebben in de vennootschap. Stel dat meneer Jansen 50% van de aandelen heeft in BV A. BV A heeft 80% van de aandelen in BV B. De andere 20% van de aandelen in BV B zijn verdeeld onder een aantal natuurlijke personen, waaronder meneer Jansen. Jansen heeft 3% van de aandelen. 3% heeft hij rechtstreeks, indirect heeft hij 40%. Hij heeft namelijk 50% van de aandelen in de houdstermaatschappij en de houdstermaatschappij heeft 80% in de dochtermaatschappij. 50 x 80 = 40.


Het artikel is meteen uitgebreid met de leden b, c en d, omdat de aandeelhouders eronder uit zullen proberen te komen. Niet alleen het echte aandeel, maar ook alle financiële betrekkingen tussen de aandeelhouder en de vennootschap waar het economische voordeel van de bedrijfsuitoefening in wordt belichaamd ook in de heffing betrekken. Of je nou een aandeel hebt of een optie op een aandeel maakt niks uit. Hetzelfde geldt voor winstbewijzen en bij een coöperatie het hebben van 5% van de stemrechten.
Je moet je ook even afvragen wie er aandeelhouder is. Je kan een juridische en een economische aandeelhouder hebben. Degene die de economische voordelen geniet wordt gepakt in de AB-regeling. Een truc waarbij iemand 4,9% van de aandelen heeft, een ander 95,1% en ze de afspraak hebben dat degene met 4,9% bij de verkoop nog wel een paar duizend krijgt om die 0,1% te corrigeren, is gewoon AB-houder. Hij krijgt namelijk de economische voordelen van 5%.
Je kan dus op aandeelhoudersniveau een aantal situaties doorbreken en personen die geen aandeelhouder zijn als zodanig gaan behandelen. Je moet ook het aandeel toetsen en tegen het licht houden. Daar is art. 4.7 voor geschreven. Dat artikel zegt iets over de vraag of alle aandelen wel meetellen. In lid 1 staat dat als een vennootschap verschillende soorten aandelen heeft, de belastingplichtige ook een AB heeft als hij met zijn partner, direct of indirect, voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal van een soortaandeel aandeelhouder is. Dat heet een soort-AB. In b staat de soort-AB voor opties. Je moet weten wat een soortaandeel is, wat een cumulatief preferent aandeel is etc. Weet je dat niet, dan moet je je daar even in gaan verdiepen.
In art. 4.7 lid 2 staat een uitzondering. Als een aandeel geen bijzondere winstaanspraken en rechten oplevert, is het ook niet zo nuttig om in de AB-regeling dat aandeel als een bijzondere soort te zien. Aandelen die geen enkele andere functie hebben dan iets niet economisch te doen, tellen we op alsof het een gelijke soort is als de normale aandelen. Als je 4.6 en 4.7 bij elkaar neemt heb je antwoord op de vraag wie aandeelhouder is en welke aandelen meetellen. Die artikelen heb je dus nodig voor de 5% toets.

HC 12, 15-03-2017, aanmerkelijk belang

Als je een economische en een juridische benadering van het aandeelhouderschap hanteert, kan je een dubbeltelling krijgen in personen die allebei via een bepaalde vermogenstitel hebben toegang hebben tot het achterliggende vermogen van de vennootschap. In principe in rekenkundige zin zou je geen dubbeltelling moeten krijgen. Rekenkundig gaat het niet fout.

Degene die het economisch voordeel krijgt, wordt belast. De juridisch eigenaar draagt dat af aan de economische eigenaar. Als je afspreekt dat de ene 20% houdt en de ander 80% krijgt, ben je beide AB-houder. De ene wordt belast voor het blote eigendomsdeel en de ander voor het vruchtgebruik. Samen is dat weer 100% van de AB-winst.


Er kunnen dus dubbeltellingen plaatsvinden dat er meerdere personen als AB-houder worden betiteld, maar dat wil niet zeggen dat er ook dubbele winsten in aanmerking worden genomen. In theorie is het zo dat elke euro winst maar een keer aan iemand kan toevloeien. De waardering van vruchtgebruik kan wel mede afhankelijk zijn van rentestand of levensverwachtingen etc. Je krijgt dan verschillen in de waarde van je vruchtgebruik. Er kan daardoor toch een stukje winst onbelast blijven. Het is dus niet gegarandeerd een 100% sluitend systeem.
Wanneer heb je nou aan AB? Bij 5% van de aandelen, opties, winstbewijzen of stemrecht in coöperatie. Het meetpunt is het kapitaal van de vennootschap. Ingekochte en nog niet ingetrokken aandelen worden meegeteld alsnog bestaande aandelen. Nergens in de wet staat dat het alleen maar om Nederlandse vennootschappen gaat. Je kan dus een belang hebben in een buitenlandse rechtspersoon, zolang maar gegeven is dat het een kapitaalvennootschap is.
Uitbreidingen

Art. 4.9 en 4.10 breiden de werking van de AB-sfeer uit. Art. 4.9 geeft de meesleepregeling en 4.10 geeft de meetrekregeling. In art. 4.9 staat dat als je eenmaal een AB hebt met een bepaald vermogensbestanddeel, de rest van je financiële betrekkingen ten opzichte van dezelfde vennootschap worden meegenomen in de AB-regeling. Stel je hebt 5% van de aandelen en je hebt ook nog en keer 4,9% van de opties en 4,9% van de winstbewijzen. Door de regeling blijven de opties en de winstbewijzen niet buiten de AB. Als je met één vermogensbestanddeel over de streep bent, dan wordt de rest meegetrokken.


In art. 4.10 staat de meetrekregeling. Als je eenmaal een AB hebt, hebben bepaalde personen in je familiekring dat ook. Als je zelf 3% van de aandelen hebt en je vader 93%, dan heeft hij een AB en jij daardoor ook. Het gaat om bloedverwanten van de rechte lijn en die van je partner. Als deze twee regelingen er niet zouden zijn, zou je makkelijk onder de AB-regeling kunnen komen.
Gelijkstellingen

In afdeling 4.2 staan een aantal gelijkstellingen. In art. 4.3 staan de genotsrechten. Hierbij moet je denken aan vruchtgebruik. Hij is ook AB-houder, omdat zijn vruchtgebruik gelijkgesteld wordt met een aandeel. Dit leidt tot rare rekensommen. Daar komen we later op terug. In 4.4 staat dat een koopoptie gelijk gesteld wordt met de onderliggende waarde. De opties en de aandelen worden met elkaar gelijkgesteld. Als je 4,9% aandelen hebt en 4,9% opties, dan zou je alles bij elkaar moeten tellen en als je daarmee op of boven de 5% komt een AB hebben. Doordat 4.6 specifiek is uitgezonderd in 4.4, is er een individuele benadering. Je moet ze in eerste instantie afzonderlijk behandelen, winstbewijzen ook. Zodra je met een van de drie componenten wel aan art. 4.6 voldoet, dan heb je eenmaal een AB en gaat art. 4.4 je ook niet meer redden. Dan val je in de klauwen van art. 4.9. De opties die geen AB vormde, worden toch een AB. Je zou dus 4,9% aandelen, 4,9% opties en 4,9% winstbewijzen kunnen hebben en geen AB-houder zijn. Dat kan je ook nog eens doen met je kinderen, waardoor je een groot belang kan opbouwen zonder AB te krijgen.


Als je bij een vennootschap 10 aandeelhouders hebt en iedereen afzonderlijk wil bepalen wanneer dividend uitgekeerd wordt, ga je soortaandelen maken. Stel je hebt letteraandelen a, b en c. Je zet dan in de statuten dat ze allemaal voor 1/3e gerechtigd zin tot de jaarwinst. Dat kan fout gaan. Bepalend voor de AB-eis is of je meer dan 5% hebt in het nominale kapitaal hebt in het vennootschap, of als er meer soorten zijn, dan 5% van die soort. Het werken met soortaandelen is daardoor een soort garantie dat je niet meer onder de 5% komt.
Je kan letteraandelen ook nog gebruiken door de winstgerechtigdheid van bepaalde activiteiten naar bepaalde aandeelhouders toe spelen. Je mag ook kostenaftrekken voor een AB. Een belangrijke reden is ook de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in de IB en de Successiewet. Als je een AB hebt, kan je ze bijna gratis aan je bedrijfsopvolgers geven of laten vererven. Als je geen AB hebt en het in box 3 zit, kan dat dan erg nadelig zijn. Door soortaandelen te maken kan je een AB creëren en weer uitzetten. Je kan dan kiezen voor bos 2 of box 3.
Fictief AB

Er wordt een AB aanwezig geacht indien art. 3.65, 4.17, 4.17a, 4.17b, 4.17c, 4.40 of 4.41 is toegepast. Je moet het fenomeen fictief AB kennen. Je hebt een gewone AB, een meetrek AB, economische AB en een fictief AB. Je bent in het laatste geval geen echte AB-houder, maar je wordt voor de wet als AB-houder aangemerkt. Dat speelt een rol in situaties waarin je je AB-positie kwijtraakt en in principe zou je bij een dergelijke handeling moeten afrekenen. Als je dat niet wilt, stelt de wet een aantal mogelijkheden in werking om de afrekenverplichting door te schuiven naar het nieuwe verkregen pakket. Je voldoet niet aan de eisen van AB-houder, maar je wordt toch als een AB-houder aangemerkt. Dat nieuwe pakket is dan het fictief AB.


Voordelen uit AB

We hebben gister gezien dat op grond van de bronnentheorie twee soorten voordelen zijn die uit een AB kunnen ontstaan. De ene past wel binnen de bronnentheorie en de ander niet. De twee categorieën zijn het inkomen uit AB als regulier voordeel (art. 4.12 sub a) en vervreemdingsvoordelen (sub b). De reguliere voordelen kunnen alleen maar zien op voordelen die uit de vennootschap worden gehaald en voortvloeien aan de aandeelhouder met instandhouding van de bron.


In art. 4.13 zien we wat tot de reguliere voordelen behoort. Daartoe behoort forfaitair rendement op bepaalde beleggingsvennootschappen, teruggaaf van storting op aandelen etc. Het artikel doet in feite niks meer dan het toevoegen aan de categorie reguliere voordelen van een aantal bijzondere inkomensvormen. Het is een uitbreidingsartikel op het begrip regulier voordeel. In de wet staat niks meer over het ‘gewone’ reguliere voordeel. De enige aanwijzing daarvoor staat in art. 4.12 sub a zelf, namelijk dat de voordelen ‘getrokken worden uit’. We moeten dan dus de bronnentheorie gaan toepassen op een aandeel.
Stel er gaat 10.000 van Jansen BV naar meneer Jansen. Het zou formeel dividend kunnen zijn, een lening, loon, rente, huur, een koopsom, pensioen, een kostenvergoeding, borgstellingsvergoeding etc. Het is nogal lastig om te ontdekken of er sprake is van een geldstroom die de titel moet krijgen van een voordeel getrokken uit een aandeel of dat er een andere titel ten grondslag ligt aan het geldverkeer.
Belastingplichtigen kunnen er baat bij hebben om te doen alsof het een koopsom is terwijl het eigenlijk een voordeel getrokken uit een vennootschap is. Iets wat loon wordt genoemd door de belastingplichtige kan eigenlijk een voordeel getrokken uit vennootschap zijn als het niet voortvloeit uit een dienstbetrekking. Er kan dus een andere titel aan worden gehangen. Daardoor moet je je altijd afvragen of de titel wel klopt met de inhoud.
Omdat er fiscaal verschil zit in de behandeling van die verschillende uitkeringsvormen moet je die toets doen. Je moet daarvoor weten wat een onttrekking van de vennootschap die wordt beschouwd als een voordeel dat wordt genoten met instandhouding van de bron. Aan de andere kant heb je vormen van geldverkeer die een andere oorzaak hebben. Die kunnen liggen in het kapitaalverkeer met de vennootschap die de bron aantasten. De makkelijkste vorm daarvan is terugbetaling van aandelenkapitaal. Je krijgt dan je bron terug. Alles wat afkomstig is uit de winstreserves van de BV zullen voordelen zijn met instandhouding van de bron. Je hebt ook nog de categorie andere oorzaken van geldverkeer zoals huur, salaris etc. Daarvan moet je toetsen of de inhoud in overeenstemming is met de titel.
Om dit in kaart te brengen moeten we terug naar de jurisprudentie. De HR heeft een keer uitgemaakt dat een dividenduitkering, of in bredere zin een onttrekking van vermogen van de vennootschap, betiteld moet worden als een voordeel getrokken uit het aandeel. Dat zijn alle vermogensverschuivingen van de vennootschap naar de aandeelhouder, in die hoedanigheid van aandeelhouder, die gedekt worden door de in de vennootschap aanwezige winst. Dat is de benaming van een onttrekking. Er moeten dus altijd winstreserves zijn en er kan sprake zijn van winstanticipatie. De winst die je in 2018 denk te behalen en waar je in 2017 een voorschot op hebt genomen kan ook (toekomstige winst). Er is eigenlijke en extra eis die in de praktijk vaak wordt overgeslagen maar wel belangrijk is. Dat is dat de aandeelhouder en de vennootschap zich bewust moeten zijn van die uitkering. Er geldt dus een dubbele bewustzijnsvereiste. De inspecteur moet dat bewijzen.
De begrippen onttrekking en dividenduitkering zijn niet helemaal aan elkaar gelijk. Een dividenduitkering wordt wel door sommige betitelt als een uitkering van geld van de vennootschap aan een aandeelhouder waarin een formeel dividendbesluit aan ten grondslag ligt. De term onttrekkingen reserveren we voor alle verschuivingen van vermogen van vennootschap naar aandeelhouder, ook niet als formeel dividend vormgegeven verschuivingen die fiscaal wel dezelfde behandelingen gebruiken. Dat wordt ook wel verkapt dividend genoemd. Om deze toets te kunnen toepassen moet je aandacht schenken aan die termen.
De vennootschap creëer je op de gegeven moment. Meestal stort je voor een bepaald bedrag aandelenkapitaal. Een andere manier is door agio te storen. Dat is al hetgeen meer op aandelen wordt gestort dan de nominale waarde. Het is een storting waarvan de meeste auteurs vinden dat het alleen maar kan worden bedongen door de vennootschap bij uitreiking van nieuwe aandelen. De derde vorm waarmee je de bron kan creëren is door informeel kapitaal te verstrekken.
Informeel kapitaal is elke vorm van kapitaalverschaffing aan de vennootschap bedoeld om de vennootschap duurzaam ter beschikking te staan. Dat zijn alle vormen van kapitaalverschaffing die buiten het notariële proces omgaan. Informeel kapitaal is bijvoorbeeld de situatie waarbij de aandeelhouder aan de vennootschap iets verkoopt tegen een te lage prijs. Dat voordeel is informeel kapitaal. Het is een specifieke fiscale categorie die bedoeld is om correcties aan te brengen in het kapitaalverkeer tussen de aandeelhouder en de vennootschap wanneer de aandeelhouder uit persoonlijke motieven een gunst doet aan de vennootschap die je eigenlijk voor een zuivere winstberekening zou moeten corrigeren. Die informele kapitaalstorting creëert de omvang van de bron.
Daarna gaat de vennootschap aan het werk en winst maken. Die winsten zijn ten opzichte van de reeds gecreëerde bronomvang, uitkeringen die zich lenen voor belastingheffing in de IB-sfeer als voordelen getrokken uit de bron met instandhouding met de bron. Je moet denken aan een olievat. Die vullen we eerst met een laagje aandelen aandelenkapitaal, daarna met een laagje agio en daarna met een laagje informeel kapitaal. Dan schudden we het vat door elkaar en wordt er wat winst gemaakt. Er komt dan een laagje winst op te liggen. Als je dat uitkeert, dan is het een winstuitkering. Die wordt getrokken uit de bron met instandhouding van de bron, want van de instandhouding van de bron is nog steeds sprake als je alleen maar dat laagje winst eruit haalt.
De tussentijdse verkoopprijs tussen twee aandeelhouders is voor de brondiscussie niet relevant. Stel iemand koopt een BV met een nominaal aandeelkapitaal van 100.000 euro. Iemand koopt dat voor 200.000. De bron is de vennootschap en we hebben we het bij bronmutaties alleen over mutaties tussen de aandeelhouder in relatie tot de vennootschap en niet twee aandeelhouders onderling. Daar hebben we mee te maken als we aan onderdeel twee toekomen van de AB: de vervreemdingswinsten.
Van de reguliere voordelen moet je het dividendbegrip helemaal in de vingers hebben. Je moet weten wat het is, hoe je het moet herkennen en of er sprake is van gewoon dividend of verkapt dividend. Je moet weten dat het voordeel getrokken uit de bron pas begint waar je aandelenkapitaal, agio en informeel kapitaal hebt gescheiden van de winstreserves. Je moet weten hoe informeel kapitaal werkt. Ook moet je weten dat regulier voordeel belast wordt via het kasstelsel. Bij vervreemdingsvoordelen geldt aan ander regime.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

  • Plaats AB in de wet
  • Uitbreidingen
  • Gelijkstellingen
  • Voordelen uit AB

  • Dovnload 337.93 Kb.