Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Technische richtlijnen voor F3d pylonracing modelvliegtuigen

Dovnload 34.04 Kb.

Technische richtlijnen voor F3d pylonracing modelvliegtuigen



Datum23.11.2018
Grootte34.04 Kb.

Dovnload 34.04 Kb.

Technische richtlijnen voor F3D Pylonracing modelvliegtuigen
Definitie van radiogeleide pylonracing modelvliegtuigen:
Modelvliegtuig waarbij de voortstuwing geleverd wordt door een zuigermotor, en bij waarbij de draagkracht wordt geleverd door aerodynamische krachten die inwerken op de draagvlakken die tijdens de vlucht, met uitzondering van de stuurvlakken, vast moeten staan.
Het modelvliegtuig moet van een conventioneel ontwerp zijn met voorstaande vleugel en stabilovlakken achteraan en met een algemeen uitzicht van een mandragend vliegtuig. Ongewone of onconventionele onderdelen moeten door drieaanzicht tekeningen of foto’s van het mandragende voorbeeld gestaafd worden.
Para B.3.1. van sectie 4b (bouwer van het modelvliegtuig) is niet van toepassing op de klasse F3D.
Een F3D team zal bestaan uit een piloot en een mecanicien/roeper.

Uit veiligheidsoverwegingen moeten alle piloten begeleid worden door een mecanicien/roeper. De roeper kan teammanager zijn, een andere deelnemer van hetzelfde team, of een derde partij. In elk geval moet de roeper in het bezit zijn van een FAI licentie, en hij/zij moet zijn startgeld betaald hebben.

Elke piloot en mecanicien/roeper moet als team geregistreerd zijn van het begin van de wedstrijd tot het einde.
5.2.2. Motor(en).

De gebruikte motoren moeten van het op-en-neergaande-zuigertype zijn met een maximale verplaatsing van 6,6 cm3.


Propellers moeten hetzelfde toerental hebben als de krukas.
De oppervlakte van de luchtinlaat is beperkt tot 114 mm2.
5.2.3. Shut-off.

De piloot moet ons staat zijn om zijn motor radiobestuurd af te zetten, op de grond of in de lucht, binnen de 5 sec.vanaf het bevel daartoe, onafhankelijk van de vliegtuighoogte. Het radiobesturingssysteem moet voorzien zijn van een “fail safe”. Deze moet zodanig ingesteld zijn dat de motor stilgelegd wordt zodra het radiosignaal wegvalt.


5.2.3.1. Geluidsdemper.

De motor(en) zullen uitgerust zijn met een geluidsdemper. Deze zal in de lengte voorzien zijn van een expansiekamer van minstens 30 mm diameter en 100 mm lengte. De oppervlakte van de uitlaatopening zal maximaal 80 mm2 bedragen.


5.2.5. Spinner.

Een spinner van minstens 25 mm diameter met een afgeronde neus is verplicht.


5.2.6. Romp.

5.2.6.1. Doorsnede.

De romp zal een minimum hoogte van 175 mm en een minimum breedte hebben van 85 mm. Deze afmetingen gelden voor het romplichaam met utsluiting van elk type vinnen, vasthechtingen of afstandstukken.

Beide minimumafmetingen gelden voor éénzelfde plaats van de romp. Op deze plaats zal de romp een minimum sectieoppervlakte hebben van 100 cm2.
5.2.6.2. Motorkappen.

De motor(en) moeten omhuld zijn met uitzondering van de geluidsdemper, de cilinderkop en de bewegende stangenstelsels die nodig zijn voor de werking van de motor. De cilinderkop wordt hier gedefinieerd als de bovenste 1 cm van de motor, de ontstekingsplug of compressieschroef niet meegerekend.


5.2.6.3. Landingsstel.

Dit mag van het twee- of driewieltype zijn. De hoofdwielen moeten minimaal 150 mm uit elkaar staan. De wielen moeten een minimum diameter hebben van 57 mm; Deze afmetingen moeten door de organisatoren nagemeten kunnen worden. Een staartsteun i.p.v. een staartwiel is toegelaten. Sturen op de grond moet mogelijk zijn, enkel sturen met het richtingsroer is toegelaten. Intrekbaar landingsgestel is toegelaten.


5.2.6.4. Cockpit.

Een cockpit moet “aangeduid” zijn, en moet een pilotenhoofd kunnen bevatten van 50 mm, gemeten van de onderzijde tot bovenaan het hoofd.


5.2.7. Draagvlakken.

5.2.7.1. Draagoppervlak.

Het minimum geprojecteerde oppervlakte van de draagvlakken moet minstens 34 dm2 bedragen. Bij een tweedekker zal de kleinste van de twee vleugels tenminste 2/3 van de oppervlakte van de grootste hebben. Delta’s of vliegende vleugels zijn niet toegelaten.


5.2.7.2. Spanwijdte.

Minimum spanwijdte: ééndekker: 1150 mm

tweedekker: 750 mm voor de grootste vleugel

Maximum spanwijdte: 1800 mm.


5.2.7.3. Vleugeldikte.

Minimum dikte aan de vleugelwortel is 22 mm voor een ééndekker en 18 mm voor een tweedekker. Bij ongelijke vleugels: minimum dikte van de vleugelwortel van de kleinste vleugel: 13 mm.

De vleugeldikte mag geleidelijk verminderen naar de vleugel toe.
Nota:De vleugelwortel omvat NIET de vleugelovergangen die kunnen gemeten worden zonder de vleugel te verwijderen.
Bij een “volledig blootgestelde” vleugel, zoals vb bij een “parasolvleugel” of de bovenste vleugel van de meeste tweedekkers, is de vleugelwortel dat deel van de vleugel dat doorsneden wordt door een projectie van de buitenomtrek van de romp, van bovenuit gezien.

De wortelsectie van een vleugel op een modelvliegtuig met een romp van 100mm breed zal dus gemeten worden op 50mm van de middellijn van de romp.



5.2.8. Gewicht.

Het gewicht zonder brandstof, maar met alle, voor de vlucht nodige uitrusting zal min. 2200 gr. En max. 3000 gr. Bedragen.


5.2.9. Brandstof.

De organisator levert de brandstof volgens een standaard formule: 80 % methanol en 20% ricinusolie.


5.2.10. Specificaties van het parcours.

Het driehoekige parcours zal als volgt uitgetekend zijn/ De omloop bevat 10 rondes van elk 400m. De totale afgelegde afstrand bedraagt dus 4 km. De race start aan de start-eindmeet. Alle starts gebeuren “ROG3 (rechtstreeks van de grond) zonder mechanische hulptoestellen die het vliegtuig bij de start helpen.

Duwen met de hand is echter toegelaten. µDe race eindigt aan de start-eindmeet na 10 volle omopen afgelegd te hebben.

Deze bepalingen kunnen eventueel aangepast worden indien de veiligheid of de specifieke toestand van het veld dat vereist.

De pylons zullen minimum 4m en maximum 5 m hoog zijn. Ze dienen vervaardigt te zijn uit een vast materiaal met een minimum diameter van 70mm op elk punt. Ze moeten fel gekleurd zijn, zodat de zichtbaarheid voldoende goed is.
5.2.11. Organisatie van radiobestuurde PYLON RACING wedstrijden.

Wat betreft de zender en frequentiecontrole: zie sec. 4b, paragr. B.10.4.

De piloten, mecaniciens/roepers, noch de “officials” mogen gedurende de officieel gepubliceerde oefen-en wedstrijdtijd alcohol gebruiken.

Alle officials op de omloop en alle wedstrijddeelnemers moeten een veiligheidshelm dragen, voorzien van een kinband. De helmen moeten zowel tijdens de oefentijd als tijdens de wedstrijd gedragen worden.

Elke vlucht zal gevlogen worden in overeenstemming met de gebruikte radiofrequenties. Elke deelnemer zal twee frequenties opgeven, minimum 20 kHz uit elkaar liggend, die hij moet kunnen gebruiken op al zijn modelvliegtuigen die aan de wedstrijd deelnemen.

Tijdens het oefenen mogen niet meer dan drie vliegtuigen en zeven mensen (piloten, roepers, starters) op de omloop zijn, zowel voor de start als tijdens de competitie.


Voor of tijdens de registratie zal een veiligheidsinspectie gebeuren onder toezicht van de wedstrijdleiding. Deze controle zal het volgende bevatten:
a. roerhorens, push/pull stangen of kabels en servokabels zullen dusdanig bevestigd zijn, dat ze gedurende de vlucht niet kunnen losraken. Kwiklinks moeten dichtgebonden en gezekerd worden met een stukje brandstofslang of een gelijksoortig veiligheidssysteem.

Metalen kwiklinks moeten tegen beschadiging van de schroefdraad door trillingen beschermd zijn door een contramoer of een product om de schroefdraad te blokkeren, zoals Loctite, Vibro-tite of een gelijkwaardige methode.

Kogellinks moeten vastzitten.
b. Alle motor bevestigingsschroeven zowel voor de bevestiging als van de motordrager op de kopspant moet aanwezig zijn en gezekerd.
c. De radio ontvanger en de batterijen moeten in zacht schuimrubber verpakt zijn of door een ander dempend materiaal tegen trillingen beschermd zijn. Ze moeten tevens tegen bevuiling door brandstof, uitlaatgassen of brandstofresten beschermd zijn.
d. De capaciteit van de batterij moet voldoende zijn om de grootte en het aantal servo’s te voeden. De minimum batterijcapaciteit moet 500 mAh bedragen.
e. De servo’s die de hoogte- en rolroeren bedienen zullen voldoende sterk zijn in verhouding tot het gewicht en de snelheid van het vliegtuig.

Waar een en enkele servo gebruikt wordt om een van de functies te bedienen zal deze ontworpen en gebouwd zijn o met minstens 4 bevestigingsschroeven gemonteerd te worden. Als twee of meer servo’s samen gebruikt worden om éénzelfde functie te bedienen ( vb. bij dual ailleron servo’s of de bewegende stuurvlakken bij een V-staart ), mogen elk van deze servo’s van het type “twee bevestigingsschroeven” zijn.


f. Stuurvlakken dienen stevig in de scharnieren bevestigd te zijn, zonder overdreven speling. Veiligheidsinspecteurs moeten op de hoede zijn voor het gevaar van overdreven speling.
g. Alle schroeven die dienen voor de bevestiging van de servo’s op de servo rail of in de servo gaten, en deze die dienen voor de bevestiging van de servo bevestigingen op de cel moeten geplaatst zijn en gezekerd.

De servo’s zullen voorzien zijn van rubberen dempers indien ze hiervoor werden ontworpen. Als de schroefkoppen te klein zijn, en ze door de gaten van de servo dempers kunnen zakken dient dit door rondsels vermeden te worden.


h. Duwstangen mogen enkel aan één uiteinde voorzien zijn van schroefdraad. Het andere uiteinde moet voorzien zijn van een Z-buiging, een L-buiging met een beveiliging, een aangesoldeerde kwiklink, of een van draad voorziene “ball-link” die zodanig bevestigd is dat hij niet kan draaien.
i. Indien de vleugels afneembaar zijn, zullen ze op de romp bevestigd zijn door middel van bouten of moeren.
j. De wielen moeten op een veilige manier bevestigd zijn en vrij kunnen ronddraaien.
k. Het vliegtuig zal geen sporen vertonen van barsten of enige andere structurele beschadiging.
5.2.12. Wedstrijdleiding.

5.2.12.1. Tijdopnemers en rondetellers.

Aan elke deelnemer wordt een “official” toegewezen tijdens elke vlucht. Deze official zal de tijd van de deelnemers opnemen gedurende de tien doorgangen.

Hij zal de genoteerde tijd bijhouden op zijn chronometer tot hij ze op het scoreblad genoteerd heeft, onder toezicht van de starter.
Op de start-finish lijn zal een electronisch geactiveerd signaal voorzien worden voor elke deelnemer. De pylonrechters “nr. 1” zullen dit signaal bedienen. Ze zullen de deelnemers verwittigen als zijn vliegtuig de pylon nr. 1 gepasseerd is.

De positie van de pylonrechters wordt bepaald in de tekening 5.2.10.

Elke signaalgever wordt een specifieke kleur toegewezen en de wedstrijdleider zal ervoor zorgen dat elk model door zijn overeenkomstige seingever kan geïndentificeerd worden.
5.2.12.2. De seingevers zullen hun signalen “of” hebben zodra het vliegtuig tussen pylon nr.3 en pylon nr.1 vliegt of vroeger. Op het ogenblik dat het vliegtuig gelijk komt met pylon nr1 zal de signaalgever zijn signaal “aan” zetten. Aan geen enkel van die pylons zijn helpers toegelaten.
5.2.12.3. De seingevers voor de pylons nr2 en nr3 zullen geplaatst zijn volgens de tekening in 5.2.10.
5.2.12.4. Een jurylid (zijlijnrechter) wordt geplaatst aan de voorkant van de “pits” aan de toeschouwers zijde aan het circuit. Deze seingever zal elk overvliegen van de pitts ruimte of de toeschouwers als een inbreuk beschouwen.

Twee zijlijnrechters nemen plaats ter hoogte van de pylons nr2 en nr3. Zij zullen elke inbreuk op het ronden van de pylons noteren.

De zijlijnrechters en de pylonrechters zullen de starter aan het einde van de race inlichten over elke inbreuk van de deelnemers.
5.2.12.5. Er zijn maximum 3 modelvliegtuigen per vlucht toegelaten.
5.2.12.6. De verantwoordelijke voor elke voorronde is de starter. Hij zal ervoor zorgen dat alle wedstrijddeelnemers en “officials” klaar zijn om te beginnen.

Elke signaalgever zal een signaal van een welbepaalde kleur hebben.

Voor de start van elke vlucht zal de starter ervoor zorgen dat elke signaalgever een modelvliegtuig kan identificeren.

Elke deelnemer zal een radio check uitvoeren alvorens de motor te starten.

Voor het starten en instellen van de motoren wordt maximaal 1 minuut toegestaan, na deze minuut begint de wedstrijd.

Als er een motor na 1 minuut niet draait, wordt de betrokken deelnemers gediskwalificeerd voor deze voorronde.

Eens het eerste vliegtuig in de eerste doorgang, de start/finish lijn gepasseerd is, zal geen enkele deelnemer nog mogen starten.

Voor deze voorronde wordt hem geen tijd toegekend.


5.2.12.7. Alle doorgangen worden in tegenwijzer zin gevlogen, met bochten naar links.
5.2.12.8. Nadat de 10 ronden gevlogen zijn zal de starter de deelnemer vragen om zijn vliegtuig van het circuit te verwijderen.
5.2.12.9. Als een deelnemer het vliegtuig loslaat voor het vallen van de startervlag of het geven van het startsignaal, of een pylon “snijd” of buiten de zijlijnrechter vliegt, wordt hem een strafpunt toegewezen.

Twee overtredingen hebben uitsluiting van deze vlucht voor gevolg.


5.2.12.10. De volgorde van de startposities in alle races worden als volgt bepaald: vliegtuigen nr 1 staat het dichts bij pylon nr. 2

De modelvliegtuigen worden van de startlijn losgelaten op een startsein (neerlaten van de vlag of lichtsignaal) in intervallen van 1 seconde. De tijdopname begint voor elk vliegtuig bij dit sein.

De hoofdwielen van elk vliegtuig moeten achter de startlijn blijven tot aan het startsignaal.
5.2.12.11. De wedstrijddirecteur heeft het recht om van elke deelnemer een vlucht te eisen ten einde de luchtwaardigheid van zijn model of de vliegcapaciteiten van de piloot te testen in verband met het ronden van de pylons.

Als de wedstrijddirecteur vaststelt dat een model gedurende de race verkeerd of gevaarlijk vliegt, of zo laag dat de veiligheid van de officials in het gedrag komt, mag hij de deelnemer van deze doorgang of van alle doorgangen uitsluiten en eisen dat het model onmiddellijk land.


Het aanhoudend lager vliegen dan de bovenkant van de pylons zal als gevaarlijk worden beschouwd. Nadat de eerste pylon gedurende de eerste doorgang gepasseerd is, zal het vliegen onder de bovenkant van de pylon als een inbreuk worden beschouwd. Twee of meer inbreuken gedurende dezelfde voorronde hebben de schrapping van de vlucht tot gevolg.
5.2.12.12. De piloot of de mecanicien van een bepaalde ploeg mag tevens helper/mecanicien zijn van één of meerdere ploegen. Nochtans mag éénzelfde vliegtuig niet gebruikt worden door meer dan één ploeg, noch mogen de rollen binnen één team verwisseld worden.
5.2.12.13. Na het startsein zal elk contact tussen modelvliegtuigen beschouwd worden als een botsing en de betrokken modellen moeten onmiddellijk landen.

De wedstrijddirecteur wordt verondersteld aan dergelijke deelnemers een tweede kans te geven om in deze ronde te scoren, op voorwaarde dat hij meent dat het vliegtuig nog luchtwaardig is, of de deelnemers moeten over een luchtwaardig reservetoestel beschikken.

Bij een fout in de tijdopname, het tellen van de doorgangen, het seingeven of andere zaken die onder de verantwoordelijkheid vallen zal de mogelijkheid geboden worden om alsnog een Refly te maken.
5.2.12.14. Het verlies van eender welk onderdeel van het vliegtuig tussen het startsignaal en het ogenblik dat de motor stilgelegd wordt heeft de diskwalificatie van het model tot gevolg voor deze vlucht, tenzij dit het gevolg is van een botsing (zie para. 5.2.12.13.).
5.2.12.15. Na het voltooien van een voorronde moet geland worden in een gebied dat door de wedstrijddirecteur aangeduid werd. Geen enkele piloot of roeper zal dit landingsgebied betreden voor het vliegtuig volledig tot stilstand gekomen is.
5.2.13. Puntentelling.

5.2.13.1. De tijdopname van elke vlucht zal uitgevoerd worden door een tijdopnemer met een apparaat dat de tijd kan meten tot op 1/100 sec. (chronometer).

De tijdopname start zodra het startsignaal aan de individuele deelnemer wordt gegeven.

De tijdopnemer stopt zijn chronometer zodra de deelnemer 10 ronden heeft gevlogen en noteert, onder toezicht van de starter, de tijd op het deelnemersblad.

Bij het einde van elke vlucht delen de zijlijnrechters en de pylonrechters aan de starter mee welk vliegtuig inbreuk gepleegd heeft.

De starter vraagt aan de tijdopnemers of er een fout begaan werd door een deelnemer en noteert dit op zijn scorebord.
5.2.13.2. Na elke race worden de punten als volgt toegekend: De score van de deelnemer is zijn aangepaste tijd in seconden en honderdsten van seconden.

Indien de deelnemer zijn vlucht niet afgewerkt heeft of gediskwalificeerd wordt, zal de score 200 bedragen.


5.2.13.3. De winnaar is de deelnemer die de laagste score behaalt na het doorvliegen van alle voorronden.

Indien vier of meerdere ronden worden gevlogen, zal de slechtste score van elke deelnemer geschrapt worden.

Indien negen of meer ronden gevlogen worden zullen van elke deelnemer de twee slechtste (hoogste) scores geschrapt worden.

Indien twaalf of meer ronden gevlogen worden zullen van elke deelnemer de drie slechtste (hoogste) scores worden geschrapt.


5.2.13.4. Als de tijd het toelaat, en als er geen frequentie probleem is zal, bij gelijke score, een “tie brake race” gevlogen worden.

Anders zal de score van de beste vlucht in aanmerking genomen worden.


5.2.13.5. Teamrangschikking.

Om voor het nationale team de rangschikking te bepalen zullen de individuele scores van de ploegleden samengeteld worden.



Teams worden gerangschikt van de laagste numerieke score naar de hoogste.

  • 5.2.5. Spinner.
  • 5.2.6.4. Cockpit.
  • 5.2.7.2. Spanwijdte.
  • 5.2.8. Gewicht.
  • 5.2.11. Organisatie van radiobestuurde PYLON RACING wedstrijden.
  • 5.2.12. Wedstrijdleiding. 5.2.12.1. Tijdopnemers en rondetellers.
  • 5.2.12.3.
  • 5.2.12.5.
  • 5.2.12.7.
  • 5.2.13.
  • 5.2.13.5. Teamrangschikking.

  • Dovnload 34.04 Kb.