Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Tentamen Sociale Psychologie – Versie a oktober 2013 Controleer a u. b.: dit tentamen bevat 23 pagina’s

Dovnload 104.31 Kb.

Tentamen Sociale Psychologie – Versie a oktober 2013 Controleer a u. b.: dit tentamen bevat 23 pagina’s



Datum05.12.2018
Grootte104.31 Kb.

Dovnload 104.31 Kb.

Tentamen Sociale Psychologie – Versie A

Oktober 2013

Controleer a.u.b.: dit tentamen bevat 23 pagina’s.
Dit tentamen bestaat uit twee delen. Deel I (pagina 2 t/m 16) bestaat uit 80 gesloten vragen, deels met 4 antwoordmogelijkheden en deels met 2 antwoordmogelijkheden. Deel II (pagina 17 t/m 23) bestaat uit 4 open vragen.
Vergeet niet uw naam, administratienummer en handtekening te vermelden, zowel hieronder op dit formulier als op het antwoordformulier voor de gesloten vragen.
Veel succes!

Met vriendelijke groet,

Erica van Herpen

Mieke Muijres




Naam


Administratienummer


Handtekening


Deel I: Gesloten vragen
Dit deel van het tentamen bestaat uit 80 gesloten vragen, deels met 4 antwoordmogelijkheden en deels met 2 antwoordmogelijkheden. Beantwoord de gesloten vragen op het bijgevoegde antwoordformulier. Gebruik hiervoor een pen of donker potlood. Gelieve geen / zo min mogelijk wijzigingen aan te brengen op het antwoordformulier; vraagt u om een nieuw formulier als u een fout heeft gemaakt bij het invullen van de gesloten vragen. Vergeet niet op het antwoordformulier de versie van het tentamen aan te geven! Dit is versie: A.
Succes!

Inleiding en onderzoeksmethoden


  1. Als sociaal psychologen gebruik maken van beschrijvende methoden, betekent dit dat ze:




  1. Een experiment opzetten om causale relaties aan te tonen

  2. Data die in eerdere onderzoeken is verzameld samenvatten

  3. Gebruik maken van zelfrapportage in vragenlijsten

  4. Observeren hoe mensen zich in het dagelijkse leven gedragen



  1. Een centraal uitgangspunt van de sociale psychologie is dat mensen de invloed van (I) onderschatten en de invloed van (II) overschatten. Wat hoort er op de plek van (I) en (II) te staan?




  1. (I) situaties; (II) persoonlijkheid

  2. (I) hun beslissingen; (II) beslissingen van anderen

  3. (I) persoonlijkheid; (II) rationaliteit

  4. (I) het bewuste; (II) het onbewuste



  1. Welke van onderstaande ethische bezwaren is NIET van toepassing op het gehoorzaamheidsexperiment van Milgram?




  1. Deelnemers werden misleid over het doel van het onderzoek

  2. Als deelnemers wilden stoppen met het onderzoek, werd dit verzoek niet direct ingewilligd

  3. Aan deelnemers werd aan het begin van het onderzoek niet verteld wat er precies van hen verwacht werd

  4. Achteraf kregen deelnemers geen uitleg over het onderzoek



  1. Een mogelijke besmetting (“confound”) in de manipulatie die bij een experiment gebruikt wordt, duidt op een probleem in met name:




  1. De constructvaliditeit

  2. De interne validiteit

  3. De causale validiteit

  4. De externe validiteit

  1. Als er sprake is van spurieuze correlatie tussen twee variabelen, is er dan een causaal verband tussen deze variabelen?




  1. Ja

  2. Nee



  1. Het gebruik van een controlegroep is nodig om vast te kunnen stellen of meetinstrumenten werken. Deze stelling is:




  1. Juist

  2. Onjuist



  1. Bij sociaalpsychologisch onderzoek lijkt het vaak alsof de uitkomsten voor de hand liggen. Dit is een voorbeeld van de:




  1. Hindsight bias

  2. Self-fulfilling prophecy



  1. Een veldexperiment heeft over het algemeen een hogere interne validiteit maar een lagere externe validiteit dan een laboratoriumexperiment. Deze stelling is:




  1. Juist

  2. Onjuist



Het Zelf


  1. Welke theorie stelt dat wanneer onze attitudes en gevoelens onzeker of ambigu zijn, we onze conclusies daarover baseren op observaties van ons gedrag en de situatie waarin dit gedrag voorkomt?




  1. Zelfperceptie-theorie

  2. Sociale vergelijkingstheorie

  3. Sociometer-theorie

  4. Entiteitstheorie




  1. De uitdrukking “looking-glass self” verwijst naar het feit dat:




  1. Veel van onze zelfkennis gebaseerd is op zelfreflectie

  2. We zelfkennis baseren op gevolgtrekkingen uit eigen gedrag

  3. Het zelf dat we kennen als volwassenen een behoorlijk precieze reflectie is van het zelf dat we als kind ontwikkelden

  4. Veel van onze zelfkennis gevormd wordt door te kijken naar hoe anderen op ons reageren



  1. Het false-consensuseffect is een vorm van:




  1. Self-handicapping

  2. Egocentrische projectie

  3. Zelfpresentatie

  4. Defensieve projectie



  1. Bij welk zelfevaluatie-motief past de cognitieve-dissonantietheorie?




  1. Zelfverheffingsmotief

  2. Consistentiemotief

  3. Zelfverbeteringsmotief

  4. Accuraatheidsmotief



  1. Bram heeft met het mooie weer geen zin om te vergaderen en blijft weg van de vergadering. Maar hij geniet niet echt van zijn dagje aan zee, want hij denkt dat iedereen zal merken dat hij er niet is. In werkelijkheid valt zijn afwezigheid niet op tussen de twintig mensen die er wel zijn. Bram is ten prooi gevallen aan zelfhandicappen. Deze stelling is:




  1. Juist

  2. Onjuist



  1. Volgens de sociale vergelijkingstheorie leidt een opwaartse sociale vergelijking en assimilatie tot:




  1. Hoop en zelfverbetering

  2. Ontmoediging en minder zelfvertrouwen



  1. Het hebben van een hoge (i.p.v. een lage) zelf-complexiteit heeft een positief effect in het geval dat:




  1. Er iets negatiefs gebeurt, omdat dan een kleiner deel van ons zelf-concept wordt beïnvloed

  2. Er iets positiefs gebeurt, omdat dan een groter deel van ons zelf-concept wordt beïnvloed



  1. Het naamletter-effect is een maat voor:




  1. Zelf-expressie

  2. Zelfwaardering

Waarneming van personen

  1. Welke van onderstaande antwoorden is GEEN soort informatie uit Kelley’s covariatiemodel?




  1. Consistentie

  2. Distinctiviteit

  3. Consensus

  4. Correspondentie



  1. Wat is een correcte omschrijving van het positiviteitseffect bij de beoordeling van personen?




  1. Sociaal-positieve eigenschappen van mensen hebben veel invloed op hoe ze beoordeeld worden

  2. Positieve prestaties van mensen hebben meer invloed dan negatieve prestaties

  3. Mensen in een positieve stemming hebben een beter beoordelingsvermogen dan mensen in een negatieve stemming

  4. Mensen denken dat positieve gebeurtenissen hen eerder overkomen dan anderen



  1. Waarom treedt de fundamentele attributiefout op?




  1. Omdat mensen bij het observeren van anderen automatisch corrigeren voor de situatie waarin deze anderen zich bevinden

  2. Omdat een observatie van een gedrag waardevrij is, en niet meteen in verband wordt gebracht met de eigenschap van een persoon

  3. Wanneer je een ander observeert, krijgt de omgeving veel aandacht, terwijl je juist veel aandacht voor jezelf als persoon hebt wanneer je jezelf observeert

  4. Geen van bovenstaande antwoorden is juist



  1. Nadat je het tentamen sociale psychologie hebt afgelegd, loop je teleurgesteld de zaal uit omdat je bij veel vragen het juiste antwoord niet wist. Gelukkig hoor je van je vrienden dat deze ook bij de nodige vragen problemen hadden. Welk type attributie maak je nu waarschijnlijk bij de vraag waarom je het tentamen slecht gemaakt hebt?




  1. Persoonsattributie

  2. Situatie-attributie

  3. Attributie naar persoon x situatie

  4. Attributie naar de omstandigheden



  1. Volgens de intimiteits-equilibrium theorie zal een verhoging van intimiteit op het ene gebied (bv. fysiek) worden gevolgd (“matching”) door een verhoging van de intimiteit op een ander gebied (bv. gespreksonderwerp). Deze stelling is:




  1. Juist

  2. Onjuist


  1. Een correspondente gevolgtrekking treedt eerder op wanneer er sprake is van:




  1. Sociaal wenselijk gedrag

  2. Sociaal onwenselijk gedrag



  1. Uit onderzoek naar “Thin Slice Judgments” blijkt dat korte observaties van personen behoorlijk accurate voorspellingen van persoonskenmerken kunnen geven, voornamelijk als het gaat om de observatie van expressief en relevant gedrag. Deze stelling is:




  1. Juist

  2. Onjuist



  1. Het “Dr. Fox-effect” laat zien dat wanneer iemand non-verbaal overtuigend en positief overkomt, mensen het nauwelijks opmerken als de inhoud niet klopt. Deze stelling is:




  1. Juist

  2. Onjuist



Emoties in sociale interactie


  1. Emoties worden vaak onderverdeeld op twee dimensies. Deze dimensies zijn:




  1. Goed/slecht en lichamelijk/cognitief

  2. Actief/passief en negatief/positief

  3. Kort/lang en objectief/subjectief

  4. Zeker/onzeker en individueel/sociaal



  1. Uit het onderzoek van Ekman en Friesan (1966) blijkt dat emoties universeel zijn, voor zover het gaat om:




  1. De gebeurtenissen die aanleiding zijn om een emotie op te roepen

  2. De gelaatsuitdrukking die gepaard gaat met een emotie

  3. De regulering van emoties

  4. Alle bovenstaande antwoorden zijn juist



  1. Wat wordt bedoeld met de “reappraisal” van emoties?




  1. Op een andere manier naar een situatie kijken door de feiten te herinterpreteren, om op deze manier andere emoties op te wekken

  2. Emoties proberen te accepteren en loskoppelen van gedrag

  3. Op basis van een kort en onmiddellijk oordeel worden emoties opgewekt

  4. Actietendenspatronen van emoties worden uitgesplitst, om emoties te kunnen onderscheiden



  1. Marieke heeft net gehoord dat ze gezakt is voor een tentamen en is daardoor in een hele slechte stemming. Als ze vervolgens de vak-evaluatie gaat invullen, kan ze zich alleen nog maar negatieve dingen herinneren: de onduidelijke uitleg bij colleges, het slecht geschreven boek, en de grote hoeveelheid lesstof. Dit is een voorbeeld van:




  1. Het mood-maintenance principe

  2. Affect-als-informatie

  3. Affect-priming

  4. Embodiment



  1. In vergelijking met stemmingen zijn emoties:




  1. Kortstondiger

  2. Langduriger



  1. Volgens de theorie van William James over emoties:




  1. Ligt de waarneming van lichamelijke veranderingen ten grondslag aan de emotie

  2. Zijn lichamelijke veranderingen het gevolg van een emotie



  1. Volgens de appraisal-theorie van Magda Arnold ontstaan appraisals:




  1. Voordat emoties ontstaan

  2. Nadat emoties zijn ontstaan



  1. Een recente theorie over emoties (Baumeister, Vosh, DeWall & Zhang) ziet emoties als een feedback systeem. Deze theorie is erop gebaseerd dat:




  1. Emoties vaak niet tot gedrag leiden

  2. Emoties automatisch tot bepaald gedrag leiden

Attractie en intieme relaties

  1. Welke bewering over gelijkheid en aantrekkelijkheid is NIET juist?



  1. Gelijkheid leidt tot aantrekkelijkheid omdat we met gelijke anderen interacteren

  2. Gelijkheid leidt tot aantrekkelijkheid omdat gelijke anderen fysiek aantrekkelijk zijn

  3. Gelijkheid leidt tot aantrekkelijkheid omdat we aannemen dat gelijke anderen ons aardig vinden

  4. Gelijkheid leidt tot aantrekkelijkheid omdat gelijke anderen onze opvattingen en attituden valideren

  1. Kees heeft een oogje op Sophie en wil dat zij hem sympathiek vindt. Wat is volgens sociaalpsychologisch onderzoek de MINST effectieve benadering?



    1. De overeenkomsten in hun attituden benadrukken

    2. Ervoor zorgen dat hij samen met Sophie in een werkgroep komt, zodat hij tijd met haar kan doorbrengen

    3. Benadrukken dat ze niet op elkaar lijken, per slot van rekening trekken tegenstellingen elkaar aan

    4. Zichzelf fysiek zo aantrekkelijk mogelijk maken



  1. Wat is GEEN hoofdmotief voor affiliatie in een situatie van angst, stress en/of onzekerheid:



    1. Het zoeken van steun en troost

    2. De behoefte aan sociale vergelijking

    3. De behoefte aan zelfonthulling en openheid

    4. De behoefte aan informatie



  1. Welke factoren bepalen volgens het investeringsmodel (Rusbult, 1980) hoe tevreden mensen zijn over hun relatie?



    1. De mate van hartstocht in de relatie

    2. Uiterlijke aantrekkelijkheid en nabijheid van de ander

    3. Evolutionair-biologische voordelen van de ander

    4. Kosten en baten en de beschikbaarheid van alternatieve partners



  1. Volgens de evolutionaire psychologie hebben we een voorkeur voor aantrekkelijke mensen omdat je met deze personen succesvoller kunt voortplanten. Deze stelling is:



    1. Juist

    2. Onjuist



  1. In een onderzoek van Townsend en Levy (1990) kregen vrouwen foto's te zien van mannen met een korte beschrijving erbij. Na het zien van de foto's werd hen gevraagd met wie ze het liefst uit zouden gaan. De resultaten lieten zien dat vrouwen liever uitgaan met een aantrekkelijke man met lage status dan met een onaantrekkelijke man met hoge status. Deze stelling is:


    1. Juist

    2. Onjuist

  2. Volgens het louter-blootstellingseffect (“mere exposure-effect”) leidt het simpele feit dat mensen een bepaalde stimulus (zoals een persoon) vaker zien, al is het maar heel kort, ertoe dat ze die stimulus aantrekkelijker gaan vinden. Deze stelling is:



  1. Juist

  2. Onjuist



  1. Volgens de bestendigheidsvertekening (“durability bias”) onderschatten mensen sterk de tijd die ze nodig hebben om te herstellen van negatieve gebeurtenissen, zoals een relatiebreuk.



    1. Juist

    2. Onjuist



Beslissen en kiezen


  1. In 2005 werd bij een loterij in Venetië eindelijk het nummer 53 getrokken, nadat dit nummer twee jaar niet was voorgekomen. In die tijd hadden velen grote bedragen vergokt door op dit nummer te wedden (BBC News rapporteerde zelfs dat sommige mensen zelfmoord hadden gepleegd nadat ze al hun spaargeld hadden vergokt). Deze mensen waren er van overtuigd dat het nummer nu toch wel getrokken zou worden, het was immers al zo lang niet voorgekomen. Dit is een illustratie van:




  1. Illusoire correlatie

  2. Gambler’s fallacy

  3. Base-rate fallacy

  4. Simulatie heuristiek



  1. Een professor in Californië (Joe Nunes) heeft onderzoek gedaan naar de prijs die mensen bereid zijn te betalen voor een product, in dit geval een CD. Uit het onderzoek bleek dat mensen bereid waren meer te betalen wanneer op een reclame bord voor een ander product (een sweater) een hoge prijs stond, dan wanneer daarop een lage prijs stond. Dit is een voorbeeld van:




  1. Ankering

  2. Illusoire correlatie

  3. De beschikbaarheidsheuristiek

  4. Selectieve waarneming



  1. Jeroen heeft een kaartje gekocht voor een concert, maar op de dag van het concert heeft hij helemaal geen zin om te gaan. Hij kan het kaartje echter niet verkopen. Uiteindelijk besluit hij toch naar het concert te gaan, omdat het anders zonde van het geld zou zijn, maar erg veel plezier heeft hij niet. Dit is een voorbeeld van:




  1. Wishful thinking

  2. Framing

  3. Cognitieve dissonantie-reductie

  4. Het sunk-cost-effect (verzonken-kosten-effect)



  1. Volgens prospect-theorie zijn mensen:




  1. Risico zoekend bij winsten en risico mijdend bij verliezen

  2. Risico mijdend bij winsten en risico zoekend bij verliezen

  3. Risico mijdend bij zowel winsten als verliezen

  4. Risico zoekend bij zowel winsten als verliezen



  1. Het “subjective expected utility” (subjectieve verwachte waarde) model is een model uit de (I) terwijl prospect-theorie behoort tot de (II). Wat hoort er bij (I) en (II) te staan?




  1. (I) normatieve besliskunde; (II) beschrijvende besliskunde

  2. (I) beschrijvende besliskunde; (II) normatieve besliskunde



  1. Wanneer mensen een keuze maken tussen producten, maken ze soms een slechtere keuze wanneer ze goed nadenken over deze keuze. Wanneer zal dit vooral het geval zijn?




  1. Wanneer belangrijke kenmerken van de producten gemakkelijk te verwoorden zijn

  2. Wanneer belangrijke kenmerken van de producten moeilijk te verwoorden zijn



  1. Wanneer het gaat over kansen, dan zullen mensen volgens de prospect-theorie:




  1. Kansen over het algemeen onderschatten

  2. Kansen over het algemeen overschatten




  1. Elk jaar is er in december een congres van de Associatie voor Sociaal Psychologen (ASPO). Hierbij wordt recent Nederlands onderzoek op het gebied van de sociale psychologie gepresenteerd. Bij dit soort congressen wordt inschrijfgeld gevraagd aan deelnemers. Vooraf betalen is goedkoper dan ter plekke betalen. Wanneer zouden meer mensen vooraf betalen (volgens prospect-theorie), als dit wordt aangekondigd als:




  1. Korting bij vooraf betalen

  2. Extra kosten bij ter plekke betalen



Beïnvloeding


  1. De term die in de sociale psychologie gebruikt wordt voor de convergentie van de gedachten, gevoelens en gedragingen van individuen naar de normen van de groep is:




  1. Conformiteit

  2. Sociale norm

  3. False-consensus-effect

  4. Groepspolarisatie



  1. Wat kan geconcludeerd worden uit Sherifs (1953) studies over het autokinetisch effect?




  1. Sociale normen kunnen de waarneming beïnvloeden

  2. Sociale normen beïnvloeden beslissingen wanneer de taak ambigu is

  3. Het oordeel van een individu wordt beïnvloed door de sociale norm wanneer hij/zij zich in een groep bevindt

  4. De oordelen van groepsleden veranderen na discussie in de richting van het meest extreme oordeel in de groep



  1. In het lijnen-experiment van Asch (1951, 1956):




  1. Hadden deelnemers de neiging om hetzelfde te antwoorden als de confederates, zelfs wanneer het antwoord overduidelijk fout was

  2. Oefenden de deelnemers openlijk druk uit op elkaar om het goede antwoord te geven

  3. Toonden deelnemers informationele conformiteit

  4. Benadrukte de experimentleider het belang van consensus



  1. Bob weet dat de samenleving het alcoholgebruik onder jongeren afkeurt; hij weet ook dat veel van zijn vrienden in het weekend drinken. Het besef dat dit gedrag wordt afgekeurd, geeft (I) weer, terwijl de wetenschap dat veel jongeren drinken voor (II) staat.




  1. (I) een injunctieve norm; (II) een descriptieve norm

  2. (I) een descriptieve norm; (II) een injunctieve norm

  3. (I) een descriptieve norm; (II) conformisme

  4. (I) een injunctieve norm; (II) conformisme



  1. Sara gaat lunchen met haar collega’s. Tijdens de lunch wordt een mop verteld over een bepaalde etnische groepering. Sara vindt het geen leuke mop, maar lacht toch mee. Dit is een voorbeeld van:




  1. Normatieve sociale invloed

  2. Informationele sociale invloed



  1. Stel dat je geld wilt lenen van een goede vriend. Je vraagt hem eerst om jou 100 euro te lenen. Wanneer hij dat weigert, vraag je daarna of je 20 euro mag lenen. Van welke techniek maak je hier gebruik?




  1. That’s not all

  2. Door-in-the-face



  1. De “low-balling” techniek is gebaseerd op het principe van:




  1. Wederkerigheid

  2. Consistentie



  1. Sommige organisaties proberen mensen aan te zetten tot donatie door een brief te sturen met daarbij een klein presentje. Op welke strategie is dit gebaseerd?




  1. Wederkerigheid

  2. Conformisme



Groepsgedrag


  1. Wat is volgens het “common knowledge-effect” (Stasser & Titus, 1985) een reden dat mensen samen nog al eens slechtere beslissingen nemen dan alleen?




  1. Groepsleden houden zich veel meer bezig met emotionele aspecten in een groep waardoor het uitvoeren van de taak, het nemen van beslissingen bijvoorbeeld, geen prioriteit heeft

  2. Door miscommunicatie ontstaat er vaak een conflict als mensen samen iets moeten beslissen

  3. De belangen lopen vaak zo uiteen dat niet één beslissing de beste kan zijn voor iedereen uit de groep

  4. Mensen blijken vaak niet goed in staat om voor hen unieke informatie uit te wisselen



  1. Groepspolarisatie vindt plaats wanneer:




  1. Individuen riskantere beslissingen nemen wanneer ze alleen zijn dan in een groep

  2. Het hebben van tegengestelde meningen in een groep leidt tot de formatie van twee of meer subgroepen

  3. De mening van de minderheid afgewezen wordt

  4. De aanvankelijke meningen van de groep meer intens worden tijdens de interactie



  1. Groepsdenken is het gevolg van bovenmatig de nadruk leggen op:




  1. Het unieke van het individu

  2. Luisteren naar de mening van de minderheid

  3. Het streven naar consensus

  4. Het uitwisselen van unieke informatie



  1. Welke factor bevordert de kans op groepsdenken NIET?




    1. Een open vorm van leiderschap

    2. Grote groepscohesie

    3. Sterke isolatie van de groep

    4. Hoge stress



  1. Wanneer zal de aanwezigheid van anderen leiden tot toegenomen arousal en sociale facilitatie?




  1. Wanneer men samen een prestatie levert

  2. Wanneer men in de aanwezigheid van anderen een prestatie levert



  1. Hoe hechter de groep:




  1. Hoe meer overeenstemming in meningen wordt verwacht

  2. Hoe meer gevarieerd de meningen zullen zijn



  1. Hoe komt het dat brainstormen NIET effectief is?




  1. De ideeën van anderen kunnen de eigen ideeën blokkeren

  2. Er ontstaat een conflict tussen het besteden van aandacht aan de taak en het besteden van aandacht aan de anderen



  1. Het identificeerbaar maken van individuele prestaties is een belangrijk hulpmiddel om sociale facilitatie tegen te gaan. Deze stelling is:




  1. Juist

  2. Onjuist

Pro-sociaal en antisociaal gedrag

  1. Sandra heeft beloofd aan een huisgenote om een pak koffie mee te nemen uit de supermarkt. Maar haar huisgenote was gisteravond vreselijk onaardig tegen haar, en ze besluit het expres te ‘vergeten’. Deze vorm van agressie is:




  1. Actief

  2. Indirect

  3. Ontwijkend

  4. Instrumenteel



  1. Wat is volgens de cognitieve neo-associatie-theorie van Berkowitz (ook wel herziene frustratie-agressie hypothese genoemd) oorzaak van emotionele agressie?




  1. Frustratie

  2. Pijn

  3. Slaapgebrek

  4. Alle bovenstaande antwoorden zijn correct



  1. Wat is GEEN mogelijke oorzaak van het omstander effect?




  1. Pluralistic ignorance

  2. Diffusion of responsibility (gespreide verantwoordelijkheid)

  3. Audience inhibition

  4. Slachtoffer-devaluatie



  1. Wat wordt bedoeld met “inclusive fitness”?




  1. De totale kans dat iemands genen worden doorgegeven aan toekomstige generaties

  2. Het overleven van de sterkste individuen, oftewel individuen die zich het best hebben aangepast aan de eisen van de (sociale) omgeving

  3. Directe wederkerigheid in prosociaal gedrag

  4. Competitief altruïsme in prosociaal gedrag



  1. Wat is de vijandige attributie-vertekening?




  1. Een neiging om kwade bedoelingen toe te schrijven aan anderen

  2. Een neiging om agressief te reageren in interpersoonlijke interacties



  1. Het afreageren van agressie door bijvoorbeeld op een kussen te slaan verlaagt de kans op latere uitingen van agressie, vanwege een selffulfilling prophecy. Deze stelling is:




  1. Juist

  2. Onjuist

  1. De empathie-altruïsme hypothese van Batson bekijkt altruïstische motieven voor pro-sociaal gedrag en kijkt niet naar egoïstische motieven. Deze stelling is:




  1. Juist

  2. Onjuist



  1. Wat is volgens de empathie-altruïsme hypothese van Batson cruciaal voor het optreden van altruïsme?




  1. Empathic distress

  2. Empathic concern



Stereotypen


  1. Ingroup-favoritisme wordt vergezeld door outgroupvernedering wanneer:




  1. De ingroup buitengesloten wordt

  2. Mensen zich uniek en anders willen voelen

  3. De ingroup zich bedreigd voelt door de outgroup

  4. Mensen geneigd zijn om te vooroordelen



  1. Welk van de volgende beweringen over ingroup-favoritisme is juist?




    1. Ingroup-favoritisme is alleen gevonden in groepen in het laboratorium

    2. Ingroup-favoritisme vindt alleen plaats wanneer de groep normale kenmerken van een groep vertoont, zoals groepsinteractie, gelijkenis tussen groepsleden en een groepsstructuur

    3. Ingroup-favoritisme vindt alleen plaats wanneer er competitie bestaat tussen de ingroup en een andere groep

    4. Zelfs mensen die ingedeeld zijn in groepen op een willekeurige basis zijn geneigd om hun eigen groep positiever te behandelen dan andere groepen




  1. In het algemeen ken je meer mensen van jouw eigen groep dan van een andere groep. Daardoor neem je waarschijnlijk een brede diversiteit aan individuen in de ingroup waar. Dit kan helpen het volgende fenomeen te verklaren:




    1. Sociale categorisatie

    2. Outgroup-homogeniteit

    3. Ingroup-favoritisme

    4. Illusoire correlatie



  1. Lotte gaat er vanuit dat alle Russen een afkeer hebben van homoseksuelen. Dit is een voorbeeld van:




  1. Een stereotype

  2. Een sociale norm

  3. Een vooroordeel

  4. Discriminatie



  1. Het boemerang-effect treedt niet of nauwelijks op bij mensen die gemotiveerd zijn om niet te stereotyperen.




    1. Juist

    2. Onjuist



  1. Volgens de categorie-accentuatietheorie van Tajfel (1969) worden verschillen tussen categorieën (I) en worden verschillen binnen categorieën (II). Wat hoort er op de plek van (I) en (II) te staan?




    1. (I) gecontrasteerd; (II) geassimileerd

    2. (II) geassimileerd; (II) gecontrasteerd



  1. De contacthypothese (Allport, 1954) beweert dat conflicten tussen groepen voortkomen uit competitie over het beheren van schaarse goederen. Deze stelling is:




    1. Juist

    2. Onjuist



  1. Volgens de “just world” (rechtvaardige wereld)-hypothese zijn we gemotiveerd om de wereld om ons heen als rechtvaardig te zien. Dat houdt bijvoorbeeld ook in dat je het lot van een dakloze man toeschrijft aan zijn persoonlijke eigenschappen en niet zozeer aan de situatie waarin hij zich bevindt. Deze stelling is:




    1. Juist

    2. Onjuist

Deel II: Open vragen
Dit deel van het tentamen bestaat uit 4 open vragen. Beantwoord de open vragen binnen de aangegeven ruimte op dit formulier. Alleen antwoorden binnen de kaders worden nagekeken.
Elke deelvraag telt even zwaar mee in het eindcijfer.
Succes!

Vraag 1: Spanning en verliefdheid

Een bekende actiefilm is “The Bourne Identity”, een film waarin een geheim agent aan geheugenverlies leidt. Geleidelijk ontdekt hij dat hij voor de CIA werkte en een opdracht niet goed heeft uitgevoerd, waardoor hij voor de CIA waardeloos is geworden en gezien wordt als een mislukt project dat zo snel mogelijk uit de weg geruimd dient te worden. Tijdens zijn vlucht komt hij in contact met Marie die hem in ruil voor geld helpt om te vluchten. Tijdens hun vlucht door Europa bloeit natuurlijk de onvermijdelijke romance op... (uit een samenvatting van www.film1.nl).

In dit soort actiefilms komen wel vaker spannende situaties voor, waarin de hoofdpersonen ook nog verliefd op elkaar worden.


  1. Leg aan de hand van de term “excitation transfer” uit op welke wijze spanning en lichamelijke opwinding de kans op verliefdheid doen toenemen.



  1. De invloed van spanning op emoties in het algemeen (dus niet alleen verliefdheid) wordt bekeken door de cognitieve labeling theorie van Schachter en Singer. Leg uit wat deze theorie te zeggen heeft over de rol van fysiologische opwinding bij het ervaren van emoties. Bespreek hierbij in hoofdlijnen het onderzoek wat is uitgevoerd om dit aan te tonen.


Vraag 2: Zelfrapportage

In een marktonderzoek wordt informatie verzameld over producten of klanten. Er wordt bijvoorbeeld bekeken welke variant van een voedingsmiddel consumenten het lekkerst vinden. Marktonderzoeksbureau Essensor doet dit soort voorkeursonderzoek, en beschrijft dit als volgt op de website: “In een voorkeursonderzoek vragen we aan grote relevante groepen respondenten hun mening over uw en andere concurrerende producten. We vragen op de eerste plaats naar voorkeur en ook de sensorische aspecten van de producten. Daarnaast stellen we vragen over de marketing van producten (bijvoorbeeld de prijsstelling) en over de verpakkingen”.


In dit soort onderzoek wordt, zoals blijkt uit bovenstaande omschrijving, dus vaak gebruik gemaakt van zelfrapportage.


  1. Leg uit wat onderzoek over “choice blindness” (keuze blindheid) van Lars Hall en Peter Johansson heeft aangetoond. Wat kun je uit dit onderzoek afleiden over de mate van betrouwbaarheid van zelfrapportage?



  1. Sociaal psychologen gebruiken behalve zelfrapportage ook andere onderzoeksmethoden. Voor het meten van vooroordelen wordt bijvoorbeeld vaak de impliciete-associatietaak (IAT) gebruikt. Let uit wat de IAT meet en noem twee voordelen van de IAT ten opzichte van zelfrapportage.


Vraag 3: Sociale psychologie in de politiek

Ook in de nationale politiek zien we verschillende sociaal psychologische principes opduiken. PVV-leider Wilders kwam op de eerste dag van de algemene politieke beschouwingen in aanvaring met D66-leider Pechtold. Deze laatste had op een bijeenkomst van de PVV neonazi's gezien die de Hitlergroet brachten, en vroeg of Wilders daar afstand van zou willen nemen.

  1. Wat voor effect kan de gedachte aan Hitler hebben op de persoonswaarneming van Wilders? Licht toe aan de hand van het assimilatie / contrast principe.

Begin oktober berichtte de Volkskrant over een nieuw wetsvoorstel dat in augustus naar de Raad van State is gestuurd (de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015). In dit voorstel krijgen gemeenten de ruimte om ouderen, zieken en gehandicapten dringend te verzoeken om in ruil voor zorg vrijwilligerswerk te doen. Zo zouden eenzame ouderen kunnen voorlezen op de voorschoolse kinderopvang.




  1. Beschrijf het arousal / kosten-batenmodel, en gebruik dit model om te beargumenteren wanneer iemand (in het kader van een dergelijke wet) inderdaad vrijwilligerswerk zou gaan doen. Met andere woorden, hoe zou een gemeente er volgens dit model voor kunnen zorgen dat meer ouderen, zieken en gehandicapten vrijwilliger worden?


Vraag 4
Veronderstel dat zesdejaars vwo scholieren een toelatingstest moeten doen om toegelaten te worden tot één van de universitaire opleidingen in de bètawetenschappen (zoals biologie, natuurkunde, of wiskunde). Aan de helft van de vrouwelijke scholieren wordt verteld dat vrouwen slechter scoren op de test dan mannen, terwijl aan de andere helft van de vrouwelijke scholieren wordt verteld dat vrouwen en mannen hetzelfde scoren. De vrouwen die gehoord hebben dat de test door vrouwen slechter gemaakt wordt, blijken daadwerkelijk minder goed te scoren dan mannen.


  1. Leg uit hoe dit fenomeen werkt, en genoemd wordt binnen de literatuur over stereotypering.

De overheid wil een campagne opzetten om negatieve stereotypen over vrouwen en bètawetenschappen te veranderen, met als doel om meer vrouwen te laten oriënteren op een toekomst in de bètawetenschappen. Gedacht wordt aan een brochure waarin hardwerkende, ambitieuze vrouwen te zien zijn die ingewikkelde berekeningen of interessante experimenten in een laboratorium uitvoeren.




  1. Wat is, volgens het subtyperingsmodel, een reden waarom een dergelijke campagne zou kunnen mislukken?




  • versie
  • Emoties in sociale interactie
  • Attractie en intieme relaties
  • Pro-sociaal en antisociaal gedrag
  • Deel II: Open vragen Dit deel van het tentamen bestaat uit 4 open vragen. Beantwoord de open vragen binnen de aangegeven ruimte op dit formulier
  • Vraag 1: Spanning en verliefdheid
  • Vraag 3: Sociale psychologie in de politiek

  • Dovnload 104.31 Kb.