Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Termen en definities: (not asked to give verbatim but to apply it)

Dovnload 48.86 Kb.

Termen en definities: (not asked to give verbatim but to apply it)



Datum27.05.2017
Grootte48.86 Kb.

Dovnload 48.86 Kb.

Termen en definities: (not asked to give verbatim but to APPLY it)

Tema 0:

You should know the Names, characteristics and examples of fallacies
Question-begging, circular reasoning = "The Bible says God exists, and the Bible must be right since it is the revealed word of God, so God exists." Obviously enough, no one who doubts the conclusion has any reason to accept the second premise, which presupposes it
Straw man = een verkeerde interpretatie maken van de argumenten van je opponent, deze gemaakte ‘straw man’ vervolgens weerleggen, en dan doen of je zijn echte argumenten hebt weerlegd.
VB: Person A: I don't think children should run into the busy streets.

Person B: I think that it would be foolish to lock up children all day with no fresh air.

By insinuating that Person A's argument is far more draconian than it is, Person B has side-stepped the issue. Here the "straw man" that person B has set up is the premise that "The only way to stop children running into the busy streets is to keep them inside all day".

Non-sequitur (= it does not follow), invalidity, logical fallacies = De conclusie volgt helemaal niet op de stelling/hypothese.
If A is true, then B is true.
B is stated to be true.
Therefore, A must be true

Affirming the consequent = een vorm van non-sequitur = if p, then q. q! therefore p

Als het geregent heeft, dan is het glad buiten.

Het is glad buiten  het heeft geregend (kan ook olie liggen)
False dilemma = er word een beeld gegeven alsof het enkel een zwart-of-wit situatie is, een soort van extreme simplificatie, terwijl er eigenlijk een groot grijs spectrum tussenzit die meer appropriate is
VB "Mark is late for work. Either his car has broken down, or he has overslept. We telephoned and learned he isn't at home, so his car must have broken down."

This argument is a false dilemma, because there are many other reasons why Mark may have been late for work (he might have decided to quit his job unannounced, he might have been arrested for traffic offences, he might have died, and so on). If it were somehow proven that there were no other possibilities than those presented in the initial dichotomy, then the logic would be sound. But until then, the argument is fallacious.


Overgeneralizaton = statements that are so general that they oversimplify reality.

VB: A little kid might say: “All birds can fly.”

Many young children make this overgeneralization when learning how to categorize the details of their world.  They have learned a general concept, but do not yet understand its exceptions.  A penguin, of course, is one of many examples of birds that cannot (or could not) fly

Group think = Je hoort bij een bepaalde groep en bent daar ‘blij’ mee dus je neemt ook hun hypotheses over. A reasoner commits the group think fallacy if he or she substitutes pride of membership in the group for reasons to support the group's policy. If that's what our group thinks, then that's good enough for me. It's what I think, too. "Blind" patriotism is a rather nasty version of the fallacy.
Example:

VB: We K-Mart employees know that K-Mart brand items are better than Wall-Mart brand items because, well, they are from K-Mart, aren't they?


Suppressed evidence = Bewust informatie achterhouden die slecht is voor je eigen stelling. Intentionally failing to use information suspected of being relevant and significant is committing the fallacy of suppressed evidence. This fallacy usually occurs when the information counts against one's own conclusion. Perhaps the arguer is not mentioning that experts have recently objected to one of his premises.
Appeal to authority = Je argumenten onderbouwen met ‘bewijs’ van autoriteiten die niet te vertrouwen zijn of het misschien zelf ook wel fout hebben:

You appeal to authority if you back up your reasoning by saying that it is supported by what some authority says on the subject. Most reasoning of this kind is not fallacious. However, it is fallacious whenever the authority appealed to is not really an authority in this subject, when the authority cannot be trusted to tell the truth, when authorities disagree on this subject



Thema 1:
Kuhn’s Paradigms (science as irrational)
Hij bedacht: irrational science, and of changing standards. Hij beweerde:
Scientist work within paradigms

Paradigm = a fixed way of doing science (with models and rules)

A problem ontstaat wanneer een problem niet opgelost kan worden met het oude paradigm maar waarschijnlijk wel met een nieuwe paradigm. Dit leidt naar een revolutie, wetenschappers omarmen een nieuwe paradigm (het bandwagon effect).
The bandwagon effect is the observation that people often do (or believe) things because many other people do (or believe) the same. (lijkt ook op overgeneralization-fallacy)
Deze revoluties zijn irrationeel! Omdat er is “incommensurability”.

Incommensurability = there is no way of comparing the old and the new theories.

=there is no common standard to compare paradigms (to measure the differences)
Kuhn’s paradigms bevatten wetenschappelijke-eigenschappen:


  • Standaarden voor onderzoek te doen

  • Methode voor data collection

  • Paradims contain standard’s what to do en don’t

 samenvattend: een paradigm omschrijft een wetenschapper zijn ‘view of the World, his discipline and himself’

Theory-ladenness of observation = The standards and theories accepted by scientists, and the concepts that they use determine which data they gather, or how they interpret their data. (So there is no neutral way to gather data. You need to know what to look for)

(observation is loaded with theory).


Vanwege de theory-ladenness and the implicitness of standards, kunnen twee paradigms niet objectief met elkaar vergeleken worden!

 Kuhn noemde dit Incommensurability (lack of a common standard or measure)

 dus geen rationale manier van paradigm wisselen, maar een sociaal fenomeen met imitatie, bandwagon effects en generatie conflicten

 Dit leidt tot relativisme: geen absolute waarheid of standaard of rationaliteit in wetenschap


“je kunt ook niet terugkijken op je oude paradigm, want je zit in de nieuwe dus ben je niet meer volledig rationeel”
“every new paradigm will say that it’s the best paradigm there ever was”
“No progress in science, but just hypes and fashions”

Lakatos’ programs (science as rational)

Maakte van de wetenschap een succession of competing, changing research programs:

Wetenschappers werken in de context van 1 RP (hij neemt 1 RP serieus)

Deze RP richt hun werk, maar verandert daardoor ook. RP’s veranderen continue naar gelang er data wordt gevonden.

Wetenschappers kunnen het vertrouwen in hun RP verliezen en een andere kiezen die veelbelovender lijkt. Een dergelijk verandering kan zijn voor een goede reden: ‘er waren teveel slechte veranderingen aan het oude RP’. Overstappen is vooruitgang.
Research Programs:

- bevat theorien

- bevat een hard core van concepts en hypotheses voor alle theorien.

- hulp-hypotheses helpen de theorien tegen negatieve ‘bewijslast’ (protective belt)

- do’s and dont’s
Bijv: Newton maakte gravitatiewet: hard core

Laplace, Hamilton bouwde daarop en breide uit.

Hulp-hypotheses (protective belt) zijn: center-of-mass aannames enz.
Lakatos is meer exclusief gericht op de wetenschap dan Kuhn, vanwege de nadruk op de rationaliteit.
A rational activity that slowly progresses towards a true theory
Verschillen in Kuhn & Lakatos

Grootste verschil: dat er volgens Lakatos wel een rationele redenering is als er van RP gewisseld wordt (het is tenslotte een verbetering volgens hem). Volgens Kuhn is de wisseling niet rationeel en daarom minder gericht op wetenschap, daarom waarschijnlijk meer relevant dan rigor enz enz



  • Sommige RP’s zijn progressief: data wordt verklaard met hardcore, en nieuwe hypotheses sluiten aan op de hardcore.

  • Andere RP’s zijn degeneratief: nieuwe data wordt niet goed verklaard, de protective belt groeit en niet logische hypotheses worden toegevoegd (Het is niet toegestaan om enkel stuff in de protective belt te stoppen)

  • Het verlaten van een degeneratieve RP is rationeel wanneer er een betere progressievere RP is (je dumpt alleen je oude fiets als er een betere is, want de oude is nog steeds beter dan lopen)

Lakatos en Kuhn sporen je aan tot het kijken naar onbekende dingen, het verlaten van een wetenschappelijk idee dat heilig of autonoom verklaard werd. En, om je zelf te laten nadenken waar je eigenlijk zelf in gelooft.


De link met Management fashion’s:

Zijn MFs fashions of is dit een vooroordeel? Worden ze verlaten voor een reden?


Abrahamson:
“Een MF is een voorbijgaand collectief geloof, uitzaaiend door MF trendsetters dat een management techniek rationele-vooruitgang leidt”

 as long as people belief that its rational, you can study it


Abrahamson benadrukt hoe normen van rationaliteit een MF maken en veranderen.
De vraag naar MF’s komt van managers die graag hun keuzes als rationeel willen verklaren. De relevantie is praktisch: zo efficiënt mogelijk je doel bereiken. MF’s geven managers het doel en de middelen daarvoor.

Maar het gaat erom dat anderen geloven dat managers rationeel zijn, niet of ze dat ook werkelijk zijn (not to get fired)

Dus uiteindelijk zijn MF’s puur sociale fenomenen: middel-doel methodiek.
MF’s are hyped and sold like pop songs

Rhetorics! De MF techniek wordt geadverteerd als ‘increasing rationality’!


Strekking eerste opdracht was: try to find the rationality in MF’s, or to argue that it is absent.
Tema 2: Rigour and Relevance
Reacties op niet relevante management studies:

Arrogantie: ze zijn dom (als pragmatisten nou eens leerde lezen)

Blocked aqueduct: de info van academici naar business is ergens geblockt

Trade-off: je bent of een goede practitionar of een goede scientist, nooit beide

Crisis: management studies zitten op verkeerde spoor, daardoor is er die hele discussie.

Wij focussen op de laatste 2 punten.
Rigour:

In de management studies is een fundamenteel verschil in purpose and relevance.



Rigour: benadering op beschrijvend, verklarend, idealiserende en formele modellen

Relevance: of benadering op praktische relevantie, nauwkeurige aanbevelingen doen op specifieke cases (n=1)
Aim for scientific knowledge. i.e. a method for predicting, explaining, understanding and controlling phenomena

Highly abstract, mathematical modeling techniques



Relevance:

Organizations are to complex to explain, therefore, the aim should be to improve actual organizations to solve existing practical problems.

Open-mind basis: you can not start from some model  move from a case to case basis
Connection with Kuhn and Lakatos: if academic research is irrelevant, practitioners will look elsewhere for solutions, namely in ‘management literature’.
Het is geen zwart-wit verhaal: je kunt ook beide aanhangen of er ergens tussenin hangen.
Rigour and Relevance zijn twee ‘clusters of ideas’:

Law-based vs ideographic = general vs specific

Formal vs non-formal

Theory based vs Data based

Descriptive vs prescriptive

Science vs Engineering = research vs design
Rigour vs Relevance

Law-based vs ideographic = general vs specific = nomothetic vs idiographic

Laws als in wetten van scientists (Newton)


Physics is the paradigm of law-based (nomothetic) science: all about finding the laws of nature. Many social sciences try to imitate this.

Social sciences hebben vaak last van: Complex en veranderende systemen


Idiographic science = describing/categorizing stuff, not looking for general explanations

Idiographic = accurate description

Bijv: anatomy, organic chemistry,

Bijv: de anatomy kent helemaal geen enkele wet, maar beschrijft nauwkeurig het lichaam


Spectrum: purely nomothetic  Hydbrid  purely idiographic

Physics  chemistry history


Formal vs Non-formal

Formalize = modeling a system with mathematical equations

= onmisbaar in de natural sciences

= anders dan law-based omdat niet alle kwantitatieve methode daadwerkelijk law-based zijn. Bijvoorbeeld: optimization techniques, statistical analyses.


Formalizeren geeft het probleem van idealisatie:

Het probleem met qualitatieve modellen is dat een complex systeem altijd idealisatie krijgt:



  • De belangrijkste: er worden aannames gemaakt voor wiskundige toepasbaarheid en voor het makkelijker modelleren.  dit mag omdat de invloeden ingeschat kunnen worden, en later kunnen worden toegevoegd zonder het model te beïnvloeden  het model is robuust. Zelfs in fysics kunnen niet alle fenomenen robuust gemodelleerd worden, in de social sciences, robustness is mostly a dream

(You think you modelled a thing, until you set a constraint, your model goes shit)

  • Sommige aspecten worden gemodelleerd, andere niet (je kunt niet alle variabele in je model meenemen, is te complex)

  • Sommige modellen bevatten condities van key variables

Omdat het om mensen gaat is idealiseren extra moeilijk, want mensen worden beschouwd als zeer complex and complicated.
Voordeel idealisatie:

  • idealized models may be applied to many different cases!

  • Abstraction (uit het model laten) and generability go hand in hand


Rigour vs Relevance
Theory based vs Data based

Models and data need to be related!

Formal methods, need to be verified.

Some models are data-driven en andere theory driven


Theory-driven models (rigorous)

Veel modellen zijn opgesteld van een set relaties. Deze relaties closely resemble laws (soort van Proto-theorien). Nauwkeurigheid is een probleem: er is vrijheid en drang voor ‘stipulation’ (onder condities) en abstractie (= uit het model laten)



Hoe hoger de abstractie van het model, hoe meer het te generaliseren is over andere situaties (dmv idealisatie), maar hoe minder het op de werkelijkheid is berust.
Data-driven models (relevent)

Andere modellen gebruiken als uitgangspunt ‘data’, en vinden dus relaties tussen quantities. Veelal statistische modelletjes (data-mining  vrouwen hebben xx% meer kans op blabla dan mannen).

Nadelen:



Het probleem met data:

De natural sciences kunnen experimenteren  gecontroleerde, reproduceerbare en bruikbare data!

In de sociale studies is data zeldzaam, meestal niet reproduceerbaar, vaak is de data niet specifiek voor het model gewonnen, en mogelijk onbetrouwbaar!

DILLEMMA:


Theory driven modellen zijn te abstract ( Just mathematical)

Data driven modellen zijn te onbetrouwbaar om toe te passen (less accurate)
Descriptive vs Prescriptive

Bovendien: science alleen is onvoldoende, want stel dat er wél nomothetic, formal theory- of data-driven type of managment studies zijn. Dan ben je nog niet tevreden:

Bedenk het doktersvoorbeeld: beschrijven en voorspellen dat je doodgaat aan een bepaalde ziekte is leuk maar niet genoeg, het doel is immers genezen!
Descriptive statements: these represent facts, or explain them in terms of other facts

Prescriptive statements: These state what one should or might do to change reality.


Zelfs nauwkeurig goed omschreven en verklarende modellen vertellen niet hoe dingen verbeterd moeten worden. Dit hangt namelijk af van iemand zijn values en wensen.
(The same description leads to differen prescriptions)

Omgekeerd: een dokter die na het voelen van je pols een open-hart operatie voorsteld is ook zinloos:  Dus: description without prescription is sterile, but prescription without description is blind!

Rigorous vs Relevance

Science vs Engineering

Research vs Design
Design :


  • the aim is to make, not to describe or explain

  • is problem georienteerd: doel is bij te dragen aan de oplossing van een practisch problem

  • (kan) gebaseerd zijn op wetenschappelijke theorien

  • Design always goes hand in hand with Prescription

Engineering design need not be science-based, but it always involves descriptive/explanatory knowledge


In scientific research, stepwise progression to complete empirical adequacy is the minimal goal. You want to predict / explain all data: only this finishes your job. Rationality is unbounded.

In design, the task is practically constrained: the bridge or organization has to be improved now, and all material that is useful for this purpose is welcome. This makes life both easier and more difficult. Rationality is bounded.

`

Shrivastava mete een gap, hij zette 3 criteria voor rigour en 5 voor relevance.



(Bekijk ook bladzijde 80 van Shrivastava diktaat!)
Criteria voor het meten van de ‘rigorousness’ of research (3 stuks)

Conceptual adequacy = een functie van hoe goed de research program zit in theoretische modellen (van onderliggende disciplines als economics, wiskunde, etc). Het meet in hoe verre research programs de kennis gebruiken zoals die gemaakt is in their ‘base discipline’. “A high level of conceptual adequacy applies the knowledge of this base discipline to create a theoretically adequate conceptual framework in it Research Program
Level of Methodological rigor = de mate waarin ‘the program’ gebruik maakt van enerzijds subjectief georiënteerde interpretatie technieken (gebruikmakend van qualitatieve of beschrijvende data (case studies)) tot anderzijds analytische wiskundige modellerings technieken met quantificeerbare data.

Subjectieve methods maken dus gebruik van intuitieve/interpreteerbare methodes

Objectieve mehtodes maken dus gebruik van analytische methodes en quantificeerbare data. (more rigorous en meer trend van survey study)
Accumulated empirical evidence = de mate waarin het theoretische concept wordt onderbouwd met empirisch bewijs. Dit bewijs kan onderzoeksresultaten ondersteunen en legitimeert de resultaten om gebruikt te worden door andere onderzoekers en managers.

Five criteria for evaluating usefulness of research programs:

Meaningfulness (most important one) or comprehensibility (begrijpelijkheid) of research results to users = de mate waarin onderzoeksresultaten de werkelijke bedrijfsorganisatie bevat en goed beschrijft.
Goal relevance = dat het onderzoeksconcept ‘performance indicators’ bevat die relevant zijn met de doelen van managers en het bedrijf (de onderzoeksresultaten moeten bruikbaar zijn)
Operational validity = actionability = de mate waarin onderzoeksresultaten uitvoerbaar zijn in concrete acties en beslissingen
Innovativeness or non-obviousness of research results = nieuwe en niet logische resultaten worden veel eerder gebruikt dan oude en gezond verstand antwoorden.
Cost of implementation of research results = de mate waarin de onderzoeksresultaten implementeerbaar zijn in termen van tijd en geld.

Van Aken zocht naar meer ‘design science’ (hij vond relevantie belangrijk in science), hij stelde 3 condities op die design science moesten hebben:



  • De dependent variable must describe something of value to the organization, like some performance indicator

  • The independent variables must describe something that can be changed or implemented by the designers

  • The proposition must have been tested in the intended context of application


Essentie van tema 1: Rationality in management fashions: practitioners care little for academic research
Essentie van tema 2: The rigour and relevance of management studies  many researchers care little for practice
Tema 3:

In de social sciences bestuderen mensen andere mensen en hun organisaties. Mensen zijn self-aware, van elkaar en van hun omgeving.  social sciences worden altijd van binnenuit gedaan! Het zijn nooit onafhankelijke observers van buitenaf!

Mensen kunnen betekenis (meaning) geven aan de wereld om hun heen (tov dieren of dode objecten), de sociale wereld onderscheid zich van de natuurlijke wereld omdat het gebaseerd is op meaning (betekenis)!

Dus als we die sociale fenomenen willen beschrijven, moeten we deze begrijpen of interpreteren!

Zonder betekenis te geven weet je nog niks (denk aan easter Island statues).
Reality = Ontological claims = make claims about the social World, and the way social phenomena are ‘created’ by meaning

VS
Method = Methodological claims = about how to study these phenomena


Eén specifieke methode voor de social sciences is “hermeneutics”:
Hermeneutics = the study of meaning = to reveal the underlying meaning of social phenomena:

We zien objecten (texts, images, cultural artefacts) die een betekenis hebben, je moet ze bestuderen om de onderliggende betekenis te kunnen afleiden.

MAAR: dan maak je het meaningfull voor jezelf. So you construct rather than reveal mening. Dit komt door eigen aannames en voorkennis (net als Kuhn zijn ‘theory-ladenness).
 dus geen objectiviteit mogelijk, maar puur aan de hand van de bestaande kennis die de onderzoeker al reeds in zijn bezit heeft.

 er is hooguit intersubjectivity = een groep onderzoekers die het over de interpretatie van een bepaald fenomeen eens zijn!

 dit beperkt wetenschappelijk onderzoek: geen objectieve data, geen independent validations en geen general explanations
Interpreationists bestuderen hoe mensen ‘sense’ maken van een specifieke situatie.

Maar hun onderzoek is altijd embedded: ze maken altijd deel uit van het proces dat ze willen bestuderen (zelfs als men enkel toekijkt).


Hier tegenover staat:
Positivists claimen:

  • de sociale studies moeten zo veel mogelijk behandeld worden als de natural sciences

  • Positivists zoeken naar general explanations!

  • Men denkt: Explanations point out causes

  • Idealisations from a specific situation are needed and allowed to construct general explanations

  • Voorbeeld: ijskappen worden kleiner  verwijs naar de stijgende klimaat (= feit),  het smelten van ijs (general law).  Hier worden geen oorzaken genoemd, enkel feiten, wetten en een afleiding




  • Let op: de meeste Positivists ontkennen niet dat mensen situaties interpreteren en beoordelen

  • Ze ontkennen alleen dat social scientist deze fenomenen moeten beoordelen.

  • Ze denken dat de gedachtegang van mensen niet uit maakt voor de ‘causal structure of society’. (de rest van sheet 20 blijf ik vaag vinden)


Arguments tegen Positivism:

  1. “People respond to knowledge about fixed structures, so this knowledge is falsified”

 This is a bad argument, Why? (tentamentip)



  1. ” Explanation and Idealisation are just ways of sense-making”

 This is a bad argument, Why? (tentamentip)
Een beter argument is:

  1. Two-paradigm model: impossible to give arguments

Veruit het beste argument is:



  1. Interpretationists point out phenomena that positivists cannot accommodate

 argue why the other strategies are worse!
Er zijn 5 fenomenen die ‘explanatory research’ niet ontwrichten, maar wel een obstakel vormen: Research moet deze overwinnen, anders is het naïef.

Positivism = wrong (it cannot deal with certain social aspects)




  1. Enactment (regulation, prescript, bepaling) = Onderzoekers nemen altijd deel van het fenomeen dat ze aan het studeren zijn, of ze willen of niet

- Social research gaat over menselijke acties, maar ook over interacties

  • you always interact with your study

  • Onzekerheid uiten, mensen vertellen wat de oorzaken zijn beinvloed je studie!

  • Dit is niet altijd slecht!

  • Voorb: “reality television”




  • Enactment heeft verband met self-fullfilling (Zelfontplooing) of self-defeating voorspellingen! Het probleem is dat je zelf van te voren niet weet of je voorspelling self-fulfilling of self-defeating word: menselijke reacties zijn moeilijk te voorspellen  Voorbeeld: de voetbal coach die ontslagen wil worden en zijn spelers voor losers uitmaakt, dit kan de spelers triggeren of doen ‘haperen.


  1. Priming

  • een researcher maakt altijd ‘een framework’ bij het data verzamelen

  • = asking questions with very limited answer space

  •  dit ondermijnt het ophalen van objectieve data

  • Tijdens Interviews en queationaires maken mensen altijd een interpretatie van wat de interviewer graag wil weten, en antwoorden hiernaar behoren.

  • Denk ook weer aan Kuhn’s ‘theory-ladenness of observation’.

  • Het is onvermijdbaar en oncontroleerbaar. Zelfs niks zeggen primed je participanten

  • Voor tijdens data verzamelen heb je last van multiple interpretations




  1. Hermeneutic circle (vicieuze uitlegkundige cirkel)

  • Tijdens interpretaties, maak je altijd aannames en breng je voorkennis en niet-objectiviteit mee

  • Als je denkt dat een poëet een racist is, dan ga je zijn teksten scannend lezen naar punten die jouw uitspraken bevestigen ( maakt cirkel)

  • Deze circel is waarschijnlijk vicieus: Je krijgt eruit wat je erin stopt

  • Of het is niet vicieus, maar oneindig: je vooringenome gedachte worden weliswaar gecorrigeerd, maar dit verandert ze enkel.

  • Je leest nooit de tekst zoals ie werkelijk is. Of je vind nooit uit wat er mee bedoelt is.

  • Deze cirkels beïnvloeden de geldigheid van theorieën.




  1. Situatedness

  • al het onderzoek is gedaan in een bepaalde context en situatie

  • Deze context bestaat o.a. uit achtergrondinfo, aannames en eerdere ervaringen

  • Situaties veranderen, dus kennis verandert mee

  • Woorden en representaties zijn misleidend: ze lijken fixed, maar feitelijk is de betekenis in een bepaalde situatie en dus veranderlijk

  • Cognitie is niet een vaste vorm van opgeslagen informatie, maar een dynamisch repetoire van acties

  • Voorbeeld: een stuk kennis (vb een model) heeft een andere betekenis voor een expert dan een nieuweling. Een expert kent de grenzen en is ervaren in het gebruik

  • Je kunt (helaas) niet uit alle situaties stappen om data te verzamelen, theorieën te verzamelen of resultaten te communiceren. Er bestaat niet een dergelijk losstaand perspectief!

  • En je weet niet weke aspecten van een situatie (zijn er veeel) je kennis of gedrag beïnvloeden: Elke selectie is een idealisatie, die op zichzelf weer is gesitueerd!

  1. Sense-making and Storytelling

  • mensen handelen meestal zonder bezinning (uit automatisme)

  • Sommige acties zijn moeilijk te beschrijven (hoe je loopt? Hoe je paper schrijft?

  • Toch moet daar vaak een interpretatie aan worden gegeven, om te kunnen rechtvaardigen naar anderen en hunzelf

  •  ze doen dit door ‘telling stories’: samenhangende sets van statements, die hun motieven expliciet en begrijpelijk maken

  • Deze ‘stories’ worden achteraf gevormd, maar ze bepalen zeer sterk jouw begrip van wat er gebeurt is, de rol die je speelde, de mate van controle die je had, etc!

  • Elke representatie van een sociale situatie is zo’n verhaal

  • In eigen woorden: Als je iets wilt vertellen van wat je zelf ergens hebt gezien en geïnterpreteerd, dan geef jij je eigen visie/interpretatie daarop.

  • De conclusie volgt helemaal niet op de stelling/hypothese.
  • Group think = Je hoort bij een bepaalde groep en bent daar ‘blij’ mee dus je neemt ook hun hypotheses over.
  • Bewust informatie achterhouden die slecht is voor je eigen stelling.
  • Je argumenten onderbouwen met ‘bewijs’ van autoriteiten die niet te vertrouwen zijn of het misschien zelf ook wel fout hebben
  • Kuhn’s Paradigms (science as irrational)
  • Theory-ladenness of observation
  • Lakatos’ programs (science as rational)
  • Verschillen in Kuhn Lakatos
  • De link met Management fashion’s
  • Law-based vs ideographic = general vs specific Formal vs non-formal Theory based vs Data based Descriptive vs prescriptive
  • Rigour vs Relevance Theory based vs Data based
  • Descriptive vs Prescriptive
  • (The same description leads to differen prescriptions)
  • Arguments tegen Positivism
  • Enactment

  • Dovnload 48.86 Kb.