Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Terminologie oplijsting bij cursus vergelijkende biologie Miller experiment

Dovnload 315.36 Kb.

Terminologie oplijsting bij cursus vergelijkende biologie Miller experiment



Pagina2/5
Datum16.05.2018
Grootte315.36 Kb.

Dovnload 315.36 Kb.
1   2   3   4   5

P680

  • Fotosysteem I

  • Acyclisch fotosysteem I

  • Fotosysteem II

  • Fotochemische synthese ATP

  • Donkerreactie

    De donkerreacties van de fotosynthese of de licht onafhankelijke reacties: koolstofassimilatiereacties of Calvin-Bensoncyclus. Tijdens de donkerreacties wordt een C-atoom van een CO2-molecule chemisch gebonden aan een 5C, ribulosebiofostaatmolecule waardoor een onstabiel 6C-molecule gevormd wordt dat onmiddellijk opbreekt in twee 3C-moleculen. Deze 3C-moleculen worden via aanwending van ATP en NADPH uit de lichtreacties omgevormd tot PGAL of fosfoglyceraldehyde.

    1. Calvin cyclus

    De donkerreacties van de fotosynthese of de licht onafhankelijke reacties: koolstofassimilatiereacties of Calvin-Bensoncyclus. Tijdens de donkerreacties wordt een C-atoom van een CO2-molecule chemisch gebonden aan een 5C, ribulosebiofostaatmolecule waardoor een onstabiel 6C-molecule gevormd wordt dat onmiddellijk opbreekt in twee 3C-moleculen. Deze 3C-moleculen worden via aanwending van ATP en NADPH uit de lichtreacties omgevormd tot PGAL of fosfoglyceraldehyde.

    1. RUBISCO

    Rubisco, oftewel ribulose 1-5 bifosfaat carboxylase oxygenase, is het bekendste en tevens cruciaalste enzym in de fotosynthese (C3, C4 en CAM). Dit enzym katalyseert de carboxylatie (aanhechten van een koolstofdioxide) van ribulose 1-5 bifosfaat, waardoor er een C6 suiker gecreëerd wordt, dat verder kan gebruikt worden in de opbouw van biomassa. Dit C6 suiker zal onmiddellijk uiteenvallen in 2 dezelfde C3 suikers, nl. 3-fosfo-glyceraat.

    1. Excretie

    Door het metabolisme ontstaan afvalstoffen die uit het organisme verwijderd moeten worden. Metabolisme = afbraak van koolhydraten, lipiden en eiwitten.

    • Protozoa: diffusie (rechtstreeks door het membraan).

    • Stoffen zijn opgelost in water door de pulserende vacuole.

    • Plasmalemma moet doorlaatbaar zijn voor deze stoffen en H2O.

    • Meercelligen: nieren.

    1. Pulserende vacuole

    Voor de waterhuishouding en instandhouding van osmotische waarde van het cytoplasma beschikken Protozoa van het zoete water over pulserende vacuolen waarmee ze water uit de cel verwijderen. Deze pulserende vacuole doet tevens dienst als excretiemechanisme.

    1. Mitose

    Mitose of uitsplitsing van de twee identieke chromosoomsets, oorspronkeleijk vereenzelvigd in dochter- of zusterchromatiden. Het mitoseproces bestaat uit 4 fasen: profase, metafase, anafase en telofase.

    1. Celklone

    Via mitose of aseksuele vermenigvuldiging de dochtercellen genetisch identieke kopieën vertegenwoordigen van de oudercel. Alle cellen, via opeenvolgende mitoses afstammend van eenzelfde oudercel, worden aangeduid als kloon.

    1. G1 fase

    • De pas gevormde dochtercellen zullen een aantal essentiële celorganellen (zoals mitochondria en ribosomen) extra bijmaken.

    • Cellen gaan actief hun normale functie uitoefenen (transcriptie, translatie)

    • Duur is zeer variabel en sommige cellen blijven in deze fase en delen dus niet meer. We spreken dan van de G0-fase.

    • Aan het einde van de G1-fase bevindt zich een controlepunt.

    1. S fase

    S-fase of synthesefase. In deze fase gebeurt de replicatie of verdubbeling van het DNA. Deze replicatie gebeurt semi-conservatief: beide dochtercellen krijgen 1 ouderlijke en 1 nieuwe DNA-streng.

    1. Celcyclus

    Actief groeiende cellen gaan cyclisch groeien en delen. De totale duur van zo’n cyclus varieert van celtype tot celtype. Bacteriën: soms om de 20 minuten, eencellige gisten om de 60 à 120 minuten, bij in cultuur gebrachte cellen van dieren is dit 12-24 uur tot 48 uur of langer. Bij eukaryoten wordt de celcyclus meestal onderverdeel in vier fasen:

          1. G1-fase: groeien van cel, normale functies (transcriptie, replicatie) worden vervuld.

          2. S-fase: DNA-synthese (semi-conservatieve replicatie)

          3. G2-fase: groei en voorbereiding van de mitose, het chromatine wordt gecondenseerd tot zichtbaar individuele draden, centrosoom wordt verdubbeld.

          4. M-fase: mitose = kerndeling (profase, metafase, anafase, telofase) + cytokinese = celdeling

    1. Kinetochoor microtubli

    2. Pool microtubuli

    3. Colchicine

    In de plantenveredeling wordt colchicine gebruikt voor het kunstmatig verdubbelen van het aantal chromosomen. Het is een zogenaamde mitose-remstof, die bij de celdeling de overgang van de metafase naar de anafase verhindert, waardoor de vorming van de spoelfiguur geblokkeerd wordt en de chromosomen niet uit elkaar getrokken kunnen worden. Door behandeling met colchicine werden vooral in het verleden tetraploïde planten ontwikkeld.

    Bij de mens wordt colchicine gebruikt bij het remmen van ontstekingsreacties ten gevolge van jicht.



    1. Conjugatie

    Conjugatie is de overdracht van DNA van de ene cel op een andere cel. Bij dit proces vormen twee bacteriecellen tijdelijk een verbinding via de zogenaamde sexpili, waardoor plasmiden van de ene naar de andere bacterie gaan. Conjugatie kan omschreven worden als 'bacteriële sex'. Conjugatie treedt op bij bacteriën en is naast transductie en transformatie één van de manieren van genetische uitwisseling.

    1. Syncytium

    Eén van de hypothesen tot het ontstaan van meercellige organismen is de syncytiun-hypothese. Deze hypothese veronderstelt dat bij een eencellige structuur met meerdere kernen op een bepaald moment de kernen van elkaar gescheiden zijn door membranen.

    1. Zygote

    Bevruchte eicel. Vanuit deze cel ontstaat elk meercellig organisme.

    1. Fertilisatiemembraan

    2. Polyspermie

    Het binnendringen van andere spermatozoa na bevruchting van de eicel. In dit geval kan er triploïdie of multiploïdie optreden. Het embryo heeft dan 69 in plaats van 46 chromosomen. Embryo’s met 69 chromosomen die zich innestelen komen tot een spontane abortus, ofwel overlijdt het kind na enkele maanden.

    1. Klievingsdeling

    dit is een celdeling waarbij het aantal gevormde blastomeren toeneemt, maar waarbij het totale volume onveranderd blijft. De klievingsdeling is de eerste stap in de embryonale ontwikkeling vanaf de zygote en gaat het morulastadium vooraf. Er zijn verschillende soorten klievingsdelingen, afhankelijk van het soort eicel en dus de hoeveelheid dooierstof.

    1. Holoblastische klieving

    Wanneer de volledige zygote een klievingsdeling ondergaat. De zygote deelt eerst in twee tot de vorming van twee exact even grote blastomeren. meerdere delingen volgen waardoor tot een stadium met vele gelijke blastomeren: het morulastadium. Dit mechanisme komt voor bij de deling van een oligolecithaal ei (met weinig dooier) => eicel bij de mens.

    1. Discoidale klieving

    Discoïdale of schijfvormige klieving. Hierbij is er een kern met weinig cytoplasma en enkel dit stuk gaat delen. Er wordt een kiemvlek gevormd en vervolgens een kiemschijf: hier ontstaat dan een laagje cellen. Dit mechanisme komt voor bij de deling van een telolecithaal ei (extreem veel dooier) => kippenei.

    1. Centrolecithale klieving

    Centrolecithale, periblastische of oppervlakkige klieving. Hierbij delen enkel de kernen aan de oppervlakte van de zygote; de inwendige dooier deelt hier niet mee. Dit mechanisme komt voor bij een centrolecithaal ei => bij insecten.

    1. Oligolecithaal ei

    Deze eicel heeft zeer weinig dooier. Dit soort eicellen komt voor bij de mens. Oligolecithale eieren ondergaan een holoblastische klieving (volledige klieving).

    1. Telolecithaal ei

    Dit is een ei met extreem veel dooier, de eigenlijke eicel. Een kippenei is een voorbeeld van een telolecithaal ei. Telolecithale eieren ondergaan een discoïdale of schijfvormige klieving.

    1. Centrolecithaal ei

    Hierbij ligt de dooier centraal met daarrond een dunne doorlopende cytoplasmatische cortex. Centrolecithale eieren komen bijvoorbeeld voor bij insecten. Centrolecithale eieren ondergaan een periblastische of oppervlakkige klieving.

    1. Blastomeren

    Na bevruchting van de eicel, zal de zygote een reeks klievingsdelingen ondergaan waarbij steeds meer blastomeren worden gevormd. Het aantal cellen (blastomeren) neemt dus toe maar het totale volume van het geheel blijft echter onveranderd.



    1. Morula

    Als resultaat van de elkaar snel opvolgende klievingsdelingen ontstaat er een sfeervormige tros van kleine bolvormige blastomeren: de morula.

    1. Blastula

    Stadium na de morula. Terwijl de klievingen nog steeds verdergaan, worden nu centraal in de morula holtes gecreëerd die uiteindelijk samenvloeien tot een grote centrale holte omgeven door een laag van nu min of meer cilindrische cellen.

    1. Macromeren

    Cellen gelegen aan de vegetatieve pool (=onderkant) van de late blastula. Macromeren zijn grote cellen, onderscheiden van de micromeren aan de animale pool.

    1. Micromeren

    Cellen gelegen aan de animale pool (=bovenkant) van de late blastula. Micromeren zijn kleindere cellen, onderscheiden van de macromeren aan de vegetatieve pool.

    1. Blastocoel

    Blastocoel of klievingsholte. Dit is een holte, centraal gelegen in de blastula.

    1. Gastrulatie

    Na het blastula stadium. De gastrulatie is een zeer belangrijk morfogenetisch proces. De cellen van de vegetatieve pool komen inwendig te liggen van deze van de animale pool. Dit kan gebeuren door invaginatie, instulping van de vegetatieve pool, of door overgroeiing van de cellen van de vegetatieve pool door deze van de animale pool.

    1. Archenteron

    Tijdens de gastrulatie wordt deze nieuwe holte gecreëerd. Het archenteron of de oerdarm wordt volledig omgeven door cellen van de oorspronkelijk vegetatieve pool, die vanaf nu aangeduid worden als endoderm (conventioneel gele kleur)

    1. Blastoporus

    Aan de overgang tussen ectoderm en endoderm blijft de holte van het archenteron via de blastoporus of oermond in verbinding met de buitenwereld. Bij Protostomia zal de blastoporus zich later ontwikkelen tot de mond, bij Deuterostomia wordt deze de anus.

    1. Endoderm

    Het endoderm is één van de drie kiembladen die gevormd worden na gastrulatie. Het endoderm ontstaat uit de macromeren. Het archenteron is volledig omzoomd met endodermcellen. Vermits het latere spijsverteringsstelsel met al zijn aanhangsels volledig uit het archenteron ontwikkelt, zijn alle opbouwende cellen van endodermale oorsprong.

    1. Ectoderm

    Het ectoderm is één van de drie kiembladen die gevormd worden na gastrulatie. Het ectoderm ontstaat uit de micromeren. Gezien zijn oorspronkelijke lokalisatie zal het ectoderm hoofdzakelijk aanleiding geven tot vorming van de buitenste lagen van de huid (= integument). Bij de Chordata zal het ectoderm dat boven de chorda gelegen is via inductie differentiëren tot neurale plaat, waaruit uiteindelijk het volledige zenuwstelsel wordt gevormd.


    1. Kiemblad

    Kiemblad = orgaanvormend gebied. Het embryo is na gastrulatie uit drie verschillende kiembladen opgebouwd, namelijk: endoderm, ectoderm en mesoderm. Hieruit ontwikkelen nu verder de diverse organen die resulteren in een functioneel organisme.

    1. Protostomia

      1. Het mesoderm ontstaat door het mitotisch uitgroeien van een cellaag tussen ecto- en endoderm.

      2. Tijdens de omvorming van het archenteron tot het uiteindelijke spijsverteringsstelsel, zal de blastoporus aanleiding geven tot de latere mond. Een eventuele anus ontstaan later aan het andere uiteinde.

      3. Tot de protostomia behoren:

    Arthropoda (geleedpotigen, o.a. insecten en spinnen),

    Mollusca (weekdieren, o.a. schelpdieren en inktvissen),

    Nematoda (rondwormen),

    Annelida (ringwormen, o.a. regenwormen),

    Nemertea (snoerwormen), …


    1. Deuterostomia

      1. Het mesoderm ontstaat als een blaasvormige afsplitsing uit het endoderm. Resultaat is hier een derde cellaag tussen het oorspronkelijke ecto- en endoderm, waar reeds onmiddellijk een secundaire lichaamsholte wordt gecreëerd: het enterocoeloom.

      2. De blastoporus wordt terruggevonden als de anus, de mond ontstaat secundair als een nieuwe opening naar buiten toe van het spijsverteringsstelsel.

      3. Tot de deuterostomia behoren:

    Echinodermata (stekelhuidigen, o.a. zeester en zee-egel)

    Chordata (gewervelde dieren, o.a. vissen, amfibieën, reptielen, vogels, zoogdieren.)



    Hemichordata (eikelwormen, graptolieten)

    1. Acoelomaat

    Bij de Acoelomata wordt geen secundaire lichaamsholte gevormd. De ruimte tussen endo- en mesoderm is gevuld met parenchymcellen (opvulling en opslag van reservestoffen / ongedifferentieerde cellen). => Plathihelminthes (platwormen)

    Tekening:




    1. Psuedocoelomaat

    Bij de Pseudosoelomata is er wel een secundaire lichaamsholte aanwezig, maar deze wordt slechts aan één zijde, de kant van het ectoderm, door mesodermale structuren omgeven. => Aschelminthes (rondwormen)

    Tekening:

    1. Schizocoelomaat

    Bij de Schizocoelomata ontstaat een secundaire lichaamsholte door splijting: creëren van holtes binnen het mesoderm. => Annelida, Mollusca, Arthropoda.

    Tekening:


    1. Enterocoelomaat

    Bij de enterocoelomata wordt het coeloom gevormd als afsplitsing van de archenteronholte. => Echinodermata, alle Chordata.

    Tekening:


    1. Mesoderm

    Het mesoderm (of derde kiemblad) is één van de drie kiembladen die gevormd worden na gastrulatie. Het mesoderm ligt tussen het ecto- en endoderm. Uit dit derde kiemblad ontwikkelen zich alle andere organen, het hart- en bloedvatenstelsel, het spierstelsel, de dermale structuren, de excretie- en voortplantingsorganen.

    1. Mesenteriumvlies

    Op de plaats waar linker- en rechtercoeloomzakje elkaar raken, wordt dorsaal en ventraal van de darm een mesenteriumvlies gevormd waarmee de darm “opgehangen” wordt in het lichaam. Binnen de dubbele mesenteriumvliezen wordt een ruimte uitgespaard die continu is tussen de segmenten en aanleiding geeft tot het ontstaan van een dorsaal en een ventraal bloedvat.

    1. Metamerisatie

    Het coeloom wordt door septa opgededeeld in compartimenten: somieten, segmenten, metameren. Elk segment wordt aan de buitenzijde begrensd door ectodermale structuren. De darm (endoderm) vorm een rechtlijnige buis van mond tot anus.

    1. Segmentatie

    Idem metamerisatie.

    1. Dissepiment

    Steunplaatje ter versteviging van de bouw van het skelet, bij koralen en bepaalde graptolieten. Tussenschot tussen twee segmenten.

    1. Metanefridium

    Bij o.a de Annelida (vb: regenworm) ontstaat in elk coeloomzakje een metanephridiumbuisje dat uitmondt in een nephridioporus in het volgende segment. Een metanephridium is een voorloper van de nier en dus een uitscheidingsorgaan.

    1. Hyponeurii

    Op de frontale doorsnede van een protostomia-schizocoelomaat valt te bemerken dat het zenuwstelsel onder de darm gelegen is. Het zenuwstelsel is opgebouwd volgens een touwladdersysteem:
    Horizontale verbinding = commissuur: verbinding tussen ganglia binnen een segment.
    Verticale verbinding = connectief: verbindt ganglia van verschillende

    segmenten.




    1. Peristaltische beweging

    Het spierweefsel van de slokdarm bestaat uit twee lagen spierweefsel.
    De binnenste laag bestaat uit spierweefsel dat in de lengterichting loopt en de buitenste laag bestaat uit spierweefsel dat overdwars loopt.
    Door deze twee spierlagen om de beurt samen te trekken en weer te ontspannen kan een peristaltische beweging tot stand worden gebracht.
    De peristaltische beweging is dus het omstebeurt samentrekken en weer ontspannen van de spieren.
    Door deze beweging vaak te herhalen, komt het voedsel in de maag. Doorheen de rest van het spijsverteringskanaal is een zelfde system merkbaar.

    1. Neurulatie

    Deze fase komt na de gastrulatie in het proces van de embryogenese.

      1. Vanuit de neurale plaat wordt de neurale buis gevormd die aan de basis ligt van het centrale zenuwstelsel

      2. De vorming van een neurale plooi (aan de rugzijde van de neurale buis) => ontstaan van diverse celtypes: o.a. perifeer zenuwstelsel, spierweefsel, skelet.

      3. De vorming van een epidermis die de neurale buis zal bedekken, eens deze volledig gevormd is.

    1. Epineurii

    Bij de longitudinale/sagittale doorsnede van een vertebraat-enterocoelomaat valt te bemerken dat het zenuwstelsel boven de darm gelegen is. Helemaal dorsaal vinden we daar de neurale buis terug. Vooraan ontstaan hieruit de hersenblaasjes. Segmentaal ontsrpingen er spinale zenuwen uit de neurale buis. Links en rechts tegen neurale buis: spinale ganglia. Onder de neurale buis: chorda.

    1. Chorda

    Dit is een elastische bindweefselachtige streng die langs de gehele rug van het dier loopt. Erboven ligt het centrale zenuwstelsel, onder de chorda vinden we de darm. De chorda dient als basis voor de opbouw van de wervelkolom: de wervellichamen gaan zich ringvormig omheen de chorda leggen en deze verdringen.

    1. Somiet

    Buiten het kopgebied zien we links en rechts van de wervelkolom de segmentaal aangelegde somieten. Deze zijn afkomstig van het epimerisch mesoderm. Uit ieder somiet ontstaat een dermatoom (onderhuids bindweefsel), myotoom (rugspieren) en sclerotoom (skelet, wervelkolom).

    1. Dermatoom

    Buiten het kopgebied zien we links en rechts van de wervelkolom de segmentaal aangelegde somieten. Uit ieder somiet ontstaat o.a. een dermatoom. Het dermatoom is verantwoordelijk voor de ontwikkeling van het onderhuids bindweefsel.

    1. Sclerotoom

    Buiten het kopgebied zien we links en rechts van de wervelkolom de segmentaal aangelegde somieten. Uit ieder somiet ontstaat o.a. een scelerotoom. Het scelerotoom is verantwoordelijk voor de ontwikkeling van het skelet.

    1. Myotoom

    Buiten het kopgebied zien we links en rechts van de wervelkolom de segmentaal aangelegde somieten. Uit ieder somiet ontstaat o.a. een myotoom. Het myotoom is verantwoordelijk voor de ontwikkeling van de rugspieren

    1. Nefrotoom

    Of het mesomerisch mesoderm. Hieruit ontwikkelt zich het excretiestelsel. (bij chordata). Het is ook verantwoordelijk voor de vorming van de gonaden.

    1. Eipimerisch mesoderm

    Of het somieten mesoderm. Vormt het scelerotoom (=> skelet, wervelkolom), het myotoom (=> rugspieren) en het dermatoom (=> onderhuids bindweefsel).

    1. Mesomerisch mesoderm

    Of nefrotoom. Hieruit ontwikkelt zicht het excretiestelsel. (bij chordata). Het is ook verantwoordelijk voor de vorming van de gonaden.

    1. Hypomerisch mesoderm

    Dit mesoderm is bij de chordata ventraal merkbaar. Het is gelegen rond de darm. Uit het hypomerisch mesoderm ontstaan het coeloom en de buikspieren.

    1. Staart




    1. Homoloog orgaan

    Homologe organen zijn organen bij verschillende diergroepen die op dezelfde manier zijn ontstaan en in de evolutie al dan niet een andere functie zijn gaan vervullen. Dit wijst evenwel op gemeenschappelijke afstamming. Vb: longen en zwemblaas, kieuwbogen bij kaakloze voorouders en onze kaken, walvisvin en arm,…

    1. Dwarse snede

    Hetzelfde al een transversale snede.


    1. Transversale snede

    Hetzelfde als een dwarse snede.

    1. Frontale snede




    1. Sagittale snede



    1. Bilaterale symmetrie

    Of spiegelsymmetrie. Dit wil zeggen dat het dier een linkerkant en een rechterkant heeft. Het is precies door het afwisselend bewegen van de linker en de rechterkant, dat het dier vooruitkomt. Het gevolg van symmetrie en het vooruitkomen, is wat men noemt de "encephalisatie", of de vorming van een hoofd. Het is immers zo dat, doordat het dier vooruitkomt in 1 richting, het geleidelijk aan een "voorkant" en een "achterkant" gaat ontwikkelen. De voorkant bevat de mond, de belangrijkste sensorische organen en ook de belangrijkste concentratie aan zenuwcellen. Het is immers de voorkant die zowel het voedsel moet zien als de vijanden.

    1. Syncytium hypothese

    Theorie over het ontstaan van meercellige organismen. Bij een ééncellige structuur met meerdere kernen gaan op een bepaald moment de kernen van elkaar gescheiden zijn door membranen. Weinig waarschijnlijke theorie.

    1. Koloniehypothese

    Theorie over het ontstaan van meercellige organismen. Cellen gaan groeperen, er komt een functionele specialisatie en zo een cellulaire specialisatie. Zeer waarschijnlijke theorie.

    1. Porifera

    Of sponzen. Is één van de oudst gekende fyla. Ze hebben een sessiele levenswijze (vastzittend). Ze doen zowel aan geslachtelijke en ongeslachtelijke reproductie. Gedifferentieerde samenwerkende celtypen (Parazoa) rond centrale holte. Water stroomt door poriën naar binnen en door een grotere opening naar buiten (= osculum). Choanocyten => continue waterstroom doorheen het sponslichaam. Verschillende vormen: vasspons, urnespons, broodspons.
  • 1   2   3   4   5

  • G1-fase
  • Kinetochoor microtubli Pool microtubuli Colchicine
  • Zygote Bevruchte eicel. Vanuit deze cel ontstaat elk meercellig organisme. Fertilisatiemembraan Polyspermie
  • Centrolecithale klieving
  • Blastocoel Blastocoel of klievingsholte. Dit is een holte, centraal gelegen in de blastula. Gastrulatie
  • Segmentatie Idem metamerisatie. Dissepiment
  • Staart Homoloog orgaan
  • Dwarse snede Hetzelfde al een transversale snede. Transversale snede

  • Dovnload 315.36 Kb.