Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Terminologie oplijsting bij cursus vergelijkende biologie Miller experiment

Dovnload 315.36 Kb.

Terminologie oplijsting bij cursus vergelijkende biologie Miller experiment



Pagina3/5
Datum16.05.2018
Grootte315.36 Kb.

Dovnload 315.36 Kb.
1   2   3   4   5

Extracellulaire vertering

Dit komt voor bij Coelenterata of holtedieren. Dit zijn diblastische organismen. Cellen in de wand van het spijsverteringskanaal scheiden spijsverteringsenzymen af. Die verteren het voedsel volledig in de darmholte: extracellulaire vertering. Opneembare voedingsstoffen worden opgenomen door de wand van de darmcellen heen. In de cellen zelf gebeurt er geen vertering meer.

  1. Darmblindzak

Typisch voor de Coelenterata of holtedieren. Zij bezitten een spijsverteringsholte, de darmblindzak zodat extracellulaire vertering fagocytose voorafgaat en grotere prooien kunnen verorberd worden.

  1. Diblastica

Diblastica hebben slechts 2 van de drie kiembladen ontwikkeld: het ecto- en endoderm. Het mesoderm ontbreekt. Dit komt voor bij de Coelenterata, deze zijn slechts ontwikkeld tot het gastrulastadium

  1. Triblastica

Bij de Triblastica zijn alle drie de kiembladen ontwikkeld: ecto-, endo- en mesoderm.

  1. Billateraal symmetrisch

Platyhelminthes zijn bilateraal symmetrisch, net zoals bijna alle vrijlevende dieren. Deze eigenschap hangt nauw samen met cephalisatie, maar bestaat er specifiek in een linker- en rechterkant te vormen in de ontwikkeling.

  1. Cephalisatie

Of de vorming van hersenganglia. Voorkomend bij de Platyhelminthes. Dit is een rechtstreeks gevolg van billaterale symmetrie. Het is immers zo dat, doordat het dier vooruitkomt in 1 richting, het geleidelijk aan een "voorkant" en een "achterkant" gaat ontwikkelen. De voorkant bevat de mond, de belangrijkste sensorische organen en ook de belangrijkste concentratie aan zenuwcellen.

  1. Turbelaria

Trilhaarwormen. Regnum : Animalia. Phylum: Platyhelminthes.

    1. Vrijlevend in zoet of zout water

    2. Huidspierzak (met trilharen = cilia)

    3. Goed ontwikkeld zintuig- en zenuwstelsel.

    4. Het darmstelsel heeft iin opening.

    5. Tweeslachtig (= hermafrodiet), maar zelfbevruchting treedt niet op.

    6. Lichaamsgrootte: een paar millimeters tot enkele decimeters.

    7. Enorm regeneratievermogen.

  1. Protonefridium

Bij Platyhelminthes. Het protonefridium bestaat uit vlamcellen of solenocyten : deze halen uit de intercellulaire ruimte de afvalstoffen, filtert ze en brengt ze samen in 1 kanaal. Het is dus een excretiemechanisme.

  1. Trematoda

Parasitaire Platyhelminthes.

    1. Leverbot : heeft de mens als hoofdgastheer, ook aantal tussengastheren. Via uitwerpselen in water => ontwikkeling van larve => in slak (=tussengastheer) => ontwikkelde cercariae zwemmen weg => kapselen zich in => via bvb. Vis in mens, waar ze de lever gaan aantasten.

    2. Schistosomiase : aandoening die men kan oplopen door zwemmen in stilstaand zoet water. De larven nestelen zich in de bloedvaten van de blaas of de darm. Schistosomiase kan leiden tot plassen van bloed.

  1. Hoofdgastheer

Dit is de gastheer waarin de parasiet zich gaat vermenigvuldigen.

  1. Tussengastheer

Dit is de gastheer waarin de parasiet een ontwikkelingsstadium doormaakt. In een cyclus kunnen meerdere tussengastheren voorkomen.

  1. Chlonorchis sinensis

Chinese leverbot. De infectie wordt opgelopen door het eten van ongekookt (eventueel ingezouten) zoetwatervis waar de metacercariae aanwezig zijn in het vlees of in de huid. Deze komen uiteindelijk ook in de lever bij de mens terecht.

  1. Bilharziose

Of schistosomiase. Wormlarven dringen binnen via de huid van de mens, telkens die in aanraking komt met besmet water. Na een korte zwerftocht door het lichaam komen ze aan in de lever. Daar groeien ze uit tot volwassen wormen en paren ze. Vervolgens verhuizen ze naar de kleine bloedvaten rond de darm of de blaas, afhankelijk van het type worm. Daar vestigen ze zich en zetten hun eieren af. Die zoeken een weg naar buiten langs de darm- of blaaswand en komen via de ontlasting of de urine weer in het milieu terecht.

  1. Schistosomiase

Of bilharziose. (uitleg, zie 154)

  1. Cestoda

Behorend tot de Platyhelminthes. Parasiet. Varkenslintworm of runderlintworm (= tussengastheer, de mens is de hoofdgastheer). Runderlintworm hecht vast met zuignappen, varkenslintworm ook met haken => bloedingen en infecties. Leeft bij de mens in het darmkanaal met voorverteerd voedsel. Heeft zelf geen darmzak (niet nodig). Heeft geen mond => geen kop maar « scolex ». heeft geen segmentatie (acoelomaat) => lichaamsdeeltjes zijn proglottiden. Volwassen proglottiden liggen achteraan en bevatten eitjes. Komen los in de buitenwereld.

  1. Oncosfeer larve

Of hexacanth larven. De larven die ontwikkelen uit de eitjes van een proglottide dat zich in de buitenwereld bevindt. Een proglottide is een lichaamsdeeltje (lijkt op segment) van de Cestoda.

  1. Hexacanth larve

Of oncosfeer larve. De larven die ontwikkelen uit de eitjes van een proglottide dat zich in de buitenwereld bevindt. Een proglottide is een lichaamsdeeltje (lijkt op segment) van de Cestoda.

  1. Cysticercus larve

Lintwormen komen eigenlijk in twee verschillende verschijningsvormen voor: één vorm is de daadwerkelijke lintworm, de andere vorm is de cysteuze, oftewel blaasachtige vorm, die vorm ziet er echter helemaal niet uit als een worm). De blazige vormen van de lintworm soorten heten ‘cysticercus’. Het stadium voor de blazige vorm vindt plaats bij de tussengastheer.

  1. Ascaris

Parasitaire Aschelminthes (nematoda/rondworm). De wormen leven in de dunne darm van de mens. Een vrouwtje kan tot 200.000 eieren per dag leggen. Deze verlaten het lichaam met de uitwerpselen. Mensen krijgen de eitjes aan de handen bij contact met grond en slikken ze in. De worm komt in de maag of de darm uit en boort zich in eerste instantie door de maagwand tot hij in het bloed komt. Hij migreert dan naar de longen en wordt opgehoest en weer ingeslikt. Nu pas ontwikkelt de worm zich in de darm tot een volwassen exemplaar.

  1. C.elegans

Caenorabditis Elegeans. Vrijlevende bodemnematode met Euteliekenmerken. Het was het eerste dierlijk organisme waarvan het genoom volledig gesequenced werd. De individuen zijn mannelijk of hemafrodiet. Een groot aantal genen van de C. Elegans blijkt gemeenschappelijk met de mens en andere hogere dieren.

  1. Eutelie

Verschillende organen vh nematodenlichaam bestaan uit een wel bepaald aantal cellen (celconstantie = eutelie) dat reeds bereikt is bij het ontluiken.

  1. Elephantiasis

De meest bekende oorzaak is filariasis, een parasitaire infectie met kleine wormen (Brugia Malayi). Deze huizen in de lymfevaten en wekken een ontstekingsreactie op. Door deze ontsteking raken de lymfebanen zo beschadigd dat de lymfe niet goed meer wordt afgevoerd, zodat lymfoedeem ontstaat. Langbestaand lymfoedeem leidt tot verdikking van de huidstructuur, papillomatose (bloemkoolaspect) van de huid.

  1. Hirudine

Hirudine is een stollingsremmende stof die wordt gewonnen uit het speeksel van de gewone bloedzuiger (Hirudo medicinalis). Het kan tegenwoordig ook worden geproduceerd door recombinant-DNA technieken. Het is een middel tegen trombose.



  1. Groene klier

Of antennale klier. Voorkomend bij de Arthropoda. Het zijn excretieorganen aan de basis van de antenne.

  1. Antennale klier

Of groene klier. Voorkomend bij de Arthropoda. Het zijn excretieorganen aan de basis van de antennes.

  1. Vlo

Arthropoda => Mandibulata-Hexapoda => Siphonaptera. Deze zuigende vleugellozen zijn parasitaire insecten die op of zeer nabij hun gastheer (zoogdieren en vogels) leven en zich voeden met hun bloed. (Vlooien kennen een volledige gedaanteverwisseling, zijn dus holometabool, en hebben een zeer gespecialiseerde lichaamsbouw met meestal krachtige springpoten. Men neemt aan dat ze in een evolutionair verleden vleugels hadden.

  1. Luis

Voorbeeld : hoofdluis. Het zijn krab-achtige parasieten (behorend tot de insecten) die op de hoofdhuid voorkomen. De luizen klimmen met kleine klauwtjes van de ene haar op de andere en springen of vliegen dus niet. Luizen leven van bloed dat zij opzuigen uit de hoofdhuid. Bijtplaatsen jeuken => jeuk is eerste symptoom van besmetting. De luizen plakken hun eieren (= neten) tegen de haarschacht aan.

  1. ARBOR virussen

Arbovirus is een aanduiding voor een heterogene verzameling virussen die gemeen hebben dat ze door geleedpotigen (arthropoda), worden overgebracht. Belangrijke overbrengers (vectoren) zijn o.a. muggen en teken. De mens is hierbij de eindgastheer, zodat virusoverdraging door de mens zelf niet mogelijk is.

  1. Anopheles gambiae

Malaria mug. Kan de gevaarlijke ééncellige parasiet overbrengen bij de mens. Malaria is een infectie- en vectorziekte. Alleen de vrouwtjes zullen steken.

  1. Glossina palpalis

Tsé-tsé vlieg. Dit is de overdrager van de Afrikaanse slaapziekte. De ziekteverwekker zelf parasiteert op wilde antilopen. De vliegen geven de parasiet niet door aan hun nakomelingen. Slaapziekte leidt zonder behandeling steeds tot de dood.

  1. Malaria

Deze ziekte wordt door de malariamug als vector overgedragen op de mens. Kenmerkend voor malaria zijn koortsaanvallen, gepaard gaande met koude rillingen en soms braken. Malaria kan (door het verloren gaan van veel rode bloedcellen) vergezeld gaan van bloedarmoede (anemie) en vergroting van de milt. Sikkelcelanemie leidt echter tot immuniteit van malaria.

  1. Slaapziekte

Wanneer iemand besmet is met de ziekte, ontstaat na enige dagen tot een maand een zweer op de plaats van de steek. Daarna volgen koorts, zware hoofdpijn, prikkelbaarheid, moeheid, opgezette lymfeklieren, soms uitslag en zwellingen, en spier- en gewrichtspijn. Wanneer de parasiet de hersenen binnendringt, ontstaan verwardheid, slaapstoornissen, epileptische aanvallen, moeite met lopen en gevoelloosheid in handen en voeten. Uiteindelijk vermagert de patiënt snel, raakt in coma en sterft. De ziekte verloopt wanneer zij niet wordt behandeld, altijd dodelijk.

  1. Teek

Teken (Acarina of Acari) zijn achtpotige geleedpotigen die als parasieten leven van het bloed van gewervelde dieren. Teken kunnen soms ziekten overbrengen. Tekenbeten zijn meestal niet pijnlijk en worden vrij vaak alleen opgemerkt doordat men de teek in de huid ziet zitten.

  1. Ziekte van Lyme

De ziekte wordt veroorzaakt door een spiraalvormige bacterie (Borrelia Burgdorferi) en overgedragen door de schapenteek. Ziekteverschijnselen bestaan uit griepachtige verschijnselen, chronische vermoeidheid (vergelijk CVS), hoofdpijn, voorbijgaande temperatuursverhoging van enkele uren, transpireren, wisselende pijn in spieren, pezen en gewrichten.

  1. Coxale klier

Deel van het excretiestelsel bij Arthropoda. In de andere gevallen heeft men buisjes van Malpighi.

  1. Hydrostatisch orgaan

Bij zeer vele vissen komt een met gassen gevulde dunwandige ruimte, de zwemblaas, voor. Het is bij het merendeel der vissen een "hydrostatisch" orgaan, dat is een orgaan, dat de vis in staat stelt zijn soortelijk gewicht te regelen en daardoor zwevende te blijven.

  1. Romer hypothese

Bepaalde hypothese over het ontstaan van de Chordata.

  1. Amniota

Amniota hebben een vlies, het amnionvlies, om hun eieren. Zij hebben, in tegenstelling tot amfibieën, geen water meer nodig voor de voortplanting. Deze dieren leven op het land

  1. Cleidoisch ei

Cleidoïsche eieren: afgesloten doos waarbij waterverlies vermeden wordt en gasuitwisseling mogelijk blijft.

Typisch hierbij is:



  • de ontwikkeling van extra- embryonale vliezen als amnionvlies (bescherming tegen schokken en vastgroeien aan andere structuren),

  • dooierzakvlies (ventrale uitstulping van de darm rond de dooier die langzaam geresorbeerd wordt),

  • allantoisvlies (primitieve urineblaas) dat later samen met het chorionvlies zal bijdragen tot het allantochorion (dicht tegen de schaal, essentieel voor gasuitwisseling).

  1. Monotremata

Eierleggende zoogdieren. Monotremata betekent letterlijk "wezens met één (monos) gat (trema)". De twee urineleiders, de blaas en de twee eileiders monden uit in één opening, de cloaca. De cloaca komt over het algemeen niet voor bij zoogdieren. Monotremata worden daarom ook cloacadieren genoemd. => vogelbekdier.

  1. Marsupialia

Buideldieren zijn zoogdieren waarvan de vrouwtjesdieren twee baarmoeders hebben en een buidel. Deze buidel is een soort huidplooi, waarin de tepels van het dier liggen. Niet lang na de bevruchting wordt het jong geboren en gaat dan naar de tepel in de buidel. Pas als het jong groot genoeg is zal het de buidel verlaten, intussen reist het steeds met de moeder mee.

=> kangoeroe.



  1. Placentalia

= eutheria. Alle levende zoogdieren. De jongen van de eutheria ontwikkelen zich in de baarmoeder van de moeder ze vormen de grootste groep levende zoogdieren welke is onderverdeeld in 24 orden.

  1. Eutheria

= placentalia. Alle levende zoogdieren. De jongen van de eutheria ontwikkelen zich in de baarmoeder van de moeder ze vormen de grootste groep levende zoogdieren welke is onderverdeeld in 24 orden.

  1. Differentiatie

Het ontstaan van een multicellulair organisme waarvan de samenstellende cellen een enorme diversiteit qua vorm en functie vertonen, vanuit één enkele omnipotente cel: de zygote. Weismann: een gering aantal cellen neemt niet deel aan het differentiatieproces. Deze zijn de germen: ze leveren de oerkiemcellen waaruit later de gameten gevormd worden. Alle overige cellen worden aangeduid als soma.

  1. Chromosoom diminutie theorie

Tijdens de opeenvolgende delingen verdwijnen er chromosomen en gaat er zo een deel van de erfelijke informatie verloren. Alle cellen houden een ander deel van de erfelijke informatie over en zo ontstaan functieverschillen. Dit kan echter niet: door mitosedelingen zijn alle dochtercellen identiek en dus zit in alle cellen dezelfde genetische informatie.

  1. Determinatieve klieving

Protostomia: klievingsdelingen verlopen asymmetrisch (dochterblastomeren krijgen elk een verschillende hoeveelheid cytoplasma en een verschillende hoeveelheid celmembraan Als je een blastomeer stukgeprikt wordt gaan bepaalde structuren ontbreken of defecten vertonen => van de blastomeren is al bepaald wat het later zal vormen.

Deuterostomia: een ééneiige tweeling ontstaan door het loskomen van de twee eerst gevormde blastomeren. Wanneer één van de twee blastomeren dan wordt stukgeprikt, ontstaat uit het andere blastomeer toch nog een volwaardig embryo.



  1. Regulatie ei

Voorkomend bij de Deuterostomia. Bij deze dieren mag men in een vroeg stadium één of meerdere blastomeren verwijderen en zal uit de resterende blastomeren zich toch nog een normaal embryo ontwikkelen. Er is hier in de eitjes dus een herstellend of regulerend vermorgen aanwezig.

  1. Mosaiek ei

Voorkomend bij de Protostomia. Wanneer bij deze dieren op de vroege morula een blastomeer stukgeprikt wordt, zal bij het resulterende embryo bepaalde structuren ontbreken of defecten vertonen. Hun eitjes worden dan ook mozaïek eieren genoemd.

  1. Semiconservatieve replicatie

Tijdens de replicatie van een dubbelstrens DNA-molecule gaan beide strengen uit elkaar en hechten nieuwe complementaire nucleotiden langs elke streng. Er worden 2 dubbelstrengige dochter-DNA-moleculen gevormd. Deze bestaan uit één oorspronkelijke ouderlijke streng en één nieuwgevormde complementaire streng (met dezelfde basensequentie als de oorspronkelijke complementaire ouderstreng.)

  1. Okasaki fragment

Een Okazaki-fragment is een relatief kort DNA-fragment op de lagging strand (de antiparallelle streng) van een dubbele helix tijdens de replicatie. De antiparallelle streng (de lagging strand) wordt, in tegenstelling tot de leading strand, niet continu maar in kleine Okazaki-fragmenten afgelezen, aangezien deze lagging strand steeds een nieuwe RNA-primer nodig heeft.

  1. Ligase

Op het einde van de DNA-replicatie zal er op de lagging strand nog een kleine nick bestaan tussen het 3’ uiteinde van het DNA dat het RNA primertje vervangt en het DNA dat al werd aangemaakt. Van deze opening worden de twee uiteinden verbonden door het DNA ligase.

  1. Gen

Specifieke fragmenten van een dubbelstrengs DNA-molecule waarvan de nucleotiden of basenparen informatie bevatten voor een specifieke aminozuursequentie of eiwit. Een gen draagt de informatie voor een specifieke erfelijke eigenschap in een cel.

  1. Functionele transcriptionele eenheid

Functionele coderende sequenties worden geflankeerd door regulatorische DNA- sequenties (cis-sequenties), essentiëel voor een correcte initiatie en terminatie van de transcriptie. Deze volledige functionele transcriptionele eenheid vormt moleculair gesproken een gen.

  1. Intron

Niet coderende DNA-sequentie. Bij eukaryoten worden genen onderbroken met DNA-sequenties die wel omgeschreven worden naar RNA maar via splicingenzymen verwijderd worden alvorens het mRNA de kern verlaat.

  1. Exon

Een exon (van Engels: expressed region) is een stukje DNA dat zich bevindt in een gen en dat in het uiteindelijke matuur mRNA terecht zal komen.

  1. Transcriptie

In tegenstelling tot DNA zijn RNA-moleculen enkelstrengig. Tijdens transcriptie, of het overschrijven van genen in DNA-taal naar RNA-taal wordt dus slechts één nieuwe complementaire stren gevormdn tegenover één van de originele DNA- strengen. Transcriptie van de drie typen van RNA gebeurt telkens via tussenkomst van een eigen specifiek RNA-polymerase.

  1. RNA polymerase 1,2 en 3

  • RNA-polymerase 1 : zorgt voor de transcriptie van ribosomale RNA’s.

  • RNA-polymerase 2 : verantwoordelijk voor de synthese van mRNA.

  • RNA-polymerase 3 : zorgt voor de transcriptie van tRNA.

  1. Splicing enzym

Indien de over te schrijven genen zowel introns als exons bevatten, worden deze in eerste instantie beide omgezet in RNA. Via specifieke splicing enzymen worden de intronsequenties evenwel weggeknipt alvorens het mRNA de kern verlaat.

  1. mRNA capping

Capping is het plaatsen van een cap op het 5’-eind van een mRNA-streng. Deze cap bestaat uit een 7-methylguanosine en is verbonden aan het 5’-eind door middel van een trifosfaat binding. De fucntie van de cap is het beschermen van de mRNA-streng voor ribonucleasen. Daarnaast draagt de cap bij aan het binden van mRNA aan de ribosomen zodat translatie kan beginnen.

  1. Polyadenylatie

Aan hun 3’ uiteinde worden mRNA’s meestal na tanscriptie nog uitgebreid met repetitieve adenosinesenucleotiden, een poly-A-staart. Deze zou het 3’ mRNA uiteinde moeten beschermen tegen afbraak door exonucleasen.

  1. Amino-acyl transfer RNA

Een tRNA-molecule in een bifunctioneel molecule, omdat het enerzijds kan binden aan een specifiek triplet van het mRNA via zijn complementaire anticodonsequentie en anderzijds eveneens kan binden aan het bij het triplet horende aminozuur. Een transfer-RNA opgeladen met zijn specifiek aminozuur noemt men een amino-acyl transfer RNA.

  1. Gedegenereerde code

Een codon moet minstens uit een opeenvolging van 3 nucleotiden bestaan. Het gebruik van deze 3-lettercode is mogelijk doordat verschillende codes voor eenzelfde aminozuur coderen. Op positie 3 van vele codons kunnen verschillende basen voorkomen, terwijl de codons toch voor hetzelfde aminozuur coderen.

  1. Translatie

3 fasen : initiatie, elongatie, terminatie.

  • Initiatie : het translatie-initiatie complex gaat binden op het 5’ cap-uiteinde van het mRNA. Het mRNA wordt gescand tot het eerste AUG-triplet, dit ist het startcodon.

  • Elongatie : een tRNA met een anticodon complementair aan het volgende codon op het mRNA moet worden gerecruteerd. Dit tRNA is gebonden aan het overeenkomstige aminozuur. => peptidyltransferase : verbindt het methionine van het tRNA op de P-site aan het nieuwe aminozuur => de grote ribosoomsubeenheid zal drie nucleotiden (één codon) opschuiven .

  • Terminatie : wanneer een mRNA met zijn stopcodon tegenover de A-plaats komt te liggen en een terminatiefactor zorgt voor de hydrolyse van het polypeptide van het laatste tRNA en het uit elkaar gaan van de ribosoomsubunits.

  1. Peptidyl transferase

Voorkomend tijdens de elongatie in het translatie-proces. Peptidyltransferase verbindt het methionine van het tRNA op de P-site aan het nieuwe aminozuur.

  1. Signaal peptide

Of signaalsequentie. Bepaalde cellen zullen genen tot expressie brengen die coderen voor eiwitten bestemd voor transport nar het oppervlak van de cel of voor effectieve secretie buiten de cel. Translatie start op de vrije ribosomen. Na synthese van een kort stukje, meestal hydrofoob N-terminaal peptide, aangeduid als een signaalpeptide, stopt de translatie.

  1. SHP

Voorkomend bij de translatie van eiwitten bestemd voor secretie. De eerstgevormde aminozuursequentie (signaalsequentie) wordt herkend door een SignaalHerkennend Partikel (of SHP). Het SHP hecht vast op de signaalsequentie en begeleidt het ribosoom verder naar het RER.

  1. Ribophorine

Voorkomend bij de translatie van eiwitten bestemd voor secretie. Na binding van SHP op de signaalsequentie wordt het ribosoom begeleid naar het RER. Hier het signaalpeptide aan een receptor zodat het verder getransleerde eiwit via een ribophorine binnenglijdt in het lumen van het RER.

  1. Signaalpeptidase

Voorkomend bij de translatie van eiwitten bestemd voor secretie. De polypeptideketen die via het ribophorine in het lumen van het RER is binnengegleden zal hier ontdaan worden van zijn signaalsequentie dankzij het signaalpeptidase.

  1. Posttranslationele processing

Of posttranslationele modificatie. Na de translatie kunnen processingenzymen de karakteristieken van het nieuwgevormde eiwit wijzigen, door :

  • Aanhechting van koolhydraatzijketens => omvorming tot glycoproteïne

  • Aanhechting van vetzuurketens => omvorming tot lipoproteïne

  • Fosforylering van aminozuren door bvb kinases.

  1. Glycoproteine

Een glycoproteïne is een eiwit met daaraan gekoppeld een of meer suikereenheden, polysacchariden. De suikereenheden worden in het Golgisysteem van de cel op de eiwitten geplakt

  1. Lipoproteine

Een lipoproteïne is een polypeptideketen waaraan vetzuurketens zijn aan vastgehecht. Deze omvorming, vertrekkend van een gewoon eiwit kan gebeure na de translatie dankzij processingenzymen.

  1. Kinase enzym

Een kinase is een proteïne enzyme dat een fosfaat toevoegt op een molecule, meestal echter alleen proteïnen. Het gefosforyleerde molecule kan een ander proteïne zijn, het kinase zelf of eender ander molecule.

  1. Eiwit secretie

  2. Exocytose

  3. DNA library

  4. PCR

Polymerase Chain Reaction.

    1. Denaturatie: het DNA dat men wilt vermeerderen wordt gedenatureerd door de temperatuur te verhogen

    2. Hybridisatie: aan elk van de 3’ uiteinden van de 2 gedenatureerde strengen gaat een primer aanhechten.

    3. Elongatie: een DNA polymerase gaat het 3’OH uiteinde van de primers herkennen en een DNA synthese starten met het oorspronkelijke DNA als template.

    4. Terminatie: 2 nieuwe dubbelstrengs DNA-moleculen zijn gevormd.

  1. Taq polymerase

Een voorbeeld van een DNA-polymerase dat gebruikt wordt bij de elongatie van het PCR-proces. Dit polymerase is resistent tegen de hoge temperatuur en gaat het 3’OH uiteinde van de primers herkennen en een DNA synthese starten met het oorspronkelijke DNA als template.

  1. RNAi

  2. Dicer

Dicer is een ribonuclease in de RNase III familiedat dubbelstrengs RNA (dsRNA) en pre-microRNA splijt in korte dubbelstrengige RNA fragmenten, siRNA (small interfering RNA), van 20-25 nucleotiden lang. Dicer katalyseert de eerste stap in de RNAi pathway en initieert de vorming van RISC (RNA-induced silencing complex).

  1. RISC

Dicer katalyseert de eerste stap in de RNAi pathway en initieert de vorming van RISC (RNA-induced silencing complex), waarvan de katalytische component argonaute is, een endonuclease die het mRNA degradeert waarvan de sequentie complementair is aan die van siRNA guide strand.

  1. Argonaute

  2. Somatische gentherapie

Bij somatische gentherapie wordt alleen ingegrepen op de cellen van het lichaam zelf, maar niet in de geslachtscellen. (soma= lichaam) Dit houdt in dat de effecten van het ingrijpen in het DNA alleen beperkt blijven tot het behandelde individu zelf, en geen effect heeft op het nageslacht.

  1. Epitheel

Kan plaveiselig, kubistisch, cilindervormig zijn. Epitheelweefsel, al dan niet meerlagig of bedekt met trilharen, vindt men als binnenbekleiding van holten en kanalen en krijgt dikwijls specifieke benamingen zoals de endotheelbekleding van bloedvaten, de mucosa als omlijning van het darmlumen of de meerlagige epidermis van onze huid. Sommige epitheelcellen differentiëren verder tot kliercellen al dan niet georganiseerd als echte klieren. Functies van epithelen zijn: ten eerste: twee lichaamscompartimenten te scheiden en te reguleren welke stoffen, en in welke hoeveelheid, er van het ene compartiment naar het andere mogen getransporteerd worden. Een tweede functie is de bescherming van onderliggende weefsels.

  1. Endotheel epidermis mucosa



  1. Microvilli

Epithelen kunnen soms diepe invaginaties van hun plasmalemma vertonen. Deze microvilli zorgen voor een enorme oppervlaktevergroting en worden typisch aangetroffen aan de apicale zijde van darmepitheelcellen. Intracellulair: ondersteunt door actinekolommen van het cytoskelet. Extracellulair: borstelzomen zijn verstevigd met een glycocalyx op suikerbasis.

  1. Bindweefsel

Bindweefsel verbindt de huid met eronder gelegen spieren, hecht de spieren aan de beenderen (pezen), bedekt de bloedvaten,…

Het basisceltype is de fibroblast, die verschillende typen vezels kan vormen:



  • Dikkere witte vezels, bestaande uit collageen

  • Dunnere elastische gele vezels, bestaande uit elastine

Samen met de weefselvloeitstof vormen deze vezels de matrix. Verder onderscheidt men los bindweefsel (overal in het lichaam) en hecht bindweefsel (pezen, lederhuid, bedekkende vliezen van beenderen…).

  1. Fibroblast

Het basisceltype van het bindweefsel. Deze kan verschillende typen vezels vormen: dikkere witte vezels (bestaande uit collageen) en dunnere elastische gele vezels die bestaan uit elastine. Samen met de weefselvloeistof vormen deze vezels de matix.

  1. Collageen

Collageen is het meest voorkomende vezeleiwit in het menselijk lichaam. Collagenen worden geproduceerd door meerdere celtypen, zoals fibroblasten, chondrobasten, osteoblasten, gladde spiercellen. Op grond van structuur en functie worden de volgende typen onderscheiden: fibrilvormende collagenen, netwerkvormende collagenen, verankerde collagenen.

  1. Elastine

Elastine is een amorf rubberachtig glycoproteïne dat in elastische vezels overheerst. Elastine lijkt qua samenstelling sterk op collageen, al heeft ze echter twee bijzondere aminozure: desmosine en isodesmosine. Dankzij reacties van deze aminozuren met lysineresiduen ontstaan cross-links tussen de elastinemoleculen, verantwoordelijk voor het elastisch, rubberachtig karakter.

  1. Hyalien

Hyalien kraakbeen komt het meeste voor in ons lichaam, naast elastisch en vezelig kraakbeen. Het komt voor in de wand van ademhalingswegen aan de ventrale uiteinden van de ribben en als gewrichtskraakbeen. De matrix bestaat voor 40% uit collageen type 2, ingebed in een grondsubstantie van proteoglycanen en structurele glycotproteïnen.

  1. Pees



  1. Kraakbeen

Kraakbeenweefsel bestaat uit kraakbeencellen of chondrocyten, die verspreid liggen in een uniforme matrix, die hoofdzakelijk uit chondrine bestaat. Het is een taaie ietwat elastische stof. Het komt voor in de tussenwervelschijven, aan de uiteinden van de beenderen, de neus, de oren en in de luchtpijp. Het embyonaal skelet bestaat hoofdzakelijk uit kraakbeen dat later verbeent.

  1. Chondrocyt

Of kraakbeencellen, de cellen waaruit kraakbeen voornamelijk is opgebouwd. Deze worden omringd door een matrix die voornamelijk bestaat uit chondrine.


Chondrine eiwit (matrix)


Lacune (heldere ruimte, veroorzaakt door fixatie)
Chondrocyt (kraakbeencel)


  1. Chondrine

Hieruit bestaat voornamelijk de matrix die om de chondrocyten of kraakbeencellen gelegen is. Chondrine is een glycoproteïne (eiwit gecomplexeerd met een suiker).


Chondrine eiwit (matrix)


Lacune (heldere ruimte, veroorzaakt door fixatie)
Chondrocyt (kraakbeencel)



  1. Beenweefsel

Beenweefsel is het typische skeletweefsel van de gewervelde dieren. Beencellen of osteocyten liggen verspreid in de beenmatrix die bestaat uit bindweefsel (met veel collageen), versterkt door calciumzouten. De cellen liggen in concentrische cirkels rond kanaaltjes (kanaaltjes van Havers) waardoor bloedvaten en zenuwen lopen. De individuele beencellen hebben talrijke fijne lopers in alle richtingen. In doorsneden ziet men daarom typische radiale lijntjes lopen. Beenweefsel is continu in opbouw en in afbraak.

  1. Systeem van Havers

Osteocyten (cellen van beenweefsel)

=> osseïne: stevigheid door afzeting calciumfosfaat.



Kanaal van Havers (met daarrond capillairen en zenuwbanen)


  1. Osteocyt

Beencellen of osteocyten liggen verspreid in de beenmatrix die bestaat uit bindweefsel (met veel collageen), versterkt door calciumzouten. De cellen liggen in concentrische cirkels rond kanaaltjes (kanaaltjes van Havers) waardoor bloedvaten en zenuwen lopen. De individuele beencellen hebben talrijke fijne uitlopers in alle richtingen. In doorsneden ziet men daarom typische radiale lijntjes lopen.

  1. Osteoblast

Een osteoblast is een cel die botweefsel opbouwt door osteoid en mineraliserende enzymen af te scheiden in de extracellulaire matrix. Osteoblasten die in het beenweefsel ingebouwd raken, worden osteocyten. Deze cellen ontstaan onder invloed van groeifactoren uit mesenchymale cellen die zich nabij botweefsel en in het beenmerg bevinden.

  1. Osteoclast

In het lichaam vindt er voortdurend opbouw en afbraak plaats van bot. Cellen met de naam osteoclasten breken bot af, de osteoblasten bouwen bot op. De periode dat de osteoclasten het bot oplossen, word osteolyse genoemd. Bij osteoporose (botontkalking => botten worden brozer => botten breken makkelijker) ligt het evenwicht te ver naar de osteoclasten.

  1. Epiphyse

De epiphysen zijn de uiteinden van een (lang) bot. Van buiten naar binnen bestaat het uit een periost (beenvlies), compact been (= zeer hard), spongieus been (bestaande uit travekels of botballetjes) en rode merg (hematoporese: aanmaak van bloedcellen).

  1. Diaphyse

Dit is het middendeel van een lang bot, afgescheiden van de epiphysen door de epiphisaire schijf. Van buiten naar binnen bevat de diaphyse periost (beenvlies), compact been (= zeer hard), spongieus been (bestaande uit travekels of botballetjes) en het gele merg (bestaande uit vetcellen).

  1. Epihysair schijf

Dit is een kraakbeenschijf die de scheiding vormt tussen de diaphyse en de epiphysen in een lang bot. Het is een groeischijf: ze gaat constant in deling, gevormde cellen schuiven op en worden beencellen. (=> bot wordt langer)

  1. Beendermerg

Beenmerg of merg is de sponsachtige, rode substantie die zich bevindt in het binnenste van beenderen. Je vindt het vooral in het bekken, het borstbeen, de ribben en de ruggenwervels. Beenmerg speelt een belangrijke rol bij het vormen van botweefsel. Uit de stamcellen die zich in het beenmerg bevinden worden bloedcellen gemaakt (= hematopoëse).

  1. Hematopoëse

De hematopoëse is een proces waarbij uit een multipotente stamcel in het rode beenmerg bloedcellen gevormd worden. Rode en witte bloedcellen en bloedplaatjes hebben maar een beperkte levensduur. Zij dienen daarom voortdurend vervangen te worden door nieuwe cellen. De stamcellen in het rode beenmerg zorgen hiervoor. Deze stamcellen hebben in nog de mogelijkheid om uit te rijpen (te differentiëren) tot de verschillende soorten bloedcellen. De verdere uitrijping van deze cellen heet naar de cellen die het uiteindelijke resultaat zullen zijn: => Leukopoëse, de vorming van leukocyten of witte bloedcellen

=> Erytropoëse, de vorming van erytrocyten of rode bloedcellen

=> Thrombopoëse, de vorming van thrombocyten of bloedplaatjes.


  1. Enchondrale verbening

Hierbij wordt botweefsel indirect gevormd doordat kraakbeen (chondros) vervangen wordt door bot. Enchondrale botvorming is verantwoordelijk voor de lengtegroei van lange pijpbeenderen. De lengtegroei stopt als de epihysaire schijf verdwenen is (± 20ste levensjaar).

  1. Desmale verbening

Hierbij wordt botweefsel direct vanuit het bindweefsel gevormd. => de botafzetting gebeurt hierbij inde vorm van een band (desmos). Desmale verbening is verantwoordelijk voor de diktegroei van een bot.

  1. Craniaal skelet

Been rond de hersenen (neuro-cranium).

neus- trabekels

oog- parachordalia

oor-
kapsels chorda


Trabekels en parachordalia vormen de bodem van de schedel.

De kapsels vormen het dak en de wand van de schedel.

Waar 2 platen elkaar raken: sutuur (naad)

Holte in schedel: foramen (wanneer bvb drie platen samenkomen)



  1. Visceraal skelet

Been rond het aangezicht (viscero-cranium). Kaken = hervorming van de eerste kieuwboog.

  1. Axiaal skelet

  • Vorming axiaal skelet (p71)


  • Opbouw axiaal skelet (p71)




  1. Wervel



  1. Spiervezel

Gestreept spierweefsel is typisch voor skeletspieren. Iedere skeletspier bestaat uit tienduizenden, lange veelkernige structuren, spiervezels genoemd. Het zijn geen typische cellen. Iedere vezel is omgeven door een dunne membraan, het sarcolemma, en bevat meerdere kernen. Het cytoplasma van een spiervezel bestaat uit het eigenlijke cytoplasma, sarcoplasma genoemd, met daarin grote aantallen dwarsgestreepte myofibrillen.

  1. Syncytium

Vroeg tijdens de embryonale ontwikkeling kan men goed te onderscheiden cellen met één enkele kern aantreffen, myoblasten genoemd. Deze versmelten later in de ontwikkeling rn vormen een syncytium (een toestand waarin cytoplasma en nuclei van verschillende cellen, na versmelten van de individuele plasmamembranen tot één gemeenschappelijke, samen voorkomen).

  1. Sarcomeer

Donkere A-banden of anisotrope banden

=> myosine

Lichtere I-banden of isotrope banden

=> actine

=> troponine, tropomyosine (rol bij spiercontractie)

In de I-banden ziet men in het midden met een lichtmicroscoop een dwarslijntje: de Z-lijn. De afstand tussen zo’n twee opeenvolgende Z-lijnen is een sarcomeer.



  1. Z-lijn

Voorkomend in een dwarsgestreepte myofybril van een skeletspiervezel. Naast de donkere A-banden bestaan er ook lichter gekleurde I-banden. In het midden van deze I-banden is de Z-lijn waarneembaar. Ultrastructureel noteert men op deze plaats het voorkomen van invaginaties van het plasmalemma.

  1. T-systeem

Op de plaats van de Z-lijnen bij de dwarsgestreepte myofybrillen noteert men het voorkomen van invaginaties in het plasmalemma. Deze invaginaties worden samen aangeduid als het T-systeem en zijn belangrijk voor de zenuw-impuls- overdracht naar het sarcoplasmatisch reticulum van waaruit dan Ca2+ massaal wordt vrijgesteld. Dit Ca2+ blijkt nodig om spiercontractie mogelijk te maken.

  1. Sarcolemma

Dunne elastische membraan rondom elke spiervezel. Ter hoogte van de Z-lijn zal dit sarcolemma bij de skeletspiervezels invaginaties vertonen en het T-systeem vormen.



  1. SR (sarcoplasmatisch reticulum)

Het saroplasmatisch retiulum is een variant van het glad endoplasmatisch reticulum en bestaat uit vertakte cisternen die de myofibrillen omgeven. Het SR verwijdt bij elke overgan van A- naar I-band en ligt daar tegen een buis van het T- systeem.

  1. Myosine

Myosine en actine vormen meer dan de helft van de eiwitmassa van de skeletspiercel. Myosine bestaat uit twee zware ketens, die als een spiraal in elkaar gewonden zijn over een. Aan het N-uiteinde zijn beide ketens geknikt en steekt er een excentrische kop naar buiten. De uitstekende myosinekoppen vormen de bindingsplaats met het actinefilamen, en hier vindt ook de ATP- hydrolyse plaats.

  1. Actine

Myosine en actine vormen meer dan de helft van de eiwitmassa van de skeletspiercel. F-actine (filament-actine) bestaat uit twee gewonden ketens van gepolymeriseerd G-actine (globulair acine). Elk actinemonomeer heeft één bindingsplaats voor myosine. Actinefilamenten zijn gepolariseerd met een +-pool (Z-lijn) en een – pool (vrije uiteinde).

  1. Troponine

Bindt samen met tropomyosine aan actine. Het globulaire troponine heeft drie varianten. TnT hecht zich aan tropomyosine, TnC bindt calcium en TnI speelt een rol bij de actine-myosine-interactie. Troponine bedekt, samen met het tropomyosine, de specifieke bindingsplaatsen van het actinemolecule.

  1. Tropomyosine

Het langgerekte tropomyosine bindt samen met het globulaire troponine aan actine. Het zet de conformationele verandering van het troponine-actine complex in werking. Tropomyosine bedekt, samen met het troponine, de specifieke

bindingsplaatsen van het actinemolecule.



  1. Rigor mortis

Lijkstijfheid of rigor mortis is het verstijven van het lichaam na het overlijden. De maximale verkorting van een sarcomeer is 50%, hierbij worden de I- en H-banden smaller en kunnen ze zelfs verdwijnen. Als er geen ATP beschikbaar is, blijft het myosine-actinecomplex geblokkeerd, zoals gebeurt bij rigor mortis.

  1. Myoglobine

Myoglobine is het zuurstofbindende eiwit dat in grote hoeveelheden voorkomt in de spieren. Het is een relatief klein eiwit dat bestaat uit één keten van 153 aminozuren. Myoglobine komt alleen voor in de hart- en skeletspiercellen van zoogdieren. Het komt in hoge concentraties in de cellen voor en zorgt voor de rode kleur van de spieren.

  1. Neuron

Een neuron of zenuwcel reageert snel op veranderingen in hun omgeving met een wisseling van het elektrisch potentiaalverschil tussen binnen- en buitenzijde van hun celmembraan. Een neuron bestaat uit 3 delen : cellichaam of perikaryon, dendrieten, en een axon.


  1. Dendriet

Dendrieten kunnen in zeer grote aantallen per zenuwcel voorkomen. Zij zijn meestal kort, en sterk boomvormig vertakt. Dankzij deze vertakkingen kan een neuron impulsen uit een groot aantal eindigingen van axonen van andere cellen opnemen en geleiden naar het cellichaam.

  1. Axon

De meeste neuronen hebben één enkele, zeer lange uitloper (axon). Alle axonen ontspringen uit het perikaryon via een korte, trechtervormige uitstulping, de axonheuvel. Via het axon kunnen opgevangen signalen of impulsen weer doorgegeven worden aan andere cellen (neuronen, spiercellen, kliercellen). Bij vertebraten is het axon omgeven door een myelineschede met insnoeringen van Ranvier.

  1. Spinaal ganglion

Een opeenhoping van cellichamen van neuronen buiten het centraal zenuwstelsel noemt men een ganglion. Spinale ganglia zijn geassocieerd met het ruggenmerg en sturen hun impulsen door naar het centrale zenuwstelsel.

  1. Synaps (types)

Een synaps is de plaats van signaaloverdracht van een neuron naar een ander neuron of een effectorcel. De signaaloverdracht kan elektrisch of chemisch plaatsvinden. Elektrische synaps : een directe signaaloverdracht door middel van het transport van ionen via nexusverbindingen, komen weinig voor in het zenuwstelsel. Chemische synaps : de zenuwimpuls wordt opgezet in een chemisch signaal, zij zijn de meest voorkomende.

  1. Neurotransmitter (types, vb)

Een neurotransmitter is een stof die vrijkomt ter hoogte van de synaps bij de signaaloverdracht tussen neuronen. In de zenuwcel zijn de neurotramsitters opgeslagen in vesikeltjes. Zodra er een zenuwsignaal komt, worden ze vrijgesteld door exocytose en diffunderen dan over de synaps om aan de receptoren te binden die aan de buitenkant van de ontvangende cel te vinden zijn. Voorbeelden van neurotransmitters: glutamaat (< aminozuur, vooral in hersens, rol bij leren en geheugen), histamine (< monoamine, regeling slaapprocessen), endorfine (< neuropeptide, lichaamseigen morfine), acetylcholine (spiercontractie).

  1. Bloedplasma

Is een geelachtige oplossing die 55% van het totale bloedvolume inneemt. Het bloed bestaat voor 90% uit water en ionen (waarbij Na en Ca 2/3 van totaal). Het plasma bestaat ook voor 7% uit plasmaproteïnen zoals albumine, globuline en fibrinogeen.

  1. Gefigureerde elementen

Verzamelnaam voor de rode bloedcellen, witte bloedcellen en bloedplaatjes.

  • Rode bloedcellen of erytrocyten :

Biconcave vorm => oppervlaktevergroting => betere gasuitwisseling

Bevatten hemoglobine = rood pigment



  • Witte bloedcellen of leukocyten :

Granulocyten => neutrofielen, basofielen, eosinofielen

Agranulocyten => monocyten, lymfocyten



  • Bloedplaatjes of trombocyten :

Beschadiging bloedvatwand : tromboplastine => protrombine wordt trombine => fibrinogeen wordt draadvormig fibrine.

  1. Hematocriet

Dit is de verhouding van het volume van de bloedcellen tot het totale bloedvolume. Normale waarden : 40 à 50% bij mannen, 35 à 45% bij vrouwen. Te lage hematocriet => bloedarmoede. Te hoge hematocriet => bloed wordt visceuzer, = meer risico’s op hart- en vaatziekten.

  1. Rode bloed lichampjes

Hebben een biconcave vorm die zorgt voor oppervlaktevergroting, hetgeen de gaswisseling ten goede komt. Enkel de zoogdiererytrocyten hebben geen kern. Erytrocyten bevatten hemoglobine : rood pigment maar ook een molecule van 4 polypeptideketens die elke een haemgroep dragen die Fe bevat. De zuurstofmoleculen kunnen een losse binding vormen met het Fe-ion. Sommige aminozuren uit het eiwit kunnen CO2 binden.

  1. Anemie

Anemie of bloedarmoede is een tekot aan rode bloedcellen of aan hemoglobine. Doordat hemoglobine ijzermoleculen bevat, is ijzertekort in het lichaam een rechtstreekse oorzaak van anemie. Tekort aan vitamine C kan ook een oorzaak zijn omdat dit de opname van ijzer in het bloed bevordert.

  1. Leukocyten

Bewegen vrij door bloed, lymfe en weefsels. Er bestaan verschillende soorten :

  • Granulaire leukocyten :

Met gelobde kernen en korrels (granula) in het cytoplasma die op een specifieke manier kunnen gekleurd worden. Worden gemaakt in het beendermerg.

    • Basofielen : produceren histamine => zorgt voor vasodilatatie en verhoogde permeabiliteit rond de wonde in geval van ontsteking. Leukotriënen => contractie glad spierweefsel.

    • Neutrofielen : fagocytose van kleine partikels.

    • Eosinofielen : opruimen van antigeen-antilichaam complexen

  • Agranulaire leukocyten :

Aangemaakt in het beendermerg en opgeslagen in lymfoïde weefsels (lymfeknopen, milt, thymus).

  • Monocyten / macrofagen : fagocytose van grote partikels.

  • Lymfocyten : * T-lymfocyten => cellulaire immuniteit

* B-lymfocyten => humorale immuniteit

  1. Leukemie

Leukemie is een toestand waarbij de weefsels die de leukocyten vormen zeer sterk uitgroeien en aldus de erytrocytenvormende weefsels onderdrukken. Daardoor ontstaan erge anemie. In sommige vormen van leukemie kunnen de gevormde leukocyten geen infectieziekten bestrijden waardoor de patiënt biijgevolg kan sterven.

  1. Monocyten

De grootste bloedcellen. Komen voor in het perifere bloed, in bindweefsel en in de lichaamsholten. In het bindweefsel differentiëren ze tot actieve macrofagen. Macrofagen ruimen dode cellen op en zijn antigeen presenterende cellen voor de T- en B-lymfocyten.

  1. Lymphocyten

Lymfocyten behoren tot de leukocyten. Zij vormen cellen die reageren op binnendringende vreemde macromoleculen of organismen door er specifieke antistoffen/anilichamen tegen te maken die helpen bij de destructie. T-lymfocyten spelen een rol bij de cellulaire immuniteit, B-lymfocyten bij de humorale immuniteit.

  1. Granulocyten

Granulaire leukocyten : Met gelobde kernen en korrels (granula) in het cytoplasma die op een specifieke manier kunnen gekleurd worden. Worden gemaakt in het beendermerg.

    1. Basofielen : produceren histamine => zorgt voor vasodilatatie en verhoogde permeabiliteit rond de wonde in geval van ontsteking. Leukotriënen => contractie glad spierweefsel.

    2. Neutrofielen : fagocytose van kleine partikels.

    3. Eosinofielen : opruimen van antigeen-antilichaam complexen

  1. Eosinofielen

Eosinofielen behoren tot de granulocyten en zijn van belang bij het fagocyteren en opruimen van antigeen-antilichaamcomplexen die zijn gevormd als onderdeel van allergische reacties zoals bij astma en hooikoorts.

  1. Basofielen

Behoren tot de granulocyten. Ze bevatten o.a. histamine dat zorgt voor vasodilatatie en verhoogde permeabiliteit rond de wonde in geval van ontsteking. Ze kunnen ook leukotriënen genereren, die een trage contractie van glad spierweefsel veroorzaken.

  1. Mest (mast) cel

Mestcellen zijn rijkelijk gevuld met basofiele granula en komen vooral voor in de dermis, het darmkanaal en de luchtwegen. Mestcellen hebben een functie bij de vorming, opslag en afgifte van mediatoren, die in de onmiddelijke omgeving een rol speen bij ontstekings- en overgevoeligheidsreacties. Eén van deze verbindingen is heparine, dat bloedstolling kan tegengaan.

  1. Neutrofielen

Behoren tot de granulocyten en worden ook wel microfagen genoemd. Neutrofielen maken deel uit van de niet-specifieke afeer tegen binnengedrongen micro-organismen.

  1. B- lymphocyt

In de celmembraan van de B-lymfocyt is een groot aantal immunoglobulinen ingebouwd. Het zijn ook deze immunoglobulinen, die bij de humorale immuunreactie door de plasmacel, die zich ontwikkelt uit de B-lymfocyt, in grote hoeveelheden als antilichamen worden afgescheiden. Uit B-lymfocyten worden ook geheugencellen gevormd.

  1. T-lymphocyt

T-lymfocyten komen behalve in het bloed ook voor in de lymfoïde organen. Ook de T-lymfocyt heeft op zijn celoppervlak receptormoleculen, al zijn deze geen immunoglobulinen zoals bij de B-lymfocyten. T-lymfocyten zijn betrokken bij de cellulaire immuunreactie. Bepaalde antigenen induceren een proliferatie van T- cellen in de T-celgebieden van lymfoïde organen. De T-effectorcellen (T- lymfocyten) die hieruit dan ontstaan produceren, wanneer zij opnieuw in aanraking komen met het antigeen, een reeks biologisch actieve stoffen die het antigeen helpen onschadelijk te maken.

  1. Humorale immunitiet

  2. Cellulaire immuniteit

  3. Megakaryocyt

Bloedvormende cel in het rode beendermerg. Kleine fragmentjes van het cytoplasme van de megakaryocyten worden aan de bloedstroom afgegeven als bloedplaatjes. Deze bloedplaatjes spelen een essentiële rol bij de bloedstolling.

  1. Bloedplaatjes

Deze spelen een essentiële rol bij de bloedstolling. Bij beschadiging van een bloedvatwand en contact tussen bloedplaatjes en extracellulaire matrix => vrijstelling tromboplastine => protrombine wordt omgezet in trombine => trombine zet fibrinogeen om in draadvormig fibrine.

  1. Trombose

Indien zich binnenin het lichaam een bloedklonter vormt, spreekt men van trombose. Indien snel kan ingegrepen worden, kan men tegenwoordig bloedklonters oplossen door intraveneuze toediening van plasminogeenactivator (een in lage concentratie in het lichaam voorkomend eiwit, dat bloedklonters doet oplossen) en stoffen met verwante werking.

  1. Embolie

Een embolie is een plotselinge afsluiting van een (slag)ader door een van een andere plaats afkomstige, met de bloedstroom meegesleepte obstructie, een embool genoemd. Meestal is dit embool een losgeraakt stuk van een bloedprop (trombus). Door deze volledige afsluiting stroomt er (te) weinig bloed naar het weefsel.

  1. Plasmine

Thrombolytica activeren het natuurlijke mechanisme van het lichaam om stolsels op te lossen door de omzetting van plasminogeen in plasmine te bevorderen. Plasmine is een niet-specifiek protease dat het fibrinenetwerk van de trombus afbreekt.

  1. TPA

Het enzyme TPA, (Tissue plasminogen activator of weefsel plasminogeen activator) heeft als functie het regelen van het opruimen van bloedstolsels (fibrine) door het omzetten van plasminogeen naar het actieve plasmine. Plasmine is een niet-specifiek protease dat het fibrinenetwerk van de trombus afbreekt

  1. Bloedstolling

De bloedplaatjes spelen hierbij een cruciale rol. Wanneer een bloedvatwand beschadigd raakt en er contact ontstaat met de extracellulaire matrix, wordt tromboplastine vrijgesteld. Tromboplastine zorgt voor de omzetting van protrombine tot trombine, hetgeen op zijn beurt fibrinogeen omzet tot een fibrinenetwerk.


  1. Bloedserum

Na stolling van het bloed en retractatie van de bloedklonter wordt een gele vloeistof uitgeperst. Deze vloeistof is qua samenstelling quasi gelijk aan plasma met het verschile dat het fibrinogeen nu achtergebleven is als vezelig fibrine in de bloedklonter. Alle andere plasma-eiwitten blijven aanwezig.

  1. Bloedgroep

Bloed wordt getypeerd op basis van verschillende genetische groepen. Men kan type A, type B, type AB of type O hebben. Het zijn de erytrocyten die het type bepalen door de al dan niet aanwezige agglutinogenen A of B.

  1. Agglutinogeen

Agglutinogenen zijn aanwezig in de membraan van de erytrocyten. Er is type A of B, al dan niet aanwezig in de desbetreffende bloedgroep. Tegen elk agglutinogeen bestaat er een agglutinine. Wanneer beiden in contact komen kan er agglutinatie optreden.

  1. Agglutinine

Agglutinine α of β. Deze zijn aanwezig in bepaalde bloedgroepen, gericht tegen overeenkomstige agglutinogenen van andere bloedgroepen. Hierdoor zijn slechts een beperkt aantal combinaties van bloedgroepen mogelijk. Agglutinines zijn aanwezig zonder dat het bloed ooit in aanraking is geweest met de respectievelijke agglutinogenen.

  1. Agglutinatie

Agglutinatie is het samenklonteren van erytrocyten wanneer bloed van bepaalde verschillende bloedgroepen (niet-compatibele bloedgroepen) gemengd wordt. Het is een gevolg van de interactie tussen een agglutinine in het plasma en een agglutinogeen in de membraan van de erytrocyten.

  1. Rhesusfactor

De rode bloedcellen van Rh-positieve personen hebben het Rh antigen, deze van Rh-negatieve personen hebben het niet. Normaal zijn in het Rh-negatief bloed ook geel agglutinines aanwezig tegen het Rh-antigeen. Wanneer een Rh-negatief persoon een transfusie krijgt met Rh-positief bloed worden de plasmacellen gesensibiliseerd en zullen zij specifieke anti-Rh+ antilichamen. Bij een tweede transfusie met Rh+ bloed zullen deze antilichamen dan een agglutinatie veroorzaken.

  1. Passieve vaccinatie

Bij passieve vaccinatie wordt een persoon of dier beschermd tegen de gevolgen van een infectie door het rechtstreeks toedienen van antistoffen (afweerstoffen) tegen de verwekker. Passieve immuniteit wordt vaak toegepast als mensen op korte termijn bescherming nodig hebben tegen een bepaalde ziekteverwekker.

  1. Universele bloeddonor

Dit is bloedgroep O. O bevat beide agglutinines, maar is universele donor omdat het geen agglutinogenen op de membraan bevat waartegen de respectievelijke agglutinines zich kunnen richten.

  1. Universele ontvanger

Dit is bloedgroep AB. AB bevat beide agglutinogenen, maar is de universele ontvanger omdat het geen agglutinines in zijn serum heeft die zich kunnen richten tegen de respectievelijke agglutinogenen van de andere bloedgroepen.

  1. Leptoteen stadium

  2. Zygoteen stadium

  3. Pachyteenstadium

  4. Diploteenstadium

  5. Bivalent

  6. Homologe chromosomen

  7. Crossing-over

  8. Chiasma(-ta)

  9. Leydigcel

  10. Sertolicel

  11. Eifollikel

  12. Geel lichaam (corpus lutheum)

  13. Epidydimis

  14. Vas deferens

  15. Prostaatklier

1   2   3   4   5

  • Triblastica Bij de Triblastica zijn alle drie de kiembladen ontwikkeld: ecto-, endo- en mesoderm. Billateraal symmetrisch
  • Hoofdgastheer Dit is de gastheer waarin de parasiet zich gaat vermenigvuldigen. Tussengastheer
  • Schistosomiase Of bilharziose. (uitleg, zie 154) Cestoda
  • Groene klier Of antennale klier. Voorkomend bij de Arthropoda. Het zijn excretieorganen aan de basis van de antenne. Antennale klier
  • Coxale klier Deel van het excretiestelsel bij Arthropoda. In de andere gevallen heeft men buisjes van Malpighi. Hydrostatisch orgaan
  • Romer hypothese Bepaalde hypothese over het ontstaan van de Chordata. Amniota
  • Chromosoom diminutie theorie
  • Semiconservatieve replicatie
  • Functionele transcriptionele eenheid
  • Posttranslationele processing
  • Eiwit secretie Exocytose DNA library PCR
  • Argonaute Somatische gentherapie
  • Endotheel epidermis mucosa Microvilli
  • Visceraal skelet Been rond het aangezicht (viscero-cranium). Kaken = hervorming van de eerste kieuwboog. Axiaal skelet
  • Wervel Spiervezel
  • SR (sarcoplasmatisch reticulum)
  • Neurotransmitter (types, vb)
  • Humorale immunitiet Cellulaire immuniteit Megakaryocyt
  • Leptoteen stadium Zygoteen stadium Pachyteenstadium Diploteenstadium Bivalent
  • Eifollikel Geel lichaam (corpus lutheum) Epidydimis Vas deferens Prostaatklier

  • Dovnload 315.36 Kb.