Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Terminologie oplijsting bij cursus vergelijkende biologie Miller experiment

Dovnload 315.36 Kb.

Terminologie oplijsting bij cursus vergelijkende biologie Miller experiment



Pagina4/5
Datum16.05.2018
Grootte315.36 Kb.

Dovnload 315.36 Kb.
1   2   3   4   5
Parthenogenese

  • Heterotrofie

    Meercellige dierlijke organismen zijn niet in staat zelf biomoleculen aan te maken. => we moeten voedsel opnemen, maar dit kunnen we niet rechtstreeks gebruiken => we moeten het opgenomen voedsel verteren: vrijstellen van energieke substraten en bouwstenen, maar => absorptie: recuperatie van de voedingsstoffen voor eigen gebruik (metabolisme) + defecatie: verwijdering van niet-verteerbare of niet langer bruikbare voedselresten.

    1. Endosymbiont

    Een organisme dat leeft in het lichaam van een ander organisme (de gastheer) als onderdeel van een endosymbiotische relatie. Het caecum, gereduceerd tot de appendix bij de mens, is een darmaanhangsel aan de overgang van de dunne naar de dikke darm. Bij herbivoren leven in het caecum symbionten die helpen bij de vertering door het aanleveren van enzymen die de gastheer zelf niet kan aanmaken.

    1. Vitamine (ADEK, B1, B3,C)

    Vitaminen zijn organische moleculen die als regelende stoffen mee bepalen welke metabolische reacties in de organismen plaatsvinden en welke er de snelheid van is. Zij fungeren meestal als co-enzymen, die in het lichaam dikwijls opnieuw gebruikt kunnen worden.

    • Niet-wateroplosbare:

    A: = retinol, tekort => nachtblindheid

    D: = calciferol, tekort => rachitis

    E: = tocoferol, tekort => lysis van rode bloedcellen

    K: = naftochinon, tekort => storing in de bloedstolling



    • Wateroplosbare:

    B1: = thiamine, tekort => beri-beri

    B3: = nicotinezuur, tekort => pellagra



    C: = ascorbinezuur, tekort => scheurbuik

    1. Nachtblindheid

    Wordt veroorzaakt door een tekort aan Vitamine A (retinol), een niet- wateroplosbaar vitamine. Retinol is belangrijk voor de aanmaak van rhodopsine in de staafjes van de retina, en bij een tekort kan men bij donker niet meer optimaal zien.

    1. Rachitis

    Deze ziekte, bestaande uit een reeks vervormingen (aan de beenderen) wordt veroorzaakt door een tekort aan Vitamine D. Vitamine D stuurt Ca naar de beenderen ter versteviging.

    1. Coemarolen

    Wordt veroorzaakt door een tekort aan Vitamine K, belangrijk bij de bloedstolling.

    1. Beri-beri

    Deze ziekte wordt veroorzaakt door een tekort een Vitamine B1. Vitamine B1 of thiamine is een co-enzym dat betrokken is bij de stofwisseling. Een tekort heeft spierzwakte en perifere verlammingen tot gevolg.

    1. Pellagra

    Deze ziekte, ook wel graanetersziekte genoemd, wordt veroorzaakt door een tekort aan Vitamine B3. Vitamine B3 of nicotinezuur is een onderdeel van het co- enzym A dat belangrijk is bij de citroenzuurcyclus. Een tekort veroorzaakt diarree en dementie.

    1. Graanetersziekte

    Deze ziekte, ook wel pellagra genoemd, wordt veroorzaakt door een tekort aan Vitamine B3. Vitamine B3 of nicotinezuur is een onderdeel van het co-enzym A dat belangrijk is bij de citroenzuurcyclus. Een tekort veroorzaakt diarree en dementie.

    1. Convulsies

    Convulsies is het oncontroleerbare en onvoorspelbare samentrekken van de spieren. Dit kan onder andere voorkomen door een tekort aan Vitamine B6. Vitamine B6 of adermine is betrokken bij het metabolisme. Tekorten kunnen leiden tot convulsies, maar ook tot huidaandoeningen en defecte antilichaamproductie.

    1. Scheurbuik

    Deze ziekte wordt veroorzaakt door een tekort aan Vitamine C. Vitamine C of ascorbinezuur is een antioxidans dat belangrijk is voor de synthese van collageen, hemoglobine en steroïden. Een tekort leidt tot onderhuidse bloedingen en slecht genezende wonden.

    1. Lofofoor

    Is een tentakelkrans. Deze komt voor bij sessiele levensvormen: deze moesten voedsel opnemen via H2O, via de tentakels. Het doet dienst als een uitwendig filterapparaat.

    1. Pharynx

    Dit is het gebied tussen de mond en de slokdarm. Hier zorgt de slikreflex ervoor dat het voedsel in de slokdarm of oesophagus terechtkomt, via dewelke het voedsel door peristaltische bewegingen naar de maag gebracht wordt.



    1. Darmblindzak

    Realisatie van een spijsverteringsruimte en extraacellulaire vertering werden samen gerealiseerd. In oorsprong blijkt de verteringsruimte beperkt tot een blindeindigende spijsverteringszak en observeren we nog een samengaan van extracellulaire vertering (= verkleinen van voedselbrok tot fagocyteerbare afmetingen) en intracellulaire vertering. Deze situatie is typisch bij de Coelenterata of holtedieren.

    1. Gastrine

    De aanwezigheid van proteïnen of alcohol in het onderste deel van de maag, verwijding van de maag of stimulatie van de nervus vagus veroorzaken afgifte van het hormoon gastrine door endocriene cellen van de maagmucosa. Dit hormoon komt in de bloedstroom terecht en bereikt zo de cellen die HCl en pepsinogeen afscheiden (hoofdcellen en nevencellen).

    1. Hoofdcellen (maag)

    Deze scheiden prorennine en pepsinogeen in het maagsap af, moleculen die enzymatisch actief worden wanneer zij in contact komen met de lage pH van het maagsap. Zij worden dan rennine (doet de casseïne uit de melk stollen zodat de melk stremt en niet doorheen de maag loopt) en pepsine (een protease) genoemd.

    1. Nevencellen(maag)

    De wandcellen of nevencellen scheiden HCl af in zulke hoeveelheden dat de concentratie van protonen 106 maal hoger kan worden dan in het bloedplasma. De pH in het lumen van de maag kan dalen tot ongeveer 1.

    1. Chymosine



    1. Rennine

    Prorennine wordt afgescheiden in het maagsap door de hoofdcellen van de maagwand. Prorenninge wordt meteen geactiveerd tot rennine wanneer het in contact komt met de lage pH van het maagsap. Rennine doet de casseïne uit de melk stollen zodat de melk stremt en niet direct doorheen de maag loopt.

    1. Duodenum

    Na de maag wordt de vertering verdergezet in het eerste deel van de dunne darm, het duodenum, waar pancreasenzymen en gal van de lever toegevoegd worden. De maag is door een sluitspier (pylorussfincter) afgesloten van het duodenum of de twaalfvingerige darm. Het halfverteerde voedsel wordt in kleine hoeveelheden het duodenum binnengelaten.

    1. Gal (2x)

    Wordt vrijgezet in het duodenum tijdens de vertering. Galzouten emulgeren de vetten zodat dunnedarmlipasen meer efficiënt deze hydrofobe moleculen kunnen verteren dankzij de vergroting van het substraatoppervlak. De galkleurstoffen dienen geïnterpreteerd te worden als een manier van excretie van niet meer bruikbare metabolische afvalproducten. De galblaas dient louter als opslagplaats van de galzouten en galkleurstoffen die beide aangemaakt worden in de lever.

    1. Pancreas

    Het HCl in de maag wordt geneutraliseerd doordat onder invloed van het hormoon secretine de pancreas grote hoeveelheden bicarbonaationen afgeeft aan het darmlumen. De secretie van pancreasenzymen wordt gestimuleerd door CCK. De pancreas produceert ook hormonen (insuline, glucagon,…) die niet aan het duodenum maar aan het bloed worden afgegeven en niet rechtstreeks bij het spijsverteringsproces betrokken zijn.

    1. Secretine

    Onder invloed van dit hormoon gaat de pancreas grote hoeveelheden bicarbonaationen afgeven aan het darmlumen waardoor het HCl wordt geneutraliseerd. In het duodenum stijgt de pH dus tot ver boven het optimum van pepsine dat inactief wordt.

    1. CCK-pancreazym

    De secretie van pancreasenzymen en enzymen gemakt door cellen van de dunne darm wordt gestimuleerd door o.a. CCK of cholecystokinine-panreaenzym. Dit hormoon wordt afgescheiden door het voorste deel van de dunne darm en de secretie van deze wordt op haar beurt gestimuleerd door de aanwezigheid van bepaalde voedingsstoffen.

    1. Enterogastrone

    Het hormoon enterogastrone zorgt ervoor dat bij een vetrijke maaltijd de vertering geremd wordt. Het werkt in op de pylorussfincter waardoor het langer duurt voor het voedsel van de maag naar het duodenum gaat.

    1. Ductus choledocus

    Samen met de pancreas mondt ook de galblaas uit in het duodenum via de ductus choledocus. Vlak voor de uitmonding verdikt de ductus choledocus tot een sfincter van Oddi, een soort sluitspier die de stroom van het gal naar het duodenum regelt.

    1. Darmvillus

    Het absorptieoppervlak van de dunne darm wordt op verschillende manieren vergroot. Er zijn vooreerst de grote darmplooien. Deze zijn op hun beurt bedekt met miljoenen kleine uitsteeksels, villi genoemd. De epitheelcellen ervan dragen aan hun apicale zijde talrijke microvilli.

    1. Chylvat

    De meeste nutriënten worden doorheen de epitheellaag naar het bloed getransporteerd. Kleine druppels geëmulsifieerde lipiden worden geabsorbeerd naar de chylvaatjes: dit zijn lymfekanaaltjes die aansluiten op grotere lymfekanalen.

    1. Leverpoortader

    Vena portae. Al het bloed dat uit het spijsverteringsstelsel komt en dat de geabsorbeerde voedselmoleculen bevat, wordt via de leverpoortader naar de lever gevoerd (en niet direct naar het hart zoals dat bij gewone aders het geval is). Dit bloed passeert in de lever een aantal sinusoïden waar fagocyten partikels verwijderen en levercellen een aantal detoxificatie uitvoeren.

    1. Caecum

    Het caecum, gereduceerd tot appendix bij de mens, is een darmaanhangsel aan de overgang van de dunne naar de dikke darm. Bij herbivoren leven in het caecum symbionten die helpen bij de vertering door het aanleveren van enzymen die de gastheer zelf niet kan produceren.



    1. Appendix

    Dit darmaanhangsel aan de overgang van de dunne naar de dikke darm is een gereduceerde vorm van het caecum en komt enkel bij de mens voor. Het bevat veel lymfeklierweefsel maar vervult tot zover bekend geen functie.

    1. Excretie

    Excretie is het uit de cel of het lichaam verwijderen van niet meer bruikbare of toxische afvalstoffen van het metabolisme. CO2 wordt bij vertebraten via de longen verwijderd, via zweetklieren beetje ureum, galzouten en galkleurstoffen langs het darmstelsel, teveel aan Fe- en Ca-ionen via de dikke darm.

    1. Excretieproducten

    Men spreekt van eigenlijke excretieproducten wanneer men te maken heeft met producten die uit de cel afgevoerd worden ofwel naar de feces, ofwel die verwijderd worden met de urine. Feces, die eigenlijk bestaan uit niet verteerbaar materiaal, bacteriën en afschilferingen van darmcellen, worden niet beschouwd als excretierpoducten omdat zij nooit in de cellen geweest zijn.

    1. Protonefridum

    Een eerste innovatie in de ontwikkeling van het excretiestelsel betreft het gebruik van solenocyten of vlamcellen die afvalstoffen actief recupereren vanuit het intercellulaire lichaamsvocht en dan via verzamelbuizen langs een excretieporus lozen. Dit systeem van protonefridia treffen we aan bij platwormen en zakwormen.

    1. Solenocyt

    2. Metanephridium

    Vanaf de ontwikkeling van een echt coeloom treedt specialisatie op van de excretieorganen. Bij de Protostomia nemen we metanefridia waar. Via hun trechtervormige opening (nephridiostoom) nemen metanefridia de volledige coeloomvloeistof op als primaire urine. Net zoals bij een nefron gebeurt hier recuperatie van water en nuttige stoffen doorheen de wand van het nefridiumbuisje.

    1. Antennale klier
      zie groene klier

    2. Groene klier

    Antennale klieren of groene klieren zijn varianten op de metanepfridia en worden aangetroffen bij Crustacea.

    1. Coxale klier

    Coxale klieren zijn eveneens varianten op de metanefridia en worden aangetroffen bij Chelicerata.

    1. Buisjes van Malpighi

    Deze blindeindigende buisjes in het mechanisme van excretie worden aangetroffen bij insecten en enkele andere op het land levende Arthropoda. Ze fungeren als bij de mens aangetroffen nieren.

    1. Ontogenese

    Ontogenese is de ontwikkeling die elk individueel mens doormaakt van eicel tot in de volwassenheid en verder.

    1. Pronefros

    Het voorste deeltje van een nier in de embryonale fase.
    Bevat metanefridiumtype excretiekanaaltjes die coeloomvloeistof filteren. Vloeien samen in het kanaal van Wolff (=vas deferens, afvoerbuis).

    1. Mesonefros

    Het middelste deeltje van een nier in embryonale fase. Bevat een metanephridia die zijwaarts al een kapsel van Bowman ontwikkelen en bloed filteren.

    1. Metanefros
      = nier, de definitieve nieren ontstaan hieruit met hun eigen afvoergang, de ureter.



    1. Kanaal van Wolff

    Uit het kanaal van Wolff dat als afvoergang functioneerde van pro-en mesonefros, ontstaat bij de man het vas deferens van het mannelijke geslachtsorgaan. Bij meisjes verdwijnt het kanaal van Wolff, maar zal het kanaal van Muller de functie van oviduct aannemen.


    1. Kanaal van Müller

    Uit het kanaal van Muller (embryonale fase) ontstaat later het oviduct bij vrouwelijke embryo’s. Het kanaal van Wolff verdwijnt bij de vrouw.

    1. Vas deferens

    Zie eerder bij mannelijke voortplantingsorganen.

    1. Urether

    Vertrekt vanuit de inkeping in het midden van de nieren. Het is een kanaaltje dat de in de nier gevormde urine naar de blaas voert, waar zij tijdelijk kan verzameld worden om via de urethra geloosd te worden.
    De ureter loopt uit in een grote holte in de nier, de pelvis of het nierbekken.

    1. Urethra

    De urethra voert de urine van de blaas naar buten. Bij de man passeert ook het sperma door deze buis tijdens de ejaculatie. Bij de vrouw is de urethra uitsluitend urineweg. De bouw van dit kanaal is verschillend bij beide geslachten.

    1. Nefron

    De nier bestaat uit 106 individueel functionele eenheden per nier, nefrons genoemd. Een nefron of nierkronkelbuisje is een lang, dun buisje dat gebogen is in de vorm van een haarspeld waarvan de twee uiteinde omgebogen zijn. Aan het ene uiteinde vindt men een gesloten, bekervormige structuur, het kapsel van Bowman genoemd. Het andere uiteinde is open en mondt uit in een verzamelbuisje dat dat op zijn beurt in de nierbekken uitmondt. Een nefron in de nier bestaat uit een tubulus en een glomerulus. Hier gebeurt resorptie van o.a. ionen en glucose en het eindproduct, de primaire urine, wordt afgevoerd naar het nierbekken.

    1. Glomerulus

    Dit vindt men als een bal die juist past in de palm van de hand binnenin het kapsel van Bowman. Het is een netwerke van fijne capillairen die ontstaan uit een aftakking van de arteria renalis, het binnenkomend arteriool. Het buitengaand arteriool vormt een capillair netwerk rond het nierkronkelbuisje vooraleer uit te monden in een vene, die zal aansluiten op de vena renalis. De capillairen in de glomerulus doen dienst als filters die alles, behalve de gefigureerde elementen uit het bloed en de eiwitten, dorlaten. De doorgelaten stoffen komen doorheen de wand van het kapsel van Bowman in de nierkronkelbuisjes.

    1. Ultrafiltratie

    De arteria renalis is een directe vertakking van de aorta dorsalis, die dicht bij de nieren voorbij stroomt. Het bloed staat dus nog onder hoge druk. En aangezien de diameter van de efferente arteriool kleiner is dan de afferente, wordt de stromingsdruk in de glomerulus nog vergroot.
    Het hart van de mens pompt per dag ong. 8.000 liter bloed doorheen het lichaam, waarvan 1.700 liter ongeveer in de nieren terechtkomt. Ongeveer 800 liter wordt geperst doorheen de wand van de capillairen in de glomerulus, die dienst doen als filters die vrijwel alles doorlaten, behalve de gefigureerde elementen uit het bloed en de eiwitten. Dit is ultrafiltratie waarna het filtraat in de proximale tubulus terecht komt via de wand van het kapsel van Bowman.

    1. Lus van Henle

    Het U-vormig verloop van het nierkronkelbuisje of nefron of plotse haarspeldbocht, wordt aangeduid als de lus van Henle. We onderscheiden hieraan een dalend (richting medulla) en een stijgend deel (richting cortex). Hier gebeurt reabsorptie van water, maar ook van Cl- en Na+.

    1. Verzamelbuis

    Hierin wordt de finale volume gereguleerd van de urine. Het ADH of vasopressine, geproduceerd door de neurohypofyse, maakt de wand van de verzamelbuisjes permeabel voor water en kan nog extra water gereabsorbeerd worden, zodat de urine nog sterker geconcentreerd wordt.

    1. Cortex

    Dit is be buitenste laag van de nier of de nierschors. Deze omvat het kapsel van Bowman, de glomerulus, de proximale tubulus, de distale tubulus en het aangrenzende verzamelbuisje.

    1. Medulla

    Dit is de binnenste laag van de nier of het niermerg en deze grenst aan het nierbekken. De medulla omvat de lus van Henle, waar terugresorptie van water, Na en Cl plaatsvindt. Het stijgende deel van de lus van Henle komt dan weer terug uit in de cortex

    1. Nier pelvis

    Ook wel het nierbekken genoemd. Dit is een grote holte in de nier waarin de ureter uitloopt. Het fungeert als een zeer tijdelijke opslagruimte, waarna de urine door de ureter naar de urineblaas wordt gevoerd en uiteindelijk door de urethra wordt geloosd.

    1. ADH

    Antidiuretisch hormoon of vasopressine, gesecreteerd door de neurohypofyse. Dit hormoon kan via het bloed zijn functie uitoefenen ter hoogte van de verzamelbuisjes in de nier: de wand van de verzamelbuisjes wordt permeabel voor water en kan nog extra water gereabsorbeerd worden, zodat de urine zijn finale concentratie bereikt.

    1. ANF (ANP)

    ANF of atrio-natrio-uretric factor. (ANP = atriaal natriuretisch peptide). Te hoge bloeddruk veroorzaakt nierbeschadiging waardoor de nieren niet correct kunnen functioneren.Bij te hoge bloeddruk, gedetecteerd in de atriale wand van het hart, stelt het hart ANF vrij. Hierdoor wordt actieve recuperatie van Na+ naar de bloedbaan tegengewerkt => minder H2O volgt passief => bloeddruk zal dalen.

    1. RAS

    Renine-angiotensine systeem. Te lage bloeddruk veroorzaakt nierinsufficiëntie waardoor de nieren dus niet correct meer kunnen functioneren. Renine wordt dan vrijgesteld vanuit de nieren en zorgt voor de omzetting van angiotensinogeen (een plasmaproteïne) naar angiotensine Ι. Angiotensine Ι wordt op haar beurt door ACE omgezet tot angiotensine ΙΙ. => gaat bloeddruk doen stijgen door vasoconstrictie, werkt in op de bijnieren => aldosterone wordt vrijgesteld => meer Na+ actief gerecupereerd naar bloedbaan, H20 volgt => bloeddruk stijgt onrechtstreeks terug.

    1. Renine

    Renine is een enzym dat vrijgesteld wordt vanuit de nieren als gevolg van te lage bloeddruk en dus insufficiëntie van de nieren. Renine zorgt voor de omzetting van angiotensinogeen naar angiotensine Ι, dat op haar beurt door ACE wordt omgezet tot angiotensine II. Dit laatste leidt, dankzij vasoconstrictie tot stijgen van de bloeddruk.

    1. Angiotensine I

    Maakt deel uit van het renine-angiotensine systeem (RAS). Te lage bloeddruk: insufficiëntie van de nieren => angiotensinogeen == renine ==> angiotensine Ι == ACE ==> angiotensine II => stijging van de bloeddruk.

    1. ACE

    Maakt deel uit van het renine-angiotensine systeem (RAS). Het is het angiotensine converterend hormoon.

    Te lage bloeddruk: insufficiëntie van de nieren

    => angiotensinogeen

    == renine ==> angiotensine Ι

    == ACE ==> angiotensine II

    => stijging van de bloeddruk.

    ACE II breekt angiotensine II af, waardoor de bloeddruk opnieuw gaat dalen.


    1. Angiotensine II

    Maakt deel uit van het renine-angiotensine systeem (RAS).

    Te lage bloeddruk: insufficiëntie van de nieren

    => angiotensinogeen

    == renine ==> angiotensine Ι

    == ACE ==> angiotensine II

    => stijging van de bloeddruk door vasoconstrictie



    => werkt in op de bijnieren, aldosterone wordt vrijgesteld, meer Na+ wordt actief gerecupereerd, H20 volgt passief, bloeddruk wordt onrechtstreeks ook verhoogd.

    1. Aldosterone

    Angiotensine II, dat gevormd wordt in het renine-angiotensine systeem (RAS), werkt in op de bijnieren die dan aldosterone gaan vrijstellen. Aldosterone zorgt ervoor dat meer Na+ actief gerecupereerd wordt uit het bloed in de nieren, waarna H2O passief volgt en de bloeddruk dus onrechtstreeks verhoogd wordt.

    1. Centrale gasuitwisselaar

    Bij vele dieren zien we het uitwisselingsoppervlak van de ademhaling beperkt tot gespecialiseerde gasuitwisselingsorganen, in beginsel kieuwen bij waterdieren en longen voor landdieren. Deze ontwikkeling was nodig omdat gasuitwisseling over het ganse lichaamsoppervlak niet langer mogelijk was, omdat dit dan geheel waterdoorlaatbaar zou moeten zijn. Gasuitwisseling beperken tot een specifieke plaats in het lichaam veronderstelt de aanwezigheid van een efficiënt circulatiesysteem dat gastransport tot aan de individuele lichaamscellen kan verzekekeren..

    1. Tegenstroomdialyse principe

    Bij vissen. Anatomische organisatie van de kieuwbogen, de dubbele rij kieuwfilamenten en de bloedcirculatie doorheen de kieuwlamellen verzekeren, mede dankzij het toegepaste principe van tegenstroomdialyse, een maximale gasuitwisseling. In de lamellen stroomt het bloed in tegengestelde richting aan de waterstroom: daardoor kan het bloed ongeveer 75% van al de O2 in het water aanwezig opnemen.

    1. Surfactant

    Soort detergent dat krachten tussen de H20-moleculen teniet doet. De surfactant verlaagt de oppervlaktespanning van de alveolaire dekcellen. De verlaging van de oppervlaktespanning bevordert de ontplooiing van de alveoli bij de inspiratie, zodat daarvoor minder kracht nodig is.

    1. Vena porta hepatica

    Al het bloed dat uit het spijsverteringsstelsen komt en dat de geabsorbeerde voedselmoleculen bevat, wordt via de vena porta hepatica (levepoortader) naar de lever gevoerd. Dit bloed passeert in de lever een aantal sinusoïden waar fagocyten partikels verwijderen en levercellen een aantal detoxificaties uitvoeren. In de lever wordt het aderlijk bloed vermengd met het arterieel bloed.

    1. Vena porta renalis

    Nierpoortader. In de evolutie is het nierpoortadersysteem verdwenen bij vogels en zoogdieren terwijl het leverpoortadersysteem onveranderlijk is blijven bestaan. Bij vissen is dit bloed afkomstig van de staart en passeert via de nierpoortader in de nieren over een capillair net. (een poortader vormt dus de verbinding tussen 2 orgaansystemen en begint en eindigt men een capillair net.)


    1. Bohr-effect

    Of de finetuning van de gasuitwisseling ter hoogte van actief ademende weefsels. De hoge affiniteit van hemoglobine voor O2 wordt opgeheven doordat ter hoogte van de actief ademende weefsels vooreerst een veel lagere zuurstofspanning heerst en hier bovendien veel CO2 wordt vrijgesteld en de pH lokaal na vorming van koolzuur verlaagd wordt. Op deze manier komt O2 alleen vrij op die plaatsen waar er effectief behoefte aan is.

    1. Lymfe

    In de wand van de capillairen zijn er kleine openingen. Het bloed dat in een capillair aankomt, staat onder druk en bijgevolg zullen alle stoffen, kleiner dan de poriën, erdoor geperst worden. Gefigureerde elementen en eiwitten gaan er niet doorheen. Het waterige gedeelte met ionen en kleine moleculen, het lymfe, wel. Lymfe stroomt tussen de weefselcellen, voorziet de cellen van O2 en voedingsstoffen, en neemt CO2 en afvalproducten op.

    1. Oedeem

    Na passage door de weefcelcellen moet het lymfe terug worden afgevoerd: 2/3 via venen, 1/3 via het lymfesysteem. Wanneer echter de lymfe niet regelmatig wordt afgevoerd, ontstaat oedeem, een zwelling zonder toename van het aantal cellen.

    1. Fysische kieuw

    Komt voor bij de waterwants en de waterspin. Deze organismen leven op de luchtademhaling, maar via adaptaties kunnen ze gedurende korte tijd toch leven onder water. Deze zogenaamde fysische kieuw is een soort duikersfles: telkens ze duikes nemen ze de luchtbel mee naar beneden. Deze luchtbel houdt zichzelf in stand: uit omgevend H20 gaat O2 in de luchtbel en CO2 uit de luchtbel via diffusie. Maar de enorme hoeveelheid stikstof in de luchtbel diffundeert naar buiten waardoor de luchtbel steeds kleiner wordt en de waterwants/waterspin terug naar wateroppervlak moet om in leven te blijven.

    1. Caisson of duikersziekte

    Tijdens het duiken stijgt de druk waardoor de oplosbaarheid van stikstof stijgt en er dus meer stikstof wordt opgelost in het bloed en de weefsels dan normaal. De stikstof wordt bij het terugkeren naar normale druk niet snel genoeg via de longen afgevoerd. Er vormen zich dan belletjes in de bloedvaten, waardoor de bloedsomloop wordt gehinderd (embolie). Verschijnselen zijn jeuk, hoofdpijn, duizeligheid, pijn in de spieren en gewrichten (anders dan spierpijn door inspanning!). Bij ernstige gevallen kan het slachtoffer buiten bewustzijn raken, verlamd raken (al dan niet tijdelijk) of zelfs overlijden.

    1. Adapatieve immuniteit

    Dit verschijnsel komt enkel voor bij vertebraten. Adaptieve immuniteit is specifiek: er wordt specifiek gereageerd tegen één bepaalde indringer. Deze immuniteit is niet automatisch aanwezig maar wordt door het organisme geïnduceerd bij het eerste contact met de ziekte. Er ontstaan dus geheugencellen zodat bij een volgend contact met de ziekte men niet meer ziek zal worden.

    1. Antigen

    Een antigeen is een lichaamsvreemd, niet-eigen, macromolecuul waarop het lymfoïde systeem een immuunreactie uitoefent. Antigenen, die een respons van het immuunsysteem teweeg kunnen brengen noemt men immunogenen. Sommige kleinere moleculen zijn zelf niet immunogeen, maar kunnen zich als haptenen aan een dragermolecuul hechten en zo alsnog een immuunreactie uitlokken.

    1. Epitoop

    Een epitoop of een antigene determinant is de plaats op het antigeen die wordt herkend door het antilichaam. Na binding van het antilichaam op het epitoop van het antigeen komt een immuunreactie tot stand. Sequentie-epitopen => tegen een groot antigeen kunnen meerdere soorten antilichamen geproduceerd worden. Dit komt doordat combinaties van 3 tot 7 aminozuren of suikerresten al kunnen leiden tot de vorming van specifieke antilichamen. Naast sequentie-epitopen bestaan er ook structuurepitopen.

    1. Antilichaam (IgG, IgA, IgE)

    Antilichamen hebben een typische Y-vormige structuur en zijn opgebouwd uit twee identieke zware en lichte ketens. Men onderscheid verschillende klassen:

    • IgM en IgG: komen voor in de circulatie (bloedplasma en intercellulair vocht)

    • IgA: vooral in het lichaamssecreet.

    • IgE: komen specifiek voor op de slijmvliezen.

    Ig staat voor immunoglobuline.

    1. Betekenis circulerend IgM

    Dit immunoglobuline heeft niet helemaal de typische Y- vorm, maar is een pentameer. Antilichamen van deze klasse zijn de eerste die gemaakt worden bij een eerste contact met een bepaald antigeen. Vanaf het volgende contact worden de antilichamen van de IgM-klasse vervangen dooor antilichamen van de IgG-klasse. De productie van antilichamen van deze klasse stijgt nog naarmate het aantal contacten met het antigeen toeneemt.

    1. Immunologische crossreactie (kruisreactie)

    Bij het toedienen van antigen A met bvb drie herkenningsepitopen in een muis, gaat deze muis tegen die bepaald antigeen antilichamen produceren tegen alle drie de epitopen. (=polyklonaal antiserum). Wanneer dit antiserum toegedient wordt bij een ziek persoon die de drie epitopen bevat, ontstaat een positief resultaat. Maar wanneer deze persoon ook antigenen heeft van een andere vorm, met bvb ook één van de drie epitopen van dit polyklonaal antiserum, zal er eveneens een reactie optreden. Deze reactie is echter een vals positief resultaat en dit is een cross-reactie.

    1. Polyclonaal antiserum



    1. Monoclonaal antilichaam

    2. Myelomacel

    Of tumorcel.

    1. Hybridomacel



    1. HAT selectie

    2. Ascites

    3. Immunocytochemie

    4. Primair versus secundair antilichaam

    5. Hcg (humaan chorionisch gonadotropine)

    6. RIA

    7. EIA

    8. Zwangerschapstest op basis van antilichamen en testen aanwezigheid Hcg in ochtendurine

    9. Vaccinatie = immunisatie met “onschuldig antigen”

    10. Jenner

    Jenner stelde vast dat bij melkmeisjes die al in contact wren gekomen met het koepokkenvirus immuun waren geworden tegen deze ziekte en introduceerde hiermee het principe van vaccinatie.

    1. Passieve vaccinatie

    Bij een passieve vaccintatie wordt een serum met de antilichamen rechtreeks ingespoten bij de patiënt, zonder dat de patiënt zelf antilichamen moet aanmaken. Dit principe wordt toegepast bij bvb een slangenbeet waarbij het slachtoffer zo snel mogelijk moet geholpen worden met een “tegengif”.

    1. Endocriene klier

    Endocriene klieren zijn opgebouwd uit strengen of velden van epitheliale cellen, waartussen zich een rijk capillair netwerk bevindt. De hormonen, geproduceerd door deze cellen (klieren), worden aan het omgevende bindweefsel of direct aan de bloedbaan afgegeven.

    1. Paracriene vrijstelling

    Hierbij scheiden de kliercellen hun producten af aan de basale membraan, waarna ze gaan diffunderen en zo naburige cellen beïnvloeden. Zij komen dus niet terecht in de bloedbaan.

    1. Calcium homeostase

    Homeostase is de regulatie en handhaving van een evenwicht, opdat de toestand van het interne milieu in het lichaam (bloed en weefselvloeistof) stabiel blijft.

    1. Glucose homeostase

    Homeostase is de regulatie en handhaving van een evenwicht, opdat de toestand van het interne milieu in het lichaam (bloed en weefselvloeistof) stabiel blijft.

    1. Goiter (krop)

    De schildklier secreteert thyroxine dat vooral in de perifere weefsels wordt omgezet tot trijodothyronine dat het algemeen metabolisme reguleert. Wanneer er te weinig afgescheiden wordt, dan is men lusteloos, is er een lage metabolische activiteit en kan er kropvorming of Goiter optreden. Dit is een (extreme) vergroting van de schildklier

    1. Ziekte van Basedow

    De schildklier secreteert thyroxine dat vooral in de perifere weefsels wordt omgezet tot trijodothyronine dat het algemeen metabolisme reguleert. Wanneer er te veel afgescheiden wordt, krijgt men uitpuilende ogen, wordt men hypernerveus, versnelt de hartslag en de ademhaling en treedt er gewichtsverlies op (ziekte van Basedow).

    1. Cretinisme

    De schildklier secreteert thyroxine dat vooral in de perifere weefsels wordt omgezet tot trijodothyronine dat het algemeen metabolisme reguleert. Wanneer er te weinig afgescheiden wordt, dan is men lusteloos, is er een lage metabolische activiteit en kan er bij kinderen cretinisme (= mentale achterstand) optreden.

    1. Myxoedeem

    De schildklier secreteert thyroxine dat vooral in de perifere weefsels wordt omgezet tot trijodothyronine dat het algemeen metabolisme reguleert. Wanneer er te weinig afgescheiden wordt, dan is men lusteloos, is er een lage metabolische activiteiten kan er bij volwassenen myxoedeem ontstaan. Dit gaat gepaard met een dikke knobbelige huid, droog haar, gestoorde seksuele ontwikkeling en mentale lethargie.

    1. Zwezerik

    Of thymus. Dit endocrien orgaan is meestal alleen in de foetus of in de jeugd goed ontwikkeld en actief. In de thymus rijpen lymfocyte voorlopercellen tot meerdere soorten T-lymfocyten. De thymus is essentieel voor het tot stand komen van immunologische reacties. De zwezerik produceert ook het hormoon thymosine, dat een deel van het immuunsysteem stimuleert.

    1. Thymus

    Of zwezerik. Dit endocrien orgaan is meestal alleen in de foetus of in de jeugd goed ontwikkeld en actief. In de thymus rijpen lymfocyte voorlopercellen tot meerdere soorten T-lymfocyten. De thymus is essentieel voor het tot stand komen van immunologische reacties. De zwezerik produceert ook het hormoon thymosine, dat een deel van het immuunsysteem stimuleert.

    1. Thymosine

    Dit hormoon wordt geporduceerd door de thymus en is van essentieel belang voor de werking van de thymus. Thymosine werkt in op het immuunsysteem en zorgt ervoor dat er T-lymfocyten kunnen aangemaakt worden.

    1. ANF (cf supra)

    ANF of atrio-natrio-uretric factor. (ANP = atriaal natriuretisch peptide). Te hoge bloeddruk veroorzaakt nierbeschadiging waardoor de nieren niet correct kunnen functioneren.Bij te hoge bloeddruk, gedetecteerd in de atriale wand van het hart, stelt het hart ANF vrij. Hierdoor wordt actieve recuperatie van Na naar de bloedbaan tegengewerkt => minder H2O volgt passief => bloeddruk zal dalen.

    1. ACE (cf supra werkzaam in longen)

    2. Gastrointestinale hormonen

    3. Gastrine/secretine/Cholcystokinine- pancreazyme (CCK-pancreazym)/ enterogastrone

    4. Pancreas

    Naast cellen die spijsverteringsenzymen secreteren naar het duodenum, bevat de pancreas ook kleine groepjes endocriene cellen, de eilandjes van Langerhans. Er komen hierbij twee celtypen voor: α-cellen en β-cellen. Beide regelen de suikerspiegel. Beta-cellen produceren insuline dat de bloedsuikerspiegel reduceert, reguleert de opname van glucose door de spiercellen, door de cellen die vet of glycogeen maken en door de bindweefselcellen. Alpha-cellen produceren glucagon dat tegengesteld werkt aan insuline. Glucagon verhoogt de bloedsuikerspiegel.



    1. Diabetes

    Indien door de beta-cellen in de eilandjes van LAngerhans te weinig insuline wordt geproduceerd ontstaat er suikerziekte. In geval van suikerziekte is het bloedsuikergehalte te hoog omdat de suiker ondoelmatig gebruikt wordt. Wordt er darentegen te veel insuline afgegeven kan een shock ontstaan die kan verholpen worden door suiker te eten.

    1. Insuline

    Beta-cellen produceren insuline dat de bloedsuikerspiegel reduceert, reguleert de opname van glucose door de spiercellen, door de cellen die vet of glycogeen maken en door de bindweefselcellen. Een tekort of teveel doet suikerziekte ontstaan.

    1. Glucagon

    Dit hormoon, geproduceerd door de pancreas, bewerkstelligt een verhoogde bloedsuikerspiegel. Het stimuleert onder andere de glycogenolyse (de afbraak van glycogeen in glucose). Ook wordt de proteolyse (van eiwit naar aminozuren) en de lipolyse (van vet naar glycerol + vetzuren) gestimuleerd, waarbij de reservevooraden worden aangesproken. De stoffen die hierbij vrijkomen kunnen daarrna aangewend worden bij de gluconeogenese, waardoor glucose wordt gevormd.

    1. Epo of erythropoëtine

    Dit hormoon wordt geproduceerd door de nieren en stimuleert de aanmaak van nieuwe rode bloedcellen in het beendermerg. Bijgevolg stijgt ook het zuurstoftransporterende vermogen in het bloed. Vandaar dat topsporters epo gebruiken onder de vorm van doping.

    1. Adrenes

    Dit is een ander woord voor de bijnieren. Deze zijn boven de nieren gelegen en bestaan uit een cortex en een medulla. De medulla staat onder controle van het autonoom zenuwstelsel en produceert adrenaline en noradrenaline. De cortex synthetiseert verschillende steroïden en staat onder invloed van ACTH van de hypofyse.

    1. Adrenaline

    Adrenaline wordt geproduceerd in de medulla van de bijnieren. Dit hormoon wordt plots in verhoogde concentratie afgescheiden bij schrik of woede en maakt het snel mobiliseren van energie in het lichaam mogelijk, om te kunnen vluchten of te vechten.

    1. Noradrenaline

    Noradrenaline wordt geproduceerd in de medulla van de bijnieren en zorgt voor de vasoconstrictie van de bloedvaten. Het beïnvloedt ook in kleinere mate dan adrenaline de bloedsuikerspiergel en contracties van gladde spieren.

    1. Mineralocorticoid

    Dit is een steroïde dat geproduceerd wordt in de cortex van de bijnieren. De mineralocorticoïden reguleren het Na- en K-metabolisme. Aldosterone bevordert de Na-reabsorptie en de K-secretie door de nieren waardoor de bloeddruk stijgt.

    1. Glucocorticoid

    Dit is een steroïde dat geproduceerd wordt in de cortex van de bijnieren. Voorbeelden hiervaan zijn cortisone en cortisol en reguleren het metabolisme van polysachariden, vetten en eiwitten en helpen het lichaam om stresssituaties aan te kunnen.

    1. Oestrogenen

    deze hormonen komen enkel voor bij de vrouw. Van juist voor de puberteit tot aan de menopauze scheiden de Graafse follikels oestradiol en andere oestrogene hormonen af. Oestrogene spelen een belangrijke rol bij de ontwikkeling van de vrouwelijke geslachtskenmerken, het reguleren van de menstruele cyclus en bij zwangerschap.

    1. Progesterone

    Dit hormoon wordt gemaakt door het geel lichaam en bereidt samen met het oestradiol de uterus voor op de implantatie van een embryo. Progesterone verhindert ook de contractie van de uterusspieren tijdens de eerste maanden van de zwangerschap.

    1. Relaxine

    Relaxine is een hormoon dat op het einde van de zwangerschap zorgt voor verslapping (relaxatie) van de baarmoedermond en ligamenten van de bekkengordel, zodat de bevalling zonder problemen kan verlopen. Relaxine wordt afgescheiden door de placenta.

    1. Placenta

    De placenta produceert vooral in de tweede helft van de zwangerschap vrij grote hoeveelheden progesteron. Ze maakt verschillende peptidehormonen die ook in de hersenen aangemaakt worden. Net voor de geboorte scheidt ze relaxine af.

    1. Biologische klok

    Vooral de daglengte bepaalt de hoeveelheid melatonine, die door het pineaal orgaan aan het bloed wordt afgegeven en waardoor sommige biologische ritmen (of biologische klokken) tostandkomen. Melatonine beïnvloedt de dag- en seizoensactiviteitsritmen en wordt dor sommige mensen gebruikt om “jet lag”- fenomenen te bekampen. De concentratie van bepaalde hormonen in het bloed vertoont per 24uur grote schommelingen, met piek-en dalwaarden op steeds hetzelfde uur, dat bovendien verschilt van hormoon tot hormoon en van diersoort tot diersoort.

  • 1   2   3   4   5

  • Vitamine (ADEK, B1, B3,C)
  • Coemarolen Wordt veroorzaakt door een tekort aan Vitamine K, belangrijk bij de bloedstolling. Beri-beri
  • Chymosine Rennine
  • Solenocyt Metanephridium
  • Antennale klier
  • Ontogenese Ontogenese is de ontwikkeling die elk individueel mens doormaakt van eicel tot in de volwassenheid en verder. Pronefros
  • Metanefros
  • Vas deferens Zie eerder bij mannelijke voortplantingsorganen. Urether
  • Centrale gasuitwisselaar
  • Tegenstroomdialyse principe
  • Caisson of duikersziekte
  • Antilichaam (IgG, IgA, IgE)
  • Betekenis circulerend IgM
  • Immunologische crossreactie (kruisreactie)
  • Polyclonaal antiserum Monoclonaal antilichaam Myelomacel
  • Primair versus secundair antilichaam Hcg (humaan chorionisch gonadotropine) RIA EIA
  • ACE (cf supra werkzaam in longen) Gastrointestinale hormonen Gastrine/secretine/Cholcystokinine- pancreazyme (CCK-pancreazym)/ enterogastrone

  • Dovnload 315.36 Kb.