Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Terminologie oplijsting bij cursus vergelijkende biologie Miller experiment

Dovnload 315.36 Kb.

Terminologie oplijsting bij cursus vergelijkende biologie Miller experiment



Pagina5/5
Datum16.05.2018
Grootte315.36 Kb.

Dovnload 315.36 Kb.
1   2   3   4   5
Partus

Of de baring. Prostaglandines, ook weefselhormonen genoemd. zijn hormonen die vooral voorkomen in het geslachtsstelsel. Functies zijn o.a. stimulatie of inhibitie van gladde spieren, dilatatie of constrictie van bloedvaten, bestrijding bij ontstekingen en verhoging van de pijnreceptie. In de praktijk wordt één van de prostaglandines gebruikt voor het induceren van de partus of de baring.

  1. Cleidoïsch ei

= kippenei. Zie soorten klieving voor meer uitleg.

  1. Amnionvocht

Dit vocht komt voor in de amnionholte bij een embryo van een cleidoïsch ei. Dit vocht, waar het embryo in baadt, biedt een bescherming tegen schokken.

  1. Vruchtwater

  2. Amniocenthese

  3. Chorion

  4. Allantois

De einddarm van het kippenembryo vormt het allantois als uitstulping. Dit allantois fungeert in oorsprong als primaire urineblaas, maar zal later samen met het chorion het allantochorion vormen dat de gasuitwisseling verzekert.

  1. Allantochorion

  2. Dooierzak

  3. Knoop van Hensen

Bij ontwikkeling van kippenembryo merkbaar. Ligt aan de onderzijde van de neurale groeve en net boven de primaire streep.

  1. Afferent sensorisch neuron

Dit is een onderdeel van de reflexboog. Het sensorisch neuron vangt de prikkels op die uit de buitenwereld komen en in zintuigcellen waargenomen worden en voert deze, na omzetting in elektrische energie, als impulsen naar het centrale zenuwstelsel. Het cellichaam ligt in een spinaal ganglion.

  1. Efferent motorisch neuron

Dit is een onderdeel van de reflexboog. Na passage en verwerking van de impuls in het interneuron, wordt de impuls die eerder werd opgevangen door het afferent neuron via het efferent neuron doorgegeven aan de effectororganen. Ze hebben een lang axon dat vertrekt vanaf het cellichaam in de hersenen naar het effectororgaan.

  1. Gliacel

In het centrale zenuwstelsel worden de neuronen ondersteund door gliacellen. De cellen hebben korte uitlopers en zorgen onderandere voor voeding, bescherming en isolatie van de neuronen. Het geheel van gliacellen noemt men de neuroglia.

  1. Interneuron

= schakelneuron of associatie-neuron. Interneuronen hebben meestal maar een kort axon, liggen volledig in het CZS en ijn nooit omgeven door ene myelineschede. Ze verwerken de impulsen die werden aangebracht door de afferente of sensorische neuronen en delen ze dan mee aan efferente of motorische neuronen.

  1. Drempelpotentiaal

De drempelpotentiaal ligt aan de basis van het ontstaan van een zenuwimpuls (actiepotenitaal). Bij het opvangen van een prikkel gaat er meer Na inwaarts diffunderen waardoor de membraan depolariseert. Als de depolarisatie van die aard is dat de drempelpotentiaal van de membraan bereikt wordt, ontstaat een actiepotenitaal.

  1. Depolarisatie

Door de opvang van een prikkel door een naakt zenuwuiteinde gaat de doorlaatbaarheid van de membraan voor ionen lichtjes wijzigen. Het Na-kanaal wordt lichtjes geopend zodat positieve Na-ionen naar binnen kunnen diffunderen. Hierdoor wordt de membraan aan de binnenzijde minder negatief. De potentiaal neemt dus af, of anders gezegd, de membraan depolariseert.

  1. Alles of niets wet

De actiepotentiaal is een alles-of-niets-gebeuren. Enkel wanneer de drempelpotentiaal wordt overschreden zal er een actiepotentiaal ontstaan die telkens hetzelfde verloop kent en steeds even lang duurt.


  1. Refractaire periode

Tussen twee impulsen in is ern een zeer korte refractaire periode waarin de verschoven ionen terug hun oorspronkelijke positie innemen. Tijdens deze periode kan geen impuls doorgegeven worden. Tijdens deze periode worden ook de neurotransmitters, die in de synaptische spleet afgescheiden werden, enzymatisch afgebroken. Dit verklaart ook waarom de impuls zich noodzakelijkerwijs slechts kan verplaatsen in 1 richting.

  1. Repolarisatie

Na overschrijden van de drempelpotentiaal klapt het Na-kanaal even helemaal open waarna het volledig sluit. Op hetzelfde moment van het dichtklappen van de Na-kanalen openen zich even kortstondig K-kanalen waardoor een massale uitstroom van K+ ontstaat en de membraan opnieuw gepolariseerd wordt. (= repolarisatie)

  1. Hyperpolarisatie

Om de membraanpotentiaal opnieuw te bereiken worden tijdens de repolarisatie tijdelijk K-kanalen geopend die zorgen voor een massale efflux van K+ ionen. Dikwijls blijkt er zelfs een teveel aan K+ naar buiten te treden, zodat de membraan tijdelijk gehyperpolariseerd is.

  1. Acethylcholine-esterase

Een voorbeeld van een neurotransmitter in een exciterende synaps is acetylcholine, dat een rol speelt bij de contractie van skeletspieren. Nadat de impuls is doorgegeven, wordt de acetylcholine in de synaptische spleet direct afgebroken door het acetylcholine-esterase.

  1. Motorische eindplaat (neuromusculaire junctie)

Dit is de functionele contactplaats tussen een motorisch neuron en een (skelet)spiercel. De neurotransmitter acetylcholine veroorzaakt een verandering van permeabiliteit van het sarcolemma. De prikkel zet zich voort als een membraandepolarisatie over het sarcolemma en in de T-tubuli naar het SR. Het SR zorgt daarop voor de release van Ca++ zodat spiercontractie tot stand komt.

  1. Telencephalon

Of de voorhersenen. Zij zijn zeer groot bij de mens. Het telencephalon bevat:

  • De reuklobben: voorste gedeelte waar de reukzenuw eindigt.

  • Het limbisch systeem: centrum van emoties

  • De hippocampus: centrum van geheugen van lange duur

  • De cerebrale cortex: bevat sensorische en motorische gebieden.

De grote hersenen zijn de plaats van alle bewuste gewaarwordingen.

  1. Diëncephalon

Of tussenhersenen. Alle gevoelsbanen worden hier gereguleerd via de thalamus en hypothalamus naar de grote hersenen. Bij zoogdieren zijn niet te middenhersenen maar de tussenhersenen het belangrijkste schakelpunt. Aan de onderzijde bevindt zich de hypofyse, aan de bovenzijde de epifyse.

  1. Mesencephalon

Of middenhersenen. Deze zijn beter ontwikkeld bij lagere vertebraten dan bij de mens. Het mecencephalon is praktisch met alle hersengebieden verbonden. Van hieruit worden de oogspieren en de pupilreflex bestuurd, evenals het waak- en slaapritme.

  1. Metencephalon

Of achterhersenen.

  • Evenwichtscentrum

  • Coördinatie van bewegingen

  • Zetel voor reflexen, regulatie van spiertonus.

  1. Myelencephalon

Of de nahersenen. Zetel van de belangrijke reflexcentra, zoals ademhalings-, bloedsomloop-, hoest-, nies-, zweer-, traan-, braak- en speekselreflexcentra. Schakel en doorgangsplaats voor alle zenuwbanen van hersenen naar ruggenmerg en omgekeerd.

  1. Cerebrum/ cerebellum

  • Cerebrum of grote hersenen:

De grote hersenen zijn de plaats van de bewuste gewaarwordingen. Van hieruit vertrekken de impulsen voor de willekeurige handelingen en bij de mens zijn zij de plaats voor alle hoger psychische gebeurteniseen.

  • Cerebellum of kleine hersenen:

De kleine hersenen zijn vooral goed ontwikkeld bij de mens en dieren die volgens drie dimensies leven. Ze coördineneren de bewegingen van de skeletspieren. Na beschadiging zijn de bewegingen verstoord, zoals bij dronkenschap.

  1. Craniale zenuw

De hersenen communiceren met het lichaam door twee hoofdroutes. Één ervan is de verbinding die bestaat tussen de organen en de weefsels van het hoofd en de nek door middel van 12 paar caniale zenuwen.

  1. Spinale zenuw

De hersenen communiceren met het lichaam door twee hoofdroutes. Één ervan is het ruggenmerg dat zich uitstrekt van de achterhersenen tot de laatste ruggenwervel. Zijn 31 paar spinale zenuwen vormen de aan- en afvoerwegen naar de hersenen en een deel van het lichaam onder de nek.

  1. Autonoom ganglion

het autonoom of vegetatief zenuwstelsel staat, in tegenstelling tot het somatisch zenuwstelsel, niet onder invloed van de wil. Het detecteert een aantal voorwaarden in het intern milieu en dot er de geoaste veranderingen in optreden. Er worden hier twee groepen van motorneuronen gebruikt om de effectororganen te stimuleren: preganglionneuronen en postganglionneuronen.

  1. Symaptisch zenuwstelsel

Is een deel van het autonome zenuwstelsel dat zelf onder invloed staat van de vegetatieve hersencentra. Ontspringt in de cervicale + thoracale + lumbale streek. In geval van nood bereidt het het lichaam op een zeer snelle manier voor op hevige fysische activiteit, zoals vechten en vluchten.

  1. Parasympatisch zenuwstelsel

Is een deel van het autonome zenuwstelsel dat zelf onder invloed staat van de vegetatieve hersencentra. Het vervult een functie antagonistisch aan deze van het sympathisch zenuwstelsel. Na de hevige fysische activiteti herstelt het parasympathisch zenuwstelsel de “normale rusttoestand”. Het ontspringt in dde craniale en sacrale streek van de wervelkolom.

  1. Endocriene verstoorder

Een endocriene verstoorder kan gedefinieerd worden als een exogene stof of mengsel dat het hormonaal stelse wijzigt en negatieve gezondheidseffecten in een organisme of zijn nageslacht veroorzaakt. Deze endocriene verstoorders kunnen zijn: synthetische stoffen (PCB’s, zware metalen), in de natuur voorkomende hormonen (plantensteroïden), natuurlijke hormonen (estradiol, progesteron bij massaal gebruik van de anticonceptiepil).

  1. Biomonitoring

Bij endocriene verstoorders is het belangrijk te zoeken naar mechanismen om deze pollutie en zijn omvang in kaart te brengen en vooral te zoeken naar de meest adequate manier van monitoring. Een betere en meer betrouwbare oplossing hiervoor is biomonitoring: testorganismen worden gedurende langere tijd gevolgd gezien de soms vastgestelde langetermijneffecten.

  1. Genoom sequencing project

Toxicogenomics???

  1. Genannotatie



  1. Cyclosporine

Cyclosporine is een geneesmiddel dat gebruikt wordt om afstotingsverschijnselen te onderdrukken na een organtransplantatie. Ook wordt het middel soms toegepast bij ernstige vormen van psoriasis. Psoriasis is een chronische huidaandoening, met versnelde groei van de epidermis tot gevolg. Dit uit zich in de vorm van lokaal heftige afschilfering van knobbelige huidschubben.

  1. Modelorganisme

Modelorganismen worden gebruikt bij het onderzoek naar functionele identificatie van genproducten. Bij lagere organismen blijkt dat er overeenkomsten zijn qua genen, eiwitten en metabolische pathways met de mens. Zodus kunnen zij als modelsysteem gebruikt worden en dat hierbij experimenten zoals transgenese en genknock-out mogelijk worden en de mens dus niet zelf als proefkonijn dient (of mag) gebruikt worden.

  1. C.elegans

  2. Moxenic

  3. Axenic

Vrij van vreemde stoffen.

  1. Evolutie

Biologische evolutie syaat voor de aangenomen progressieve ontwikkeling van dieren en planten uit voorouders met verschillende en in de regel minder complexe morfologie en fysiologie.

  1. Fossiel/ levend fossiel/C14 datering

  • Fossiel:

Studie van fossielen leert ons dat de oudste aardlagen minder complexe vormen bevatten, de jongste lagen de meest complexe.

  • Levend fossiel:

Vb = coelacanthvis. Geeft ons een inzicht in de manier waarop het pentadactiel liedmaat van landdieren of tetrapoda zou kunnen ontstaan zijn.

  • C14 datering:

Dit is een methode waarmee de ouderdom van organisch materiaal en ecofacten wordt bepaald met behulp van koolstof-14 isotopen.

  1. Paleontologie

Helpt tot het leveren van gegevens en indicaties ter staving van het evolutiepostulaat. Uit het verleden zijn toenmalig levende organismen of indicaties voor hun aanwezigheid als fossiel bewaard gebleven in de chronologisch opeenvolgende aardlagen. Studie van deze fossielen leert dat de oudste lagen minder complexe vormen bevatte, de jongste lagen de meest complexe. Belangrijk zijn ook de vondsten van tssenvormen of overgangsvormen tussen groepen, die nu duidelijk van elkaar zijn afgescheiden. (bv neopilina galathea legt een connectie tussen Annelida en Mollusca)

  1. Biologische recapitulatie

?????

  1. Genetische variabiliteit

Seksuele voortplanting is essentieel in het realiseren van genetische variabiliteit. Tijdens de seksuele voortplanting wordt het genetisch materiaal opnieuw gerangschikt door:

  • Alleen het toeval bepaalt welke dochtercel welke vaderlijke of moederlijke chromosomen krijgt

  • Crossing-over waarbij overeenkomstige chromosoomfragmenten uitgewisseld worden tussen homologe chromosomen.

  • Samenkomen van gameten van genetisch verschillende individuen.

Bijkomend wordt deze genetische variatie zoals gerealiseerd door de seksuele voortplanting, nog continu gevoed door nieuwe mutaties.

  1. Natuurlijke selectie

Resultaat van natuurlijke selectie is een stijging van de adaptatiegraad of aangepastheid van de overlevende individuen aan de heersende milieuomstandigheden. Bovendien gebeurt de selectie op nieveau van het fenotype en nooit rechtstreeks op niveau van het genotype, en dat alleen overerfbare, genotypisch gedefinieerde fenotypen kunnen geselecteerd worden doorheen de generatiebarrière. Natuurlijke selectie kan volgens uiteenlopende mechanismen de allelenfrequentie binnen een populatie beïnvloeden: stabiliserende selectie, directionele selectie en discontinue of disruptieve selectie.

  1. Voortplantingsisolatie

Wanneer na hereniging van de subpopulaties met het oorspronkelijke ras geen vruchtbaar nakomelingsschap kan voortgebracht worden (= voortplantingsisolatie), dan is speciatie of soortvorming een feit.

  1. Speciatie

Of soortvorming. Hierbij spelen meerdere factoren een rol:

  • Verminderde selectiedruk

  • Verhoogde variabiliteit binnen de species, ontstaan door willekeurige seksuele voortplanting

  • Isolatie van de subpopulaties zodat niet langer vermenging van genen kan optreden. Alzo zullen subspecies of geografische rassen ontstaan

  • Competitie tussen de ontstane subspecies wat zal leiden tot verdere divergentie of het uit elkaar evolueren van hun kenmerken

  • Wanneer hereniging van de subpopulaties met het oorspronkelijke ras geen vruchtbaar nakomelingsschap kan voortgebracht worden (= voortplantingsisolatie), dan is speciatie een feit.

  1. Wet van Hardy en Weinberg

In een voldoende grote populatie waarvan de verschillende leden zich voortplanten met een toevallige partner, blijven de genen generatie na generatie in dezelfde relatieve verhouding aanwezig. Deze wet zegt dus dat een gen dat slechts bij eeen klein percentage van de individuen binnen een populatie voorkomt, niet noodzakelijk moet verdwijnen. Binnen deze wet blijft de genetische variabiliteit dus constant en kan dus geen soortvorming of evolutie in bredere zin optreden.

  1. Sewall-Wright effect

Ook genetische drift genoemd. Genetische drift leidt tot het vernietigen of bewaren van genen zonder, in tegenstelling tot natuurlijke selectie, onderscheid te maken of zij gunstig, neutraal of ongunstig zijn.

  1. Genetische drift

Of het Sewall-Wright effect. Genetische drift leidt tot het vernietigen of bewaren van genen zonder, in tegenstelling tot natuurlijke selectie, onderscheid te maken of zij gunstig, neutraal of ongunstig zijn.

  1. Flessenhalseffect

Het aantal individuen binnen een populatie, een aantal dat in regel vrij constant blijft, plots gewijzigd worden. Het flessenhalseffect treedt op wanneer door een besmettelijke ziekte (plaag) het aantal individuen sterk gereduceerd wordt. Wanneer na herstel van het populatieaantal de genenfrequentie onderzocht wordt, kan deze sterk afwijken van deze aangetroffen in de oorspronkelijke populatie. De herstelde populatie is immers totstandgekomen uitgaande van een beperkt aantal individuen. Dit effect is alleen van toepassing op een voldoende grote populatie.

  1. Species definitie



  1. 3 Rs in proefdiergebruik
1   2   3   4   5

  • Cleidoïsch ei = kippenei. Zie soorten klieving voor meer uitleg. Amnionvocht
  • Vruchtwater Amniocenthese Chorion Allantois
  • Allantochorion Dooierzak Knoop van Hensen
  • Efferent motorisch neuron
  • Motorische eindplaat (neuromusculaire junctie)
  • Parasympatisch zenuwstelsel
  • Genoom sequencing project Toxicogenomics Genannotatie Cyclosporine
  • C.elegans Moxenic Axenic Vrij van vreemde stoffen. Evolutie
  • Fossiel/ levend fossiel/C14 datering
  • Biologische recapitulatie Genetische variabiliteit
  • Wet van Hardy en Weinberg
  • Species definitie 3 Rs in proefdiergebruik

  • Dovnload 315.36 Kb.