Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Theorie Wereldoriëntatie

Dovnload 22.88 Kb.

Theorie Wereldoriëntatie



Datum03.05.2017
Grootte22.88 Kb.

Dovnload 22.88 Kb.

Theorie

Wereldoriëntatie

Wereldoriëntatie is een verzamelnaam voor onderwijs gericht op de kennis van de wereld (Cito, 2013). Dit kan op veel verschillende manieren worden aangeboden. Gesplitst in afzonderlijke kennisgebieden, zoals geschiedenis, aardrijkskunde, natuur onderwijs en techniek. Maar ze kunnen ook geïntegreerd worden in thema’s, zoals duurzame ontwikkeling, burgerschapsvorming of omgaan met water. Wereldoriëntatie is dan geen begrijpend lezen les meer. Om meer te weten te komen van de wereld, is het niet genoeg om alleen maar vragen te kunnen beantwoorden. De echte opbrengst van wereldoriëntatie is een nieuwsgierige houding. Leerlingen willen graag antwoorden op hun eigen vragen. Het nodigt uit tot ontdekkend leren. Daar horen feiten bij, dit zijn geen losse feiten maar aan elkaar gekoppelde feiten. Het is niet nodig dat alle leerlingen dezelfde aspecten onderzoeken en bestuderen. Er is genoeg keuze, ook vanuit de kerndoelen. Natuurlijk blijft een geelde basis van functionele begrippen en vaardigheden nodig om verder te komen (Janson, 2010).
Didactiek aardrijkskunde:

Met de geografische vierslag wordt er vanuit een bijzondere invalshoek gekeken naar de wereld (Blankman, 2008). Hierbij is er ook voor de inrichting van de ruimte, de spreiding van verschijnselen en de samenhang daartussen. Door het stellen van de juiste vragen, ontstaat er grip op de verschijnselen. De geografische vierslag bestaat uit vier handelingen die vrijwel op elk geografisch onderwerp kunt toepassen. Deze vier handelingen zijn:



  1. Waarnemen

  2. Herkennen

  3. Verklaren

  4. Waarderen


Didactiek natuuronderwijs:

Bij onderzoekend leren onderzoeken kinderen organismen, objecten en verschijnselen in hun omgeving onder begeleiding van hun leerkracht(Kemmers, 2007). Bij ontwerpend leren ontwerpen leerlingen een product. In allerlei praktijksituaties is gebleken dat de beide benaderingen elkaar goed aanvullen, en ook dat kinderen er op hun eigen niveau mee aan de slag kunnen. Hiervoor is er een zeven stappenplan. Deze stappen zijn:

  1. Confrontatie

  2. Verkennen

  3. Opzetten experiment

  4. Uitvoeren experiment

  5. Concluderen

  6. Presenteren

  7. Verdiepen


Didactiek geschiedenis:

Bij geschiedenis draait het om historisch besef (Vonk, 2012). Met andere woorden het draait om de samenhang tussen het verleden en het heden. Daarbij is het belangrijk dat leerkrachten gebruik maken van goede werkvormen. Bijvoorbeeld de vijfslag, voorkennis activeren, waarnemen, herkennen, verklaren en waarderen. Ook kan er gekozen worden voor tijdsbesef. De leerlingen starten met een oud voorwerp en eindigen bij het nieuwste voorwerp. Dit is een soort tijdsbalk. De leerlingen krijgen dan een tijdsbesef over het verleden.
Wereld oriënterend onderwijs is erop gericht dat kinderen enkele basiscompetenties ontwikkelen die hun in staat stellen met vertrouwen zichzelf en hun omgeving steeds verder te onderzoeken (Janson, 2010). Ook wordt de interesse van leerlingen ontwikkeld voor het leven van mensen, nu en in het verleden, hier en ergens anders in de wereld. Daarnaast is het belangrijk dat leerlingen respect krijgen tegenover de natuur, mens en maatschappij.
Binnen het basisonderwijs heeft wereldoriëntatie een eigen identiteit. De leerlingen verwerven kennis en inzicht in zichzelf, in hun omgeving en in hun relatie tot die omgeving. Zij verwerven vaardigheden in interactie te treden met die omgeving en worden gestimuleerd tot een positieve houding ten aanzien van zichzelf en hun omgeving. Leerlingen hebben vragen, interesses en voorkeuren die verklaart kunnen worden door specifieke behoeften op een bepaalde leeftijd. Denk hierbij aan de behoefte van structurering van de tijd, de behoefte van onderzoeken en de behoefte aan beweging en activiteit (Janson, 2010).
Wereldoriëntatie bestaan uit zes domeinen. Namelijk, natuur, techniek, mens, maatschappij, tijd en ruimte. In deze domeinen worden de ontwikkelingsdoelen en eindtermen voor het leergebied wereldoriëntatie onderverdeeld.
Bij tijd en ruimte kan er gedacht worden aan werkelijkheidsgebieden waarbinnen leerlingen kennis, inzicht en vaardigheden ontwikkelen. Maar hierbij kunnen de andere domeinen ook betrokken worden. Zo kunnen natuur, techniek, mens en maatschappij een ander inzicht in het onderwerp geven. Alle verschijnsels kunnen vanuit verschillende invalshoeken bekeken worden. Op die manier kan men ook duidelijk maken dat er een onderlinge samenhang is tussen de verschillende benaderingen van een verschijnsel. Er wordt er hier gesproken over multiperspectiviteit. Wanneer er binnen een thema wordt gewerkt kunnen de domeinen apart gegeven worden. Door de samenhang van de lessen binnen een thema, leren de leerlingen op verschillende manieren te kijken na één onderwerp (Janson, 2010).
Over wereldoriëntatie bestaan er discussies. Het aanbod van kennis bij wereldoriëntatie lijkt onuitputtelijk. Deskundigen weten niet waar leerlingen mee moeten beginnen en eindigen. Daarnaast vragen de deskundigen zich af hoe de topografie aanbod komt. Er bestaat namelijk een lijst van 300 topografische namen, deze lijst moeten de leerlingen kennen wanneer ze de basisschool verlaten. Ook voor natuuronderwijs bestaat er een zodanige lijst die de leerlingen in groep 8 moeten kennen. Deze lijst gaat over 170 organismen, die gekoppeld zijn aan verschillende landschappen en thema’s (Cito, 2013).

Astronomie

Astronomie is hetzelfde als sterrenkunde en is de wetenschap die zich bezighoudt met de observatie en studie van alles buiten de atmosfeer van de aarde. Astronomie bestudeert de sterren en de sterrenstelsels, planeten en het zonnestelsel.

Een onderdeel van astronomie is astrofysica, dat hoort bij natuurkunde. Daarin wordt geprobeerd te verklaren met natuurkundige wetten welke processen zich afspelen in de kosmos.

Daarnaast is de astronomie ook zeer aantrekkelijk voor hobbyisten of amateur-astronomen. Er valt ontzettend veel te ontdekken en te observeren en er vinden regelmatig bijzondere astronomische gebeurtenissen plaats (Schilling, 2012).


Tienduizenden jaren geleden hebben onze voorouders zich al verwonderd over de schitterende nachtelijke hemel, hoe de maan van vorm veranderd, de regelmaat van dag en nacht en zomer en winter. Het wordt ook niet zomaar de Kosmos genoemd; dat het Griekse woord voor ‘orde’ betekend.

In vrijwel alle vroegere culturen werden goden aan de hemellichamen gekoppeld, zoals Venus de godin van de liefde en zonnegod Ra die zelfs één van de belangrijkste goden was.

Een paar duizend jaar geleden begon men in het huidige Irak de bewegingen van de zon, maan en de planeten systematisch bij te houden. Priester-astrologen ontdekten de regelmaat in de bewegingen van planeten en waren naar verloop van tijd zelfs in staat om zons- en maansverduisteringen te voorspellen. Men vermoed dat astronomie de eerste echt wetenschap was.

Hedendaagse sterrenkundigen geloven niet meer in astrologie, maar de Babylonische astrologen hebben wel de basis gelegd voor het latere sterrenkunde (Schilling, 2012).

Vijfentwintig eeuwen geleden zijn de eerste denkbeelden van Claudius Ptolemaeus in een dik boek vast gelegd. Hij ging er vanuit dat de aarde het middelpunt van het heelal was waar de zon, maan en planeten in banen omheen draaiden. Dit werd door alle belangrijke sterrenkundigen van die tijd klakkeloos overgenomen. Pas in de zestiende eeuw kwam de Poolse sterrenkundige Nicolaus Copernicus met een boek waarin hij een alternatief wereldbeeld schetste. Hierin stelde hij dat de zon het middelpunt was en dat de aarde ook een van de planeten is die om de zon heen draait.

Sinds het begin van de twintigste eeuw is bekend dat het heelal veel uitgestrekter is en dat het nog steeds uitdijt. Met de huidige sterrenkundigen lijkt de wereld van de Kosmos met elke nieuwe ontdekking nog wonderlijker te worden (Schilling, 2012).


Nederland heeft een sterke internationale positie wat betreft astronomie. Daarin spelen drie Nederlandse organisaties een belangrijke rol: NOVA (Nederlandse onderzoekschool voor Astronomie), ASTRON ( Stichting Astronomisch Onderzoek Nederland) en SRON( Netherlands Institute for Space Research). De SRON en ASTRON vallen onder de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Al die organisaties werken ook samen met de Europese Ruimtevaart Organisatie (ESA) (Bouwens, 2004).
Leerlingen zijn vaak uit zich zelf al erg nieuwsgierig naar de sterrenhemel en het is dan voor de hand liggend om daarop in te spelen. Toch werd er lange tijd weinig aandacht besteed aan astronomie in ons onderwijs. Eind jaren negentig kwam daar verandering in, op de HAVO en het VWO werd het vak ANW (algemene natuurwetenschappen) geïntroduceerd. Zij zijn bij dat vak zelf ontdekkend bezig. Astronomie speelde een grote rol in dit vak. Momenteel is ANW alweer op zijn retour maar daar voor in de plaats zijn nieuwe initiatieven gekomen om sterrenkunde en ruimtevaart toch in het onderwijs aan bod te laten komen. Bijvoorbeeld: Universe Awareness, Sterrenkundeolympiade, Astronomie.nl en NOVA mobiele planetarium .

Astronomie goed past bij wereldoriëntatie in het basisschool onderwijs. Astronomie in het basisonderwijs sluit aan bij verschillende kerndoelen volgens het SLO, namelijk


• Kerndoel 46: De leerlingen leren dat de positie van de aarde ten opzichte van de zon, seizoenen en dag en nacht veroorzaakt.
• Kerndoel 42: De leerlingen leren onderzoek doen aan materialen en natuurkundige verschijnselen, zoals licht, geluid, elektriciteit, kracht, magnetisme en temperatuur.
Ook komt astronomie bij andere kerndoelen aanbod, namelijk
• Rekenen met grote getallen (ondersteunt kerndoelen 23, 26, 28, 31 en 33),
• Weer op andere planeten (ondersteunt kerndoel 43),
• Vulkanisme op planeten/manen (ondersteunt kerndoel 49),
• Plaatsing van de aarde in de topologie van het heelal (ondersteunt kerndoel 50)
• Geschiedenis van sterrenkunde en de ruimtevaart (ondersteunt kerndoelen 51-53)
• De leerlingen leren oplossingen voor technische problemen te ontwerpen, deze uit te voeren en te evalueren (ondersteunt kerndoel 45) (SLO, 2010).
Men denkt dat sterrenkunde vooral geschikt is voor hoogbegaafde leerlingen, dit is echter niet het geval. Vrijwel alle kinderen hebben van nature een grote belangstelling voor het heelal. Het is dus een onderwerp voor een brede doelgroep. Zwakkere kinderen kunnen hierdoor geprikkeld worden om er mee te rekenen of om er over te lezen. Het is natuurlijk wel een onderwerp dat kan leiden tot grote uitvaardigingen en daarmee ook zeker geschikt is voor hoogbegaafden (Heeshakkers, 2013)

Intelligentie'>Meervoudige Intelligentie

Iedereen heeft zijn eigen definitie over intelligentie. Er worden vaak termen gebruikt als ´dom´ en ´slim´. In de Van Dale staat het als volgt:

Intelligentie is het “verstandelijk vermogen: kunstmatige het met behulp van een computer nabootsen van het menselijk denken”. (Van Dale, 1996).
De psycholoog Howard Gardner stapt met zijn theorie van Meervoudige Intelligentie af van het gebruikelijke denken over intelligentie. Elk mens is op een andere manier getalenteerd of intelligent. Gardner definieert intelligentie als volgt: “Intelligentie is het vermogen om problemen op te lossen en ook het vermogen om nieuwe problemen te bedenken” (Leraar24, 2009).
Gardner wil hiermee aantonen dat intelligentie niet één vermogen is dat we gebruiken voor ons denken en handelen, maar dat mensen een beroep doen op de verschillende eigenschappen om probleemoplossend te denken en te handelen.
In de optiek van Gardner komen wij allemaal met acht intelligenties ter wereld. De intelligenties zijn niet gelijk verdeeld over de mensen. Er is dus sprake van verschil in aanleg

De 8 intelligenties volgens Gardner (1993)




Intelligentie

Voorkeur, gevoeligheid voor en vaardigheden met een bepaald soort stimuli

Verbaal linguïstisch

Deze intelligentie spitst zich toe op denk in, met over worden. Leerlingen die hier stek in zijn houden van lezen, schrijven, spreken en luisteren.

Logisch mathematisch

Deze intelligentie gaat over logisch, abstract denken en reken-wiskunde leerlingen lossen graag vraagstukken op, berekenen uitkomsten en vinden het leuk om relaties te bepalen zoals oorzaak en gevolg en als – dan.

Visueel ruimtelijk

Hierbij gaat het om bijvoorbeeld tekenen, schilderen, beeldhouwen en ontwerpen. Ook hebben leerlingen vaak een goed richtingsgevoel.

Muzikaal ritmisch

Melodieën en ritmes spelen hierbij een hoofdrol. Leerlingen die hier sterk in zijn vinden het fijn om naar muziek te luisteren of zelf muziek te maken. Ze hebben gevoel voor ritmische aspecten van rekenen-wiskunde. Zoals de tafel van drie opzeggen in een ritme.

Lichamelijk kinestetisch

Gebaren en bewegen staan hier centraal. Leerlingen die hier stek in zijn houden van lichamelijke activiteiten, handvaardigheid, toneelspelen en ontwikkelen van fysieke vaardigheden.

Naturalistisch

Deze intelligentie is aan de orde als leerlingen natuurlijke verschijnselen observeren, analyseren en vergelijken zoals planten, dieren, wolken en stenen.

Interpersoonlijk

Sleutelbegrippen hierbij zijn communiceren, betrokkenheid, contact hebben, samen dingen uitwisselen en ervaren. Interpersoonlijke leerlingen genieten van werken en leren met anderen.

Intrapersoonlijk

Denken over gevoelens, stemmingen, herinneringen vormt hier de kern. Mensen die deze intelligentie bezitten houden van afzondering.

Tijdens het reguliere onderwijs wordt er veel gebruik gemaakt van de verbaal-linguïstische en logisch-mathematische intelligenties. Maar de menselijke vermogens reiken verder dan lezen, schrijven en rekenen. Meervoudige intelligentie betekent voor het onderwijs het stimuleren van een brede ontwikkeling. Scholen die op deze manier werken richten zich op het identificeren van de natuurlijke talenten van een kind. Door de verschillende intelligenties van kinderen werkt de leerkracht vanuit het individu van een kind (Leraar, 24).


Het opkomende idee dat iedere leerlingen intelligent is op zijn eigen manier en informatie op verschillende wijze verwerkt, vraagt van de leerkracht dat de lessen daarop aangepast worden.

Er wordt steeds vaker gewerkt met verschillende werkvormen en de traditionele vorm van lesgeven verdwijnt langzamerhand naar de achtergrond (Es, Leker, Raaij en Stam, 2010). Variatie in werkvormen is een goed hulpmiddel om zoveel mogelijk intelligenties aan te spreken. De MI-theorie is dan ook geen educatief doel maar een hulpmiddel. De leerkrachten zullen er zelf invulling aan moeten geven (Es, Leker, Raaij en Stam, 2010).


De belangrijkste effecten van MI zijn dat alle leerlingen zich aangesproken en uitgedaagd voelen. Door gebruik te maken van de voorkeursintelligentie(s) leren ze makkelijker en meer. Tijdens het lesgeven is het daarom ook van belang om af te wisselen tussen de verschillende intelligenties. Zodat iedere leerling op zijn eigen manier kan werken, maar de andere intelligenties ook verder blijft ontwikkelen (Bijkerk, Heide, & Stafleu, 2006).



  • Meervoudige Intelligentie
  • Intelligentie Voorkeur, gevoeligheid voor en vaardigheden met een bepaald soort stimuli

  • Dovnload 22.88 Kb.