Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Thues Kristof

Dovnload 124.01 Kb.

Thues Kristof



Pagina1/6
Datum12.05.2017
Grootte124.01 Kb.

Dovnload 124.01 Kb.
  1   2   3   4   5   6


Werken op maat.
Een project met de steun van de Koning Boudewijn Stichting en het Johnson & Johnson Bedrijfsfonds.

Thues Kristof


Marc Godemont


Inleiding

Arbeid verbindt het individu met het collectieve in de samenleving.

(Marie Jahoda over de latente functies van arbeid)

De psychiatrische gezinsverpleging van Geel is de vrucht van een eeuwenlange traditie. Ze heeft haar wortels in de middeleeuwse pelgrimstochten naar het bedevaartsoord van Sint-Dimpna. De Geelse gezinsverpleging is meer dan 600 jaar oud, maar actueler dan ooit. In de moderne geestelijke gezondheidszorg wordt immers steeds vaker gestreefd naar verpleging in de open samenleving, als menselijk alternatief voor een langdurig ziekenhuisverblijf. Bovendien werden moderne medische en wetenschappelijke inzichten op deze traditie geënt.

De gezinsverpleging richt zich op langdurige zorgafhankelijke patiënten met een relatief gestabiliseerde symptomalogie. De meeste patiënten worden vanuit psychiatrische ziekenhuizen vanuit heel Vlaanderen doorverwezen. Sommigen komen uit Wallonië en zelfs uit het buitenland.

Vandaag de dag verblijven nog zowat 500 patiënten bij Geelse gezinnen. In hun nieuwe thuis heeft elke patiënt een eigen kamer. Typisch aan de gezinsverpleging is dat ze streeft naar een vorm van integratie waarbij de omgeving zich aanpast aan het ziektebeeld of de handicap van de patiënt en niet omgekeerd. Het accent ligt op wat de patiënt nog kan: hij of zij wordt aanvaard met zijn of haar gebreken.

Voor sommige patiënten is dit de eerste stap naar een zelfstandiger bestaan, anderen zullen de rest van hun leven in deze nieuwe familie en stad blijven wonen. De gemiddelde verblijfsduur is meer dan twintig jaar. De patiënten zijn niet alleen een vertrouwd beeld in de stad, ze worden door de plaatselijke bevolking ook hartelijk in het alledaagse leven opgenomen. Nergens is de verdraagzaamheid voor ‘afwijkend’ gedrag zo groot als in Geel. Door haar grootschaligheid en door de eeuwen lange traditie is de psychiatrische gezinsverpleging uniek in de wereld.

De motieven om een patiënt in huis te nemen verschillen. De overlevering van generatie op generatie is een belangrijk motief. De helft van de kandidaten wil een patiënt uit het ouderlijk huis overnemen. Vroeger werden patiënten vaak ingeschakeld op de Geelse boerderijen, waar extra mankracht altijd welkom was. Die tijden zijn voorbij. Een typische groep zijn weduwen die graag wat gezelschap willen of vijftigplussers die thuis plaats vrij krijgen omdat de kinderen het huis uit gaan. Ook jongere gezinnen willen tot op vandaag patiënten opvangen.

Pleegezinnen ontvangen in ruil voor hun inzet een financiële vergoeding die gemiddeld een €16 per dag is. De opvang van een patiënt in de gezinsverpleging kost de gemeenschap ongeveer €35 per dag, wat beduidend goedkoper is dan een klassiek psychiatrisch ziekenhuis.

In de psychiatrische gezinsverpleging is de geborgen omgeving van het gezin cruciaal. Daar en in de gemeenschap van Geel kan de patiënt zich thuis voelen en wordt hij of zij aanvaard met zijn of haar ‘tekortkomingen’. Centraal staat de nestwarmte van het gezin. In een ziekenhuis ligt het accent, nogmaals, op de patiënt niet kan, in het gezinsleven op wat hij of zij wel kan.

Dit laatste is dan ook de opzet van het project. Ook hier ligt het accent van de soorten “werkjes” op wat de patiënt kan, waar zijn interesses liggen. Dit uitgangspunt maakt het dan ook voor de patiënt gemakkelijker om eventueel zijn capaciteiten uit te breiden, om dingen bij te leren. Maar het moet vooral een verrijking zijn voor de eigenwaarde, het zelfbeeld van de patiënt.

In dit rapport wordt begonnen met een theoretische en juridische benadering van arbeidszorg en begeleid werken in het algemeen en van de organisatie hiervan zoals deze al binnen het Openbaar Psychiatrisch Ziekenhuis Geel voorhanden was. Daarna wordt er dieper ingegaan op de praktische uitwerking van het project rond bezigheidsintegratie van patiënten uit de Geelse gezinsverpleging waarbij er ook een beeld geschetst wordt van de ondervonden obstakels. Tenslotte worden de resultaten van de uitwerking van de studie rond de mogelijkheden tot het geven van vergoedingen besproken.


Hoofdstuk 1: Een theoretische en juridische benadering van arbeidszorg en begeleid werken.

Vooraleer het project effectief van start kon gaan, was het noodzakelijk om de internationale en nationale wetgeving onder de loep te nemen en te onderzoeken of arbeidszorg en begeleid werken wettelijk geregeld zijn. Er werd eveneens gekeken naar de theoretische benadering van deze onderwerpen binnen het vakdomein.



  1. De stiefmoederlijke behandeling van arbeidszorg binnen de wetgeving.


In 2001 dienden de Vlaamse volksvertegenwoordigers Veerle Declercq, Patricia Ceysens, Anne-Marie Bracke en Jan Roegiers een voorstel van resolutie betreffende de arbeidszorg in. Hierin stelden zij dat het eerste knelpunt binnen arbeidszorg zich uit in de rechtsonzekere positie van zowel de doelgroep-medewerkers (in ons geval de patiënten uit de Geelse gezinsverpleging) als de initiatiefnemende promotoren. Zij stelden dan ook twee te ondernemen stappen voor.

Ten eerste achtten zij het nodig om voor de doelgroepmedewerkers een regeling uit te werken die rechtszekerheid garandeert. Hiermee bedoelden ze dat er duidelijkheid gecreëerd moet worden over het recht op een (beperkte) aanvullende vergoeding, de fiscale behandeling van de aanvullende vergoeding en de regeling (of de vrijstelling) van bijdragen aan de sociale zekerheid op de aanvullende vergoeding. Aan dit alles werd gehoor gegeven door een nieuwe cumulatieregeling uit te vaardigen die van kracht is sinds 1 april 2002 en die besproken wordt in het verslag van de studie rond de mogelijkheden van vergoedingen (zie later).

Ten tweede vonden zij het nodig om de procedures rond toestemming voor de uitvoering van arbeidszorg helder uit te werken, wat eveneens voor de initiatiefnemende organisatie de nodige zekerheid biedt. Het lijkt er op dat deze procedures vrij degelijk zijn uitgewerkt voor organisaties die via een erkenning van het Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap (verder Vlaams Fonds genoemd) bezig zijn met arbeidszorg.

Ook binnen de sector van de Geestelijke Gezondheidszorg (GZZ) wordt deze bezorgdheid geuit. Zo wordt in een persconferentie over arbeidszorg (10/12/02) het volgende gesteld:


Binnen Vlaanderen worden momenteel 15 projecten tijdelijk gefinancierd door de federale overheid. Echter, zowel de organisatie(s) die de arbeidszorg realiseren als de doelgroepmedewerkers bevinden zich in een sociaal-rechtelijk vaccuüm. Gelet op het meer dan occasionele karakter van de inzet van de doelgroepmedewerker en gelet op een theoretische meerwaarde voor de organisatie als “werkgever” interpreteert de sociale inspectie deze inzet van doelgroepmedewerkers buiten de muren van een ziekenhuis als een vorm van reguliere arbeid. Om dit sociaalrechtelijk te regulariseren dient men in principe alle doelgroepmedewerkers in te schrijven als reguliere werknemers en minstens het minimumloon uit te betalen. Dit is per definitie zonder subsidies niet haalbaar voor een organisatie. Door deze combinatie komen zowel de betrokken patiënt/cliënt/doelgroepmedewerker als de organisator van de werksituatie in een onzekere en vage positie te staan.

Concreet gesproken is het zo dat, voor het starten van het project, arbeidszorg en begeleid werken zich situeerde binnen een soort van grijze zone, gedoogd werden, en dat dit na het doornemen van de wetteksten en het contacteren van experts binnen deze vorm van zorgverlening nog altijd het geval is. Het is dan ook maar de vraag wanneer er een degelijke wetgeving op punt gesteld wordt.

Nochtans is er in de internationale en nationale wetgeving heel wat te vinden omtrent de tewerkstelling van gehandicapten in het algemeen.

Zo stelt het Europese Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden (9/12/1989) dat alle gehandicapten, ongeacht de oorsprong en de aard van hun handicap, in aanmerking dienen te komen voor concrete, aanvullende maatregelen ter bevordering van hun maatschappelijke integratie en hun beroepsintegratie. Die maatregelen moeten, afgestemd op de capaciteiten van de betrokkenen, met name betrekking hebben op beroepsopleiding, ergonomie, toegankelijkheid, mobiliteit, middelen van vervoer en huisvesting. “Tewerkstelling” valt hier dus ook onder en men vraagt zelfs om de afstemming op de capaciteiten van de betrokkenen, werk op maat dus. Alle lidstaten hebben dit Sociaal Handvest wel ondertekend, maar nog niet bekrachtigd.

In Richtsnoer 9 van de werkgelegenheidsrichtsnoeren voor 1999 wordt er op gewezen dat de lidstaten “bijzondere aandacht dienen te besteden aan de behoeften van gehandicapten, etnische minderheden en andere groepen en personen in een achterstandspositie en passende vormen van preventief en actief beleid dienen te ontwikkelen om hun integratie in de arbeidsmarkt te bevorderen.”

In de Richtlijn 2000/78/EG van de Raad tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (27/11/2000) vindt men terug dat arbeid en beroep sleutelelementen zijn voor het waarborgen van gelijke kansen voor eenieder en dat zij een belangrijke deelname leveren aan het volledig deelnemen van burgers aan het economische, culturele en sociale leven, alsook aan hun persoonlijke ontplooiing.

Binnen België lijkt de wetgeving zich vooral toe te spitsen op de werking, de organisatie en het doel van het Vlaams Fonds. In het oprichtingsdecreet van het Vlaams Fonds (27/06/1990) wordt een handicap omschreven als elke langdurige en belangrijke beperking van de kansen tot sociale integratie van een persoon door een aantasting van de mentale, psychische, lichamelijke of zintuiglijke mogelijkheden. Er wordt bovendien gesteld dat twee van haar opdrachten de volgende zijn: het bevorderen van de integratie van de personen met een handicap in het arbeidsmidden en in de maatschappij. Onze patiënten krijgen echter hun uitkering van de Mutualiteiten of van het Ministerie van Sociale Zaken en zijn dus niet als dusdanig ingeschreven bij het Vlaams Fonds, waardoor ze uit de boot lijken te vallen. Doch lijkt er ook voor het Vlaams Fonds geen wetgeving te vinden zijn waarin arbeidszorg in het algemeen en begeleid werken in het bijzonder wettelijk geregeld worden. Er is hier en daar wel wat te vinden waardoor het idee van de grijze zone waarin alles zich nu bevindt alleen maar versterkt wordt. Zo is er sinds 26 mei 2002 de Wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie waar in artikel 2 gesteld wordt dat elke persoon recht heeft op maatschappelijke integratie, waarbij dit recht, bepaald onder de voorwaarden in deze wet, bestaat uit een tewerkstelling en/of leefloon, die al dan niet gepaard gaan met een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie.

Het grote probleem is dat deze wetteksten zich vooral toespitsen op arbeid binnen een beschermde werkomgeving. Het lijkt er op dat er heel wat ruimte is voor deze aparte arbeidscircuits, waarbij onze patiënten uit de boot vallen omdat de werkdruk en/of de kwaliteitseis er te hoog is. Waarom zou er ook geen plaats zijn binnen het reguliere arbeidscircuit? Dit is een vraag die ook binnen het Ministerie van Sociale Zaken gesteld wordt. Dit kunnen we terugvinden in de Beleidsnota van regeringscommissaris voor Sociale Zekerheid Greet van Gool (20/06/2002): Een toekomst gericht beleid voor mensen met een handicap, waarin zij het volgende over integratie via tewerkstelling schrijft:

… Daarnaast ontstaan ook nieuwe vormen van arbeid, vooral dan voor mensen met een mentale of meervoudige handicap: sociale tewerkstelling, arbeidszorg, … Al die verschillende projecten hebben de verwezenlijking van het recht op arbeid als gemeenschappelijke doelstelling. Maar moeten we zo’n aparte arbeidscircuits wel behouden? Als we specifieke maatregelen nemen om laaggeschoolden, allochtonen, … te begeleiden naar de arbeidsmarkt, waarom doen we dit dan niet voor mensen met een handicap? Kunnen we niet al het geld en de tijd die we investeren in het creëren en behouden van aparte arbeidscircuits, beter investeren in het zoeken naar jobs binnen de bestaande bedrijven, winkels maar aangepast aan de betrokkene?
Het is dan ook zeer bemoedigend dat men er op hoger niveau mee bezig is, want hoewel er geen wettelijke regeling aanwezig is, mag het wel duidelijk wezen dat er enige ruimte is binnen de wetgeving waardoor projecten als het onze de kans krijgen hun nut te bewijzen. Alvorens dieper in te gaan op de uitwerking van ons project, is het eerst noodzakelijk een theoretisch kader te scheppen wat betreft arbeidszorg in het algemeen en begeleid werken in het bijzonder.

  1   2   3   4   5   6

  • Hoofdstuk 1: Een theoretische en juridische benadering van arbeidszorg en begeleid werken.
  • De stiefmoederlijke behandeling van arbeidszorg binnen de wetgeving.

  • Dovnload 124.01 Kb.