Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Tijd is de meetbare maat van beweging ten aanzien van een voor en een na

Dovnload 169.24 Kb.

Tijd is de meetbare maat van beweging ten aanzien van een voor en een na



Datum01.08.2017
Grootte169.24 Kb.

Dovnload 169.24 Kb.

Tijd in Beverse maat

21 april – 29 september 2013


"Tijd is de meetbare maat van beweging ten aanzien van een voor en een na."

Aristoteles (Physica, IV,11, 219, b1)


Dagelijks leven


          • staanklok Abbeel [Noordzolder]

18de eeuws uurwerk van de Melseelse uurwerkmaker Joannes Franciscus Ab(b)eel.

Jan Frans werd geboren te Kruibeke op 19 februari 1723 als zoon van Matthias Abeel en Maria Catharina Blijweert. Op 28 oktober 1756 huwt hij te Melsele met de dertig-jarige Joanna Theresia Briels. In 1764 koopt hij voor 200 ponden groot een huis in de Kerkenhoek te Melsele. Jan Frans overlijdt te Melsele op 1 juni 1801.
De oudste uurwerken hebben alleen een uurwijzer, omdat men vroeger weinig belang stelde in een nauwkeurige tijdsaanwijzing. Het klein schijfje rond de wijzeras is de wekkerinstelling.
Gezien de slechte toestand van de oorspronkelijke kast werd deze vervangen door de huidige.


          • staanklok ISGUS [Noordzolder]

Staanklok met weekmechanisme.

20ste eeuw.

Het uurwerk is ondergebracht in een eikenhouten kast in art decostijl.


De firma ISGUS maakt deel uit van de historische Schwenninger (Zwarte woud, Duitsland) uurwerkindustrie in de 19de en 20ste eeuw. Het is één van de weinige bedrijven die de overgang van de mechanische naar de elektronische uurwerk-industrie moeiteloos heeft doorstaan.

De onderneming werd in 1888 door Jacob Schlenker (1855-1913) opgericht. Het kroezelhaar van Schlenker bezorgde hem de bijnaam 'Grusen', wat leidde tot de firmanaam 'J. Schlenker-Grusen', eerst afgekort JSGUS en later ISGUS.

Schlenker begon zijn loopbaan als werkleider bij de Württembergischen Uhrenfabrik Bürk, een bedrijf gespecialiseerd in nachtwakersklokken. Na het vervallen van Bürks patent bouwde Schlenker de klokken voor eigen rekening.

In 1896 ontwikkelde de firma Schlenker-Grusen haar eerste duivenklok; in 1908 volgde dan de prikklok. In 1927 werd de ISGUS-Tachograph, een controleapparaat voor vrachtwagens voorgesteld. Daarnaast zaten ook polshorloges, staanklokken, pendules en keukenwekkers in het productieprogramma.

In 2013 is het bedrijf wereldwijd actief.



  • De koekoeksklok [Noordzolder]

Een koekoeksklok is een slingerklok, die de uren aangeeft door het nadoen van het geluid van een koekoek. Meestal zet het slaguurwerk een mechanisme in werking waardoor er een koekoek tevoorschijn komt op het hele uur.

Oorspronkelijk komt de koekoeksklok uit het Zwarte Woud in Duitsland. Traditioneel wordt de uitvinding toegeschreven aan de Schönwaldse klokkenmaker Franz Ketterer in 1730. Omstreeks deze tijd is inderdaad de bekende techniek ontstaan met de balgen en fluitjes, die het geluid van de koekoek imiteren, en die toegevoegd werden aan een normale slingerklok. De koekoeksklok wordt nog steeds hoofdzakelijk in het Zwarte Woud geproduceerd, in de buurt van Triberg en Neustadt. Er zijn ééndags uurwerken, de gewichten moeten dagelijks opgetrokken worden. De gewichten wegen dan tussen de 600 en 800 gram. Er zijn ook achtdaags uurwerken. De gewichten daarvan zijn dan groter en wegen soms 1600 gram of meer.
Van oorsprong was de klok bedoeld als wekker. Het geluid van een haan is moeilijk mechanisch te imiteren. De vele orgelbouwers in de buurt boden de oplossing. Er werden twee orgelpijpjes met een blaasbalgje in de klok geplaatst die via een stangenstelsel in werking gesteld konden worden in plaats van de normale gongslag of bel. De koekoek beweegt door een ijzerdraadje onder de staart. Deze is weer verbonden met de balg die het eerst gaat en tilt de staart van de vogel op, zodat deze vooroverbuigt.


  • Comtoiseklok [Noordzolder]

De Comtoise is een pendule, een slingerklok. Ze werd gemaakt vanaf ca. 1680 tot in de 19de eeuw in de Franse Jura. De vorm en uitvoering van de wijzerplaat en de versiering van het front zijn afhankelijk van de bouwperiode en de wensen van de opdrachtgever.
Het woord is afgeleid van Franche-Comté, een regio in Frankrijk met Besançon als belangrijkste centrum. Uit Zwitserland uitgeweken uurwerkmakers begonnen hier een nieuw bestaan. Vaak werd een comtoise door een lokale meubelmaker in een houten kast geplaatst die een centrale plaats in het Franse huishouden innam.

Veel comtoiseklokken hebben een repetitieslagwerk, wat betekent dat hij precies op het uur het aantal uren slaat, en na een pauze van 2 à 3 minuten dit nog een keer herhaalt. Op het half uur slaat hij slechts één keer. De repetitieslag had als doel om de eigenaar een tweede kans te geven om te horen hoe laat het is als hij de eerste slag was vergeten te tellen.




  • de Zaanse klok [Noordzolder]

Dit type klok werd gemaakt aan de Zaan vlakbij Amsterdam in de periode 1680-1730. De Zaanse klok heeft nauwelijks schilderingen en de wijzerplaat is bekleed met fluweel. Op de bel staat meestal een Atlasfiguur.

In de twintigste eeuw zijn in het Zwarte Woud zeer veel replica's van Zaanse klokken gemaakt voor de Nederlandse en Belgische markt, waardoor dit zeldzame kloktype ineens zeer populair werd.


  • het zakhorloge [Noordwestzolder]

Kunstig bewerkte zakhorloges waren, en zijn in sommige gevallen nog steeds, een symbool van rijkdom en klasse. Vroeger was het bezit van een zakhorloge enkel voorbehouden voor de hogere klasse, die dan ook niet naliet om met het bezit ervan uit te pakken.


Zo liet Maria Theresia van Spanje (1638-1683) zich in de 17de eeuw portretteren door Diego Velázquez (Sevilla, 6 juni 1599 - Madrid, 6 augustus 1660) en natuurlijk mochten haar twee horloges niet ontbreken.
Het ontwikkelen van zakhorloges werd pas mogelijk na de uitvinding van de spiraal-veeraandrijving in de 15de eeuw.
George F. Roskopf (Niderwill (Dtsl.), 1813-1889), leerde het vak van uurwerk-maker bij J. Biber in La Chaux-de-Fonds waar hij in 1833 in de leer ging.

Financieel gesteund door zijn vrouw begon hij zijn loopbaan met het assembleren van horloges met onderdelen die hij elders aankocht. Daar deze zaak weinig winstgevend was verkocht hij ze in 1850.

Tussen 1851 en 1855 was hij bedrijfsleider van de plaatselijke afdeling (La Chaux-de-Fonds) van B. J. Guttman Frères uit Wurzburg, een fabrikant van 'Engelse' uurwerk-en. Na een korte periode (2 jaar), samen met zijn zoon Fritz Edouard en Henri Gindraux een eigen zaak te hebben geleid onder de naam 'Roskopf, Gindraux & Co.' ging hij terug zijn eigen weg.

Roskopf was een idealist en droomde ervan een goedkoop maar kwalitatief uurwerk te maken voor de gewone man. Eind 1867 was hij geslaagd in zijn opzet. In 1870 kwam het model met het 'setting mechanism' op de markt. Het drukknopje aan de linkerkant van de opwindknop liet toe de juiste tijd in te stellen.

Het model was te koop voor 25 fr.


          • Het polshorloge (selectie) [Noordwestzolder]

Hoewel een rekeningenboek van de Geneefse horlogemakers Jacquet-Droz en Leschot eind 18de eeuw al een horloge vermeldt dat bevestigd werd aan een (vrouwen) arm-band, wordt algemeen aangenomen dat polshorloge een uitvinding is van Patek Philippe aan het einde van de 19e eeuw. In eerste instantie werd het voornamelijk gezien als vrouwensieraad. Het was Louis Cartier, die op verzoek van een vriend, een horloge voorzien van een leren band ontwierp. De populariteit van het polshorloge is vooral te danken aan de Eerste Wereldoorlog. De officieren aan het front kwamen er achter dat het gemakkelijker en sneller was de tijd af te lezen van een horloge , bevestigd om de pols tegenover een zakhorloge.




          • De wekker [Westzolder]

Een wekker is een uurwerk, dat op een vooraf ingesteld tijdstip een geluid- of een ander signaal geeft, met het doel de gebruiker te wekken. Als men wakker is, kan het geluid afgezet worden.

De klassieke wekker is een mechanische klok, die men iedere dag moet opwinden.
We tonen een aantal mechanische wekkers, een kwarts gestuurde en een hedendaags exemplaar met automatische tijdsaanpassing.


          • De keukenwekker [Westzolder]

Mechanische uitvoering.

Het gebruik van een uurwerkmechanisme als hulpmiddel in de keuken. Na het teruglopen van de ingestelde tijd (weergegeven in minuten) weerklinkt een kort signaal. De maximum in te stellen tijd is meestal beperkt tot 60 minuten.



          • schouwgarnituur [Verspreid over de zolder]

Verspreid over de zolder staan een aantal schouwgarnituren uit verschillende periodes.

Onder andere een in art-decostijl. Verder zijn er nog de bekende Westminster schouwklokken uit de jaren '40 – '50 van vorige eeuw.


  • Atmosferische klok [Noordwestzolder]

Voor de oorsprong van deze klok moeten we teruggaan naar het eind van de jaren '20 van vorige eeuw wanneer de Parijse ingenieur Jean Leon Reutter begint te experimenteren met het verbouwen van bestaande klokken. Reutter vervangt verschillende onderdelen om zo het energieverbruik te verlagen. Het opwinden gebeurt door gebruik te maken van de verschillen in de atmosferische druk, naar het principe van de barometer. Het energieverbruik van de klok is zo laag dat een luchtdrukschommeling van één millibar volstaat om de klok twee dagen van energie te voorzien. De klok wordt onder de merknaam "Atmos" in zeer kleine aantallen geproduceerd.

Later koopt de Zwitserse firma LeCoultre de Atmos-licentie van Reutter over en na een fusie met het Parijse bedrijf van Ed Jaeger wordt de klok onder de nieuwe naam Jaeger LeCoultre geproduceerd.



  • Torenuurwerken [Noordzolder]

Via een aantal foto's bieden we een overzicht van een aantal torenuurwerken binnen groot-Beveren:

- Onze-Lieve-Vrouw Hemelvaartkerk Melsele

- H.H. Petrus en Pauluskerk Kallo


- Sint Laurentiuskerk Verrebroek

- Sint Michielskerk Kieldrecht


- Heilig Kruiskerk Vrasene

- Sint Jacobuskerk Haasdonk


- Sint Engelbertuskerk Prosperpolder

- Onze-Lieve-Vrouw ten Hemel Opgenomenkerk Doel



Speciaal


          • De duivenklok [Noordwestzolder]

Een duivenklok is een klok die gebruikt wordt tijdens wedstrijden in de duivensport. De klok geeft de tijden aan waarop de duiven vertrekken en weer aankomen.


In België is men in 1818 begonnen met het in wedstrijdverband vliegen met duiven.
Rond 1880 kwam er eindelijk een vorm van identificatie voor de duiven: het vleugel-merk. Nu werd het eindelijk mogelijk om een duif te herkennen.
Het is waarschijnlijk in deze periode dat men begonnen is met het maken van de eerste constateurs. De eerste constateur werd naar alle waarschijnlijkheid ontworpen en gemaakt door Van den Bossche uit Oudenaarde (België). Dit was een klok met een uurwerk en een papierband. In de gesloten klok was een uitsparing van circa 1 bij 2 centimeter gemaakt waar de rol onderdoor liep. Op het moment dat de liefhebber met zijn duif in het lokaal kwam werd het vleugelmerk op het nog zichtbare stuk papier geschreven en werd er geconstateerd. De afdruk werd gemaakt door naaldjes in de vorm van een uurwerk. Omdat alleen wat gaatjes in een leeg stuk papier natuurlijk niet veel zeggen werden er bij deze klokken mallen geleverd om de tijd later zo nauwkeurig mogelijk om te zetten in een leesbare tijd.
Dit was ook de tijd waarin meerdere horlogemakers begonnen met het vervaardigen van duivenklokken.



  • De dokaklok [Westzolder]

Schakelklok die in de donkere kamer van de fotograaf, de belichtingstijd van het fotografisch papier regelt. De klok wordt gebruikt in combinatie met het vergrotings-apparaat.



          • De chronometer [Westzolder]

Uurwerk voor nauwkeurige tijdmeting, dat gedeelten van seconden aanwijst en door een druk op de knop gestart, resp. gestopt, en vervolgens in de nulstand terug-gebracht kan worden.


- Analoog model van het merk Omega

- Digitaal model van het merk hanhart

De voorloper van Omega werd in 1848 opgericht in La Chaux-de-Fonds, Zwitserland door de 23-jarige Louis Brandt, die precisiehorloges met opwindtechniek vervaardigde van onderdelen die werden geleverd door plaatselijke vaklieden. Na de dood van Louis Brandt in 1879, lieten zijn twee zoons Louis-Paul en César het werkplaats-systeem voor wat het was, ten gunste van eigen fabricage. Een groter aanbod van werkkrachten, communicatie en energie in Biel werkte de verhuis van de firma in 1880 in de hand. De broers Brandt stierven allebei in 1903, waarbij ze een van Zwitserlands grootste horlogefabrieken, met een productie van 240.000 horloges per jaar en 800 man personeel in de handen van vier jonge mensen lieten. De oudste, Paul-Emile Brandt, was nog geen vierentwintig. Paul-Emile was de grote architect en drijfveer van het merk Omega. De economische problemen als gevolg van de Eerste Wereldoorlog brachten hem ertoe zich actief in te zetten voor de samenwerking tussen Omega en Tissot, en nadien tot hun fusie in 1930 binnen de SSIH-groep. Eind jaren zestig was SSIH de belangrijkste Zwitserse producent van complete horloges.

Verzwakt door de recessie eind jaren '70, moest SSIH in 1981 door de bank gered worden. De andere horlogegigant uit Zwitserland, de ‘Allgemeine Schweizerische Uhrenindustrie AG’ (ASUAG) werd een jaar later op dezelfde manier gered. Na een herstructurering gingen de twee vanaf 1983 samen verder als de ASUAG-SSIH. In 1985 werd het bedrijf overgenomen door een groep privé-investeerders. De nieuwe groep, die het bedrijf onmiddellijk omdoopten tot SMH, “Société suisse de Micro-électronique et d'Horlogerie”, zorgde voor snelle groei en succes en is tegenwoordig de leidende horlogeproducent ter wereld. In 1998 werd de naam veranderd in de Swatch Group. Omega is nog altijd een van de meest prestigieuze merken van de groep.





  • metronoom [Noordwestzolder]

De metronoom is een toestel dat met een slinger zeer nauwkeurig de maat van de te spelen muziekstukken aangeeft.

- muziekpartituur

Erik Satie (1866-1925),Trois Gymnopédies. Muziekstuk voor piano in ¾ maat.




Historisch


          • uurwerk Cortewalle [Noordzolder]

Slingeruurwerk met acht-dagen-mechanisme. Slag op het uur en halfuur.

Fabrikant is met grote waarschijnlijkheid Louis Delphin Odobey (Foncine-le-Haut (Jura),1827 - Morez, 1906), uurwerkmaker te Morez (Jura), 1856.
Gezien de datering (1856) is dit een uurwerk van vóór de oprichting van de "L. D. Odobey Cadet" uurwerkfabriek in 1858. Deze uurwerken zijn technisch opmerkelijk vanwege hun ontwerp en uitvoering.
Het uurwerk werd in 1856 geleverd door Joannes Wouman (1793-1873) en Charles Van de Vijver (1826-1897), uurwerkmakers in de Veirstraat te Temse, in opdracht van Charles Joseph de Brouchoven de Bergeyck binnen het kader van de verbouwingswerken in die periode.
De klok bevindt zich op het torendak. Het kleinste klokje is verbonden met het uurwerk; de grootste is de roepklok en draagt de naam "Roeland".
Latere herstellingen gebeurden door Jules Houttequiet en in 1991 werd het uurwerk gerestaureerd door Herman en Wim Suy naar advies van Constant Roothooft uit Haasdonk.
De koppeling tussen het mechanisme en de wijzerplaat op de binnenkoer werd bij de laatste restauratie in 2007 weggenomen.


          • uurwerk Hof ter Welle [Noordwestzolder]

18de eeuw

Dit uurwerk was tot vorige eeuw in gebruik op het kasteel Hof ter Welle. Het bevond zich op de bovenste verdieping, boven de toegangsbrug naar het kasteel, vlak onder het zadeldak. De wijzerplaat was aangebracht tussen het venster boven de toegangs-poort en de dakgoot (zie foto). De wijzerplaat bestond uit een houten ondergrond, met een ronde lijst, waarop, met een ijzeren constructie, de Romeinse cijfers vast-geschroefd waren. Naast de wijzerplaat bevond zich links en rechts een klok, voor het slaan van respectievelijk de uren en de halve uren. De volle uren werden geslagen op een klok van ongeveer 20 cm hoogte, terwijl de halve uren geslagen werden op een schel – een grote fietsbel eigenlijk – van ongeveer 15 cm diameter. Beide hingen aldus tegen de buitengevel, zodat de klank gemakkelijk uitstraalde naar heel het binnenhof en zelfs hoorbaar was tot vooraan op "den akker” van Hof ter Welle.
Werking
Het uurwerk is opgebouwd in drie compartimenten met elk hun specifieke functie: centraal het tijdsmechanisme; links het uur-slagmechanisme en rechts het halfuur-slagmechanisme. De centrale rol, die voor de tijd dient, legt één omwenteling af per uur. Het uurwerk is voorzien van terugwerkende ankergang waardoor het te dateren is na 1671. Aan de achterzijde van de centrale rol bevindt zich de ”uitgang” van het uurwerk: de aansluiting van de grote wijzer. Dit onderdeel brengt de horizontale beweging van de centrale rol over op de verticale aansluiting. Het bevat een ratel-systeem met terugslagvergrendeling, waardoor het uurwerk kon doorgedraaid worden om het gelijk te stellen. Het ronde plaatje heeft tevens twee pennen, die dienen om het slagmechanisme voor de klokken te activeren: één aan de voorzijde, en één aan de achterzijde. Wanneer het uur bijna rond is, begint de pen een hefboom op te heffen. Wanneer deze hefboom een bepaalde hoogte bereikt, gaat de vergrendeling van het slagmechanisme loskomen, en staat het uurwerk klaar om de uren te slaan (voorbereidende fase). Het is echter pas wanneer de hefboom van de pen terug naar beneden valt, dat het slaan ook effectief begint. De klok telt het juiste aantal slagen door de inkepingen op een raderwiel te tellen. Helemaal bovenaan zitten twee windvleugels Zij functioneren als een luchtrem die het slagtempo van de slaghamer bepaalt. Als die er niet zou zijn dan zouden, bijvoorbeeld om 15u00, heel snel achter elkaar 3 slagen te horen zijn. Om dit de tijd te geven, beginnen die molentjes te draaien.


          • zonnewijzer [Noordzolder]

Eén van de eerste instrumenten die de tijd visueel voorstelden, was ook in onze contreien de zonnewijzer.

Het principe is eenvoudig: de schaduw van het zonlicht wordt door middel van een naald of gnomon op een wijzerplaat geworpen en aan de positie van die schaduw leest men de plaatselijke zonnetijd af.
- Zonnewijzer 1746.

Herkomst: tuin dekenij Beveren.


Horizontale zonnewijzer, gnomon in messing, urenschaal in lood; dit alles gemonteerd op een hardstenen voet.
- Sferische equatoriale zonnewijzer in koper.
Indien het vlak met daarop de uurlijnen loodrecht staat op de stijl, is het dus evenwijdig met het vlak van de evenaar of equator. Dit noemt men een vlakke equatoriale zonnewijzer. In de herfst en winter schijnt de zon tegen de onderkant van dit vlak. Dit maakt dat de schaduw en de uurlijnen meestal niet zichtbaar zijn. Dit kan verholpen worden door de uurlijnen op een equatoriale ring aan te brengen en het vlak te verwijderen. Zo ontstaat de sferische equatoriale zonnewijzer. Men kan de uurlijnen doortrekken naar een horizontaal of vertikaal vlak.


          • zandloper [Noordwestzolder]

Een zandloper is een instrument om de tijd te meten. Het bestaat uit twee glazen reservoirs, die via een smalle verbinding met elkaar verbonden zijn. In het bovenste reservoir bevindt zich zand dat door de zwaartekracht door het smalle kanaal valt, en een bepaalde tijd nodig heeft om compleet van het bovenste naar het onderste reservoir te gaan. Vervolgens kan de zandloper omgedraaid worden, waarna het proces opnieuw begint.


Het zand is meestal fijn zand, maar ook vermalen eierschalen of gemalen marmer werd gebruikt.
De zandloper wordt geassocieerd met tijd en is terug te vinden in veel afbeeldingen die te maken hebben met de tijdelijkheid van het leven. Als zodanig komt het symbool onder meer voor binnen de vrijmetselarij. Het motief is ook vaak terug te vinden op allegorische schilderijen en stillevens uit de Hollandse renaissance. De Dood wordt vaak afgebeeld met een zandloper in de hand. Bij computers wordt de cursor soms in een zandloper veranderd, om aan te geven dat de computer bezig is.


          • tijdskaars [Noordwestzolder]

De tijdskaars werd uitgevonden in Engeland door Koning Alfred (844-899). Om de tijd gelijkmatig in te delen voorzag hij de kaarsen met uuraanduidingen.

In de Middeleeuwen werd het kaarsenuurwerk vooral gebruikt in de kloosters. De kaars werd aangestoken na zonsondergang. Dit was zeer praktisch voor de broeder die de klokken moest luiden, zeker wanneer het water van het wateruurwerk bevroor.

Men kon ook een klein gewicht aanbrengen dat op een bepaald moment neerviel in de koperen schaal. Zo wist de broeder dat hij de klok moest luiden.


De werking van de tijdskaars berust op de tijdspanne die nodig is om een bepaald volume aan materiaal te verbranden. Er wordt vanuit gegaan dat, wanneer het materiaal overal dezelfde diameter heeft, het wegsmelten van een bepaald volume, constant is. Hoe dikker de kaars , hoe nauwkeuriger de meting.

Tijdsrekening


          • Kalenders [Noordwestzolder]

- Republikeinse kalender


De tijdsrekening van de Fransen neemt aanvang met de stichting van de Republiek op 22 september 1792.
De hoofdtrekken van de deze kalender werden vastgesteld bij decreet van 4 frimaire jaar II (24-11-1793).
Het jaar werd verdeeld in twaalf gelijke maanden van elk dertig dagen. Na deze twaalf maanden volgen dan nog vijf aanvullende dagen die door het decreet van de Conventie van 7 fructidor jaar III (24 augustus 1795) "jours complémentaires" werden genoemd. De maanden werden gegroepeerd en ontleenden hun namen aan de eigenschappen van de seizoenen:


herfst winter

Vendémiaire (wijnoogst-) Nivôse (sneeuw-)

Brumaire (nevel-) Pluviôse (regen-)

Frimaire (vorst-) Ventôse (wind-)


lente zomer

Germinal (kiem-) Messidor (oogst-)

Floréal (bloemen-) Thermidor (warmte-)

Prairial (weide-) Fructidor (vrucht-)


Het decreet van 24 fructidor jaar XIII (11 september 1805) stelde dat met ingang van 11 nivôse jaar XIV (1 januari 1806) de Republikeinse kalender werd afgeschaft. De Gregoriaanse kalender werd opnieuw de officiële.

- (N° 940) SENAETS-BESLUYT nopens de herstellinge van den gregoriaenschen Almanach. 22 fructidor jaar XIII.


Bulletin der wetten n° 56, p. 27-31.

Gemeentearchief Beveren


- Concordantie tussen de Republikeinse en Gregoriaanse kalender

F. Gevaert, 1965.


- Journal judiciaire et notarial du Royaume des Pays-Bas. Concordance de L'annuaire et du calendrier pour 50 années.

Uitgave uit 1821. Concordantie (omzetting) van de Republikeinse kalender naar de gregoriaanse. Uitgegeven ten behoeve van de overheden (Verenigd Koninkrijk), die nog dagelijks werden geconfronteerd met de data uit de Franse periode.


- Gregoriaanse kalender


Gregoriaanse kalenders vinden we terug in de meest uiteenlopende vormen: als heiligenkalender in een misaal, als scheurkalender, jaarkalender, agenda, enz. We tonen een selectie uit het aanbod.
De gregoriaanse kalender is een aanpassing van de daarvoor gebruikte juliaanse kalender. Hij werd voor het eerst voorgesteld door de Napolitaanse arts Aloisius Lilius, en werd overgenomen door het Concilie van Trente (1545-1563). Paus Gregorius XIII kon pas in 1582 met de bul Inter gravissimas deze kalender-hervorming doorvoeren.
Bij de invoering liepen de weekdagen zonder onderbreking door: op donderdag 4 oktober volgde vrijdag 15 oktober 1582. Door het weglaten van die 10 dagen werd het begin van de lente teruggebracht naar 21 maart.
Het gemiddelde jaar in de juliaanse kalender telde exact 365,25 dagen, maar omdat het gemiddelde tropische jaar ongeveer 365,2422 dagen duurt, loopt de juliaanse datum elke duizend jaar ongeveer 7,8 dagen achter op de zon. Om deze afwijking te corrigeren, werd het systeem van schrikkeljaren aangepast, zodat elk jaartal dat deelbaar was door 4 maar ook door 100 voortaan geen schrikkeljaar is, behalve als het ook door 400 te delen is.

In de Zuidelijke Nederlanden kwam er een einde aan het gebruik van de juliaanse kalender op 20 of 21 december 1582. De gregoriaanse kalender ging in voege op 31 december 1852 of 1 januari 1583.



Katholieken en protestanten gebruiken de gregoriaanse kalender.

Van de Oosters-katholieke Kerken gebruiken sommige de gregoriaanse en andere de juliaanse kalender.


- Vrijmetselaarskalender
De meest gangbare startdatum voor een maçonniek (vrijmetselaars-) jaar is 1 maart, analoog aan de Romeinse kalender voor de juliaanse kalender, de door Julius Caesar ingevoerde tijdrekening van de Romeinen. Deze datum wordt dan ook aangeduid als maçonniek nieuwjaar.

De jaartelling A.L. Anno Lucis, die volgens “het jaar van het ware licht” wordt nog gebruikt op diploma's in de blauwe graden (leerling-gezel-meester). Het telt vier-duizend jaar op bij de gangbare kalender, en begint op 1 maart. Daardoor wordt een datum volgens A.L. berekend vanaf 1 maart; 1 mei 1998 wordt dan de eerste dag van derde maand van het jaar 5998. Voor de maanden januari en februari moet het jaartal dan uiteraard met één verlaagd worden: 5 januari 2009 wordt dus 5-11-6008 A.L.


De overleden vrijmetselaar (zie foto) werd dus volgens de gregoriaanse kalender geboren in 1826 en is overleden in 1890.

-Joodse kalender

De joodse jaartelling, joodse kalender of Hebreeuwse kalender rekent vanaf het jaar waarvan het jodendom aanneemt dat de schepping van de wereld heeft plaats-gevonden (de Anno Mundi).

Op grond van de Tenach wordt de schepping geacht te hebben plaatsgevonden in het jaar 3761 voor de gangbare jaartelling.

Het joodse jaar 5773 komt zodoende overeen met het gregoriaanse jaar (sept./okt., tisjrie) 2012 - 2013.

Het nieuwe jaar begint op Rosj Hasjana, een gewichtige tweedaagse periode van gebed en inkeer, die in september of oktober van de gregoriaanse kalender valt.
- Islamkalender
De islamitische maankalender start zijn jaartelling in het jaar 622 van de christelijke jaartelling, het jaar waarin Mohamed van Mekka naar Medina verhuisde ( in het Arabisch de hadj, vandaar hidjrikalender.
Het volgen van de maankalender betekent concreet dat er bij elke nieuwe maan een nieuwe maand start bij zonsondergang.
Eén maancyclus – waarvan er 12 in een jaar zijn – duurt 29 of 30 dagen. Een islamitisch jaar telt dus 354 dagen.
Omdat de islam de invoering van een extra maand verbiedt (vroeger mocht het wel) valt het islamitisch nieuw jaar dus telkens 11 dagen vroeger dan het westerse nieuw jaar.
De 12 maanden dragen vrij vertaald de volgende namen:

- de heilige maand

- de maand die leeg is

- de eerste lentemaand

- de tweede lentemaand

- de eerste droge maand

- de tweede droge maand

- de vereerde maand

- de maand van de verdeeldheid

- de maand van de grote hitte

- de jachtmaand

- de rustmaand

- de bedevaartsmaand
Via de volgende formule kan je berekenen in welk islamitisch jaar we zijn:

het gregoriaans jaar + ((gregoriaans jaar -622) : 32) – 622 = islamitisch jaar

2013 + ( 1391 : 32) – 622 = 1434


  • De Eenheidstijd [Noordzolder]

Toen in 1835 het spoorverkeer in België tot ontwikkeling kwam, bleek al gauw dat het bepalen van vertrek- en aankomsttijden zeer problematisch was. Zowat elke stad hanteerde haar eigen tijd, een gegeven dat meestal gebaseerd was op een lokale zonnewijzer. Een koninklijk besluit van 22 februari 1836 bepaalde dan ook het oprichten van een meridiaankijker in een vijftal steden, een getal dat een maand later werd opgevoerd tot eenenveertig. Het project werd door de uitvinding van de telegraaf in 1840 als achterhaald beschouwd en vroegtijdig beëindigd. Pas op 1 mei 1892 werd de officiële eenheidstijd in België een feit.


- (659)N° WET houdende de nieuwe tijdsindeeling in België.

29 april 1892

Verzameling der wetten en Koninklijke besluiten van België,

n° IX – 1892.

Gemeentearchief Beveren




  • Tijdszones [Noordzolder]

Een tijdzone is een gebied op aarde met gelijke (standaard)tijd. De zones zijn ontstaan na een eeuwenlange ontwikkeling in het meten van de tijd. Vooral door de ontwikkeling van het spoorvervoer ontstond de nood aan een veralgemeende tijd. Eerder werd per plaats een lokale tijd aangehouden, gebaseerd op de (gemiddelde) lokale 12.00 uur-tijd.


De tijd in een bepaalde tijdzone wordt aangegeven als het tijdverschil van de zone met UTC. UTC is nagenoeg hetzelfde als GMT (Greenwich Mean Time).
UTC (in het Nederlands ook aangeduid als gecoördineerde wereldtijd) is een standaardtijd, gebaseerd op een atoomklok en gecoördineerd met de rotatie van de aarde.

Het internationale letterwoord UTC is een compromis tussen het Franse "TUC" (Temps Universel Coordonné) en het Engelse "CUT" (Coordinated Universal Time). UTC is zelf geen afkorting. In militaire kringen wordt UTC meestal "Zulu time" genoemd.

UTC is bijna gelijk aan Greenwich Mean Time (GMT). GMT is echter een zuiver astronomische tijd. Om het door de vertraagde aardrotatie veroorzaakte verschil te compenseren, moeten er schrikkelseconden worden gebruikt. Het verschil is nooit meer dan een seconde en voor de meeste toepassingen dan ook niet van belang.


  • Zomertijd/wintertijd [Noordzolder]

België maakte tijdens de Eerste Wereldoorlog voor het eerst kennis met het fenomeen zomertijd/wintertijd. Zo werd vanaf 1 mei 1916 tot 1 oktober 1916 de tijdswijziging voor het eerst van kracht. In de nacht van 30 april op 1 mei werd de klok één uur teruggedraaid; 30 september eindigde om één uur na middernacht.


Alle openbare uurwerken dienden deze tijdsaanpassing weer te geven. Het is perfect aan te nemen dat de bevolking, destijds meer dan vandaag, moeite had om zich aan te passen. Er waren minder communicatiemiddelen; men leefde meer op de stand van de zon. Vandaar dat men bij officiële berichtgeving van gebeurtenissen meestal weergeeft dat het om het torenuur, dus de aangepaste tijd, ging.
Wanneer Camillus Van Buynder, veld- en polderwachter te Steendorp op 23 juli 1917 om 10 ure voormiddag wordt begraven vermeld men er specifiek bij dat het hier om het Torenuur gaat.

Voorstelling van de tijd [Noordzolder]


  • Trapswijze levensloop der menschen tot 100 jaren

Schematische voorstelling van een mensenleven.

Uitgeverij J. Van de Kerckhove, Venusstraat 6 Antwerpen



          • De Tijd geeft Ouderdom opdracht Schoonheid te verwoesten

Pompeo Girolamo Batoni ( Lucca 25 januari 1708 - Rome 4 februari 1787), Italiaans schilder , zoon van goudsmid Paolino Batoni.


Olieverf op doek, gedateerd 1746.

Origineel in National Gallery, Londen


Men ziet de Tijd gezeten, bezig opdracht te geven aan Ouderdom het gezicht van Schoonheid open te krabben. Vadertje Tijd is gemakkelijk te herkennen aan zijn betrekkelijke ouderdom, zijn kalende hoofd en zijn prachtige vleugels. In zijn rechter-hand houdt hij een ruwhouten zandloper.


          • Getijdenboek de Berry


LesTrès Riches Heures du duc de Berry


(De zeer rijke uren van de Hertog van Berry)
Getijdenboek, gemaakt in opdracht van hertog Jan van Berry
Gebroeders Van Limburg, ca. 1410.

Origineel in Musée Condé, Chantilly.


Het getijdenboek werd tussen 1412 en 1416 door de gebroeders Van Limburg gemaakt. Zij lieten het boek onafgemaakt achter bij hun dood (én die van de hertog) in 1416.

De koninklijke kunstliefhebber René d'Anjou liet een onbekende kunstenaar aan het boek werken in de jaren 1440-1449 en Karel I van Savoye gaf Jean Colombe de opdracht de illustraties af te maken en aan te vullen. Colombe werkte hieraan tussen 1485 en 1489.


Het was normaal dat een getijdenboek een kalender had, maar de illustraties van de maanden in de Très Riches Heures zijn buitengewoon en innovatief in hun omvang, onderwerp, compositie en artistieke en technische uitvoering. De meeste laten een van de kastelen van de hertog op de achtergrond zien, en zijn verder gevuld met details van de lusten en werken van het jaar, van het hof van de hertog tot aan zijn boeren, een tegenwicht tot de getijden. Elke illustratie in de kalender wordt bekroond door zijn eigen halfrond die een 'zonnewagen' laat zien, en de tekens van de dierenriem, de nummering van de dagen van de maand en de martyrologische (martyrologie = geschiedenis van de martelaren) letters voor de kerkelijke maankalender.
JUNI

Luchtig geklede boeren, zowel mannen als vrouwen, zijn bezig met hooien. De mannen zijn eensgezind aan het werk met de zeis, de vrouwen verzamelen het hooi met een hark. De illustratie is zeer gedetailleerd en toont duidelijke kleurverschillen tussen het gemaaide en nog niet gemaaide gras en het al verkleurende opgetaste hooi.

De scène speelt zich af nabij de Parijse residentie van de hertog, het Hôtel de Nesle, op de linkeroever van de Seine, tegenover het Louvre, ongeveer op de plek waar nu het Institut de France zich bevindt. Rechts op de afbeelding staat de Sainte-Chapelle, een kapel op het Île de la Cité. Links daarnaast is het oude kasteel afgebeeld dat door de koningen van Frankrijk werd bewoond tot Karel VI het hof verplaatste naar het Louvre.

Geheel links is een poort in de stadsmuur zichtbaar, die leidt naar de rivier waar een bootje langs vaart. In het hemelgewelf bovenaan is centraal de zonnegod Helios in zijn zonnewagen uitgebeeld, met links van hem het sterrenbeeld Tweelingen en rechts Kreeft.


OKTOBER

De afbeelding voor de maand oktober toont zowel een imposant gebouwencomplex als een blik op het landleven. Het land op de voorgrond van de afbeelding is omge-ploegd en een boer is met een eg bezig de akker voor te bereiden voor het nieuwe zaaigoed. De eg is met een steen verzwaard, om de messen dieper in de grond te laten snijden. Aan de rechterkant is een landarbeider bezig met het zaaien; achter zijn rug staat een volle zak met zaaigoed. In het midden van de afbeelding is een vogelverschrikker zichtbaar, die het uiterlijk heeft gekregen van een boogschutter. Ook zijn er dunne lijnen gespannen om vogels te verhinderen het zojuist gezaaide graan op te pikken. Niettemin zijn de dieren daar linksonder op de illustratie druk mee doende.

De afbeelding wordt overheerst door een schildering van het oude Louvre, aangelegd ten tijde van Filips II en hier getoond in de vorm die stamt uit de tijd van Karel V, die een broer was van de hertog van Berry. Evenals de afbeelding voor de maand juni is het standpunt het Hôtel de Nesle, een Parijs' onderkomen van de hertog. Waar in juni de blik oostwaarts was gericht, toont deze afbeelding een gezicht op het noorden. Het niet meer bestaande gebouw van het oude Louvre maakt, met de talloze torens en torentjes, een overweldigende indruk. In het hemelgewelf bovenaan is centraal de zonnegod Helios in zijn zonnewagen uitgebeeld, met links van hem het sterrenbeeld Weegschaal en rechts Schorpioen.


  • Het Angelus [Westzolder]

Het Angelus is het zogenaamde Engel des Heren, een kort gebed dat driemaal daags, op vaste tijdstippen wordt gebeden (6 uur 'morgens, 12 uur middag, 6 uur 's avonds). De gelovigen worden telkens verwittigd door het luiden van de Angelusklok. Enkel de laatste drie dagen van de Goede Week zwijgt de klok.


Het gebeuren wordt op verschillende wijzen gevisualiseerd. Het meest bekend zijn wel de reproducties van het tafereel dat door Jean François Millet (1814-1875) tussen 1857 en 1859 op doek werd gezet.

De schooltijd [Noordwestzolder]
- schoolbord

Dit schoolbord is afkomstig uit de beginperiode van de Vrije Lagere School van Prosperpolder.


- lessenaar (voor kleuters)


- schoolplaten

Schoolplaten sierden destijds de wanden van de klaslokalen. Zij dienden als visuele ondersteuning bij de aardrijkskunde-, biologie-, geschiedenis- en godsdienstlessen.
- koning albert ziet de verschrikkingen van den oorlog aan den yzer

- de holbewoners.

- het leven van de oude belgen

- de romeinse beschaving in ons land.

- kaart Kieldrecht-Prosperpolder


- houten schooltas

Een griffel, een lei en wat schriftjes werden vroeger in een houten kistje opgeborgen en meegenomen. In deze houten schooltas was geen plaats voor boeken. Schoolkinderen hadden ook minder materiaal nodig. Tot ver in de negentiende en zelfs twintigste eeuw schreven veel leerlingen met lei en griffel, boeken waren nog niet zo talrijk, pennen waren er niet en papier was duur. De houten schooltas werd opgehangen aan de schoolbank of aan een haakje buiten de klas.
- buste Hendrik Conscience
Henri (Hendrik) Conscience

(Antwerpen, 3 december 1812Elsene, 10 september 1883), Vlaams schrijver.


Hij werkte zich door talent en ijver op tot een Vlaams volksschrijver. Er wordt van hem gezegd dat hij "de man was die zijn volk leerde lezen."

Door middel van zijn 'schilderende' teksten probeerde hij het volk op te voeden en te onderwijzen. Alhoewel Conscience pro-Belgisch was, blijkt uit zijn geschriften een felle Vlaamsgezindheid.

- schoolattributen

Een selectie van een aantal memorabele relicten.

Allerhande lesmateriaal: lei, griffel, pennendoos, schriftjes, leerboeken, enz.
Diverse privéverzamelingen, Beveren, Melsele

Herinneringen uit de goede oude tijd
"Het missienegerke" dateert al van de jaren'30 van vorige eeuw; net als verzamelen van "zilverpapier".

Op de lagere school was het de gewoonte om zilverpapier te sparen voor de missie. De kinderen vonden het raar dat zij bijvoorbeeld de chocolade opaten en de negertjes het zilverpapier kregen. Het "zilverpapier", de verpakking van chocoladerepen en karamellen, bestond in feite uit stanniool, een zeer dun gewalst tin. En dat bracht geld op. Het ging niet om grote bedragen, maar enige waarde had het wel en in die tijd hielpen alle beetjes.


De brandweerwagen, de nonnen voor de jongens, het tolleke voor de meisjes en de bikkels behoorden tot het speelgoedarsenaal uit de jaren '50 en '60 van de vorige eeuw. Ook het verzamelen van allerlei soorten prenten was dagelijkse kost.

Selectie van documenten uit het Archief de Bergeyck voor de tentoonstelling


TIJD IN BEVERSE MAAT

Familiemedaillon met relieken
Dit familiemedaillon bevat de relieken van de patroonheiligen van alle leden van het gezin van graaf Florimond (1839-1908) en gravin Alix (1849-1880) de Brouchoven de Bergeyck.

Zo ziet u bijvoorbeeld de heilige Lodewijk IX (Louis) van Frankrijk, patroon van de kappers, de wevers en de kleermakers. Zijn feestdag valt op 25 augustus. Verder merkt u de heilige Aemilianus (Emilie) op, patroon van de krijgslieden. Zijn feestdag wordt gevierd op 27 juni. De bekendste van allemaal is uiteraard de heilige Maria (Marie). Op deze reliek staat de tekst DE VELO B.M.V., dit betekent uit het kleed van de heilige maagd Maria. Zij heeft meerdere feestdagen: Maria Lichtmis op 2 februari, Maria Boodschap op 25 maart, Maria ten hemel opgenomen op 15 augustus en Onze Lieve Vrouw Onbevlekt Ontvangen op 8 december.


Over de oorsprong van de relieken bestaat geen duidelijkheid. Waarschijnlijk was de graaf bevriend met een geestelijke die in Rome beheerder was van de relieken. Deze hoge gezagsdrager zou uitgenodigd geweest zijn op een communiefeest van een van de kinderen van Florimond en Alix. Hoogst waarschijnlijk gaat het om het communiefeest van hun oudste zoon Louis (°1871) op het kasteel Cortewalle. Om volledige duidelijkheid te krijgen over de herkomst van de relieken zou het hoogst interessant zijn de officiële documenten die bij aangekochte relieken worden afgeleverd door de uitgaande instanties, terug te vinden. Maar helaas is dit als zoeken naar een speld in een hooiberg.


Collectie Archief de Bergeyck
Uittreksel uit het begraafboek van de Onze-Lieve-Vrouwkathedraal van Antwerpen inhoudende de overlijdensdatum van Isabella Clara Gerardi op 25 september 1673.
Dit document toont u dat Isabella Clara Gerardi begraven is in Antwerpen op 25 september 1673. Onderaan merkt u echter op dat dit uittreksel dateert van 20 mei 1786. Het stuk is een retroactum, een document dat oorspronkelijk in een ander verband en in een andere tijd is opgemaakt om als bewijsstuk te dienen in een of andere juridische kwestie.
In dit geval gaat het over een uittreksel uit het begraafboek waarbij het bewijs wordt geleverd van het overlijden van Isabella Clara Gerardi in 1673. Waarom dit overlijden meer dan een eeuw later moest worden bewezen, is nog niet achterhaald. Het papier vertoont een watermerk: segel 1786 met een wapenschild.
Archief de Bergeyck, deelarchief Goubau, nummer 55
Akte van venia aetatis waarbij de Raad van Brabant in naam van Karel VI, koning van Spanje en heerser over de Zuidelijke Nederlanden, Isabella Maria Josepha Goubau meerderjarig verklaart met het oog op het beheer van haar goederen.
Isabella Maria Goubau was de oudste van de drie weeskinderen van Maximinus Cornelis Goubau en Charlotte Maria Bouwens. De jongste broer van hun vader en de enige broer van hun moeder werden voogd over de jonge meisjes. Er bestonden drie manieren waarop de voogdij tot een einde kon komen: de wees kon in het huwelijk treden, de religieuze staat aannemen of vervroegd meerderjarig worden verklaard. In de achttiende eeuw bereikte men de volle meerderjarigheid bij de vijfentwintigste verjaardag.
Isabella Maria sloot haar jeugd af in 1726. Ze was toen achttien en volgens haar voogd en familie rijp voor de meerderjarigheid, zodat ze zelf haar erfgoederen en die van haar zussen kon beheren. Ook de twee jongere zusjes van Isabella Maria werden in 1728 op prille leeftijd meerderjarig verklaard.
Archief de Bergeyck, deelarchief Goubau, nummer 177
Onderhands akte uit 1772 waarbij de weduwe Vasse verklaart een pendule te hebben verkocht aan Petrus Philippus de Brouchoven de Bergeyck.
Het document is een leveringsbon van weduwe Vasse voor Petrus Philippus de Brouchoven de Bergeyck (1729-1807). Ze beschrijft daarin een door haar op 27 november 1771 geleverde pendule met een garantieperiode van zes maanden. De kwitantie of het betalingsbewijs waarvoor hetzelfde document werd gebruikt, dateert van 18 februari 1772.

Uit het feit dat de familienaam verkeerd is gespeld, kunnen we afleiden dat weduwe Vasse niet bekend was met de familie de Brouchoven de Bergeyck. De goudbronzen vergulde pendule werd verkocht voor een totaalbedrag van 26,50 Louis d’or, een gouden munt van 14 pond parisis met beeltenis van de Franse koning Lodewijk XV.


Archief de Bergeyck, deelarchief Goubau, nummer 1016
Alfabetische en chronologische staat van zeevaartroutes.
Dit register dat is bijgehouden door de Engelse-Antwerpse handelaar James Dormer (1708-1758) bevat een alfabetisch en chronologisch overzicht van zeereizen afgelegd door handelsschepen tussen 1751 en 1754. De linker kolom toont de datum, de tweede kolom de vertrek- en de aankomstplaats met eventuele opmerkingen. In de derde kolom staat een percentage vermeld, wellicht de winst.
Archief de Bergeyck, deelarchief Goubau, nummer 1094
Akte waarbij Thomas Philippe d’Hénin-Liétard-Boussut, aartsbisschop van Mechelen, gravin Livina Maria de Beer (1656-1743) toelating geeft om vanaf 19 november 1734.vlees te eten op vrijdagen, zaterdagen en vastendagen
Livina Maria de Beer, een dochter van Nicolaas Ignace de Beer, baron van Meulenbeke, verkreeg op zevenenzeventigjarige leeftijd van de aartsbisschop van Mechelen de toestemming om op vrijdagen, zaterdagen en vastendagen vlees te eten.

Aangezien Livina Maria toen reeds een gevorderde leeftijd had bereikt en haar geneesheer erop aandrong om het vasten achterwege te laten, mogen we ervan uitgaan dat deze beslissing om medische redenen is genomen.


Maria Livina was in 1734 al tweemaal weduwe. Haar tweede echtgenoot Jan de Brouchoven de Bergeyck stief in 1725. In de linkeronderhoek van dit document valt een ingedrukt zegel op.
Archief de Bergeyck, deelarchief de Brouchoven de Bergeyck, nummer 124
Chronogrammen opgemaakt ter gelegenheid van het huwelijk van Carolina Francisca de Brouchoven de Bergeyck (1802-1846) en Arnoud Willem van Brienen van de Groote Lindt (1783-1854) op 18 mei 1825.


Een jaardicht of chronogram bestaat uit een korte spreuk waarin de letters M, D, C, L, X, U, V, W, I en Y als Romeinse cijfers gelezen bij optelling een bepaald jaartal weergeven. Alle letters die in de tekst als Romeins cijfer voorkomen, moeten gebruikt worden. Meestal staan zij in kapitalen afgebeeld, soms in een andere kleur.
In deze chronogrammen staan de Romeinse cijfers in hoofdletters en zijn ze met rode inkt geschreven. Strikt genomen moet de tekst in het Latijn geschreven zijn, maar in dit geval gaat het over een Franse spreuk.

Carolina de Brouchoven de Bergeyck was de dochter van Charles François de Brouchoven de Bergeyck (1766-1811) en Carolina Josephina Roose De Baisy (1779-1852). Na de dood van haar vader zorgde haar moeder alleen voor de opvoeding van haar zes kinderen. Carolina en een van haar jongere zussen werden hofdames van de Nederlandse kroonprinses, de latere koningin Anna Paulowna. Carolina Francisca huwde in Beveren met de invloedrijke baron Arnoud Willem van Brienen, kamerheer van de Nederlandse koningen Willem I en Willem II. Het paar ging in Amsterdam aan de Keizersgracht wonen.


Archief de Bergeyck, deelarchief de Brouchoven de Bergeyck, nummer 259
Kwitantie van het uurwerken- en horlogehuis Ghiesbreght-Idiera te Brussel uit 1821 over de betaling een horloge door van Carolina Roose, gravin de Bergeyck.
De stadshorlogemaker J.B. Ghiesbrechts-Idiera uit Brussel stelde in 1821 deze kwitantie op. Het gaat hier over de verkoop van een horloge voor de prijs van 115 frank.

Carolina Roose de Baisy (1779-1852) was amper tweeëndertig wanneer haar echtgenoot Charles François de Brouchoven de Bergeyck in 1811 plots stierf. Ze bleef alleen achter met zes zeer jonge kinderen, maar verkoos niet meer te hertrouwen. Haar stevige financiële achtergrond liet haar toe haar kinderen alleen op te voeden en een onafhankelijk leven in de schijnwerpers te leiden. In Brussel was ze een graag geziene gast aan het hof van de Nederlandse kroonprinsen. De laatste jaren van haar leven bracht Carolina Roose vooral in Beveren door, in het gezelschap van haar oudste zoon Charles Joseph. Ze overleed op 1 november 1852 in het kasteel Cortewalle.

Archief de Bergeyck, deelarchief de Brouchoven de Bergeyck, nummer 349

Twee lopende rekeningen van Carolina Roose, gravin de Bergeyck, bij horlogemaker Daniel Switser uit Brussel, 1825-1826.

De eerste rekening loopt van 27 januari tot 10 mei 1825, de volgende rekening dateert uit 1826. De lopende rekeningen zijn telkens onderverdeeld in drie kolommen. In de linkerkolom staat de datum waarop de werken zijn uitgevoerd, in de middelste kolom staat een korte omschrijving van de geleverde diensten, en helemaal recht staat de prijs van deze uitgevoerde werken. Het gaat hoofdzakelijk over reparaties en onderhoud van klokken, pendules en uurwerken.


Aan de hand van dit document is het mogelijk om te achterhalen welke soorten uurwerken er aanwezig waren in het huishouden van Carolina Roose. Zo was het gezin in het bezit van een repetitiehorloge, twee halsuurwerken, een zakhorloge, een uurwerk van één van de zonen van Carolina, een slingeruurwerk (pendule) in de traphal,….


Archief de Bergeyck, deelarchief de Brouchoven de Bergeyck, nummer 432
Onlangs gerestaureerde lijst met de namen van de in Engeland gevangengenomen Spaanse soldaten en matrozen van de Koninklijke Spaanse Armada, onder leiding van graaf de Medina Sidonia, uit 1589.

Carolus de Longin (+1615) werd door Alexander Farnese (1545-1592), hertog van Parma, belast met de opdracht om te onderhandelen met de Engelse regering over het vrijkopen van de gevangen genomen zeelieden en soldaten van de in 1588 voor de Engelse kust ten onder gegane Spaanse Armada (de onoverwinnelijk gewaande Armada was door de Spaanse vorst Filips II als begeleidingsvloot voor een invasieleger naar Engeland gestuurd nadat Elisabeth I militaire steun had geboden aan de opstandelingen in de Nederlanden). Het eindresultaat van deze onderhande-lingen is een lijst van ongeveer 130 beschreven vellen met de namen van ongeveer 550 soldaten en zeelui, hun leeftijd, hun persoonsbeschrijving, de plaats waarvan zij afkomstig waren en de naam van het schip waarop zij dienden, aangevuld met de kosten voor hun verblijf en hun maal-tijden tijdens hun dertien maanden durende gevangenschap en hun vrijkoopsom.


Dit handgeschreven register werd in 2010-2011 volledig gerestaureerd. Dit houdt in dat er ver-schillende ingrepen plaatsvonden die het object behoeden voor verder verval: de inwerking van de tijd op het object wordt als het ware stopgezet. Het manuscript werd gerestaureerd met als doel het bewaarbaar en presenteerbaar te maken, niet om het te herstellen in zijn oorspronkelijke toestand. Zo werd het register niet opnieuw ingebonden. Wel werden schimmels en bacteriën verwijderd en het aangetaste papier en rugvouwen vakkundig hersteld.


Archief de Bergeyck, deelarchief de Vischer de Celles, nummer 1214
Onlangs gerestaureerd renteboek van Carolus de Login (+1615).
Een manuaal is een register van inkomsten en uitgaven die voortkomen uit het beheer van onroerende goederen. Carolus de Login was een van de zeven kinderen van Roland de Longin (+1573) en zijn tweede vrouw Anna de Rifflart (+1589). Hij was commissaris van aanmonstering en werkte decennia trouw in dienst van de staatsambtenarij.
Dit is een register met een perkamenten band met voorflap. Voor de restauratie bevond het register zich in deplorabele toestand: de band en het boekblok waren sterk aangetast door schimmel, het boekblok was losgekomen van de band, er was veel waterschade, het boekblok was aangetast door insecten, bijna alle rugvouwen waren doorgescheurd en sommige delen van het papier waren zo broos dat er reeds stukjes verdwenen waren. Voordat het boek kon gerestaureerd worden, diende de schimmel verwijderd te worden, omdat deze een gevaar kan vormen voor het voortbestaan van het boek zelf.
Archief de Bergeyck, deelarchief de Vischer de Celles, nummer 1332
Brief van Jacob Albert Dormer (1736-1776) aan zijn stiefmoeder Joanna Theresia Goubau, gedateerd op 18 december 1750 te Sint-Omaars.
Geheel in de traditie van de Engelse katholieke elite werd Jacob Albert Dormer op 10 oktober 1750 door zijn vader en zijn stiefmoeder naar het Engelse college in Sint-Omaars gestuurd om daar een gedegen opvoeding te volgen. In de briefwisseling met zijn stiefmoeder Joanna Theresia Goubau (1710-1781) laat de veertienjarige Dormer geen kans ongelegen om haar zijn affectie te betonen. In de aanhef van de brief noemt hij haar met veel genegenheid en egards seer beminde moeder. Uit de uitgaande brieven blijkt zeer duidelijk dat de jonge Dormer veel moeite ondervond om zich aan te passen aan het strenge regime van een jezuiëtenpensionaat. Het eten beviel hem allerminst, hij klaagde over kwaaltjes en de sobere levensstijl, maar ook de strikte dagindeling kon de nieuwe student niet echt bekoren. Elke dag moest Dormer vroeg uit de veren want om halfzes begon zijn lange dagtaak. Van halfzes tot halfacht ’s morgens had hij twee uur studie, gevolgd door het ontbijt (“pap eten in den refter”). Daarna volgde wederom studie tot halfelf in de voormiddag. Tot elf uur was er dan tijd om de viole te leeren spelen ende te singen. Tussen halftwaalf en half één volgde een uurtje spel en ontspanning. Om twee uur werd het middagmaal opgediend. Daarna moest hij opnieuw naar school en studeren. ’s Avonds na het souper werd de schooldag afgesloten met een gebed. Op zondag en andere heiligdagen moest Jacob te communie gaan.
Dagschema op het Engels college in Sint-Omaars volgens de briefwisseling van Jacob Albert Dormer:

  • 5.00u: opstaan

  • 5.30u-7.30u: studie

  • 7.30u: ontbijt

  • -10.30u: studie

  • 10.30u-11.00u: viool oefenen en zangles

  • 11.30u- 12.30u: spel en ontspanning

  • 14.00u: middagmaal

  • -16.30u: school

  • 16.30u-17.00u: gesprek met schoolmeester

  • 17.00u-18.30: studie

  • 18.30: avondmaal

  • Gebed



Archief de Bergeyck, deelarchief Goubau, nummer 272






Gemeentelijk heemkundig museum 2013 – handleiding voor gidsen

  • -Joodse kalender
  • LesTrès Riches Heures du duc de Berry

  • Dovnload 169.24 Kb.