Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Titel: Bv. Graven aan de berg Archeologisch onderzoek aan het grafveld uit de Romeinse tijd langs de Baron d’Osystraat, aan de voet van de Molenberg te Wijchen

Dovnload 292.51 Kb.

Titel: Bv. Graven aan de berg Archeologisch onderzoek aan het grafveld uit de Romeinse tijd langs de Baron d’Osystraat, aan de voet van de Molenberg te Wijchen



Pagina1/4
Datum05.05.2019
Grootte292.51 Kb.

Dovnload 292.51 Kb.
  1   2   3   4
    Navigeren deze pagina:
  • 3

Archeologische Berichten Wijchen – Rapport XXX

Titel:

Bv. Graven aan de berg
Archeologisch onderzoek aan het grafveld uit de Romeinse tijd langs de Baron d’Osystraat, aan de voet van de Molenberg te Wijchen

Marijne Magnée-Nentjes

Joep Hendriks
Met een bijdrage van:

Liesbeth Smits

Gemeente Nijmegen, Bureau Archeologie

2007
© 2007 Gemeente Nijmegen, Bureau Archeologie


Titel

A.M. Magnée-Nentjes & J. Hendriks met een bijdrage van L. Smits

…… 2007
Vormgeving: R.M.H.C. Mols

Tekstredactie: K. Zee

In opdracht van:

Gemeente Wijchen


Niets van deze uitgave mag worden verveelvoudigd in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j◦, het besluit van 29 juni 1974, St.b. 351, zoals gewijzigd bij Besluit van 23 augustus 1985, St.b. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan de Stichting Reprorecht (Postbus 882, 1180 AW Amstelveen).

Voor het overnemen van gedeelte(n) van deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) dient men zich tot de uitgever te wenden.


No part of this book may be reproduced in any form, by print, photocopy, microfilm or any other means, without the written permission from the Publisher.
Inhoud

1 Inleiding

1.1 Administratieve gegevens

1.2 Situering van de onderzoekslocatie

1.3 Doel van het onderzoek
2 Methoden
3 Archeologisch kader

3.1 Een beknopt overzicht

3.2 Het‘oude onderzoek’ aan de Molenberg
4 Het landschap

4.1 Geologie en geomorfologie

4.2 Historisch landgebruik

4.3 Bodemkundige gesteldheid


5 Resultaten van het onderzoek: bewoningsresten uit de prehistorie

5.1 Sporen en structuren

5.2 Vondstmateriaal

5.2.1 Laat-neolithicum en/of vroege bronstijd

5.2.2 IJzertijd
6 Resultaten van het onderzoek: een grafveld uit de Romeinse tijd

6.1 Grafveldonderzoek: een inleiding

6.2 Catalogus

6.2.1 De graven

6.2.2 De kuilen (en mogelijke graven)

6.2.3 De randstructuren

6.2.4 Overige vondsten uit de Romeinse tijd

6.3 Analyse van de sporen



    1. Analyse van het vondstmateriaal

6.4.1 Aardewerk

6.4.2 Glas

6.4.3 Metaal

6.4.4 Gebakken klei

6.4.5 Bewerkt bot

6.4.6 Dierlijk botmateriaal

6.4.7 Menselijk botmateriaal

6.5 Interpretatie van het grafveld


7 Resultaten van het onderzoek: sporen en vondsten de middeleeuwen en nieuwe tijd

7.1 Sporen en structuren

7.2 Vondstmateriaal
8 Synthese
Literatuur
Bijlage 1 Concordantielijsten

Bijlage 2



1 Inleiding
In het kader van de nieuwbouw van de brandweerkazerne aan de Baron d’Osystraat, aan de voet van de Molenberg in Wijchen heeft Bureau Archeologie van de gemeente Nijmegen, in opdracht van de gemeente Wijchen, voorafgaande aan de werkzaamheden een archeologische onderzoek uitgevoerd (fig. 1). Het plangebied ligt in een gebied met hoge archeologische verwachting. Deze verwachting is verwoord in de archeologische beleidsadvieskaart voor de gemeente Wijchen.1 In de afgelopen eeuw zijn op dit terrein en in de nabije omgeving meermaals meldingen gedaan van vondsten en graven uit de ijzertijd en de Romeinse tijd. Een tijdbalk met de datering van alle genoemde periodes is voorin dit rapport afgebeeld. De voorgenomen werkzaamheden zouden de eventuele, ter plaatse aanwezige archeologische resten kunnen vernietigen. Om informatie hierover voor de toekomst veilig te stellen heeft een opgravend onderzoek plaatsgevonden. De werkzaamheden zijn uitgevoerd conform een Programma van Eisen.2
Voor de bouw van een nieuwe brandweerkazerne zal het oude kazernegebouw worden afgebroken en het eromheen liggende terrein geherstructureerd. Het opgravend onderzoek vond plaats op dat deel van het plangebied waar de nieuwe brandweerkazerne gebouwd zou worden en een nieuw parkeerterrein zou worden aangelegd. Voorafgaande aan het opgravend onderzoek werden op 16 januari 2001 reeds waarnemingen verricht bij de sloop van een barak die ook op het terrein stond. De opgraving vond plaats in twee fasen: van 14 januari tot en met 21 januari 2004 (fase 1) en van 30 augustus tot en met 17 september 2004 (fase 2). Tijdens de eerste fase van het opgravend onderzoek werden de putten op zodanige wijze aangelegd dat onder andere vastgesteld kon worden wat de gesteldheid van de bodem ter plekke was, op welke diepte sporen konden worden verwacht, of er sprake was van verstoring uit recente tijd en zo ja, waar die verstoring zich bevindt. In fase twee volgde het eigenlijke opgravend onderzoek op dat deel van het plangebied dat door nieuwbouw zou worden verstoord. Na afronding van de opgraving vond in 2005 de bouw van de nieuwe brandweerkazerne plaats. Tijdens het bouwrijp maken van het terrein en het plaatsen van een keermuur werden waarnemingen verricht. De waarnemingen werden verricht op respectievelijk 24 tot en met 31 oktober 2005 en 15-16 februari 2006. De oude brandweerkazerne werd in 2007 afgebroken. Bij de sloop daarvan en het aanleggen van het nieuwe parkeerterrein werden op 24 januari 2007 waarnemingen verricht. Dit rapport bevat de resultaten en de conclusie en synthese van het archeologisch onderzoek tesamen met de gedane waarnemingen. De verschillende onderzoeken die in de eeuw voorafgaand aan de opgraving zijn uitgevoerd en de daaruit voortvloeiende bevindingen zijn eveneens opgenomen.
Tijdens de opgraving is 1456 m² onderzocht. Er zijn tien werkputten in meerdere vlakken aangelegd. Daarnaast zijn bij de waarnemingen nog eens zes zones ingedeeld. De oppervlakte van het totale plangebied is 2215 m². Bij het onderzoek waren Ernesto Aalders, Bart Brandts, Antoinet Daniël, Marike Diepeveen, Craig Ginapp, Rocco van der Heijden, Camilla Huss (veldtechnicus), Judith Jansen, Jolie Kamphorst, Afra Koopman, Heidi Vekemans, Valeria Repnina (veldtechnicus) en Hans van Wetten betrokken. De coördinatie van de werkzaamheden lag in handen van Kees Brok. Projectverantwoordelijke was Rob Reijnen. De vondsten zijn gedeponeerd in het depot van Bureau Archeologie van de Gemeente Nijmegen. De documentatie van het onderzoek bevindt zich in hetzelfde depot.

Figuur. 1 De locatie van het onderzoeksterrein aan de voet van de Molenberg, langs de Baron d’Osystraat te Wijchen.


    1. Administratieve gegevens

Provincie: Gelderland

Gemeente: Wijchen

Plaats: Wijchen

Toponiem: Baron d’Osystraat en Molenberg

Kadastrale gegevens: WCN00H 2606

Kaartblad: 45F

Coördinaten: 178.510/424.638, 178.659/424.638, 178.659/424.536, 178.510/424.536

Projectverantwoordelijke: R.W. Reijnen

Bevoegd Gezag: gemeente Wijchen, contactpersoon: M. Dalderup

Archis- onderzoeksmeldingsnummer (CIS-code): 7322

Projectcode: Ba1

Complex en ABR codering: grafveld, crematie – GVC en nederzetting, onbepaald - NX

Periode(n): ijzertijd en midden Romeinse tijd (IJZ en ROMM)

Geomorfologische context: lage landduinen, met bijbehorende vlakten en laagten

NAP hoogte maaiveld: 9.29+ -10.27+

Maximale diepte onderzoek: 7.76+

Uitvoering van het veldwerk: 14/1/2004 tot en met 21/1/2004, 30/8/2004 tot en met 17/9/2004 Beheer en plaats documentatie: Bureau Archeologie Gemeente Nijmegen


1.2 Situering van de onderzoekslocatie
De onderzoekslocatie is gelegen ten noordoosten van de markt, de oorspronkelijke dorpskern van Wijchen, tussen het kasteel van Wijchen en de Molenberg met ‘De Oude Molen’ (fig. 2). 3 Aan de noordwestkant wordt het plangebied begrensd door woningen die aan de Baron d’Osystraat liggen en aan de zuidoostkant door de Bronckhorstlaan. Aan de zuidwestzijde vormt het terrein rond het kasteel van Wijchen de begrenzing en aan de oostzijde de Molenberg. Uit de afgelopen driekwart eeuw zijn er verschillende meldingen bekend van prehistorische en Romeinse graven die aan de zuidelijke voet van de Molenberg gevonden zijn.4 Deze Molenberg is van oorsprong een tijdens de laatste ijstijd gevormd stuifduin waarop al eeuwenlang een molen staat. De huidige molen is een bovenkruier van het type korenbeltmolen, die in 1799 werd gebouwd door Michiel Schoonwater in opdracht van de toenmalige kasteelheer Jan Carel d’Osy. Om de natuurlijke verhoging optimaal te benutten, is de molen aangelegd op een kleine kunstmatige heuvel, de belt.5 Aan de westzijde van deze Molenberg ligt tegenwoordig de Baron d’Osystraat – tot 1958 Molenbergseweg geheten – die vanaf de Spoorstraat in het noordwesten tot de splitsing met de Bronckhorstlaan en de Molenweg in het zuidoosten loopt. Ten zuiden van deze splitsing lag het molenhuis, de oude molenaarswoning die in 1978 na een brand gesloopt werd. Het huidige molenhuis ligt op dezelfde plek. Aan de zuidzijde van de Baron d’Osystraat was vanaf 1934 het houtverwerkingsbedrijf van de firma Roelofs gevestigd, dat bestond uit een stenen kantoor, werkplaatsen en houtloodsen (fig. 3). Na een brand in 1962 werd het kantoorpand tot brandweerkazerne omgebouwd. De uit 1947 daterende ‘krullentoren’, de silo waarin voorheen houtschaafsel werd opgeslagen, ging dienst doen als droogplaats voor de brandweerslangen. In 1969 werd aan het pand een vleugel aangebouwd, waarin tot het begin van de jaren tachtig de centrale boekhouding van de Gemeentelijke Sociale Dienst gehuisvest was. Naast de brandweerkazerne hebben na de afbraak van de loodsen van het houtverwerkingsbedrijf enkele barakken gestaan die in gebruik waren door onder andere de Dienst Gemeentewerken, een muziekschool en als stalling van ambulances (fig. 4a+b).
Naast de verschillende bouwwerkzaamheden hebben er aan het zuidoostelijke deel van de Baron d’Osystraat ook meerdere ingrepen plaatsgevonden in de inrichting van de openbare ruimte. In 1975 werd de zuidelijke flank van de Molenberg geëgaliseerd en in het midden van de jaren negentig is het zuidelijk stuk van de Baron d’Osystraat afgesloten. Hierdoor kon de Molenberg in zuidelijke richting verlengd worden met een plantsoen, waar de reconstructies van drie grafheuvels verwezen naar het vroegere gebruik van de plek. Op deze locatie vond het in dit rapport beschreven archeologisch onderzoek plaats en is in 2006 de nieuwe brandweerkazerne gebouwd. De oude brandweerkazerne is behoudens de krullentoren in januari 2007 afgebroken. De hierboven beschreven vele bouw- en wegwerkzaamheden hebben ertoe geleid dat we buiten de recente onderzoeksresultaten over een veelheid aan vondsten uit de prehistorie en de Romeinse tijd beschikken, soms met duidelijke, maar meestal met minder duidelijke contextgegevens. Aan de vondstomstandigheden van dit ‘oude onderzoek’ wordt in hoofdstuk 3 nader aandacht besteed. De bevindingen zijn weergegeven in bijlage 2 en zijn meegenomen in de conclusies (hoofdstuk 8).

Figuur 2. Kadastrale kaart met de situatie rond 2000: nieuw wegensituatie, oude brandweerkazerne en het nieuwe molenhuis

Figuur 3. Kadastrale kaart met de situatie rond 1950: oude wegensituatie, houtverwerkingsbedrijf Roelofs en het oude molenhuis

Figuur 4a en 4b. Twee afbeeldingen van de afgesloten Baron d’Osystraat met de oude brandweerkazerne, de grafheuvels en de muziekschool, situatie vóór 2001.


    1. Doel van het onderzoek

Door de voorgenomen nieuwbouw van de brandweerkazerne en de herstructurering van het omliggende terrein aan de Baron d’Osystraat-Molenberg, zou een grafveld uit de ijzertijd en Romeinse tijd verstoord worden. Het is het streven van overheid en gemeentelijke instanties om niet met verstoring bedreigde bodemarchieven intact te laten. De gemeente Wijchen onderschrijft dit streven.6 Met de opdrachtgever, de gemeente Wijchen, is overeengekomen om alleen het met definitieve verstoring bedreigde deel van het plangebied opgravend te onderzoeken. Doel van dit onderzoek was niet alleen het vastleggen en documenteren van de bedreigde resten en sporen, maar ook inzicht te verkrijgen in de aard, kwaliteit, omvang en periodisering van de archeologische resten. Daarnaast was het doel de resultaten in een breder kader te kunnen plaatsen. Om deze doelen te kunnen realiseren werd een aantal algemene en een aantal specifieke vragen gesteld. Aangezien verwacht werd op de onderzoekslocatie (crematie)graven aan te treffen zijn de specifieke vragen hierop toegespitst: is het mogelijk inzicht te verkrijgen in de lokale grafrituelen, zijn er aanwijzingen te verkrijgen over de uitgestrektheid en begrenzing van het grafveld en zijn er aanwijzingen te verkrijgen over de bewoningsgeschiedenis rond dit grafveld, zowel eerder als later in de tijd?


Om het ‘grafritueel als proces’ te kunnen herkennen moet bij de analyse van de resultaten niet alleen worden gekeken naar de structuur van het graf (dat wil zeggen de vorm, de ligging en de samenstelling van het graf). De structuur ligt ten grondslag aan de reconstructie van de rituelen. Om vragen betreffende het grafritueel op dit deel van het grafveld aan de Molenberg zo goed mogelijk te kunnen beantwoorden moet elk graf in detail gedocumenteerd worden. De grafinhoud wordt nauwkeurig in kaart gebracht en geborgen en elk onderdeel zal worden geanalyseerd, zodat verschillen in het patroon van grafdeposities en rituele maaltijden en offers kunnen worden onderscheiden. Andere zaken zoals het aan- of afwezig zijn van brandplaatsen en van inhumaties (waaronder kinder- en babygraven), de resten van grafheuvels, het wel of niet voorkomen van randstructuren en de bijzettingen in niet-grafkuilen zijn daarbij van belang. De manier waarop de verschillen tussen de graven onderling tot uiting komen is hieruit af te leiden. De verschillende wijze van bijzetten (de graftypen), de verbrande versus onverbrande bijgiften en de wijze waarop de aardewerkassemblages samengesteld zijn staan tot een bepaalde verhouding met elkaar. Ook de soorten dierlijk bot en de aanwezigheid van graven met een munt is daarbij van belang.
Uit publicaties van Hiddink over grafrituelen in de late ijzertijd en de Romeinse tijd komt een beeld naar voren van een grote variatie binnen het grafritueel in Nederland in de eerste drie eeuwen van onze jaartelling.7 Er zijn weinig overeenkomsten, maar daaruit blijkt dat het crematieritueel overheerst, bustumgraven in Nederland grotendeels lijken te ontbreken en urnbijzettingen in grafvelden spaarzaam voorkomen. Hierbij kan worden opgemerkt dat de laatste twee fenomenen in de omgeving van Nijmegen juist iets vaker voor lijken te komen dan in de rest van Nederland.8
Om de doelen te kunnen beantwoorden zijn voor het onderzoek van deze vindplaats in het Programma van Eisen naast de algemene vragen ook een aantal specifieke onderzoeksvragen opgesteld.9
Algemene vragen:

  • Waaruit bestaan de archeologische resten?

  • Wat is de geologische en geomorfologische opbouw van het landschap rond de vindplaats en wat is de relatie met de archeologische resten?

  • Wat is de aard, datering en omvang van de archeologische sporen en resten? En tot welk complextype kunnen deze worden gerekend?

  • Wat is de aard en datering van de diverse bodemlagen en wat is hun begrenzing in het verticale en horizontale vlak?

  • Wat is de kwaliteit van de aangetroffen archeologische resten?

  • Wat is de diepte (t.o.v. het maaiveld) en de hoogteligging (t.o.v. NAP) van de archeologische resten?

  • Wat is de relatie tussen de aangetroffen resten, de vastgestelde stratigrafie, de bodemgesteldheid en het landschap?

  • Is er een relatie tussen de landschappelijke ligging (geomorfologie, reliëf en bodem) en de conservering van de archeologische resten?

Specifieke vragen:



  • Bevinden zich hier graven met kringgreppels uit de ijzertijd? Zo ja, wat is de precieze datering?

  • Bevinden zich hier Romeinse graven? Zo ja, wat is dan de precieze datering?

  • Hebben die Romeinse graven een randstructuur?

  • Wat is de vorm, ligging en samenstelling van elk van de graven?

  • Wat is de inventaris van de graven?

  • Tot welk type grafritueel behoren deze graven en is er sprake van voorkeur voor één bepaald type?

  • Waar is de begrenzing van het grafveld en tot hoe ver strekt het zich uit?

  • Zijn er naast de resten van graven nog andere (oudere) sporen en archeologische resten aanwezig? En zo ja, wat is de aard van deze sporen?

  • Hebben de graven oudere resten verstoord?

  • Heeft er van de ijzertijd tot en met de Romeinse tijd continu begraving plaatsgevonden?

  • Zijn er ook nederzettingssporen? Zo ja, uit welke tijd dateren die dan?

  • Zijn er resten uit recentere tijden aanwezig?

  • Wat is de landschappelijke setting van het vermoedelijke grafveld? Zijn hier nog kenmerken van te onderscheiden (zoals bijvoorbeeld de aanwezigheid van een weg)?

  • Zijn er overeenkomsten met andere (Romeinse) grafvelden in de omgeving van Wijchen?

  • Wat kan er gezegd worden over het begrafenisritueel?

  • Liggen er geslachts- of leeftijdsspecifieke kenmerken ten grondslag aan het begrafenisritueel?

  • Wat is er bekend van de aard, ouderdom, status, gaafheid, etc. van een graf?

  • Welke ruimtelijke variatie zit er in het grafveld?

2 Methoden


Het opgravend onderzoek heeft in twee fasen plaatsgevonden. In de eerste fase zijn twee werkputten zodanig verspreid over het plangebied aangelegd dat kon worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre er sprake was van verstoring van de bodem, op welke diepte de sporen zich bevonden en hoe de bodemopbouw ter plaatse was. De twee werkputten (fig. 5, fase 1) zijn in twee van de vier hoeken over een deel van het plangebied aangelegd. De derde hoek was op dat moment nog bebouwd met de oude brandweerkazerne en de vierde hoek was gedeeltelijk bestraat voor een plein en pad aan het eind van de Baron d’Osystraat. De twee werkputten hebben een lengte van respectievelijk 18 m (wp1) en 9 m (wp2) en zijn 4 tot 4,5 m breed. In werkput 1 zijn haaks twee dwarssleuven aangelegd van 10 bij 4 m. Uit het onderzoek in de werkputten is gebleken dat op het westelijk deel van het plangebied de sporen zich op een diep genoeg niveau bevonden om niet verstoord te worden door de geplande werkzaamheden. De nieuwe parkeerplaats zou daar worden aangelegd. Tevens bleek dat op het zuidoostelijk deel van het terrein de verstoring uit recente tijden zo groot was dat niet veel archeologische sporen meer verwacht mochten worden (fig. 6).
In fase twee van het archeologisch onderzoek volgde dan de rest van de opgraving. Deze opgraving concentreerde zich op dat deel van het plangebied waar de nieuwe brandweerkazerne gebouwd zou worden. De bouwput hiervoor zou de archeologische sporen verstoren en vernietigen. In dit deel zijn acht werkputten vlakdekkend aangelegd (fig. 6, fase 2). In werkput 8 en werkput 10 bleek daarbij dat de archeologische sporen zo dicht onder de bouwvoor lagen dat zij verstoord zijn geraakt (fig. 7). Als gevolg daarvan is afgezien van het naar het zuidoosten toe uitbreiden van het opgravingsgebied. Het opgravend onderzoek is hierna afgerond. Het aanleggen van de bouwput voor de nieuwe brandweerkazerne is dan op een later tijdstip gevolgd met het verrichten van waarnemingen. Hierbij werd onder andere een keermuur geplaatst aan de oostzijde en een rij bomen gerooid aan de noordwestzijde van het plangebied. Ten behoeve van de administratie zijn in dit gebied zones 11 en 13 tot en met 16 aangegeven (fig. 5). In zone 12 waren eerder (in 2001) tijdens en na de sloop van een barak al waarnemingen verricht.
De werkputten zijn met behulp van een GPS-apparaat ingemeten in het RD-systeem (rijksdriehoeksmeting). Vervolgens zijn de werkputten op machinale wijze vlaksgewijs verdiept tot het niveau waarop de archeologisch relevante sporen zichtbaar werden, of indien afwezig tot in de natuurlijke ondergrond. De natuurlijke ondergrond bestond uit geel stuifzand en lag op een diepte van 7.86+ NAP (aan de westzijde) tot 9.10+ NAP (aan de oostzijde). De verwijderde bouwvoor en alle vlakken in alle werkputten zijn met een metaaldetector intensief afgezocht op metalen voorwerpen. De sporen zijn ingemeten, met de hand gecoupeerd en gedocumenteerd. Op elk mogelijk graf werd minimaal een coupe gezet waarna het per deelvlak laagsgewijs werd verdiept. Voorwerpen en andere onderdelen van de grafinventaris, zoals een houtskool- en/of botconcentratie die daarbij werden aangetroffen zijn ingemeten en getekend. De NAP-hoogte van die voorwerpen of concentratie is eveneens vastgelegd. De profielen en de coupes zijn getekend en gefotografeerd en het vondstmateriaal is geborgen. De vulling van de graven is gezeefd met een zeef van 1 mm. De inhoud van de aanwezige randstructuren is diepgaand onderzocht en apart geborgen. Op regelmatige afstand zijn daarbij op de greppel coupes gezet en getekend en gefotografeerd. De coupes zijn zowel in de lengterichting als in de dwarsrichting gezet. Het vondstmateriaal is na reiniging onderzocht en gedetermineerd. Het botmateriaal, dierlijk en menselijk, is geanalyseerd door een fysisch-antropoloog, Liesbeth Smits. De resultaten zijn verwerkt in de analyse.

Figuur 5. De ligging van de werkputten en de zones waarin waarnemingen zijn verricht langs de Baron d’Osystraat,, aan de voet van de Molenberg en de daarbij behorende nummers.

Figuur 6. Foto van het oostprofiel in werkput 1, zichtbaar zijn de grote verstoringen uit recente tijd.(Ba1.01.00)

Figuur 7. Foto van graf 25 met op de achtergrond op geringe hoogte het maaiveld. (Ba1.10.001).

3 Archeologisch kader


Bij de verschillende onderzoeken aan de Baron d’Osystraat-Molenberg zijn sporen en vondsten uit meerdere perioden aangetroffen, vanaf het laat-neolithicum tot en met de midden-Romeinse tijd. Opmerkelijk is dit niet, de gemeente Wijchen kent immers een rijk bodemarchief. In dit hoofdstuk worden de gegevens van deze onderzoeken in een chronologisch en ruimtelijk kader geplaatst. Dit gebeurt aan de hand van enkele andere archeologische vindplaatsen uit de omgeving. Vervolgens zal aandacht besteed worden aan de geschiedenis van het oude onderzoek aan de Molenberg.
3.1 Een beknopt overzicht
Het is niet eenvoudig de in dit rapport geanalyseerde vindplaats in een uitgebreider kader te plaatsen, aangezien in de gemeente maar weinig archeologische complexen goed onderzocht zijn. Op de meeste plaatsen zijn sporen of vondsten uit meerdere perioden aangetroffen, maar is het door de beperkte vondstomstandigheden moeilijk gebleken een duidelijk beeld van de verspreide bewoning en begravingen te krijgen. De hoeveelheid ‘stippen’ op een kaart met archeologische vindplaatsen, zoals op figuur 3.1, weerspiegelt dus geenszins de kennis van de bewoningsgeschiedenis. Hier wordt volstaan met een selectie van reeds opgegraven complexen en vindplaatsen die relevant zijn voor de context van ons onderzoek. De gegevens zijn hoofdzakelijk afkomstig uit de inventarisaties van Peddemors en Willems10 en aangevuld met waarnemingen uit ARCHIS, die door RAAP Archeologisch Adviesbureau BV zijn samengevoegd voor de vindplaatsenkaart als onderdeel van de gemeentelijke beleidsadvieskaart.11 Waar mogelijk zijn ook recente opgravingsgegevens van het Bureau Archeologie van de Gemeente Nijmegen meegenomen.
Uit de bovenstaande inventarisaties blijkt duidelijk dat de meeste vindplaatsen zich concentreren op het pleistocene rivierduincomplex (fig. 8). Tot in de jaren zeventig zijn enkele grote stuifduinen afgegraven, zoals de Holenberg, Kruisberg, Homberg en Kraaijenberg. Hierbij zijn veel archeologica aan het licht gekomen, daterend vanaf het mesolithicum. Aanwijzingen voor bewoning in de tweede helft van het laat-neolithicum en de vroege bronstijd bestaan meestal uit de vondst van slechts enkele aardewerkfragmenten. Vindplaatsen uit deze periode zijn onder andere bekend van de Homberg,12 Kraaijenberg, De Pas13 en bij Het Vormer en Klispoel. Van nederzettingen uit deze tijd, die gekenmerkt worden door het voorkomen van klokbeker- en wikkeldraadaardewerk is nog weinig bekend, maar gelet op de spreiding van vondsten mag aangenomen worden dat de hoge ligging van het rivierduincomplex en de nabijheid van open water aantrekkelijk was voor zowel seizoensgebonden als permanente bewoning.14 Enkele vondsten en mogelijk ook structuren uit de volgende periode die ook op de Molenberg aangetroffen zijn, behoren tot de Niederrheinische Grabhügelkultur. De nederzettingen in deze periode, de late bronstijd en vroege ijzertijd, hadden een zwervend karakter rondom urnenvelden die soms eeuwenlang op dezelfde plek lagen. Van deze grafvelden zijn er in Wijchen meerdere bekend, niet alleen in het noorden op de Kruisberg en de Wezelseberg, maar ook richting het oosten bij de Valendries en richting Alverna. De ligging ervan was al bekend vanaf de late 19e eeuw. Vele urnen die men uit deze grafheuvels afkomstig zijn, werden in de eerste helft van de 20e eeuw opgegraven, verzameld en opgekocht door de lokale kousenfabrikant en amateur-archeoloog F. Bloemen. Hij stond tevens aan de wieg van het huidige Museum Kasteel Wijchen.15 Bewoningssporen uit de vroege ijzertijd zijn onder andere aangetroffen te Woezik, op De Pas en net ten noorden van de Molenberg. Vanaf deze periode lijken enkele vindplaatsen, zoals die op de Holenberg, op De Pas en rond Passerot gedurende een langere periode bewoond te zijn geweest. Zo is op De Pas nederzettingsmateriaal uit de midden-ijzertijd duidelijk vertegenwoordigd.16
Figuur 8. De ligging van vermelde archeologische vindplaatsen uit de prehistorie in Wijchen. De omkaderde symbolen betreffen opgegraven vindplaatsen. (ondergrond op basis van Archis 2, TOP10).
Van de overgang van de late ijzertijd naar de vroeg-Romeinse tijd is in Wijchen relatief weinig bekend. Het Land van Maas en Waal behoorde vanaf de late 1e eeuw voor Chr. tot de kern van het stamgebied van de Bataven. In de loop van de 1e eeuw na Chr. kwam de regio onder invloed van de Romeinse militaire en civiele nederzettingen te Nijmegen. Vooral vanaf het laatste kwart van de 1e eeuw zullen de aanwezigheid van het 10e legioen en de stichting van de civitashoofdstad van de Bataven, Ulpia Noviomagus, voor grote betekenis zijn geweest voor de bewoners in de omgeving van Wijchen.17 Het is dan ook niet vreemd dat de meeste bewoningssporen uit de midden-Romeinse tijd dateren, al is slechts één nederzettingsterrein bekend waar ook structuren zijn opgegraven. Dit betreft het mogelijke villacomplex van de Tienakker, gelegen aan de oever van het Wijchense Meer en in de Romeinse tijd een bevaarbare zijarm van de Maas.18 Gelet op de hoeveelheid en de verbreiding van de vondsten kan deze nederzetting wellicht als een regionaal centrum beschouwd worden.19 De Romeinse bewoning van Wijchen lijkt zich enerzijds te concentreren ten westen van het huidige centrum bij de Tienakker en de Homberg en anderzijds op De Pas en rond Passerot (fig. 9).20 De vondsten bij Het Vormer en De Woord liggen enigszins geïsoleerd. Zo weinig als bekend is van de aard van de bewoning, zoveel weten we juist van de ligging en de aard van de grafvelden uit de midden-Romeinse tijd. De meeste waren vermoedelijk gelegen op aaneengesloten rivierduinen die zich vanaf de Molenberg in het zuiden uitstrekten tot de Holenberg en Kruisberg in het noorden, respectievelijk ten westen en ten oosten van de Holenbergseweg (tegenwoordig is dit de Tunnelweg).21 Chronologisch lijken deze grafvelden elkaar in grote mate aan te vullen: de begravingen aan de Molenberg beginnen in de tweede helft van de 1e eeuw en die van de Kruisberg in het laatste kwart van de 1e eeuw. Beide grafvelden bleven in gebruik tot in het laatste kwart van de 2e eeuw. Het grafveld van de Holenberg dateert echter uit het laatste kwart van de 2e eeuw tot het midden van de 3e eeuw. Ook net ten noorden van de Molenberg en het station zijn aan het begin van de Tunnelweg aanwijzingen voor een grafveld gevonden, dat hoofdzakelijk in de 2e eeuw zou dateren.22 Het is mogelijk dat bewoners van de Tienakker en De Pas op deze grafvelden hun doden begroeven, al is de afstand relatief groot. Net buiten Wijchen zijn op de Galgenberg nog graven gevonden uit zowel de midden- als laat-Romeinse tijd. Dit grafveld hoorde mogelijk bij een van de nederzettingen op De Pas.
Figuur 9. De ligging van vermelde archeologische vindplaatsen uit de protohistorie in Wijchen. De omkaderde symbolen betreffen opgegraven vindplaatsen. (ondergrond op basis van Archis 2, TOP10).
In de laat-Romeinse tijd nam de dichtheid van bewoning weer duidelijk af, een trend die voor het gehele achterland van Nijmegen geldt.23 Graven uit de laat-Romeinse tijd zijn op de Molenberg niet aangetroffen, al zijn er genoeg aanwijzingen voor bewoningscontinuïteit tot in 5de eeuw de rond de Tienakker, waar mogelijk een wachttoren werd ingericht en ambachtelijke activiteiten plaatsvonden.24 Een interessante continuïteit van begraven zien we wel aan de oostkant van de markt, slechts 250 meter ten zuidwesten van de Molenberg. Hier werd in de eerste helft van de vroege middeleeuwen (450-750 na Chr.) een Merovingisch grafveld aangelegd.25 Het terrein rond de Molenberg was in deze tijd al weer enkele eeuwen verlaten. In de middeleeuwen en de nieuwe tijd zullen rond de flanken van de Molenberg tuinen- en akkercomplexen gelegen hebben, die direct grensden aan de bewoning van het huidige dorp Wijchen. De bouw van het kasteel, vermoedelijk in het midden van de 14e eeuw,26 en de molen, een voorganger van de huidige molen die al in 1644 als banmolen wordt vermeld,27 zal na lange tijd voor ingrijpende veranderingen in het Romeinse dodenlandschap hebben gezorgd.
3.2 Het‘oude onderzoek’ aan de Molenberg
De vele grondwerkzaamheden die in de 20ste eeuw rondom de Molenberg plaatsvonden én de oplettendheid van lokale amateur-archeologen hebben ertoe geleid dat er vóór het onderzoek van 2004 al redelijk wat bekend was van deze vindplaats. Ondanks het feit dat soms de precieze vondstplekken niet overgeleverd zijn, kunnen de gegevens van dit oude onderzoek een wezenlijke bijdrage leveren aan het recente onderzoek. De vroegst bekende vondsten zijn afkomstig van het Romeinse grafveld aan de Molenberg en werden in 1931 en 1934 gedaan, gelet op hun vondstnummers. Uit verschillende inventarislijsten lijkt het om minimaal vijftien stuks gedraaid aardewerk en één bronzen draadfibula te gaan, die globaal in de tweede helft van de 1e eeuw te dateren zijn.28 In deze periode was F. Bloemen verantwoordelijk voor de registratie van deze vondsten, enerzijds als constervator van de Oudheidkamer in Wijchen en anderzijds als correspondent van het Rijksmuseum van Oudheden (RMO) in Leiden. Een deel van deze vondsten bevindt zich waarschijnlijk nog te Leiden, aangezien het RMO in de periode vóór de oorlog vele vondsten uit de gemeente Wijchen heeft aangekocht en slechts een deel daarvan aan de Oudheidkamer in bruikleen gaf.29
De volgende vermelding betreft een krantenartikel uit de Gelderlander van 16 november 1940. Hieruit blijkt dat er bij afgravingswerkzaamheden aan een bestaande weg – de Molenbergseweg, de voorloper van de Baron d’Osystraat of de Molenberg, globaal gezien de voorloper van de Bronckhorstlaan – verscheidene Romeinse crematiegraven werden aangetroffen (fig. 4 en 10). F. Bloemen documenteerde deze vondsten en rapporteerde ze aan het RMO. Op de krantenfoto zijn veertien voorwerpen te onderscheiden, waarvan twaalf stuks met zekerheid Romeins aardewerk betreffen en dateren in de tweede helft van 1e eeuw en eerste helft van de 2e eeuw. Buiten twee bronzen fibula’s is het onbekend of er ook crematie- en houtskoolresten zijn geborgen.30 De eerste grafvondst met enige archeologische context werd op 16 januari 1969 gedaan. Bij de aanleg van een fundering voor de uitbreiding van de oude brandweerkazerne ten behoeve van de Gemeentelijke Sociale Dienst werd een grafkuil aangetroffen (fig. 11a). Hierin bevonden zich naast de schaarse menselijke crematieresten drie borden en een kommetje van Romeins aardewerk, een bronzen spatula en een ijzeren zegelring met een ovale inleg van karneool met een ingesneden voorstelling van een strijdende Mars (fig. 12). Dit betrekkelijk rijke graf valt waarschijnlijk te dateren in het midden van de 2e eeuw of net daarna.31 Vervolgens werden in 1975 bij egalisatiewerkzaamheden voor de aanleg van een plantsoen in het zuidwestelijke deel van de Molenberg door C. Kouwen, conservator van het toenmalige Oudheidkundig Museum Frans Bloemen (de opvolger van de Oudheidkamer), enkele leden van de Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland, afdeling Nijmegen en omstreken (AWNN) en het voormalig Instituut voor Oude Geschiedenis en Archeologie van de Katholieke Universiteit Nijmegen, tenminste een zestal graven uit vermoedelijk de vroege ijzertijd en een drietal graven uit de 2de eeuw opgegraven (fig. 11b). Naast crematieresten, handgemaakt en gedraaid aardewerk zijn er ook twee kringgreppels en enkele (paal)sporen waargenomen. Tevens werd er melding gemaakt van een (afval)kuil met vermoedelijk late ijzertijdscherven.32 Ongeveer op deze locatie is in het midden van de jaren negentig een drietal grafheuvels gereconstrueerd, ter illustratie van het pre- en protohistorische grondgebruik aan deze zijde van de Molenberg. De laatste gelegenheid vóór het recente onderzoek waarbij een Romeins graf werd aangetroffen was in april 1978. Tijdens de sloop van het afgebrande molenhuis, gelegen net ten zuiden van de kruising van de Bronckhorstlaan en de Molenweg, vonden leden van de AWNN in een grote grafkuil die deels verstoord was. De kuil bevond zich in de voortuin tussen het molenhuis en de straat (fig. 11c). Ondanks de verstoring kon men naast houtskool een grote hoeveelheid aan grafgiften bergen, waaronder een compleet servies dat bestond uit twaalf gemarmerde borden en kommen (fig. 13). Verbrand menselijk botmateriaal werd echter niet in de kuil aangetroffen. Bijzonder was het feit dat op twee borden en één kommetje van terra sigillata een graffito post cocturam ingekrast was. Het graffito – maii – werd door prof. J.E. Bogaers gelezen als Maieus, die volgens hem de eigenaar van de grafgiften was geweest, en tevens de persoon die in het graf was bijgezet. Het geheel kan in het midden van de 2e eeuw gedateerd worden.33
Op basis van deze reeds bekende gegevens kon voorafgaand aan het recente onderzoek geconcludeerd worden dat op de zuidwestelijke flank van het rivierduin in (de late bronstijd en/of) de vroege ijzertijd, een (klein) crematiegrafveld gelegen had. Of dit in late ijzertijd ook nog als zodanig in gebruikt was of dat er in die periode bewoning had plaatsgevonden, bleef onduidelijk. Wel was zeker dat hier in de vroeg-Romeinse tijd wederom een crematiegrafveld was ingericht. Vanaf het midden van de 1e eeuw tot het midden van de 2e eeuw, of iets daarna, waren er verschillende mensen na hun crematie begraven, voorzien van verschillende voorwerpen zoals Romeins aardewerk, en bronzen mantelspelden. Minstens twee individuen waren met opvallende grafgiften bijgezet, zoals een ijzeren ring en een compleet servies van gemarmerd aardewerk. Hoe groot dit grafveld precies was geweest, was vooralsnog onbekend, maar vermoed werd dat het zich uitstrekte van de begrenzing van het kasteelterrein het zuidwesten tot voorbij de Molenberg in het noordoosten.34 Met het onderzoek van het Bureau Archeologie van de gemeente Nijmegen (fig. 11d) is geprobeerd de oude vondsten van een betere context te voorzien en waar mogelijk het bestaande beeld te controleren en indien nodig aan te passen. De vondsten van het oude onderzoek zijn in bijlage 2 opgenomen en waar mogelijk afgebeeld. De grafinventarissen uit 1969, 1975 en 1978, die archeologisch gezien tot betrekkelijk zuivere contexten gerekend kunnen worden, en ook enkele losse vondsten, zijn bij de analyse van het recente onderzoek betrokken.

Figuur 10. Krantenartikel De Gelderlander 17 november 1940.

Figuur 11. Ligging van de Molenberg met de locaties van de verschillende opgravingen en waarnemingen: a. opgraving van de ROB in 1969; b. opgraving van de AWNN en het IOGA in 1975, met sporen; c. waarneming van de AWNN bij het Molenhuis in 1978. d. het onderzoek van het Bureau Archeologie Gemeente Nijmegen in 2001, 2004 en 2005.

(ondergrond is een kadastrale kaart met de situatie rond 1970, d.w.z. met de nog doorgetrokken Baron d’Osystraat, het oude molenhuis en de oude brandweerkazerne)

Figuur 12. Foto van de grafinventaris uit 1969 (foto Rob Mols, grafgiften Museum Kasteel Wijchen).

Figuur 13. Krantenartikel Wegwijs 1978.

4 Het landschap


Voor een goed begrip van de onderzoekslocatie en de daar aangetroffen sporen en structuren is inzicht in de vorming van het landschap en de bodem in de omgeving van de Molenberg onontbeerlijk. De Molenberg-Baron d’Osystraat maakt deel uit van een rivierduincomplex, dat ontstond aan het einde van de laatste ijstijd, het Weichselien (ca. 120.000-10.000 jaar geleden). Het complex is gelegen op afzettingen van de pleistocene Maas en Rijn en strekt zich uit van het zuidoosten tot het noordwesten van de gemeente Wijchen.35
4.1 Geologie en geomorfologie
In het Midden-Weichselien (ca. 73.000-13.000 jaar geleden) vormden de Maas en Rijn een vlechtende riviersysteem dat grote hoeveelheden zand en grind afzette. Deze rivierafzettingen, doorsneden door talrijke ondiepe geulen die meestal met klei en veen opgevuld werden, worden gerekend tot de Kreftenheye 5-afzettingen. Zij behoren tot het zogenaamde Laagterras, dat zich in het noordwesten van de gemeente nog vlak onder het oppervlak bevindt. In de warmere periode van het Laat-Weichselien – het Bølling-Allerød-interstadiaal (ca. 13.000-11.000 jaar geleden) – veranderde het vlechtende systeem in meanderend systeem, dat minder materiaal deponeerde en in het Laagterras begon in te snijden. Alleen bij hoge waterstanden overstroomde het Laagterras en werd er een zandige, zeer stugge kleilaag afgezet, de Laag van Wijchen, die eveneens tot de Formatie van Kreftenheye gerekend wordt. Na dit interstadiaal volgde er een koudere periode – het Jonge Dryas-stadiaal (ca. 11.000-10.000 jaar geleden) – waarin in de dalvlakte wederom een vlechtend riviersysteem ontstond. De afzettingen van dit systeem, behorend tot die van Kreftenheye-6, beperken zich tot de vlakte die in het Laagterras ingesleten was. Deze lagergelegen afzettingen vormen het zogenaamde Terras X en komen in het Maasdal alleen ten zuiden van het rivierduincomplex van Wijchen voor. Tijdens de tweede helft van het Jonge Dryas verstoven ’s winters de drooggevallen rivierbeddingen, wat leidde tot het ontstaan van het rivierduincomplex op de zuidelijke randen van het Laagterras. Deze duinen liggen direct op de Laag van Wijchen en zijn beschreven als het Laagpakket van Delwijnen, dat tot de Formatie van Boxtel wordt gerekend.36
Aan het begin van het holoceen, ca. 10.000 14C jaren geleden of ongeveer 9500 voor Chr., begon de zeespiegel te stijgen en kreeg het riviersysteem van de Maas weer een meanderend karakter. In de riviervlakte sneden diverse geulen diep in de Kreftenheye-6-afzettingen en zetten ze bij overstromingen, net als tijdens het Bølling en Allerød, een dunne kleilaag af die ook tot de laag van Wijchen gerekend wordt. Gedurende het holoceen vond er door de afwisselende stroomsnelheid van de Maas zowel sedimentatie als erosie plaats en ontstonden er verschillende meandergordels. In de bedding van deze stroomgeulen werd grind en grof tot fijn zand afgezet en op de oevers voornamelijk fijn zand, zavel en lichte klei. Deze geulen konden na een bepaalde tijd door de sedimentatie, het afzetten van zand en klei, dichtslibben. Ondanks de accumulatie van deze restgeulafzettingen kon een geul in sommige gevallen toch nog periodiek watervoerend blijven. Buiten deze stroomgordels werd in de lagere komgebieden lichte tot zware klei afgezet. Het geheel van de holocene rivierafzettingen wordt tot de Formatie van Echteld gerekend.37 Direct ten zuiden van het centrum van Wijchen ligt een belangrijke restgeul: de meandergordel van het Wijchens Maasje. Deze fossiele meander vormde vanaf ca. 3000 voor Chr. een noordelijke zijtak van de Maas en bleef ongeveer duizend jaar actief. Na die tijd moet de restgeul nog geruime tijd open gelegen hebben, getuige de vele bewoningsporen uit de Romeinse tijd en vroege middeleeuwen.38
De opbouw van deze pleistocene en holocene afzettingen is in figuur 14 laagsgewijs weergegeven. Zo is te zien dat de huidige Maasgeul, een stroomgordel als het Wijchens Maasje en de rivierduinen de relatief hooggelegen geologische fenomenen zijn in het tegenwoordige landschap van de gemeente Wijchen. We kunnen vervolgens in dit landschap op basis van geomorfologische criteria als het reliëf en de specifieke terreinvorm verschillende eenheden onderscheiden, zoals figuur 15 weergeeft.39 Zo behoren de niet verstoven rivierduinen – waartoe ook de Molenberg gerekend kan worden – geomorfologisch gezien tot de hoge en lage landduinen, beide met bijbehorende vlakten en laagten. Zowel ten noorden als ten zuiden hiervan bevinden zich naast lage rivierduinen die ten dele begraven zijn, dekzandruggen die al dan niet bedekt zijn met oud-bouwlanddek. Deze dekzandruggen zijn vaak ontstaan door het plaatselijk verstuiven van de landduinen. Op de overgang van de lage landduinen naar de zone met dekzandruggen bevindt zich waarschijnlijk de locatie van het recente archeologisch onderzoek.40
Het reliëfrijke stuifduin- en dekzandruggencomplex wordt zowel ten noorden als ten zuiden begrensd door terrasvlakten. In het noorden zijn die plaatselijk vervlakt door overstromingsmateriaal. De zuidelijke overgang van het beschreven complex met de riviervlakte wordt gevormd door de insnijding van Maasgeulen. Deze oude geulen behoren geomorfologisch gezien tot meanderende en vlechtende afwateringsstelsels, waarvan het Wijchense Meer een zichtbaar overblijfsel is. Hun afzettingen worden gekenmerkt als terrasrestruggen met dekzand en rivieroeverwallen, afgewisseld door terrasvlakten en rivierkom- of oeverwalachtige vlakten.

Figuur 14. Schematische doorsnede van de geologische opbouw van het rivierduincomplex en de Maasafzettingen ten westen van Wijchen (naar Berendsen 2004, fig. 8.13h).

Figuur 15. Vereenvoudigde overzichtskaart van de geologische en geomorfologische eenheden in Wijchen. De zwarte ster geeft de onderzoekslocatie aan. (landschappelijke eenheden naar Heunks 2002, kaartbijlage 1; topografische ondergrond op basis van Archis 2, TOP10).
4.2 Historisch landgebruik
Juist de flanken van de hoge rivierduinen, de hogere dekzanden en de (oeverzones) van de meandergordels zijn in het verleden aantrekkelijk geweest om te bewonen. Vanwege hun ligging, maar ook dankzij de gunstige bodemkundige omstandigheden.41 Dit is duidelijk te zien, wanneer we bijvoorbeeld de vindplaatsen uit de Romeinse tijd afbeelden op de chromotopografische kaart van omstreeks 1900 (fig. 16). De toenmalige topografische situatie valt in het algemeen redelijk te vergelijken met het laat-middeleeuwse landgebruik. De hogere, nog niet verstoven of afgegraven rivierduinen waren toen als koppen in het landschap zichtbaar. Rondom het dorp Wijchen en de buurtschapen De Pas en Woezik lagen voornamelijk akkercomplexen (in wit). In de lagere, nattere gebieden bevonden zich weidegronden (in geel). De bouw van de molen op het rivierduin naast het kasteel heeft ervoor gezorgd dat de huidige Molenberg en zijn directe omgeving niet ten prooi zijn gevallen aan de zandwinning, zoals bij de meeste andere rivier- en stuifduinen het geval is geweest.
Figuur 16. Uitsnede uit de chromotopografische kaart, 1:25.000, kaartblad 553 Ravenstein (verkend in 1866, herzien in 1910. Legenda van de vindplaatsen is als bij figuur 3.1).
4.3 Bodemkundige gesteldheid
Het oorspronkelijke reliëf van het Wijchense zandlandschap is sinds het ontstaan door verschillende processen sterk veranderd. Dit is in grote mate van invloed geweest op de bodemkundige samen-stelling. Een blik op de bodemkaart leert dat het bebouwde centrum van Wijchen omringd wordt door grofzandige bodems die gevormd zijn door bosbegroeiing, verstuiving en beakkering.42 Afhankelijk van de lokale factoren kan men hier respectievelijk moderpodzolgronden, xerovaaggronden en dikke eerdgronden aantreffen. Zo wordt het rivierduinzand van de zuidelijke flank van de Molenberg door Pons gerekend tot de homogeen lemige en slibhoudende stuifzandgronden, die middelhoog gelegen zijn.43 Door de relatieve vruchtbaarheid hebben zich hierin oorspronkelijk bruine bosbodems ofwel holtpodzolen gevormd. Doordat men deze gronden vanaf de late middeleeuwen ontgonnen heeft en vervolgens intensief als akker gebruikte, ontstonden er door de vermenging van de holtpodzol met mest dikke esdekken. Deze bodems staan bekend als hoge bruine enkeerdgronden.44
In het plangebied is tijdens het opgravend onderzoek de originele bodemopbouw vastgelegd aan de hand van profieltekeningen, beschrijvingen en foto’s. Dit gebeurde in werkput 1 tot en met 3, werkput 5 en in werkput 9 (fig. 17). In de overige werkputten is de bodemopbouw vastgelegd met behulp van beschrijvingen van de bodem en de grondlagen. De onderzoekslocatie ligt aan de voet van de Molenberg, zoals gezegd op een rivierduin. De Molenberg, dat wil zeggen de belt waar de Molen op gebouwd is, is een latere ophoging. De hoogte van de belt bedraagt 18,50 m +NAP. Het terrein om de Molenberg heen is, zoals eerder aangegeven, meermalen geherstructureerd en daarbij ook geëgaliseerd. Dit is in de bodem terug te vinden. Het huidig maaiveld van het terrein is van west naar oost opgaand, met een hoogteverschil van ongeveer een meter (fig. 18). Van 9,29 in de westwand van werkput 2 naar 10,29 +NAP in de zuidoosthoek van werkput 1 en van noord naar zuid van 9,61 in werkput 9 naar 9,67 +NAP in werkput 10. Ook de natuurlijke ondergrond, het schone stuifzand van de C-horizont, is opgaand. De helling van het schone zand verloopt steiler dan het huidig maaiveld, van 7,86 aan de westzijde, in werkput 2, naar 9,10 +NAP in de oostzijde, in werkput 1 (fig. 18). Een verschil van 125 cm. Tijdens het onderzoek is gebleken dat het rivierduin niet geleidelijk omhoog liep, maar eerder een grillig reliëf vormde met lichte opduikingen en inzakkingen. Op de overgang van werkput 6 naar werkput 7 en in werkput 8 en 10 is een dergelijke opduiking waargenomen. Op basis van de beschrijving en meting van de hoogtes is in de werkputten 7, 6 en 5 een dwarsprofiel gereconstrueerd, profiel 3 (fig. 19). Van west naar oost bevindt het oppervlak van het rivierduin zich op 8,86+ NAP in de westzijde van werkput 7. Halverwege de put loopt het terrein op van 8,90 naar 9,01+ NAP (in de oostzijde van werkput 7). In werkput 6 blijft de hoogte eerst op 9,01 om al snel op te lopen naar 9,06+ NAP. Meer oostelijk in deze werkput loopt het stuifzand van de rivierduin weer af naar 8,91+ NAP en verderop geleidelijker naar 8,76+ NAP. In werkput 5 ligt het stuifzand op 8,74 tot 8,80+ NAP. In het lengteprofiel is het begin van deze opduiking niet makkelijk aan te wijzen. Wel is duidelijk waar te nemen dat vanaf het hoger gelegen deel in werkput 6-7 de hoogte van het stuifzand in werkput 8 en 10 eerst op 9,01+ NAP blijft, om daarna naar het zuiden toe in beide putten op te lopen naar respectievelijk 9,18 en 9,20 +NAP. Juist hier is de opduiking in het rivierduin eerst door middeleeuwse agrarische activiteiten en later in recentere tijden door het aanleggen van de Bronckhorstlaan en het parkeerterrein van de oude kazerne afgevlakt. Het afgeschoven materiaal is opgebracht in de lagere delen van het terrein, ter plaatse van werkput 2.
De bodemopbouw zoals die is vastgesteld in het noordelijk, oostelijk en westelijk deel van de opgraving wordt duidelijk gemaakt aan de hand van profiel 2 (fig. 20). Op basis van de opbouw in dit deel van de opgraving is vastgesteld dat de bodem hier tot de hoge bruine enkeerdgronden kan worden gerekend. De bouwvoor (fig. 20, laag 1) is een ongeveer 40 cm dik pakket (tabel 1) uit recente tijd dat plaatselijk door recente ingrepen in de bodem veel dikker was. Dit is onder andere waargenomen in de wand van werkput 5 (fig. 21). Het recente pakket was hier tot een meter dik. Het afsluiten en verwijderen van (een deel van) de Baron d’Osystraat is hier waarschijnlijk de oorzaak van. Onder de bouwvoor ligt een antropogene ophogingslaag of eerdlaag (fig. 20, laag 2). Deze laag is 50 tot 80 cm dik en bevatte materiaal uit de tweede helft van de late middeleeuwen en het begin van de nieuwe tijd (1350-1650 na Chr.). Onder deze ophogingslaag uit de middeleeuwen-nieuwe tijd (laag 2) ligt een begraven B-horizont van een holtpodzol: de inspoelingshorizont. Op deze inspoelingslaag is plaatselijk een cultuurlaag aangetroffen. Die cultuurlaag bevatte materiaal uit de ijzertijd en uit de Romeinse tijd. In het veld is het onderscheiden van de inspoelingslaag en de cultuurlaag niet altijd even duidelijk geweest. Dit werd gedeeltelijk veroorzaakt door (plaatselijke) verbruining van de grond. De cultuurlaag en de inspoelingslaag vormen samen laag 3: een pakket dat 25 tot 50 cm dik is (fig. 20). In een aantal werkputten in het opgegraven terrein (met name in werkput 8 en 10) is deze laag 3 gedeeltelijk en op één punt zelfs geheel door agrarische activiteiten verstoord en verdwenen. De zich in die laag bevindende (graf)kuilen zijn daarbij eveneens verstoord (fig. 22). Tenslotte bevindt zich onder de inspoelingshorizont de natuurlijke ondergrond, het schone stuifzand. Opgemerkt mag worden dat meteen boven dit schone zand in een aantal werkputten materiaal uit het laat-neolithicum of vroege bronstijd is aangetroffen.


laag

benaming

horizont-codering45

gemiddelde dikte

omschrijving materiaal

1

bouwvoor

Aap

40 cm

donker grijsbruin, matig humeus en lemig zand

2

eerdlaag/esdek

Aa

50-80 cm

bruingrijs lemig zand

3

inspoelingshorizont en cultuurlaag

Bwb en Apb

25-50 cm

bruin vlekkerig, lemig zand

4

natuurlijke ondergrond

C

20 cm

en dieper



licht bruingeel tot geel, lemig tot zwak lemig zand


Tabel 1 De indeling van de voornaamste bodemhorizonten en lagen aan de Baron d’Osystraat-voet van de Molenberg.
Zoals eerder aangegeven was het onderscheid tussen de inspoelingshorizont en de zich daarboven bevindende cultuurlaag moeilijk te onderscheiden door plaatselijke verbruining van de bodem. Verbruining kan in podzolbodems optreden door de interne verwering van de aanwezige mineralen waarbij zich rondom de zandkorrels ijzer en humushuidjes vormen.46 Onder andere in werkput 9 was deze verbruining aanwezig (fig. 23). Mede hierdoor is de bovenzijde van sommige kuilen slecht zichtbaar geweest.

De verstoring van de bodem in het zuidoostelijk deel van het opgegraven plangebied is niet alleen te wijten aan het aanleggen en later weer verwijderen van (een deel van) de Baron d’Osystraat (fig. 24). In grote mate was hiervoor de aanleg van het parkeerterrein voor de oude brandweerkazerne verantwoordelijk. Het toenmalig terrein is toen geëgaliseerd. In de zuidoosthoek van het opgegraven terrein is de bodem tot in het schone zand verstoord geraakt. Waar deze verstoring mee verband houdt is niet duidelijk geworden. Blijkbaar heeft er op enige tijd in de 19e of 20e eeuw hier tenminste één gebouw gestaan.


In werkput 2, die in de westzijde van het plangebied en los van het overig opgegraven terrein ligt, is de bodemopbouw gelijk aan de bovenstaande beschrijving. De 20e-eeuwse egalisering is hier ook waar te nemen. In het zuidprofiel is de bruine enkeerdbodem zeker één meter opgehoogd met materiaal dat duidelijk uit vermengd geel rivierduinzand en bruin esdek bestaat (fig.24). Het bruine esdek (laag 2) is hier 50 tot 70 cm dik. De onderliggende inspoelingshorizont met cultuurlaag uit de ijzertijd en Romeinse periode (laag 3) is hier 20 tot 30 cm.

Figuur 17. De ligging van de met tekening en foto vastgelegde profielen (dikke blauwe lijn) ten opzichte van de opgravingsputten en de lokale kadastrale situatie.

Figuur 18. Profiel 1, tekening van het westprofiel in werkput 3 met een zuidwest/noordoost-doorsnede.

Figuur 19. Profiel 3, reconstructietekening met de maaiveldhoogtes en de opduiking in de natuurlijke ondergrond.

Figuur 20. Profiel 2, foto van het noordprofiel uit werkput 9 met de bodemopbouw en lagenbeschrijving. (foto Ba1.09.004b)

Figuur 21. Foto van het noordprofiel in werkput 5 met een geëgaliseerd bodemprofiel. (foto Ba1. 05.006c)

Figuur 22. De coupe van graf 22, waarin zichtbaar is dat de middeleeuwse laag (laag 2) direct op het graf (uit de Romeinse tijd) ligt.

Figuur 23. Foto van graf 1 in werkput 9 met sporen van verbruining (Ba1.09.009b)

Figuur 24. Foto van het zuidprofiel in werkput 2 met daarin de goed zichtbare, in recente tijd opgebrachte lagen. (Ba1.02.014b)
5 Resultaten van het onderzoek: bewoningsresten uit de prehistorie
In het plangebied aan de Baron d’Osystraat-Molenberg is een redelijk grote hoeveelheid sporen aangetroffen, ondermeer 123 kuilen, grafkuilen en paalkuilen en 12 greppelsstructuren (fig. 25). De verschillende sporen en het bijbehorend vondstmateriaal zijn op te delen in drie fasen: de prehistorie, de Romeinse tijd en de middeleeuwen en nieuwe tijd. De analyse van de archeologische resten uit deze perioden zullen in dit en de volgende twee hoofdstukken aan bod komen. De oudste vondsten hebben een datering in het laat-neolithicum of de vroege bronstijd, maar het merendeel van de resten uit de prehistorie betreffen met name nederzettingssporen en (aardewerk)vondsten uit de ijzertijd. De nadruk van het onderzoek zal echter liggen op de resten van het grafveld uit de Romeinse tijd. Als laatste komen de spaarzame resten uit de middeleeuwen en nieuwe tijd aan bod.
5.1 Sporen en structuren
De voornaamste sporen uit de vroege periode bevinden zich in of onder de cultuurlaag (laag 3). Deze cultuurlaag is over vrijwel het hele terrein aangetroffen. In het zuidoostelijk deel van de opgraving was de laag gedeeltelijk verdwenen, waarschijnlijk als gevolg van agrarische activiteiten in de middeleeuwen of nieuwe tijd. De sporen in de cultuurlaag betreffen met name kuilen en paalkuilen uit de ijzertijd (fig. 26). Op één plaats zijn de resten van een wandgreppel aangetroffen. Er zijn daarbij te weinig andere sporen aangetroffen om van een structuur te kunnen spreken. Van de kuilen en paalkuilen zonder vondstmateriaal, die niet duidelijk aan een randstructuur of graf uit de Romeinse tijd toebehoren is hier eveneens aangenomen dat zij in de ijzertijd dateren. Deze toekenning is gedaan op basis van de kleur van de vulling en de ligging in het vlak en het (handgevormd) aardewerk uit soortgelijke sporen, dat aangeeft dat er zeker activiteiten in deze omgeving in de ijzertijd hebben plaatsgevonden. Een mogelijke datering in de (vroeg-)Romeinse tijd is voor sommige sporen echter niet uitgesloten.
In totaal zijn er in het plangebied 13 kuilen aangetroffen die in waarschijnlijk in ijzertijd te dateren zijn. De kuilen hebben een verschillende vorm en grootte, van 170 bij 80 cm en 30 cm diep tot 65 bij 30 cm en 45 cm diep. De vulling bestond uit lichtbruin tot grijsbruin zand. Enkele kuilen zijn vermeldenswaardig. De eerste betreft een grote afvalkuil met een redelijke hoeveelheid vondstmateriaal dat op de overgang van de midden- naar late ijzertijd te dateren is (fig. 26, 1). Deze afvalkuil was 2 m in doorsnede en 80 cm diep. De vulling bestond uit lichtbruin gevlekt zand en grijsbruin zand. De vorming van dunne humusbandjes in de kuil doet vermoeden dat er regelmatig voor enige tijd water in heeft gestaan (fig. 27). Opvallend zijn de donkere vlekken (met een maximale doorsnede van 10 cm) die in het gele dekzand zijn gemaakt en die zich rondom de kuil bevinden (fig. 28). De inhoud van de kuil bestond voornamelijk uit handgevormd aardewerk, dat hieronder nader besproken wordt.
Een tweede kuil (fig. 26, 2) was ovaal van vorm, 84 bij 65 cm groot en 24 cm diep en bevatte donkerbruin humeus zand (fig. 29). Naast wat houtskool (na zeven met een 1 mm zeef zes fragmenten) en een klein fragment vuursteen bestond het vondsmateriaal uit enkele fragmenten gebakken klei, waaonder een verbrand stuk van een weefgewicht. De enige aardewerkfragmenten hebben een mooi geglad oppervlak en grove kwartsverschraling: ze zouden tussen het midden-neolithicum en de late bronstijd gedateerd kunnen worden.47 Een derde opvallende kuil op het terrein (fig. 26, 3) bevatte eveneens donkerbruin vlekkerig humeus zand, houtskool (na zeven twee fragmenten), een fragmentje tefriet, een mogelijke klopsteen en twee fragmenten handgevormd aardewerk. Zij dateren mogelijk in het laat-neolithicum of de vroege bronstijd. Deze kuil was rond, 55 cm in doorsnede en 34 cm diep (fig. 30). Naast de kuilen zijn 63 paalkuilen aangetroffen, met een vulling van lichtbruin tot lichtgrijs zand. De paalkuilen zijn 20 tot 35 cm in doorsnede en 6 tot 12 cm, of 20 tot 40 cm diep. Een aantal van de paalkuilen behoort toe aan spiekers (fig. 26). De drie spiekers, St1, St2 en St3 zijn respectievelijk 2,5 bij 2,75 m, 2,25 bij 2,6 m en 2,25 bij 2,25 m groot. De paalkuilen van deze spiekers zijn van eenzelfde maat en structuur.

Figuur 25. Overzicht van alle sporen die tijdens de opgraving aan de Baron d’Osystraat-Molenberg en in de zones waar waarnemingen zijn verricht zijn aangetroffen

Figuur 26 Een overzicht van de prehistorische sporen en structuren.

Figuur 27. Foto met het profiel van kuil 1 in put 3

Figuur 28. Foto van kuil 1 in put 3

Figuur 29. Foto van kuil 2

Figuur 30. Foto van kuil 3
5.2 Vondstmateriaal
Tijdens de opgraving is een redelijke hoeveelheid vondstmateriaal (n = 588) aangetroffen dat in de (latere) prehistorie te dateren valt (tabel 1). Slechts een deel van dit materiaal, 44,1 % (n = 259), bevond zich in prehistorische contexten. Hiertoe rekenen we de kuilen, paalkuilen en de cultuurlaag (laag 3) die hierboven beschreven zijn. Van het overige prehistorische vondstmateriaal bevond zich 41,6 % (n = 244) in Romeinse sporen als graven, randstructuren (greppels) en kuilen. Het resterende deel, 14,0 % (n = 82) was afkomstig uit de (post-)middeleeuwse sporen, de bouwvoor en het esdek (laag 1 en 2); twee fragmenten aardewerk kwamen van de stort (0,3 %). Hieruit blijkt dat door de vele bodemverstorende activiteiten in het plangebied meer dan de helft van het prehistorisch vondstmateriaal buiten zijn oorspronkelijke context is aangetroffen. Deze constatering is mede de reden geweest dat naast de fragmenten van handgevormd aardewerk, ook enkele fragmenten van gebakken klei en vuursteen die in Romeinse sporen zijn aangetroffen, bij het prehistorisch vondstmateriaal beschreven zijn. Dit materiaal is in alle gevallen onverbrand en gelet op de aard van het aardewerk en de positie ervan binnen de sporen, betreft dit hoogstwaarschijnlijk opspit. Het is evenwel niet uit te sluiten dat enkele vondsten toch in de (vroeg-) Romeinse tijd dateren, al zijn daarvoor geen directe aanwijzingen.


materiaalcategorieën

prehistorie

Romeinse tijd

(post-)middeleeuwen

stort

totalen




sporen

laag 3

graven

greppels

kuilen

sporen

laag 1+2





































aardewerk laat-neolithicum of vroege bronstijd

3

4

2

2

1




1




13

aardewerk ijzertijd

149

76

157

37

10

25

48

2

504































totalen aardewerk

152

80

159

39

11

25

49

2

517































gebakken klei

4

4

17

1




4







30

metaal (slak)

3




4
















7

vuursteen

7




6

2

2

2

1




20

natuursteen

3

3

2

1







1




10

bot

3






















3































houtskool (in gram)

10

88



















98


Tabel 1. De verdeling van het prehistorische vondstmateriaal afkomstig van contexten uit verschillende perioden.48
In het onderzoek zijn enkele diagnostische aardewerkfragmenten nader bestudeerd, met het doel een betere indruk te krijgen van de verschillende perioden van bewoningsactiviteit. Het vondstmateriaal wordt alleen in het geval van kuil 1 als één complex nader gepresenteerd. Omdat het aardewerk uit het laat-neolithicum of de vroege bronstijd meestal alleen of tezamen met aardewerk uit de ijzertijd werd aangetroffen, was het niet mogelijk ook andere materiaalsoorten met zekerheid aan de vroegste periode toe te schrijven.
5.2.1 Laat-neolithicum en/of vroege bronstijd
Een twaalftal aardewerkfragmenten onderscheidt zich wat baksel, verschraling en wandversiering betreft duidelijk van het overige (ijzertijd)aardewerk. Deze scherven zijn in het laat-neolithicum B en de vroege bronstijd te dateren:
- twee fragmenten met potbekerversiering met matig tot grove kwartsgruisverschraling, uit kuil 4 en vlakvondst uit laag 3

- twee fragmenten met wikkeldraad met matige kwartsgruisverschraling, uit Romeinse kuil 39

- een fragment met lijnversiering en matige kwartsgruisverschraling en een fragment met nagelindrukken en grove kwartsgruisverschraling uit randstructuur 6
Kwartsverschraling: fijn kwartsgruis is kleiner dan 500 µm, matig kwartsgruis is 500 µm tot 2500 µm en grof kwartsgruis is groter dan 2500 µm (max. ca. 5000 µm).
In het laat-neolithicum is de overheersende aardewerkstijl die van de klokbekercultuur. Voor de periode worden in nederzettingscontexten ook bekerpotten met een grovere versieringstechniek aangetroffen die als potbekers bekend staan. De plastische versiering kan bestaan uit vingertop- en nagelindrukken, afgewisseld met groeflijnen of vierkante noppen. Deze potbekers komen ook nog in de vroege bronstijd voor, naast de opvolgers van de klokbekers. Dit aardewerk is versierd met een draad die om een langwerpig voorwerpje was gewikkeld, het wikkeldraadstempel. De meest bekende site is Molenaarsgraaf (Louwe Kooijmans 1974). De verschraling van zowel de potbekers als de wikkeldraadbekers bestaat voornamelijk uit kwartsgruis.
Figuur 29. Aardewerk uit het laat-neolithicum of de vroege bronstijd (schaal 1:2).
5.2.2 IJzertijd
Kuil 1 (spoor 58-148)
Figuur 30. Aardewerk uit kuil 1 (spoor 58-148)
Aardewerk uit andere contexten

Graf 2 (S17)

Kuil 1 (S59)

Vlak
Figuur 31. Aardewerk uit Romeinse en (post-)middeleeuwse kuilen en lagen


Natuursteen

- Wrijfsteen of slijpsteen van roze zandsteen uit graf 14 (18)


Figuur 32. Voorwerpen van natuursteen (wrijf- of slijpsteen) uit graf 14
structuur voor hoofdstuk 5.2:

- presentatie van de laat-neolithische en vroege-bronstijdscherven;

- presentatie van het ijzertijdaardewerk, met nadruk op spoor 58 – de scherven eerst als geheel op basis van n + MAI – het spoor wordt nader besproken op de gebruikelijke variabelen zoals verschraling (n),wandafwerking (n), randversiering (MAI), randversiering (MAI) en potopbouw (MAI). De getekende vormen kunnen beschreven worden met Peter’s vormtype-indeling

- presentatie van de contextloze scherven uit de ijzertijd.

- presentatie wrijf- of klopsteen
6 Resultaten van het onderzoek: een grafveld uit de Romeinse tijd
De meest belangwekkende sporen die aangetroffen zijn op het plangebied aan de Baron d’Osystraat-Molenberg dateren in de Romeinse tijd. Dit zijn graven, met en zonder randstructuur en kuilen die als mogelijke grafkuil, brandrestenkuil of depositiekuil geïdentificeerd kunnen worden. Hieronder volgt de presentatie en analyse van die sporen, de graven, kuilen en randstructuren. In de analyse worden de opmerkelijkste zaken met betrekking tot de graven behandeld. Een klein aantal losse vondsten uit de Romeinse tijd die eveneens in dit hoofdstuk gepresenteerd worden betreft materiaal dat als opspit in jongere cultuurlagen en sporen is aangetroffen. Alle data die in dit hoofdstuk worden genoemd zijn ná Christus te plaatsen, tenzij uitdrukkelijk anders vermeld.
6.1 Grafveldonderzoek: een inleiding
Het begraven, dan wel bijzetten, van de overledenen vond in onze streken gedurende de Romeinse tijd op verschillende wijze plaats. Voortgaand op de eigen inheemse traditie was daar het bijzetten van de gecremeerde resten van de overledene in eenvoudige kuilen in de grond [??]. Over de kuil werd een aarden heuveltje opgeworpen. In de kuil werden soms aardewerken potten (en andere voorwerpen?? brons, steen) als gift meegegeven. Soms werden greppels rond de heuvel en het graf aangelegd. Hiddink meent dat deze traditie zeker tot in de late ijzertijd uitgevoerd wordt.49 Ook in de Italisch-Romeinse traditie werd crematie gepraktiseerd. (Toynbee 1971) Vanaf het eind van de derde eeuw (noot) komt in onze streken ook inhumatie voor. Hierbij wordt de overledene, al dan niet in een sarcofaag [container], en soms met bijgaven begraven (noot-krefeld?).
In de eerste eeuwen van onze jaartelling ontstaan in de wijze van bijzetten van de gecremeerde resten in de noordwestelijke provincies variaties. Bechert heeft geprobeerd een eerste indeling en terminologie over de verschillende wijze van bijzetten in crematiegraven te vormen.50 Daarbij maakt hij een onderscheid tussen het aan- of afwezig zijn van de resten van de brandstapel en de concentratie of verstrooiing van de menselijke resten in de graven. De typering die hierdoor ontstaat is in de afgelopen jaren aangevuld. Recente publicaties van opgravingen in grafvelden uit de Romeinse tijd en het analytisch onderzoek dat daaruit voortvloeide hebben hieraan bijgedragen.51 Het meegeven van bijgiften speelt bij deze onderverdeling geen rol. In alle onderscheiden graftypen kunnen bijgiften van diverse aard aan- dan wel afwezig zijn.

We kunnen graven met crematieresten uit de Romeinse tijd in zes typen indelen:52




  • Type A is het
  1   2   3   4

  • 3

  • Dovnload 292.51 Kb.