Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Tocqueville en pauperisme: de komst van ‘Le Nouveau Libéralisme’

Dovnload 294.81 Kb.

Tocqueville en pauperisme: de komst van ‘Le Nouveau Libéralisme’



Pagina1/6
Datum05.12.2018
Grootte294.81 Kb.

Dovnload 294.81 Kb.
  1   2   3   4   5   6


Tocqueville en pauperisme:

de komst van ‘Le Nouveau Libéralisme’


Promotor: prof. dr. A. Braeckman


Masterproef aangeboden tot het verkrijgen van de graad van Master in de Wijsbegeerte
door:






Etienne Joris

Leuven, 2017





inhoudstafel

Inhoudstafel 1

Inleiding 2


  1. Historisch-filosofisch kader 3




    1. Pauperisme in Frankrijk, New Poverty Law in Engeland 3

    2. Relevante biografische gegevens 6

    3. Chronologie, bronnen en opzet van de auteur 7

    4. Vingeroefeningen tussen topwerken 8

2. Inhoud en thema’s van de Mémoire 9


2.1. Eerste Mémoire: relativiteit van pauperisme 10

2.2. Tweede Mémoire: een reconstructie 15

3. Vorming en inhoud van Tocquevilles economisch denken 18

3.1. Tocquevilles ‘leermeesters’ 18

3.1.1. Say 19

3.1.2. Villeneuve-Bargemont 21

3.1.3. Nassau Senior 22

3.2. Reconstructie van zijn economische ideeën 24

4. Tocquevilles politieke zoektocht 28

4.1. Zijn politieke positionering 28

4.2. Hernieuwde aandacht voor de sociale kwestie 32

4.3. Tocquevilles testament 35

5. Tijdgenoot met eigen ideeën: John Stuart Mill 36

5.1. Speciale band met Tocqueville 36

5.2. Samen denken met Malthus en Bentham 37

5.3. De standpunten van Mill 39


6. ,,Un libéral d’une espèce nouvelle’’ 41

6.1. Keslassy: de ,,derde weg’’ van Tocqueville 41

6.2. Laissez faire en staatstussenkomst 44

Conclusie 48


Bibliografie 50
Abstract 51
TOCQUEVILLE EN PAUPERISME: DE KOMST VAN ‘LE NOUVEAU LIBERALISME’

inleiding
De reflectie over maatschappelijke gelijkheid en ongelijkheid behoort tot de belangrijkste thema’s van de filosofie in het algemeen en van de politieke filosofie in het bijzonder. Vandaar dat een vorm van extreme ongelijkheid als armoede, net als slavernij, hierin niet onbesproken kan blijven. Zolang deze armoede zich publiekelijk vooral manifesteert en personifieert in figuren als de bedelaar en de vagebond blijft de interesse voor deze sociale categorieën toch eerder beperkt. Het gaat dan vooral om een plaatselijk en, naar men algemeen denkt, onvermijdelijk fenomeen. Pas met het doorbreken van de industrialisatie vanaf het einde van de 18de eeuw ondergaat dit soort individuele armoede een ware metamorfose tot het collectieve fenomeen van het pauperisme, meteen de sociale kwestie bij uitstek.

De dan al gerenommeerde politieke auteur Alexis de Tocqueville is één van de talrijke commentatoren die dit pauperisme onderzoekt. Zijn Mémoire sur le paupérisme en het latere vervolg daarop verschenen tussen de twee delen van zijn magnum opus De la Démocratie en Amérique, die dateren van 1835 en 1840. In boeken met een overzicht van Tocqueville’s belangrijkste bibliografische gegevens staan die essays meestal niet eens vermeld. Vormen deze Mémoires dan slechts onbelangrijke vingeroefeningen tussen schitterende topwerken, die de auteur een bijzonder prestige gaven?

Deze master thesis onderzoekt in hoeverre Tocqueville met deze kleinere werken vernieuwende of afwijkende ideeën bracht. Welke ideeën schuilen achter zijn opvattingen over en oplossingen voor pauperisme en kaderen deze in het mainstream liberalisme van die periode of is er sprake van Le Nouveau Libéralisme? Het is niet mijn bedoeling om Tocqueville simpel van een etiket te voorzien, maar om in confrontatie met een aantal in de materie gespecialiseerde auteurs te zoeken naar de fundamenten van zijn denken.

Dat kan niet los gezien worden van de vorming van zijn persoonlijkheid en het historisch-filosofisch kader waarin hij zijn werken schrijft en zijn parlementaire mandaat uitoefent. Er werd ontzettend veel gepubliceerd door en over Tocqueville en ik beperk me hier tot wat relevant is voor zijn behandeling van het fenomeen pauperisme. Daartoe behoren zijn leermeesters en zijn tijdgenoten met hun weliswaar beperkte invloed op hem. Want Tocqueville blijft voor alles een eigenzinnige persoonlijkheid waarvan de geschriften en politieke loopbaan zich niet in strakke categorieën laten vatten. De veelheid van economische topics die hij behandelt zijn verspreid over zijn werken en ik maak er vooral aan de hand van zijn Mémoires sur le paupérisme een reconstructie van. Auteur Eric Keslassy ziet Tocqueville daarmee afstand nemen van het economisch liberalisme en een derde weg inslaan tussen liberalisme en socialisme. Voor mij is met Tocqueville in Frankrijk het tijdperk van Le Nouveau Libéralisme aangebroken.

Deze voorbeschouwing zou erg onvolledig zijn indien ik mijn erkentelijkheid niet betuigde aan mijn promotor, professor Antoon Braeckman, die een onontbeerlijke gids was bij wie ik op elk moment terecht kon. Eventuele misstappen zijn mijn eigen verantwoordelijkheid.


  1. historisch-filosofisch kader


1.1. Pauperisme in Frankrijk, New Poor Law in Engeland

Als Tocqueville in 1823 in een werk van Say voor het eerst het woord pauperisme leest is dat overgenomen van het uit 1815 stammende Engelse pauperism, op zijn beurt afgeleid van het Latijnse pauper, arme. Het gaat om een permanente staat van armoede, behoeftigheid (indigence) van een deel van de maatschappij.1

Tocqueville was vooral bekommerd om de sociale kwestie zoals die zich in Frankrijk stelde, maar om te peilen naar de oorzaken van het pauperisme en eventuele oplossingen ervoor te vinden ging hij op onderzoek in Engeland.2

Wat de toestand in Frankrijk betreft, zelfs rond 1840 – vijf jaar na de eerste Mémoire sur le paupérisme – gaat de economische evolutie er zodanig traag dat het twijfelachtig is of het wel om een echte industriële revolutie gaat. Dit gegeven staat in schril contrast met de omstuimigheid waarmee de ideeën en het politieke gebeuren er bruisen.3 Er waren hevige uitbarstingen zoals de révolte des canuts lyonnais4 in november 1831, een toonbeeld van de tragische miserie van het proletariaat maar ook van zijn kracht, waarvan het devies Vivre en travaillant ou mourir en combattant5 getuigt.

Alhoewel Frankrijk pas echt op weg zal zijn naar de industrialisatie met de aanleg van zijn spoorwegen6 is ,,le chômeur vagabond, le cholérique ou l’indigent’’ niet meer ,,le bon pauvre’’ van de liefdadigheidswerken. De armoede fungeert niet langer als het onvermijdelijke, zij het toch nog betekenisvolle fenomeen binnen de christelijke samenleving, want intussen dook het pauperisme op dat als sociaal kwaad en collectief feit de bourgeois-maatschappij verontrust en het budget van de steden bedreigt.

Om hun geweten te sussen hield de liberale bourgeoisie, geruggesteund door een aantal intellectuelen en auteurs, er de theorie op na dat de uitbreiding van het pauperisme uitgelokt werd door morele oorzaken. Bijgevolg waren voor de oplossing van dat probleem ook morele remedies nodig zoals de verdere ontwikkeling van de religieuze opvoeding en instructie, die het sociale systeem zelf niet in gevaar brachten. De eersten die zich bewust werden van de enorme kloof tussen de vooruitgang van de industrie en de snelle verarming van de werkmensen waren vaak katholieke legitimisten7, die de liberale ideologie, het Juli-regime8 en de bourgeois-affairisten verantwoordelijk hielden. Iemand als Vicomte de Villeneuve-Bargemont illustreerde in zijn werk wat Marx ,,le socialisme féodal’’ noemde bij zijn beschuldiging aan het adres van de bourgeoisie.9

In Engeland dateerde het pauperisme al van een halve eeuw eerder en de Poor Laws die het moesten tegengaan geraakten gediscrediteerd. Ze hadden bij hun hervorming van 1834 nochtans al een lange voorgeschiedenis. Nadat haar vader Henry VIII de kloosters had geconfisqueerd en mede daardoor het probleem van de armoede op de spits had gedreven voerde Elisabeth I in 1601 de Poor Law in, waardoor de gemeenten verantwoordelijk werden voor hun eigen armen. Door de toepassing ervan ontwikkelde zich intussen een uniek systeem van bijstand, maar omdat de kosten tijdens de oorlog met Frankrijk, vanaf 1793 en eindigend met de nederlaag van Napoleon in 1815, nominaal verdriedubbelden was de indruk ontstaan dat dit onbetaalbaar was geworden.10 De paupers stonden ook op hun rechten en als ze ontevreden waren over de Overseers of the Poor gingen ze in beroep bij de magistraten.11

Voor de hervorming van het stelsel installeert de regering-Grey een Royal Commission met als opdracht het uitdokteren van een uniform, transparant en onpersoonlijk systeem, dat een einde moest maken aan wat de Tories en Whigs ervoeren als de frauduleuze praktijken van de paupers en de excessieve generositeit die hun te beurt viel, zonder het legale recht op assistentie af te schaffen. Zo installeerde deze New Poor Law van 1834 door de belastingbetaler verkozen Boards of Guardians, professionele administratoren, een centrale superviserende Commissie en nationale voedselvoorschriften.12

Het sleutelidee was om te komen tot een self-acting13 test waardoor kon uitgemaakt worden of het inderdaad om een oprechte noodzaak voor de behoeftigen ging door o.a. verbod van traditionele betalingen in cash of natura door te voeren en enkel bijstand binnen de workhouses te verlenen. Deze Whig Bastilles moesten bewust afschrikwekkend werken, met een monotoon dieet, saai werk en omvorming tot een legerregiment: ook de respectabele armen moesten uniformen dragen en families werden gesplitst in verschillende dagkamers en slaapzalen. De Royal Commission rapporteerde met voldoening dat de scheidingslijn tussen degenen die al dan niet steun nodig hebben perfect getrokken is.14 De uitgaven voor poor relief daalden met ruim een derde en het percentage van de geholpen bevolking werd gehalveerd.15

Alleen enige Torries en Radicalen opperden bezwaren in het parlement. ‘’The ill feeling between the labouring people and those above them is very bad … more than is generally imagined’’, was de mening van een onderzoeker. Vele lokale autoriteiten en ratepayers hadden om humanitaire redenen een hekel aan de wet16 en gingen door met outdoor relief door bvb. werklozen en ouderen als ziek te klasseren en hen zo thuis te steunen.

‘’For all these reasons, the New Poor Law was never fully implemented’’, schrijft Robert Tombs.17 In industriële steden waren dé problemen lage lonen en cyclische werkloosheid en het was absurd om te denken dat duizenden afgedankte werkmensen en hun families in workhouses konden geïnterneerd worden. Zo was er in het Bradford workhouse accommodatie voor 260 mensen, terwijl meer dan 13 000 steun claimden in 1848. Dertig jaar nadat outdoor relief zogezegd opgehouden had te bestaan ontving 84 procent van de paupers deze vorm van steun nog altijd. Er was ook geen uitgaansverbod, gedwongen arbeid, politietoezicht of ban op alcohol zoals op het Continent. Een generatie na de wet werden aan de workhouses infirmerieën, scholen, cottage hospitals en huizen voor kinderen en ouderen verbonden. In hun pogingen deze bron van sociale cohesie droog te leggen hadden deze harde, onwerkzame en contra-productieve utilitaristische hervormingen in hun poging om de pauperisatie en demoralisatie van de armen tegen te gaan, deze integendeel in de hand gewerkt.18

In de periode waarin de New Poor Law door een Koninklijke Commissie en met een uitgebreid rapport werd voorbereid verbleef Tocqueville in Engeland en had hij een zelf gezocht onderhoud met Nassau William Senior19 en anderen die nauw bij de werkzaamheden van die commissie betrokken waren. Hij maakte er kennis met de theorieën van Malthus, Ricardo en Bentham.20 Dat droeg er merkbaar toe bij dat Tocqueville zich tegen de permanente legale liefdadigheid afzette.



1.2. Relevante biografische gegevens

Eén familiaal evenement krijgt de speciale aandacht van Tocquevilles biografen. Einde 1793, met Frankrijk in volle Terreur, zocht zijn familie van aloude Normandische adel een toevluchtsoord in het Château de Malesherbes om zich te beschermen tegen de revolutionaire agitatie. Ze worden echter gearresteerd en gevangen gezet. De Malesherbes ontsnappen niet aan de guillotine; de Tocquevilles op het nippertje wel dankzij de val van Robespierre.

Het trauma is blijvend, niet alleen voor zijn ouders maar ook voor Alexis die pas dertien jaar later geboren wordt maar het verhaal talloze keren te horen en verwerken krijgt. Zijn vader blijft ondanks alles een zekere sympathie koesteren voor de Revolutie en voelt zich nog steeds aangetrokken tot de Verlichtingsfilosofie, die een flink deel van zijn bibliotheek in beslag neemt. Zijn moeder boezemt het gebeuren blijvende angst voor de nieuwe tijden in en ze schaart zich onvoorwaardelijk achter de legitimistische traditie.

Ook bij Alexis blijft die angst voor een nieuwe revolutie en de ermee gepaard gaande wanorde in zijn werken en optreden als politicus aanwezig. Als een maatschappelijke opstand van revolutionair geïnspireerde groepen dreigt doet hij alles wat in zijn macht ligt om het tij te keren. In zijn werken over pauperisme is die ingesteldheid eveneens nadrukkelijk aanwezig.21

Een andere invloed die duidelijke sporen nalaat ondergaat Tocqueville bij de exploratie van de bibliotheek van zijn vader, die de grote filosofen van de 18de eeuw omvat. Vooral de lectuur van Voltaire en Rousseau voert hem naar de twijfel waarvan hij enkele jaren later zal schrijven dat ze behoort tot de drie grote kwalen van de mens. Tocqueville: ,,Als ik belast was met het klasseren van de menselijke miseries zou ik het in deze volgorde doen: 1. De ziekten; 2. De dood; 3. De twijfel’’.22 Deze doute universel slaat op zijn waardering voor de sociale waarden die de aristocratische wereld hoog in het vaandel draagt en zijn godsdienstige geloof.

Al heel jong werd hij zich bewust van hun anachronisme, wat hem leidt tot ‘’de progressieve ontdekking van het grote probleem dat het middelpunt van zijn denken zal zijn, het in de plaats treden van een democratische wereld voor een aristocratische wereld‘’.23 Zijn neef Louis de Kergorlay24 bevestigt dat Alexis voor zichzelf uitmaakte ‘’dat de door het familiale milieu erkende waarden verworpen zijn door de hedendaagse maatschappij‘’.25 Maar het ergste van deze crisis is volgens Tocquevilles biograaf Jardin dat hij zijn religieuze geloof verliest, waardoor Tocqueville wellicht onder jansenistische invloed evolueert naar een deïsme, doortrokken van de christelijke moraal.





    1. Chronologie, bronnen en opzet van deze Mémoires

Zijn eerste Mémoire sur le paupérisme redigeerde Tocqueville in 1835, tussen januari en april. Het werd dat jaar gepubliceerd in de Mémoires de la Société Royale Académique de Cherbourg. Het essay kwam tussen de publicatie van het eerste deel van De la Démocratie en Amérique en Tocquevilles tweede reis naar Engeland. Dat is af te leiden uit de lange passage in die eerste Mémoire, afkomstig uit zijn Notes de voyage van 1833 (van 3 augustus tot 7 september) terwijl daarin geen referentie is naar zijn tweede Engeland-reis.

André Jardin noemt twee bronnen essentieel voor Mémoire sur le paupérisme 1. De eerste bestaat uit de enquêtes en het daarop gebaseerde rapport, voorafgaand aan de nieuwe Engelse armenwet, en de tekst van die wet, gestemd door het parlement op 15 februari 1834. De tweede zijn de drie volumes van de Traité d’ économie chrétienne van Villeneuve-Bargemont, uitgegeven in 1834. Hun ondertitel luidt: Recherches sur la nature et les causes du paupérisme en France et en Europe et sur les moyens de le soulager et de prévenir.

Het voor 1838 aangekondigde vervolg op de eerste Mémoire verscheen nooit, maar postuum werd uit de losse nota’s en overgebleven paperassen die verstrooid zaten in de familiale archieven de tekst van een tweede Mémoire gereconstrueerd. Die tekst is ongeveer drie vijfden van de eerste; de inhoud blijkt te stammen van na de wet op de spaarkassen van 1837.

Hoe schat de auteur zelf deze Mémoires in? Met de eerste liep hij in elk geval niet hoog op. Net voor hij met het vervolg erop begon schrijft hij in een brief van mei 1837 aan Duvergier al dat de inhoud van het artikel in kwestie reeds veel beter en vollediger gebracht werd door anderen. (‘’Je n’ai pas d’illusions sur ce point’’). Hij bekent het liever niet geschreven te hebben omdat het heel oppervlakkig is en op een weinig trefzekere wijze raakt aan één van de belangrijkste kwesties of dé belangrijkste van de moderne wereld. Volgens Swedberg was Tocqueville ook gehaast bij het schrijven van de eerste Mémoire en vertrouwde hij sterk op Senior.26

Bij de tweede Mémoire dringt zich de vraag op waarom de tekst onvoltooid bleef. Was het omdat de redactie van het tweede deel van De la Démocratie en Amérique absolute voorrang kreeg of rees er bij hem twijfel over de oplossingen die hij voorstelde? Swedberg oppert de mogelijkheid dat Tocqueville zich een taak stelde waarvan hij naderhand inzag ze niet waar te kunnen maken.27 Ook Jardin gist naar de redenen waarom de auteur dit essay onafgewerkt liet en heeft dezelfde vermoedens. Jardin: ‘’Het verlangen om zich exclusief te wijden aan de redactie van zijn grote boek of twijfel over de oplossingen die hij voorstelde? Het valt niet uit te maken’’.28

Rekening houdend met Tocquevilles ontgoocheling over zijn eerste Mémoire kan hij er bij de aanvang van zijn tweede op gebrand zijn geweest om een origineler werk met nieuwe ideeën te schrijven. Zijn verdediging van de arbeider als medeëigenaar van het bedrijf en van de associatie wijzen op gewaagder ideeën29. Maar dat betekende meteen dat hij buiten de conservatieve sociale positie trad die hij tot dan innam. Dat idee van medeëigenaarschap bracht hem in het ongewilde gezelschap van Buchez, Proudhon en andere verdedigers van de rechten van de arbeiders. De logica van zijn argument – bezit van eigendom is een goede zaak, dus ook voor arbeiders – kan hem verder naar links geduwd hebben dan hem lief was.30

Tenslotte vormde ook zijn werk aan De la Démocratie en Amérique met die heel verschillende insteek een probleem. Volgens die studie ontwikkelden de States zich tot almaar meer democratie en gelijkheid, maar door zijn industriële ontwikkeling was dat niet het geval voor Engeland, met in zijn spoor Frankrijk. Door die industriële revolutie kenden die landen een nog grotere ongelijkheid dan vroeger en was er geen sprake van echte democratie. In zijn tweede Mémoire schrijft Tocqueville dat ‘’de industrie haar aristocratische vorm bewaarde in de moderne naties terwijl de instellingen en gebruiken die door haar het licht zagen, overal verdwijnen’’. Zoals het schrijven van een boek over Engeland hem ertoe zou gedwongen hebben zijn conceptuele schema voor het begrijpen van de moderne maatschappij, vooral haar economie, te herzien31, zo zou op kleinere schaal ook gebeuren met zijn Mémoires over pauperisme. Daardoor had Tocqueville, die De la Démocratie en Amérique nog moest afwerken, nog een reden temeer om niet verder te gaan met de tweede Mémoire.



    1. Vingeroefeningen tussen topwerken

Buiten deze Mémoires, vaak beschouwd als één werk, schreef Tocqueville tussen de twee delen van De la Démocratie en Amérique nog twee verhandelingen die niet losstonden van dat eerste. Ging het hier enkel om vingeroefeningen binnen een oeuvre met topwerken?

André Jardin meent alvast dat, als we ze zien als ‘’simples oeuvres de circonstance’’, dit een miskennen van hun draagwijdte zou zijn. ‘’Ze hechten zich alle aan langdurige bezorgdheden tijdens het leven van de auteur’’.32 Het werk over het pauperisme kondigt al gedeeltelijk het sociale programma aan dat Tocqueville zal uitwerken voor een nieuwe partij als de Juli-monarchie op haar einde loopt, evenals de redevoering over het recht op arbeid die hij zal houden tijdens de Constituante van 1848.33

Net als bij de Mémoires gaat het bij de andere twee geschriften niet om een gratuïte nieuwsgierigheid of une échappatoire aan de redactie van het tweede deel van De la Démocratie en Amérique. Bij die beide essays is er trouwens een verband met het eerste over pauperisme. In L’Etat social et politique de la France avant et après 1789 bekijkt Tocqueville het ganse maatschappelijke panorama, met als onderliggend idee de passage van een aristocratisch naar een democratisch stelsel, waarbij hij, en dat is zijn belangrijkste eigen inbreng, de orde en zekerheid beklemtoont die de feodaliteit, ondanks zijn gebreken, met zich bracht. Het opgeven ervan, met vagebonderie en behoeftigheid als resultaat, is de prijs die de moderne maatschappij betaalt.

Deux Lettres sur l’Algérie, verschenen op 23 juni en 22 augustus 1837, schetst een tableau van Algerije vlak voor de Franse verovering. Tocqueville vestigt zijn hoop op de kolonisatie34: de Arabieren bezetten de gronden van de vlakten de façon lâche en de Europeanen zouden zich kunnen installeren en de gronden tussen de stammen kunnen cultiveren. Het is een idee dat ook de latere keizer Louis-Napoléon Bonaparte en een aantal liberale intellectuelen in die periode als oplossing voor het pauperisme zagen maar later loslieten. Tocqueville bekijkt die Franse verovering vanuit een vergelijkende invalshoek met de Verenigde Staten: in Algerije bevinden zich nieuwe gronden waar een surplus aan Franse of Europese bevolking een rurale democratie kan vormen zoals in het Amerikaanse Westen. Het effect van de verovering van gronden in Amerika zorgde indirect voor een verlichting van de armoede op het oude continent. Vandaar dat Tocqueville de remedies bestudeerde die ter plaatse te vinden waren. In Frankrijk lijkt het gevaar van een verder oprukkend pauperisme beperkter omdat de verdeling van de grondeigendom het probleem beperkt tot het industriële proletariaat dat er minder talrijk is terwijl in Engeland met zijn grootgrondbezit de catastrofe bij het falen van het commerciële imperialisme heel nabij is. Alle drie landen kunnen zich identiek dezelfde vraag stellen: zal de industriële ontwikkeling een uitzondering vormen op de progessieve gelijkmaking van de condities (l’égalisation progressive des conditions)?35

2. inhoud en thema’s van de mémoires36

Kijken we naar de inhoud van de Mémoires sur le paupérisme en de belangrijkste thema’s die erin aan bod komen.



2.1. Eerste Mémoire: relativiteit van het pauperisme
In het eerste deel van deze eerste Mémoire houdt Tocqueville zich vooral bezig met het ontstaan van het moderne pauperisme, waarbij de historische groei van gelijkheid naar ongelijkheid en dan terug naar gelijkheid in de maatschappij de prelude vormt. Verder maakt hij de lezer attent op de relativiteit van het pauperisme, dat af- of toeneemt naargelang de industriële ontwikkeling van de maatschappij, en de te verwachten toekomstige uitbreiding ervan.

‘’Un spectacle très extraordinaire et en apparence inexplicable’’ trof hem bij het doorkruisen van Europa: de landen die als het ellendigst overkomen tellen het minste behoeftigen, indigents zoals hij ze noemt, en bij volkeren met weelde valt zelfs een relatief groter deel van de bevolking toch terug op de giften van anderen om te overleven.37 Tocqueville staaft dat met in zijn ogen betrouwbare cijfers. In Engeland, door hem bezongen als het Eden van de moderne beschaving, blijkt bij nader onderzoek van de parochiale registers een zesde van de bewoners op kosten van de publieke liefdadigheid te leven. In Portugal met zijn slecht gevoede en geklede bevolking en hun ellendige verblijven is dat slechts één behoeftige op 25 inwoners. Voor Frankrijk gaat het om één arme op 20 inwoners. Voor de vergelijking tussen streken uit hetzelfde land gelden trouwens dezelfde trends.38

Voor ‘’une explication raisonable’’ grijpt Tocqueville terug naar het hem vertrouwde thema gelijkheid-ongelijkheid. Bij de wilden (‘’les sauvages’’, sic) heerste volledige gelijkheid. Als oorzaak van de later ontstane ongelijkheid haalt hij de eigendom aan van de gronden die sommigen zichzelf toekenden. Hier speelt duidelijk de invloed van Rousseau.39 Die grondeigendom was echter meteen ook de motor van de vooruitgang. Eens de gevestigde planters en landbouwers kunnen overleven, beseffen ze dat er nog andere bronnen van genietingen (jouissances) bestaan. Hun toenemende eigendommen geven ze door aan hun nageslacht en zo ontstaan de aristocratieën.

Als sociologische wetmatigheid in de ontwikkeling van de maatschappijen ziet Tocqueville dat er slechts gelijkheid bestaat aan de twee uiteinden van de beschaving. Bij de aanvang omdat de ‘wilden’ allemaal even zwak en onwetend zijn; bij de uiterst beschaafden omdat ze analoge middelen bezitten om het comfort en het geluk te bereiken. ‘’Tussen die twee uitersten bevindt zich de ongelijkheid van de voorwaarden40, de rijkdom, de verlichting, de macht van de enen, de armoede, de onwetendheid en de zwakheid van alle anderen’’.41

Vervolgens gaat zijn blik naar het heden en de verschillende positie van landbouwer en werkmens. Bij de aan gang zijnde grote volksverhuizing verlaten de mensen de ploeg voor de spoel en de hamer, van de hut gaan ze naar de fabriek. Die beweging dwarsbomen zou grenzen opleggen aan de menselijke vervolmaking. Maar de situatie van de landbouwer en de industriearbeider is heel verschillend. Zelfs als de oogst tegenvalt kan de landbouwer overleven terwijl de werkman speculeert op kunstmatige en secundaire noden42 van anderen en als die wegvallen betekent dat voor hem vreselijke ellende en de dood. Dit is niet denkbeeldig want doorlopend dreigt een minderheid zonder openbare steun te sterven.

De creatie van artificiële noden wakkert dit nog aan.43 De mens wordt geboren met noden en maakt er zich andere bij. De eerste zijn te wijten aan zijn fysieke constitutie, de tweede aan gewoonte en opvoeding, zoals het gebruik van tabak dat bij de ‘wilden’ een kunstmatige genieting veroorzaakt die ze niet meer willen missen. Tabak is voor de Indianen bijna even onmisbaar als voedsel en bij gebrek eraan hebben ze een reden om te bedelen – een praktijk die onbekend was bij hun voorvaderen. Hoe welvarender een maatschappij is, hoe gevarieerder en blijvender de artificiële noden zijn, hoe meer ze door het gebruik en het voorbeeld ervan geassimileerd worden met werkelijke noden.44

In Engeland ligt het gemiddelde van de genietingen die een mens tijdens zijn leven kan verwachten hoger dan in eender welk ander land in de wereld. ‘’Dit vergemakkelijkt de uitbreiding van het pauperisme in dit koninkrijk bijzonder’’.45 Vandaar dat de arme in Engeland bijna als rijk overkomt tegenover de arme in Frankrijk. Hoe rijker de naties zijn des te groter het aantal dat een beroep zal doen op de publieke liefdadigheid en dat om twee redenen: de kwetsbare klasse vermeerdert onophoudelijk en de noden en hun diversificatie nemen toe.

Dan blijkt weer de realiteitszin van Tocqueville, die zoals met de voortschrijdende democratisering in De la Démocratie en Amérique begrijpt dat het om een onomkeerbare trend gaat. ‘’Laten we ons dus niet overgeven aan gevaarlijke illusies, maar een kalme en rustige blik richten op de toekomst van onze moderne samenlevingen’’.46 Naarmate de huidige vaart van de civilisatie zich voortzet zullen de genietingen van het grootste aantal groeien. We kunnen best meteen het aantal voorzien dat zal moeten terugvallen op de steun van hun medemensen om een klein deel te bekomen van al deze goederen, aldus Tocqueville.47

In het tweede deel onderscheidt Tocqueville twee soorten liefdadigheid: de aloude verlichting van kwalen binnen de eigen leefwereld, door het christendom verheven tot de goddelijke charité en het minder instinctieve, meer beredeneerde ingrijpen van de moderne maatschappij zelf ten behoeve van de mislukkelingen die er deel van uitmaken.

De eerste is een private deugd en ontsnapt aan de sociale actie; de tweede komt voort uit de maatschappij, die ze regulariseert. Op het eerste gezicht lijkt hij geneigd deze charité publique grote lof toe te zwaaien omdat ze tegelijk de rijken het genot van hun goederen verzekert en de armen beschermt tegen het exces van hun ellende. ‘’Daar speelt zich zeker een groot spektakel af waarin de geest zich verheft en de ziel niet onbewogen kan blijven’’.48 Maar de ervaring van Engeland, het enige Europese land dat ‘‘les théories de la charité publique’’ systematiseerde en toepaste, vernietigt deze illusies. Het pauperisme groeide er sneller aan dan elders. Voor ‘’ce triste résultat’’ onderscheidt Tocqueville algemene oorzaken en andere, specifiek Engelse. Zo gingen de Engelsen de andere Europese landen vooraf in civilisatie. Maar specifiek is dat de Engelse industriële klasse niet enkel voorziet in de noden en genietingen van het Engelse volk, maar van een groot deel van de mensheid. Hun welzijn én miseries zijn daarvan afhankelijk. Als een Indische inwoner zijn uitgaven beperkt en zijn consumptie inkrimpt lijdt een Engelse fabrikant hieronder. De landbouwer trok er het vaakst naar de industrie door een bijzonder fenomeen: het samenvoegen van grondeigendom die zich elders opdeelt.49 ’’De grond ontbreekt en de industrie roept. Die dubbele beweging trekt hem mee’’.50

Na bijna tweeënhalve eeuw publieke liefdadigheid zijn volgens Tocqueville de fatale gevolgen duidelijk.51 Bij zijn onderzoek hangt hij niet zo’n fraai mensbeeld op. De mens heeft, zoals alle georganiseerde wezens, een natuurlijke passie voor de ledigheid. Twee motieven brengen hem tot werken: de nood om te leven en het verlangen om zijn bestaanscondities te verbeteren. De ervaring bewijst dat het eerste motief het efficiëntst is. Een liefdadigheidsinstelling, die zonder onderscheid voor iedereen openstaat, of een wet die aan alle armen een recht op publieke hulp biedt, verzwakt of vernietigt de eerste stimulans en laat enkel de tweede intact. ‘’Het is het meest genereuze, het meest actieve, het meest werkzame deel van de natie, dat zijn hulp aanbiedt om te voorzien in het nodige om te leven aan hen die niets doen of een slecht gebruik maken van hun arbeid’’.52 Tocqueville ziet geen mogelijkheid om te ontsnappen aan de funeste consequenties ‘’d’un bon principe’’.53 De Engelse wetten bevatten de idee van een onderzoek, maar ze zijn mislukt.54

De argumenten van Tocqueville gelijken verbazend op degene die ook vandaag vanuit een bepaalde hoek bij ons en in andere ‘beschaafde’ landen te horen zijn. Het is quasi onmogelijk om de bokken van de schapen te scheiden; in Tocqueville’s woorden: om een onverdiend ongeluk te onderscheiden van een tegenslag die de ondeugd voortbracht. Magistraten hebben niet de tijd en de middelen om alles uit te zoeken en de arme van honger laten sterven wil niemand op zijn geweten hebben. In Engeland werden in elke gemeente armenopzichters geplaatst, maar zonder succes.55 Ook met het verplicht doen uitvoeren van publieke werken zijn de problemen legio: Is er altijd voldoende werk en ligt het gelijk verspreid? Wat is de urgentie en de prijs ervan?

Als tegenstander van de wettelijke liefdadigheid zingt Tocqueville de lof van diens tegenhanger, de individuele aalmoes. Zolang deze privé bleef waren er volgens hem waardevolle banden tussen de rijke, die hiermee zijn bezorgdheid toonde, en de arme, die de rijke hiervoor erkentelijk was. Met de komst van de wettelijke liefdadigheid verandert dat fundamenteel. In feite bezorgt ook deze de behoeftige een aalmoes, in dit geval echter ontdaan van zijn moraliteit. Maar omdat de rijke voortaan verplicht moet bijdragen aan een anonieme arme ziet hij in hem slechts een gulzige vreemdeling. Voor de arme gaat het met dit nieuwe systeem om een recht, dat als het moet kan afgedwongen worden voor de rechtbank, en hij voelt geen dankbaarheid voor iets dat men hem niet kan weigeren en dat in zijn ogen bovendien altijd onvoldoende blijft. Dankbaarheid hiervoor is hem vreemd. Tocqueville ziet in die armen en rijken zelfs ‘’twee rivaliserende naties die bestaan sinds het begin van de wereld’’56 en de legale liefdadigheid verenigt deze niet maar vernielt de enige band die zich tussen hen kon vestigen.57

Engelse boeken en enquêtes over pauperisme wijzen net als de betreffende discussies in het Engelse parlement in dezelfde richting: ‘’Men betreurt de toestand van verlaging waarin de inferieure klassen van dit grote volk vervallen zijn’’.58 Hieraan voegt Tocqueville toe, dat het aantal natuurlijke kinderen onophoudelijk stijgt, zoals ook het aantal criminelen snel aangroeit.

Buiten die nefaste consequenties op gebied van de moraliteit krijgt de legale liefdadigheid meteen ook het odium op zich geladen een aanslag te betekenen op de vrijheid van de arme. De gemeenten moeten slechts hulp geven aan de armen die op hun grondgebied geregistreerd zijn en ze schakelen systematisch bespieders in die de komst van een pauper verklikken. Als hij er zich wil vestigen brengen ze hem terug naar de gemeente vanwaar hij komt. Door hun wetgeving voor de armen hebben de Engelsen een zesde van hun bevolking geïmmobiliseerd. Ze zijn aan de grond gebonden zoals de middeleeuwse boeren. Aan een vreemde waarvan het uiterlijk niet bepaald van weelde getuigt vraagt de gemeentelijke overheid een borgtocht en als hij die niet kan verstrekken moet hij vertrekken.59

Tocqueville maakte in 1833 een reis naar Groot-Britannië en verbleef er bij een vrederechter, een grootgrondbezitter uit het zuiden van Engeland. Met hem maakte hij enkele zittingen mee van de rechtbank waar armen hun klachten kwijt konden over hun gemeenten en omgekeerd. Pikante details worden niet geschuwd. Zo presenteert zich een grijsaard, dan een zwangere jonge vrouw, vervolgens een vijftal kloeke mannen. De vrederechter vertelt Tocqueville na de zitting dat ze geen van allen de geëiste hulp echt nodig hebben, respectievelijk omdat de oudere man zelf welstellend is, de schoonvader van de zwangere vrouw voldoende financiële draagkracht heeft en de gezonde mannen een extraatje willen om in de bordelen te verkwanselen. Als een ongetrouwde zwangere vrouw zich zonder aarzeling aanbiedt (‘’[…] de schaamte doet haar zelfs niet haar blik afwenden’’60) luidt het commentaar van de vrederechter aan Tocqueville dat de armenwet de last van de verlaten kinderen bij het publiek legt. ‘’De onwettige zwangerschap moet bijna altijd hun materiële situatie verbeteren’’.61 […] Ze verrijken zichzelf dus door hun ontucht en het meisje dat meerdere keren moeder werd kan dikwijls een voordeliger huwelijk sluiten dan de jonge maagd die enkel haar deugden kan aanbieden. De eerste heeft een soort bruidschat gevonden in haar schandaligheid’’.62

Na zijn eerste reis naar Engeland komt er een modificatie van de armenwet, maar omdat die uitgaat van hetzelfde principe meent Tocqueville dat er niets zal veranderen.63 Hij beklemtoont nogmaals niet het proces te willen maken van de weldadigheid (bienfaisance), maar het moet een kloeke en beredeneerde deugd zijn, geen zwakke en ondoordachte.

Aan het einde van deze Mémoire zegt hij niet enkel het nut, maar de noodzaak in te zien van publieke liefdadigheid ‘’toegepast op de onvermijdelijke kwalen, zoals de zwakheid van de kindertijd, de gebrokenheid van de ouderdom, de ziekte, de krankzinnigheid’’.64 Hij erkent ‘’son utilité momentanée’’ in tijden van ‘’[…] publieke calamiteiten die nu en dan ontsnappen aan Gods handen en die aan de naties hun woede komen aankondigen’’.65 Hij verwacht ook van de publieke liefdadigheid dat ze scholen opent voor de kinderen van armen, maar blijft er diep van overtuigd dat elk regelmatig, permanent administratief systeem meer miseries zal doen ontstaan dan genezen.66




    1. Tweede Mémoire: een reconstructie

In dit vervolg wil Tocqueville zelf geschikte oplossingen geven voor de miseries van de arme klassen. Eén van die ideeën is het in de toekomst samengaan van spaarkassen en leenbanken.

Voor de armen die tot de agrarische klassen behoren verwacht hij in eigen land minder grote dreigingen omwille van de gelijke verdeling van de eigendom, vooral van de gronden, waarvan het principe tegelijk doorgedrongen is in de zeden en de wetten. Die verdeling belet weliswaar de kapitaalvorming bij eigenaars die wensen te innoveren, maar ze voorkomt de ontwikkeling van het pauperisme in de agrarische klassen. Als de landbouwer geen stukje grond meer bezit, zoals bij de Engelsen, kunnen de grillen of de gulzigheid van de meesters plots voor afschuwelijke ellende zorgen. Een voorbeeld hiervan is de omzetting van korenvelden in weiland waardoor één herder in de plaats komt van honderd werkers.67

Iets gelijkaardigs gebeurt in de industriële klassen en groeit er buitenmaats. De mensen die gewelddadig losgescheurd worden van de grondcultuur zoeken hun toevlucht in de ateliers en de fabrieken. De industriële klasse groeit dus niet alleen natuurlijk en fragmentarisch ‘’naargelang de noden van de industrie’’68, maar plotseling en door een artificieel procédé ‘’naargelang de miseries van de landbouwklassen’’69, waardoor al snel overtollige productie ontstaat die de balans vernietigt die moet bestaan tussen consumptie en productie.70 Dit leidt tot allerlei buitensporigheden bij de inferieure klassen, die niet vooruitzien. Want wie sluit vroegtijdige en onvoorzichtige huwelijken af met precies als enig objectief het aantal sukkelaars op aarde te vermenigvuldigen? ‘’Het zijn de proletariërs, die onder de zon geen andere bezittingen hebben dan hun armen’’.71

Tocqueville gaat ervan uit dat die situatie fundamenteel verandert als ze een stuk grond, hoe klein ook, bezitten. Hun ideeën en gewoontes wijzigen zich, ze worden vooruitziend omdat ze voelen iets waardevols te verliezen te hebben voor henzelf en hun familie. Die mensen zijn nog geen rijken maar ze hebben reeds kwaliteiten die tot rijkdom kunnen leiden.

Hoe vaart in een koud volk als het Engelse die losbandige smaak voor buitensporigheid? Door hun wetten en de gewoonten komt geen morzel grond ooit in het bezit van de armen, die er ook geen gebruik van kunnen maken om als kleine boer in leven te blijven als het slecht gaat in de industrie. Dat werkt pauperisme in de hand.72

Industriële eigendom verdelen is contraproductief en het middel om tot die verdeling over te gaan zonder die onproductief te maken werd nog niet ontdekt. Omdat hij op dit gebied toch geen eigendom kan verwerven is hij ook niet gemotiveerd om ervoor te werken en toont hij zich onverschillig voor alles behalve de genieting van het moment zelf. Daarbij voegen zich commerciële crisissen die toe te schrijven zijn aan twee oorzaken: als het aantal arbeiders toeneemt zonder variatie van het productiecijfer, verminderen de salarissen; als het aantal arbeiders hetzelfde blijft maar het productiecijfer daalt zijn veel arbeiders onnuttig.73 Frankrijk is minder blootgesteld aan de crisissen dan de andere industriële landen omdat de agrarische klasse er nooit zo plots en gewelddadig naar de industrie moest trekken en omdat ze minder afhangt van de grillen en noden van vreemde naties.74

Het principe van égalisation des conditions ziet Tocqueville zich in de verre toekomst ook voltrekken tussen landen onderling. De wereld marcheert naar gelijkheid zodat alle naties zelf de gewenste aangename en noodzakelijke objecten kunnen fabriceren. De commerciële crisissen zullen dan zeldzamer en minder wreed worden. In tussentijd stapelen landen als Engeland gemakkelijk immense rijkdommen op, maar ze zijn voortdurend bedreigd door vreselijke gevaren. De commerciële situatie van Frankrijk is tegelijk minder briljant maar secuurder omdat de nieuwe consumenten doorgaans Fransen zijn en de handel dus niet zo afhankelijk is van de grillen van buitenlanders met andere gewoonten van verbruik.

Toch zijn ook hier geen middelen bekend om het aantal arbeiders en het werk, de consumptie en de productie, in evenwicht te brengen. Als preventief middel om de effecten te verzachten wil Tocqueville aan de industriële werkman net als aan de kleine landbouwer de hoop en de gewoontes van de eigendom geven.

Het eerste en meest efficiënte middel zou zijn om de arbeider een belang in de fabriek te geven. Het effect was dan te vergelijken met de verdeling van de grondeigendom voor de agrarische klasse. Een probleem is dat de kapitalisten-ondernemers weinig enthousiasme tonen om aan hun arbeiders een proportioneel deel van hun winsten te geven of hen kleine bedragen in de onderneming te laten plaatsen. Ze hebben ongelijk, maar moeten daartoe niet worden gedwongen.75

Bij het tweede voorstel vinden we Tocquevilles geliefde idee van associaties terug, in dit geval associaties van arbeiders. De eerste pogingen om met samengebrachte fondsen de eigen industrie te beheren zonder kapitalisten maar met de hulp van het syndicaat, mislukten. Toch meent Tocqueville dat het moment nadert waarop een groot aantal industrieën op die wijze geleid kunnen worden. Hij meent dat in deze tijden van democratisering de associatie in een aantal gevallen de plaats moet innemen die momenteel enkele dominante individuen bezetten. ‘’Het idee van industriële associaties van arbeiders lijkt me vruchtbaar te moeten zijn, maar ik denk niet dat ze rijp is’’.76

In afwachting is het zoeken naar andere remedies zoals het vergemakkelijken van eigendomsverwerving door arbeiders. Het sparen en de latere kapitalisatie van dat spaargeld moeten de verdere concentratie van roerende goederen beletten en de klasse van industriële arbeiders dezelfde geest en gewoontes van eigendom geven als de agrarische klasse. Door een taxe des pauvres, geheven bij de welstellende burgers, kan de staat de armen meer interest op hun spaargeld geven dan ze zelf op het geleende geld moet betalen.

Maar Tocqueville wijst ook op de gevaren. Aan de hand van enkele berekeningen en een vergelijking met Engeland en Schotland betwijfelt hij of de Franse staat, met oplopende bedragen aan spaargelden, die meerkost kan dragen. Voor de Trésor publique zijn deze bedragen eerder vervelend omdat onproductieve kapitalen geaccumuleerd worden en onttrokken blijven aan de geldcirculatie. De consumptie aanwakkeren door grote openbare werken uit te voeren die niet renderen voor de Schatkist verzwaart elk jaar de last van de belastingbetalers.

Tocqueville stelt zich ook de vraag of die handelswijze conform is aan het algemeen belang van het land en aan zijn veiligheid. Als verwoed tegenstander van de Franse centralisatie vreest hij dat de kleine kapitalen, die beschikbaar zouden zijn voor de provincies, naar het centrum gaan en slechts langzaam en ongelijk terugkomen, bijvoorbeeld als wedden van functionarissen of tewerkgestelden voor publieke werken. Wat naar de armen gaat als salarissen of sociale aanvullingen zal heel beperkt zijn. De handelaars en de renteniers van Parijs zullen er via publieke fondsen wel mee varen.

Vanuit zuiver politiek gezichtspunt vindt hij de gevaren nog frappanter. Het is niet verstandig om het ganse fortuin van de arme klassen in dezelfde handen en op dezelfde plaats te concentreren zodat één evenement hen met één klap kan ruïneren en tot wanhoop kan drijven. Hier stoten we opnieuw op Tocquevilles angst voor revoluties want als die armen niets meer te verliezen hebben zullen ze zich al snel op de goederen van anderen storten.77

Hij herinnert ook aan de frequente turbulenties (faillissementen, radicale regeringswijzigingen, oorlog en buitenlandse pogingen tot invasie) en koppelt daaraan de vraag of het in een dergelijk tijdsgewricht wijs is om het fortuin van zo’n groot aantal mensen in handen van de regering te brengen zonder daarvan de noodzaak te bewijzen.

De spaarkassen moeten de arme toelaten om in tijden van voorspoed kapitaal te accumuleren en er zich van te bedienen als het slecht gaat. In troebele tijden of in het geval van twijfel omtrent de solvabiliteit van de schatkist zou de staat in enkele dagen gesommeerd kunnen worden om miljoenen francs contant te betalen, wat ze niet zou kunnen. Hoe zullen de behoeftige klassen dan reageren?78

Als principe ziet Tocqueville dat de regering moet proberen om onder haar garantie de kleine kapitalen een lokale bestemming te verschaffen die de staat het minst blootstelt aan een algemene en plotse eis tot terugbetaling. Als toepassing ziet hij de leenbanken of zogenaamde bergen van barmhartigheid in Franse steden. Zonder enig risico eisen die een woekerrente van 12 procent. Ook al dient dat geld voor giften aan hospitalen en tehuizen, toch fungeren deze monts-de-piété als hulpinstellingen die de arme eerst ruïneren en hem dan in zijn miserie voorbereiden op een asiel. Het meest natuurlijke is deze leenbanken samen te voegen met de spaarkassen om van beide eenzelfde onderneming te maken. Het zou dan niet meer nodig zijn om een woekerinterest te vragen aan de arme die leent met onderpand en de arme die spaart bekomt een hogere interest.79 Een win-win situatie, want de arme die geld leent zou daarvoor minder moeten betalen dan momenteel het geval is, en de arme die geld uitleent zou hiervoor meer ontvangen dan nu en daardoor meer kunnen sparen om zich later een eigendom aan te schaffen.

Tocqueville pretendeert niet de uitvinder van dit systeem te zijn want het bestond al jaren in Metz. Door de twee instellingen samen te voegen werden in Metz ook de kosten van de administratie gehalveerd. Redelijk redeneren en ervaring gaan hier samen. Tocqueville kan dan ook moeilijk begrijpen dat de regering deze ingreep eerder tegenhoudt.80


  1   2   3   4   5   6

  • Etienne Joris
  • 2. inhoud en thema’s van de mémoires 36

  • Dovnload 294.81 Kb.