Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Tocqueville en pauperisme: de komst van ‘Le Nouveau Libéralisme’

Dovnload 294.81 Kb.

Tocqueville en pauperisme: de komst van ‘Le Nouveau Libéralisme’



Pagina2/6
Datum05.12.2018
Grootte294.81 Kb.

Dovnload 294.81 Kb.
1   2   3   4   5   6
vorming en inhoud van tocquevilles economisch denken


3.1. Zijn leermeesters

Alhoewel Tocqueville voor zijn vroege lectuur duidelijk voorrang geeft aan de werken van politieke filosofen houden we het om zijn houding tegenover het pauperisme en de economie te helpen verklaren bij de economisten die als zijn leermeesters doorgaan. Deze ontwikkelden hun theorieën tijdens een periode waarin het economische nog duidelijk filosofische wortels had.81 In Tocqevilles juridische opleiding was geen discipline economie of aanverwant vak opgenomen. De juridische studies hadden in 1819 een grondige hervorming ondergaan die het volgende jaar werd doorgevoerd, behalve wat het voorziene politique économie voor het tweede jaar betreft. Een ordonnantie van 1822 onderdrukte wat de hervormingen voorzagen aan studie op gebied van menselijke maatschappijen. Na Monsieur82 in 1816 met enthousiasme ontvangen te hebben waren de studenten rechten in meerderheid liberaal geworden waardoor ze de naam van slechtste faculteit na de geneeskunde kregen. ‘’Burgerlijk recht en de procedure vormen het essentiële van het college, afstand doende van de intellectuele vorming’’.83

Over het algemeen bestudeert Tocqueville de werken van voor hem belangrijke auteurs niet door hun systematische lectuur maar door samenvattingen ervan te lezen om zo op de hoogte te blijven. Aan vrienden als Gustave de Beaumont vraagt hij soms om een bepaalde materie door te nemen en daarna de inhoud voor hem weer te geven. Tocqueville weigerde zelfs bewust om op voorhand kennis te nemen van analyses over een bepaalde problematiek waarmee hij zich ging bezighouden om niet beïnvloed te worden.

3.1.1. Jean-Baptiste Say

Op 23-jarige leeftijd vat hij de lezing aan van Says Cours complet d’économie politique pratique, verschenen in 1828. Drie jaar later zal hij die lectuur weer opnemen tijdens zijn bootreis vanuit Le Havre naar Amerika. Tocqueville zou zich in eerste instantie zeer aangetrokken gevoeld hebben tot deze auteur, de leidende Franse econoom van zijn generatie, maar volgens Keslassy verwijdert hij zich snel van Says theses. Wel is het via dit werk dat hij het eerst van de term paupérisme hoort.84

Uit de nota’s die Tocqueville neemt valt af te leiden dat hij zich niet interesseert voor het object en de methodes van de economische wetenschappen, zoals neergeschreven door Say, en ook niet voor diens reflecties op de industrie en de armoede. Zo gaat volgend statement van Say aan hem voorbij85: ’’De werkman begrijpt dat de accumulatie en concentratie van kapitaal in zijn belang zijn’’.

De economische analyse en meer bepaald het mechanisme van de waardevorming interesseren hem wel. Tocquevilles gevolgtrekkingen verschillen wel fundamenteel van die van Say. Zo wijst Say op de correlatie van de termen rijkdom en noden: als de rijkdom toeneemt ontstaan bij een volk nieuwe noden en als zich anderzijds nieuwe noden ontwikkelen dwingen ze de menselijke geest tot de creatie van nieuwe rijkdom. Voor Tocqueville in Mémoire sur le paupérisme 1 lokt de vermenigvuldiging van de noden een almaar belangrijker productie uit van artificiële goederen waarvan de consumptie wisselvallig is. Vandaar de blootstelling van de arbeiders die met deze productie belast zijn. Ook met Says stelling dat de machine tegelijk toelaat het aantal arbeiders en hun salarissen te doen toenemen ging Tocqueville niet akkoord.86

Volgens Keslassy zet hij zich in zijn reflecties over het pauperisme het sterkst af tegen Says fameuze wet van de afzetmarkten, die stelt dat het aanbod zijn eigen vraag creëert.

Reeds in zijn eerste werk Du système pénitentiaire aux Etats-Unis et de son application en France (1833) tracht Tocqueville een uitleg te geven voor het ontstaan van vagebondage en criminaliteit. Hij wijst daarbij op de fluctuaties in de industrie: als die boomt is er nood aan meer arbeidskrachten, die dan weer hun werk verliezen in crisistijden. Keslassy leidt hieruit Tocquevilles scepticisme af over de economische en sociale weldaden van een vrije markt zonder hindernissen.

Alhoewel Tocqueville uitdrukkelijk vermeldt zijn boek over het Amerikaanse gevangeniswezen niet geschreven te hebben om dit soort problemen op te lossen lanceert hij volgens Keslassy toch ’’des pistes intéressantes’’. Zo zou een remedie tegen het kwaad erin bestaan steeds weer nieuwe afzetmarkten te openen voor de industrie om zo de kansen op werkgelegenheid te vergroten. Maar in Mémoire sur le paupérisme 1 verklaart Tocqueville geen voorstander te zijn van de afzet van nog meer Franse producten op buitenlandse markten omdat er weinig controle op het blijvend karakter van die afzet is.

Tocquevilles opvattingen over industriële fluctuaties ziet Keslassy volledig indruisen tegen Says wet want, zo schrijft hij: ‘’Zo’n overtuiging maakt algemene crisissen van overproductie onmogelijk’’87: er zijn geen problemen van afzet meer en volledige werkgelegenheid is verzekerd. De overheid hoeft hier dus niet te interveniëren om full employment te bekomen.

Professor Younkins formuleert Says bedoeling heel anders. Volgens hem zijn de woorden van de naar hem genoemde wet niet eens van Say afkomstig. Wel stelde Say dat het geaggregeerde aanbod zijn eigen geaggregeerde vraag creëert, zodat er een globaal evenwicht is. Maar er kan wel een overproductie van bepaalde goederen ontstaan tegenover andere met onderproductie.88 Roger Backhouse interpreteert de wet in dezelfde zin: ‘’Depressies komen niet voort uit een vraaggebrek in het aggregaat, maar uit een vraagtekort voor bepaalde producten.89 De neoliberale aanbodeconomen grijpen in elk geval terug naar wat met de woorden van Keslassy de ganse 19de eeuw ‘’un des articles du credo libéral français’’ was, maar wat tevoren al door Bentham en James Mill geopperd werd en wat aanvaard werd door Ricardo.90 Voor Dunoyer en Bastiat, die in Says voetsporen treden, zijn crisissen voorbijgaande fenomenen, die men niet moet dramatiseren.

Tegenover het optimisme van de liberale economen staat volgens Keslassy het pessimisme van Tocqueville. Volgens hem toont Tocqueville in zijn werken over pauperisme geen vertrouwen te hebben in de natuurlijke fluctuaties van de markten en erkent hij niet alleen de mogelijkheid van crisissen die hij endemisch91 noemt. Keslassy ziet in hem solidariteit voorgaan op economisch individualisme.

Toch is het maar de vraag of Tocqueville dit extreme individualisme terugvond bij Say, die het liever heeft over sociale dan over politieke economie. Over Robinson Crusoë en consoorten schrijft hij dat ook zij noodzakelijkerwijze gebruik maakten van producten van ,,la vie sociale’’. ,,L’homme isolé est misérable et ne se développe que dans les romans’’.92 Een gans ander beeld dan wat Keslassy van hem schetst.

Wel staat Say, in schril contrast tot Tocqueville, opvallend positief tegenover de industrie. ,,De industrie heeft Europa uit de barbarij getrokken’’.93 Hij verbindt er zelfs een morele dimensie aan door te beweren dat de civilisatie en de ontwikkeling van de industrie, die zo gunstig waren voor het geluk van de naties, ‘’[…] het niet minder zijn voor hun morele volmaaktheid, alhoewel deze waarheid levendig gecontesteerd werd’’.94 We zijn volgens hem geciviliseerder geworden doordat we er toe gekomen zijn meer te produceren en te consumeren. ‘’Het is het opvallendste kenmerk van de beschaving’’.95

Dat is hoegenaamd niet hoe Tocqueville er over denkt en de invloed van Say op hem stuit op veel twijfel.


3.1.2. Villeneuve-Bargemont

Auteurs als Keslassy en Swedberg wijzen er bij het onder de loep nemen van Tocquevilles geschriften over pauperisme op dat hij eerder dan van Says theorieën onder de indruk was van een werk met een gans andere tonaliteit: de verhandeling Economie politique chrétienne (EPC) van Villeneuve-Bargemont. Wat de kwestie van het pauperisme betreft had deze studie onmiskenbaar het meeste invloed op Tocquevilles denken en hij citeert die auteur en gebruikt zijn statistische gegevens. EPC stond bekend als een referentiewerk over het thema pauperisme en is representatief voor de losbarstende literatuur hierover in de eerste helft van de 19e eeuw, waarmee het ook een aantal vooroordelen deelt. Het kreeg zijn constructie doorheen het prisma van het sociale katholicisme en van het legitimisme.

Tocqueville kwalificeerde Villeneuve-Bargemont als een écrivain conscientieux met wie hij zeker niet alle theorieën deelt. Zo zag deze gewezen prefect in le Nord het contrast tussen het miserabele Lille, nochtans gelegen in één van de rijkste Franse streken, en de rurale regio’s met gevoelig minder armen. Dit verband tussen groeiende industrialisatie en parallelle ontwikkeling van de ellende zal ook Tocqueville niet ontgaan.

Villeneuve merkt er ook de installatie van een féodalité nouvelle, harder en despotischer dan de oude feodaliteit die gefundeerd was op de landelijke aristocratie. Volgens hem neemt de industriële klasse de vorm aan van een industriële aristocratie, die zich voor haar welvaart lijkt te voeden met de miserie van zijn werklieden. ‘’[…] hoe meer rijke industriële ondernemers een land telt, hoe meer arme werklieden het bevat’’.96 Dat is dezelfde retoriek als die Tocqueville gebruikt om uit te leggen dat door de industrie de aristocratie kan opkomen in het hart van de democratie.97

Het proces van de industrie wordt bij Villeneuve meteen het proces van Engeland en hij richt zich uitdrukkelijk tegen de ‘klassieke’ politieke economie. Hij vindt het geen toeval dat het pauperisme werd geboren in het vaderland van Smith en Ricardo. Voor hem is Engeland veroordeeld om ten onder te gaan (‘’destinée à périr’’) door de oorzaken die het pauperisme voortbrachten en misschien zelfs door het pauperisme zelf.

Keslassy: ‘’Zijn boek is de afwijzing van de kapitalistische productiewijze op zijn Engels’’.98 De politieke economie, die Villeneuve-Bargemont ‘Engels’ noemt en waar hij une économie poltique chrétienne tegenover stelt, heeft de kunst van het zich verrijken geopenbaard en zich enkel om particuliere belangen bekommert, maar het probleem van een faire distributie werd niet opgelost. Door de menselijke bestemming in de enge en grove sfeer van zinnen en genietingen te plaatsen vernietigde de politieke economie de banden die rijken en armen moeten verenigen.

Toch vervoegt hij de klassieken in hun aanklacht tegen de Poor Law, hierin bijgetreden door Tocqueville. Inzake de ongelijkheden tussen de mensen lopen hun meningen dan weer uiteen. Voor Villeneuve zijn die natuurlijk en is armoede niet uit de wereld te krijgen. Villeneuve: ‘’De mens, het is waar, zal er nooit te komen om de relatieve armoede volledig te beteugelen, net zo min als de andere miseries van het leven’’.99 Armoede is een straf, die alleen met werk en deugd of liefdadigheid te verhelpen valt. ‘’Als de miserie niet beschouwd werd als een straf en een beproeving; als de godsdienst de armoedige mens niet leerde dat hij veroordeeld was om door het werk en de deugd het geluk en de onsterfelijkheid terug te kopen; als tenslotte de liefdadigheid niet bestond om hem te redden, wat een wanhoop zou zijn ziel niet aangrijpen?’’100 Dat het pauperisme ‘’la colère divine’’ vertegenwoordigt, een soort goddelijke justitie voor de morele en religieuze aftakeling van de mens, zal Tocqueville, alhoewel zelf vaak moraliserend, zeker niet onderschrijven.

Deze belangrijke vertegenwoordiger van het sociale katholicisme ziet in het ontbreken van de religieuze praktijk de oorzaak van de armoede van de massa. Alleen door een leven als christen redt de behoeftige zijn waardigheid. ‘’Met het vuur van het christendom, integendeel, behoudt de armoedige mens zijn ganse waardigheid. […] Welke menselijke filosofie zou zo tegelijk het kwaad kunnen uitleggen en het genezen?’’101

Villeneuves werk was voor Tocqueville een bron van inspiratie en beiden delen ook ideeën die in deze periode bon ton waren, maar Tocqueville volgt hem niet in zijn religieuze eenzijdigheid en maatschappelijke vooroordelen.

3.1.3. Nassau Senior


Tocqueville kende Nassau Senior sinds zijn bezoek aan Engeland in de herfst van 1833. Hij zocht hem zelf op, misschien om meer informatie te krijgen over de Poor Law, waarin deze expert was. Senior stuurde Tocqueville zijn geschriften en materiaal in verband met de herziening van deze wet en zijn ideeën waren bijzonder invloedrijk bij het schrijven van de Mémoires. Vanaf hun kennismaking voerden ze regelmatig conversaties. Vreemd genoeg gingen die niet over economische topics, alhoewel Nassau een bekende politieke economist in de klassieke Engelse traditie was en Tocqueville hem uitdrukkelijk gevraagd had als mentor zijn gebrekkige kennis hierover bij te spijkeren. Seniors benadering van de economische realiteit was eerder abstract dan empirisch en zijn belangrijkste propositie luidde ‘’[…] dat elke mens bijkomende weelde wenst met zo weinig mogelijk opoffering’’.102

Misschien was op economisch gebied het water tussen Senior en Tocqueville te diep om te overbruggen, zoals af te leiden valt uit enkele van hun onenigheden. Zo had Senior in verband met de economische situatie van de armen bezwaar tegen Tocquevilles statement ‘’dat in Engeland de weelde van de armen was opgeofferd aan dat van de rijken’’.103 Seniors uitleg was dat enkel de rijken gronden bezitten en alle anderen arm lijken omdat het voordeliger is voor de armen om voor de rijken te werken dan zelf percelen grond te bezitten. Tocqueville noemde twee redenen waarom dit hem niet kon overtuigen. Seniors kijk op wat welzijn tot stand brengt was veel te eng, want daartoe behoren ook aanzien, politieke rechten, geestelijke geneugten en duizend andere dingen die indirect bijdragen tot het geluk. Voor Tocqueville gaat het onderscheid tussen een grondeigenaar zijn en zijn arbeid verkopen ook over meer dan geld: politieke, morele en intellectuele voordelen vormen een meer dan voldoende compensatie voor het door Senior genoemde nadeel.104

Nadat Tocqueville het tweede deel van De la Démocratie en Amérique naar Senior had gestuurd maakte deze ook some Politico-Economical remarks, meer bepaald over de loonzetting. Tocqueville had in het hoofdstuk Influence de la Démocratie sur les salaires geargumenteerd dat de macht van werkmensen en werkgevers gerelateerd was aan hun respectieve capaciteit om de lonen op te trekken of te doen dalen. Die macht hing samen met de resources105 van de werkgevers en het bezit van percelen grond door de werknemers. Omdat in democratische landen de industriële ondernemers heel talrijk en niet al te welstellend zijn en hun belangen erg verschillen valt het hun moeilijk de krachten te bundelen. De werkmensen die hun diensten verhuren voor het cultiveren van de gronden en zelf grond bezitten kunnen weigeren te werken als ze menen niet correct vergoed te zijn. Daardoor ziet Tocqueville ze hun slag thuis halen en loonsverhogingen in de wacht slepen. Gans anders is het gesteld in de grote industrieën die toebehoren aan enkele gefortuneerden, met arbeiders zonder bezit en speciale vaardigheden. Hier beschikken de bazen over de salarissen.106

Senior steunt zich in zo’n analyse op het aanbod van kapitaal en arbeid en de productiviteit van de arbeid, terwijl de instituties van een land volgens hem niet ter zake doen. Waar het in die benadering echt om gaat is of het bereik van de politieke economie eng, zoals bij Senior, dan wel breed, zoals bij Tocqueville, moet opgevat worden om in samenhang met die instituties de economische fenomenen te verklaren.

Wat de visie op de Poor Law aangaat had Senior zeker grote invloed op Tocqueville maar voor politieke economie was die impact erg miniem of onbestaande.107


    1. Reconstructie van zijn economische ideeën

In een brief aan zijn vriend Kergorlay stelde Tocqueville een verhandeling in het vooruitzicht over hoe de politieke economie en aanverwante wetenschappen konden verbeterd worden. Dat deze er nooit kwam is niet te verwonderen. De abstracte benadering die zo’n werk met zich zou brengen was te zeer verschillend van de organische mengeling van feiten en ideeën die Tocqueville voorstond. Een methodologische verhandeling zoals Mills A System of Logic zat er niet in. Voor Tocqueville dienden zowel de feiten als de theorie een noodzakelijke rol te spelen in de analyse (the thinking) én in de presentatie van de analyse aan de lezer (the writing). Het liefst werkte hij dicht bij de feiten om met hun hulp een uitleg van een algemener natuur te construeren.

Zijn methode om de economie altijd te analyseren als een deel van de maatschappij in plaats van de samenhang van economische factoren apart te behandelen, zoals dat bij Mill het geval was, getuigt van hun grondig verschillende aanpak. Tocqueville maakt geen onderscheid tussen de te volgen procedure bij de analyse van economische fenomenen enerzijds en van sociale fenomenen anderzijds, zoals Mill doet.108 Als we zijn manier van werken met economische fenomenen willen begrijpen moeten we eerst zijn algemene manier van werken doorgronden. Tocqueville zegt zichzelf over te geven aan the natural flow of ideas, die hem van de ene consequentie naar de andere voert. ‘’Daarom, tot mijn werk beëindigd is, weet ik nooit exact welk resultaat ik zal bereiken of dat ik tot enig zal komen’’.109

In de periode waarin Tocqueville zijn Mémoires over pauperisme schreef stond de discipline economie, net als die van sociologie, nog in haar kinderschoenen110 en het gebruik van feitenmateriaal en statistiek bij theorievorming in de zich ontwikkelende humane wetenschappen was niet evident. Het ging bij hem dan ook vooral om economische ideeën die verspreid liggen over zijn ganse oeuvre maar toch hield Tocqueville zich in zijn werken ruim voldoende bezig met economische topics om er een boek zinvol mee te vullen. In deze scriptie beperk ik me tot het representatieve materiaal dat hierover beschikbaar is in de Mémoires sur le paupérisme en wat nog volgde aan bijdragen over pauperisme tijdens zijn verdere parlementaire activiteiten.

Tocqueville maakt zijn multidisciplinaire aanpak avant la lettre, met economie als onderdeel, meteen duidelijk bij de aanvang van Mémoire sur le paupérisme 1. Bij het onderzoek van het ‘‘spectacle extraordinaire’’ dat hem in verschillende Europese landen trof schakelt hij direct statistische gegevens in, waarover hij kon beschikken dankzij betrouwbare onderzoekers en dito onderzoeksmateriaal: ‘‘un écrivain conscientieux’’ als M. de Villeneuve en ‘’le célèbre géographe’’ Balbi; en de parochiale registers in Engeland.

Grondeigendom ziet hij als de motor van de vooruitgang, die ook een toename van jouissances betekent. Maar verderop blijkt het morele aspect toch van een gans ander, hoger niveau dan triviale genietingen. Zijn voorkeur voor het agrarische komt duidelijk uit de verf als hij de relatief benijdenswaardige positie van de landbouwer schetst tegenover de wankele situatie van de aan crisis gevoelige industriële arbeider. Deze geboren aristocraat zal de industrialisatie nooit in zijn hart dragen maar ze, net als de democratisering, ondergaan als een belangrijk en onstuitbaar fenomeen. Dat manifesteert zich a fortiori in zijn negatieve houding tegenover de producten die deze industrialisatie schept om aan artificiële noden te voldoen. Sociaal-economische ontwikkeling en a-moraliteit gaan hand in hand.

Die industrialisatie krijgt zelfs een immoreel karakter doordat met de toename en diversificatie van de noden ook het aantal kwetsbaren en paupers vermeerdert en die trend zal zich nog versterken. Die economisch-sociologische wetmatigheid dient sociaal gecorrigeerd te worden met een, weliswaar beperkte, herverdeling.

In deel twee van Mémoire sur le paupérisme 1 komt om te beginnen al een heikele kwestie uit de politieke economie aan bod: Welke taken moet de overheid op zich nemen? In dit geval is de specifieke vraag of publieke liefdadigheid daartoe behoort.111

Tocqueville lijkt de verdediging ervan op zich te nemen vanuit het utilitaristische motto ‘het grootste goed voor het grootste aantal’: de rijken weten zich verzekerd van het genot van hun goederen, de armen zijn beschermd tegen een exces aan ellende. Maar de voor hem negatieve Engelse ervaring als pioniers op het gebied van public charity drijft zijn argumentatie abrupt een andere richting uit. Het pauperisme groeide in Engeland veel sneller aan dan elders en daarvoor ziet Tocqueville vooral economische oorzaken. Hij somt er twee belangrijke op zonder duidelijk te maken welk hun verband is.

Het eerst genoemde in deze Mémoire is dat de Engelse industriële klasse niet enkel voorziet in de noden en genietingen van het Engelse volk, maar van een groot deel van de mensheid. Als de vraag naar deze goederen elders in de wereld hapert of instort geraken Engelse arbeiders hun werk kwijt en groeit het aantal paupers oncontroleerbaar aan. Tocqueville voegt hier vervolgens aan toe dat de Engelse landbouwers in vergelijking met die in andere landen relatief sneller en massaler naar de fabriek trokken. De grote boosdoener is het samenvoegen van de grondeigendom tot grote domeinen, waarvoor enkel de happy few in aanmerking komen. Zoals Tocqueville opmerkt geldt voor de Engelse werkman het hem aan grond ontbreekt en de industrie hem roept112, maar welke van die twee vaststellingen de oorzaak is van de andere laat hij in het midden.

Wel is weer duidelijk dat zijn voorkeur gaat naar een economie met de klemtoon op het agrarische en zeker niet een economie die gericht is op onbeperkte vrijhandel, waarover hij verderop zijn bezwaren zal expliciteren. Daaraan koppelt Tocqueville een mensbeeld, dat duidelijk de trekken van Bentham vertoont. Twee motieven drijven de mens met zijn natuurlijke passie tot ledigheid: wat er nodig is om te leven en de wens zijn levensomstandigheden te verbeteren. Enkel het eerste motief activeert hem, maar het recht op publieke liefdadigheid verzwakt of vernietigt die stimulans. Tocqueville legt hier nadrukkelijk een verband tussen charité publique en de mens met zijn ‘’natuurlijke passie voor het nietsdoen’’.113

De vigerende liberale visie van die tijd stelt dat wie enigszins geschikt is om te arbeiden ook verplicht in de economie ingeschakeld moet worden, en bij weigering verliest hij zijn steun. Ook Tocqueville wil dat de bokken van de schapen gescheiden worden.

Het verplicht doen uitvoeren van publieke werken dateert al van eeuwen tevoren en duikt ook naderhand regelmatig op, met alle problemen die erbij horen. Maar terwijl bvb. het latere keynesianisme dit zag als een middel om de economie en daarmee de werkgelegenheid aan te zwengelen geldt het hier eerder als een stok achter de deur en afschrikkingsmiddel voor werkonwilligen. ‘’Wie steun krijgt moet er ook voor werken!’’ luidt het devies.

Ook de individuele aalmoes ziet Tocqueville vanuit een gelijkaardig conservatief standpunt: de rijke die geeft toont zijn bezorgdheid, de arme die ontvangt zijn dankbaarheid. In een agrarisch Normandisch dorp is zo’n relatie wellicht nog mogelijk, maar in een geïndustrialiseerde Engelse stad waar bij een crisis duizenden de werkloosheid en zo het pauperisme in gedreven worden is dat uiteraard een wereldvreemde, naïeve utopie.

Aan het einde van deze eerste Mémoire laat hij toch enige ruimte voor publieke liefdadigheid, met publieke scholen voor kinderen van paupers, maar het blijft beperkt. Er kan geen sprake zijn van een regelmatig, permanent administratief systeem om te voorzien in de noden van de arme.

De tweede Mémoire wenst uitdrukkelijk praktische oplossingen voor te stellen om het probleem van het pauperisme op te lossen. Dat gaat dus in tegen de gangbare mening dat armoede van alle tijden, onvermijdelijk en dus onoplosbaar is. Bij de aanvang toont Tocqueville weer zijn voorkeur voor landbouw tegenover industrie, door te wijzen op het grote voordeel van de verdeling van de gronden, zoals die in Frankrijk in de zeden114 en de wetten verankerd is: ze voorkomt de verdere ontwikkeling van het pauperisme in de agrarische klassen.

Dat het bij eigenaars die wensen te innoveren de kapitaalvorming belet vermeldt hij bijna als collateral damage. Graanvelden omturnen in prairies en van twintig boerderijen één groot domein maken ziet Tocqueville in eerste instantie niet als een kwestie van efficiëntie (‘’Vanuit het gezichtspunt van de kunst is er misschien115 vooruitgang geweest’’) , maar vooral van een dramatisch verlies aan werkgelegenheid voor al die individuen en gezinnen. Bij het zien van de meedogenloosheid waarmee dergelijke ingrepen gebeuren halen bij hem de humane gevoelens het op het kille economische en industriële lange termijn denken. Het is Tocquevilles anti-kapitalistische reflex die zich eerder op micro- dan op macro-vlak situeert. De miserie van drieduizend boeren, die de eigenaar in een Schots kanton van zijn gronden jaagt, vergelijkt hij met het lot van industriële populaties als nieuwe machines ontdekt worden.

De kleine landbewerkers, losgescheurd van de landbouwgrond, zoeken een nieuwe toekomst in ateliers en fabrieken. Tocqueville gaat er blijkbaar van uit dat ze daar ook tewerkgesteld worden en weldra voor overtollige productie zullen zorgen. De aangroei van de industriële bevolking gebeurt volgens hem niet natuurlijk en fragmentarisch door de noden van de industrie te volgen, ‘’[…] maar plotseling en door een artificieel procédé naargelang de miseries van de landbouwklassen’’.116 Die produceert weldra een teveel en vernietigt de balans ‘’[] die altijd moet bestaan tussen de consumptie en de productie’’.117 Welk soort beslissingen veroorzaken die overproductie? Tocqueville gaat daar niet verder op in, maar mij lijkt het meest plausibel dat de producenten, misschien te overmoedig door het grote aanbod van spotgoedkope arbeidskrachten of in een bitse concurrentiestrijd gewikkeld, de verkeerde beslissingen nemen en teveel producten voortbrengen van het soort waarvoor geen afzetmarkt bestaat. Dat is in lijn met de theorie van Say over tijdelijke crisissen.118

Mijn interpretatie van Tocquevilles uitspraak over de vernietigde balans tussen consumptie en productie is dat volgens Tocqueville beide in normale omstandigheden in evenwicht zijn, maar dat dit evenwicht door een abnormale externe oorzaak –in casu, de plotse en oncontroleerbare toevloed van geproletariseerde landbouwers– kan verbroken worden. De crisis die daaruit volgt zou dus niet eigen zijn aan het economisch-liberale systeem waarbinnen geproduceerd en geconsumeerd wordt maar aan een externe factor. Het gaat dan ook niet op om te stellen dat Tocqueville de theorie van Say à contrepied neemt, zoals Keslassy beweert, maar dat hij er terzake dezelfde wijze van redeneren op nahoudt als Say en deze wellicht van zijn leermeester overnam.119

Alhoewel Tocqueville, anders dan Locke en andere liberale voorgangers, niet gelooft in het natuurlijke eigendomsrecht dat voorafgaat aan de samenleving, ziet hij eigendom als essentieel om ook proletariërs tot een volwaardig bestaan te brengen, waarbij ze zelfs hun ideeën en gewoontes fundamenteel zullen wijzigen. Om voor de industriële arbeider tot stand te brengen wat in zekere mate voor de landbouwer bestaat en hem zo uit zijn onverschilligheid te halen speculeert Tocqueville over het middel om de industriële eigendom te verdelen zonder die onproductief te maken. Het meest efficiënte zou zijn om de arbeider een belang in de fabriek te geven, maar ondernemers ontbreekt het daartoe aan enthousiasme en ze moeten ook niet gedwongen worden.

Twee van zijn kernbegrippen, die reeds terug te vinden zijn in deel één van De la Démocratie en Amérique, krijgen hier een toepassing in de economie. L’égalisation des conditions ziet Tocqueville zich in de toekomst tussen alle naties voltrekken zodat die zelf hun producten kunnen fabriceren. Omdat de nieuwe consumenten van Franse producten ook meestal Fransen zijn is dat land minder bedreigd dan het veel sterker op export steunende Engeland. Associaties ziet hij in de toekomst met succes tussen arbeiders ontstaan, maar het idee is nog niet rijp.120

1   2   3   4   5   6


Dovnload 294.81 Kb.