Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Tocqueville en pauperisme: de komst van ‘Le Nouveau Libéralisme’

Dovnload 294.81 Kb.

Tocqueville en pauperisme: de komst van ‘Le Nouveau Libéralisme’



Pagina3/6
Datum05.12.2018
Grootte294.81 Kb.

Dovnload 294.81 Kb.
1   2   3   4   5   6

4. tocquevilles politieke zoektocht


    1. Zijn politieke positionering

Bekijken we even de démarches die Tocqueville uitvoert om zich politiek te positioneren, ten einde zijn houding tegenover het pauperisme beter te begrijpen.

Tocqueville maakte er nooit een geheim van dat hij in de eerste plaats een politieke carrière nastreefde. Zijn geschriften waren daartoe een aanloop. Dat vooral het eerste deel van De la Démocratie en Amérique zo’n geweldig publiek succes werd en van hem een autoriteit maakte was natuurlijk een meevaller van formaat voor de politicus in spe die hij dan nog was. Door zich van bij de aanvang bij een bepaalde partij aan te sluiten zou hij zichzelf direct een etiket opspelden en dat wil hij vermijden.

Met welke verdeling van het halfrond dat de Kamer van de Juli-monarchie vormde werd Tocqueville geconfronteerd? De rechterzijde werd ingenomen door les lègitimistes; centrum rechts door les ministériels en les doctrinaires; centrum links door de partijgenoten van Thiers en diverse kleine partijen, centre gauche; de linkerzijde door de opposition dynastique van Barrot, geflankeerd door enkele radicaux, in feite republikeinen, op uiterst links.121 ‘’Maar de grenzen waren soepeler dan vandaag’’, verduidelijkt Jardin.122

Twee partijen stonden vijandig tegenover het regime: a) les républicains, met enerzijds de conservatieven die zeker niet streefden naar sociale heisa en anderzijds de revolutionairen uit de laagste klassen van Parijs en de fabriekssteden; en b) les légitimistes, nog steeds dromend van de oudste van de Capetingers op de troon.

De doctrinairen onder Guizot steunden de politiek van Louis-Philippe123, wilden limieten aan de verdere expansie van het stemrecht en hoopten monarchie en revolutie te kunnen verzoenen. Ze haatten de meer bij links aanleunende liberalen en de republikeinen. L’opposition ou la gauche dynastique vormde samen met het Centre Gauche van Thiers de Parti du Mouvement, die oppositie voerde tegen de Parti de la Résistance zonder zich evenwel tegen het regime te richten. Zij waren voorstander van de uitbreiding van het aantal kiezers.

Aanvankelijk werden de banquets124 door hen ingericht, maar dat werd overgenomen door de Republikeinen (o.a. Lamartine125), die toastten op de electorale hervorming en de regering het sterkst aanvielen.

Tocqueville was voor het eerst kandidaat tijdens de verkiezingen van 4 november 1837, met als resultaat ‘’battu et non abattu’’.126 Op 2 maart 1839 werd hij inderdaad verkozen als député voor Valognes en daarmee begonnen twaalf jaren als parlementair. Wel wilde hij zich niet incorporeren in een bestaande partij en eerder hersenschimmig meende hij een 60-tal nieuwe gekozenen rond zich te kunnen verzamelen om iets werkelijk nieuws te doen en ‘’de onbenulligheden van de sociale partij’’ te ontvluchten.127

In januari 1938 officialiseerde Lamartine die sociale partij door haar als zodanig aan te kondigen in de Kamer. Hij integreerde al bij voorbaat Tocqueville in die nieuwe partij128 die zich onder de noemer centre droit libéral et social plaatste. Van bij zijn aankomst in de Kamer zal Tocqueville zich echter gereserveerd tonen tegenover Lamartine en diens aanwezigheid op de rechtse banken zou voor Tocqueville een bijkomende reden geweest zijn om deze te ontvluchten. Nochtans evolueren beide mannen in de periode 1839-1843 op gelijkaardige wijze van hun centrum-sympatieën naar links.129

Tijdens zijn parlementaire loopbaan zal Tocqueville bijna uitsluitend te maken krijgen met Guizot als regeringsleider. Na die van Molé volgt in 1840 een tweede regering-Thiers maar die zal door toedoen van koning Louis Philippe in oktober van datzelfde jaar nog plaats moeten maken voor de regering Soult-Guizot. Guizot is de eigenlijke leider en zal dat in 1846 ook formeel worden en blijven tot de val van het Juli-regime in februari 1848. Bij het aantreden van Guizot was de algemene opinie dat zijn regering geen lang leven beschoren was, maar doordat zijn regering als incarnatie van le régime des notables inzette op vrede, orde en financiële stabiliteit verdedigde hij tot tevredenheid van de bourgeoisie hun belangen, maar zijn verwaarlozing van de sociale problematiek en de economische crisis vanaf eind 1846 werden hem uiteindelijk, samen met de koning van wie hij het vertrouwen gewonnen had, fataal.

De echte camaraderie parlementaire zit er niet in voor Tocqueville, die voor ambitieus en hoogmoedig doorgaat, en zelfs het verwijt krijgt van ‘’une certaine hauteur d’âme’’. Zelf geeft hij toe ,,te vol van zichzelf te zijn’’.130 Door zich als onafhankelijke te positioneren tegenover de partijen begrijpt hij op termijn wel zich af te sluiten van elke weg tot parlementaire actie. Vanaf 1842 stemt hij meestal mee met la gauche dynastique, zonder zich door die partij te laten inlijven.131 Daarbij speelt ook dat hij zijn ganse leven antipathie voelt tegenover Thiers, een gevoelen dat soms getemperd wordt door de verleiding die uitgaat van de briljante intelligentie van de sirène marseillaise. 132 Maar zoals Jardin het stelt: ‘’Tocqueville heeft links aangehangen […] om het zijn ‘kleur’ op te leggen, niet om de zijne aan te nemen’’.133 Alles samen was hij niet toegeeflijker tegenover de houding van links dan Thiers die vaak trouwer was aan de revolutionaire traditie dan ronduit liberaal.134

Tijdens die periode houdt Tocqueville zich in het parlement bezig met de Franse verovering van Algerije, vervolgens met de problemen in Syrië en Egypte en de betrokkenheid daarin van de vijf grootmachten, waarbij hij zich ontpopt als een gedreven nationalist die er zelfs niet voor terugschrikt de Franse regering tot onverzettelijkheid aan te manen. Dat blijkt uit uitspraken aan hun adres als: ,,Elke regering die geen oorlog kan voeren is een verfoeilijke regering’’.135

Hoe ziet Tocqueville het Franse regime en de Fransen van na de Juli-revolutie? Door de sociale structuur van het land, met de kleine eigenaar als het dominante element van de ontwikkelde middenklasse, stond de meerderheid van de Fransen vijandig tegenover elk revolutionair avontuur. Hun ,,goût naturel de la liberté’’ moet het afleggen tegen hun schrik voor revoluties. Uit vrees dat die vrijheden zich tegen hen keren breken de diverse regeringen grote delen af van het liberale gebouw dat met een liberale koning rond 1830 werd opgebouwd. Tocqueville, die vrijheid zijn grootste passie noemt, keurt deze inbreuken door de machthebbers krachtig af. De nieuwe wet op de associaties van 1834 versterkt de beschikkingen van de Code Pénal zonder rekening te houden met de eigenlijke bedoeling van die associaties. Een jaar later volgen de lois scélérates de septembre, de schurkachtige september-wetten, met een verbod om zich republikein te noemen en strenge straffen voor persdelicten. Voor Tocqueville bleef het al dan niet instemmen met deze wetten de ware toetssteen om liberalen van niet-liberalen te scheiden.136

Al deze ingrepen van de regeerders illustreren de anti-liberale reactie tegenover het gebeuren van 1830. Jardin noemt dit Franse regime een soort hybride tussen een centralisme, geërfd van het monarchistische absolutisme, en een poging tot representatie, aristocratisch van oorsprong maar met een electoraat uit de niet-gepriviligieerde klassen. Het grote probleem bestaat erin om aan het electoraat, dat toch de democratische factor uitmaakt, te verduidelijken welk zijn rol in de natie is. Enkel grote partijen met burgerzin kunnen een rol spelen als opinievormers bij dit electoraat en om die reden wil Tocqueville dat de opposition dynastique de eigen zeden op een hoger niveau tilt.137

Op binnenlands vlak staan in deze jaren van het zich ontwikkelende kapitalisme de aanleg van kanalen, wegen en spoorwegen op het voorplan. Maar het zijn niet deze economische problemen die Tocqueville tijdens zijn parlementaire activiteiten aansnijdt. Ze zijn hem nochtans niet vreemd. Door zijn studie vormde hij zich een mening over het probleem van de vrijhandel en hij schaart zich achter een gematigd protectionisme. Zijn aandacht beperkt zich tot zuiver politieke kwesties of veeleer zelfs de politieke moraal. Zo spreekt hij zich in een artikel van 1844 uit over de democratie als ‘’[…] de constante en machtige inspanning gedaan door de samenleving om de conditie van elk van zijn leden te verbeteren, te verheffen, te moraliseren, ter hulp te komen van alle ongelukkigen, de hand te reiken naar alle miseries’’.138 De filosofie van de 18de eeuw krijgt van hem het verwijt bij autoriteiten van elke aard een waar bloedbad te hebben aangericht terwijl het onmogelijk is om te overleven zonder intellectueel en moreel gezag. ‘’Er zullen soldaten en gevangenissen nodig zijn als men de geloofsleren vernietigt’’.139

Heeft het verwijt een legitimist te zijn, dat hij vaak te horen krijgt, enige grond? Jardin sluit zich aan bij de uitspraak van Résumat dat Tocqueville gebroken heeft met het legitimisme, maar niet met de legitimisten.140 Hij weigert te pronken met zijn titel van graaf die hij uit de tijd vindt maar blijft met zijn gevoelige vezels gehecht aan de aristocraten van het westen. Tocqueville heeft het in dit verband over ‘’[…] de brokstukken van een samenleving die in poeder valt en die weldra geen sporen meer zal nalaten’’, maar maakt wel gebruik van deze familiale origines voor zijn natuurlijke entrée in de grote legitimistische salons. Maar net zo thuis voelt hij zich bij de oude aristocratie de robe, de sociëteiten en een soort mondaine elite.141

Tocqueville houdt er een ethisch bijzonder hooggestemd beeld op na over zichzelf en wat hij ziet als zijn plaats en rol in de voltooiing van Gods schepping. De vrijheid, die hem leidt als schrijver en in zijn acties, zal de harmonie van de toekomstige democratie verzekeren als deze niet wegdeemstert onder de dictatuur van het kwaad. Om dat te beletten dienen de burgers de ethische modelering van de godsdienst te ondergaan. Persoonlijke ambitie, hoe banaal ook op zichzelf, past uiteindelijk als ze gezien wordt in haar ruimste perspectief: dat is meewerken aan het werk van de Voorzienigheid dat een nieuwe periode van schepping aankondigt en égalisant les conditions.

Omdat Tocqueville elk probleem dat hij behandelde analyseerde met een eerder abstracte logica slaagde hij er niet in zijn tussenkomsten onder de aandacht van de Kamer te brengen. Dat kon enkel als hij binnen het kader van de partijen optrad. We zagen reeds dat hij koos voor la gauche dynastique, en dat is de réunion Barrot. Als chef van de oppositie gaf Barrot later toe Tocqueville niet op zijn juiste waarde te hebben geschat.

Eind 1844 werd een echt regeringscontract getekend door Thiers en Barrot. Tocqueville moest vrede sluiten met Thiers en zijn actie voortaan onderwerpen aan de collectieve (partij)discipline.142 Bij de aanvang van de parlementaire sessie van 1846 wordt hij verkozen als lid van de begrotingscommissie. Hij interesseerde zich tot nog toe voor puur politieke problemen, maar de studie van het project voor de spoorweg Parijs-Cherbourg, zijn thuisbasis, brengt hem in contact met de ontwikkeling van de industriële infrastructuur en hij kan niet ontkennen dat de schokken en de op- en neergang van de economie de lagere klassen hard treffen. Jardin oordeelt dat een aantal feiten samenkomen die Tocqueville toen al hadden moeten brengen tot de economische en sociale beschouwingen die hij wel publiek maakt aan de vooravond van de revolutie van 1848.

Als bij de verkiezingen van 1 augustus 1846 de conservatieven winnen, la gauche dynastique verliest en centre gauche bijna geen verliezen telt krijgen in de schoot van die laatste formatie Dufaure en Billault opwellingen om een Nouvelle Gauche te stichten. Tocqueville regelt het zodanig dat het programma van de nieuwe partij niet gebaseerd zal zijn op nieuwe principes, maar dat de vrijheid en gelijkheid van 1789 er de basis van zullen zijn. La Nouvelle Gauche zal zich presenteren als de formatie waarvan Tocqueville droomt sinds zijn entrée in de politiek: een associatie van een aantal mensen met talent en een hart, die zich buiten de intriges houden en de zaken volgens hun eigen ideeën gestalte geven.143

4.2. Hernieuwde aandacht voor de sociale kwestie
‘’Al tien jaar, sinds zijn Mémoire over het pauperisme, was Tocqueville opgehouden met te mediteren over de sociale kwestie’’144, schrijft André Jardin over Tocquevilles hernieuwde aandacht voor de sociale kwestie in 1847. Het is pas na zijn inschakeling in de Nouvelle Gauche-fractie in de Kamer dat hij voor die partij de analyse maakt dat het de hoogste tijd is voor hervormingen in het voordeel van de massa indien de politieke verantwoordelijken een revolutie willen voorkomen.

Tijdens de zitting van 12 januari 1847 manifesteert La Nouvelle Gauche zich voor het eerst met een amendement, dat slechts 28 stemmen van de 200 behaalt. Daaruit valt af te leiden dat de splitsing die de nieuwe partij provoceert tussen centrum links en links maar weinig resultaat oplevert. Tocqueville, in beslag genomen door twee grote rapporten over Algerije, neemt tijdens deze hele sessie zelfs niet deel aan de discussies over de parlementaire en de electorale hervorming.

Het verwerpen van elke hervorming door de Kamer zal de campagne des banquets uitlokken. Dufaure stelt na deze sessie een manifest op met een serie maatregelen, vooral een hervorming van de belastingen, die de lasten van de populaire klassen moeten verlichten. Tocqueville aanvaardt om in oktober 1847 een preambule te schrijven. Deze klaagt aan dat het politieke leven zich beperkt tot één klasse, de middenklasse. Die toestand kan niet blijven duren en het politieke ontwaken van de populaire klassen zal uitmonden in het in vraag stellen van het laatste privilegie, het recht op eigendom. Tocqueville stelt de politieke capaciteit die deze middenklasse krijgt toebedeeld niet in vraag, maar hij voorspelt een nieuwe revolutie als deze een reeks hervormingen ten gunste van de massa niet goedkeurt.

Wat er dient te gebeuren voor ,,le peuple’’ deelt hij op in verschillende categorieën.145 De indirecte manier om ter hulp te komen aan de armen bestaat in een vermindering van de publieke lasten doordat ze sommige gerechtskosten niet meer zelf moeten betalen. Bij de directe middelen behoort vooreerst het oprichten van instituties die de behoeftige kan gebruiken om zich in te lichten en te verbeteren, zoals de spaarkassen, kredietinstellingen, gratis scholen, wetten op de beperking van de arbeidsduur, kassen voor wederzijdse hulp, zelfs naaikransen. Om met belastinggeld zijn ellende te verlichten kan er ook directe hulp geleverd worden door gestichten, armenzorg en -taks, verdeling van eetwaren, arbeid en geld.146

Tocquevilles reflectie op de verstarring van de legislatieve natie, en verder zijn lectuur van Saint-Simon, Fourier, Owen en Louis Blanc147 leiden hem in zijn preambule tot het aanbevelen van instellingen voor sociale assistentie. Die preambule wijkt daardoor af van de strikt liberale politieke economie, maar hij zag het als een verplicht complement voor de politieke democratisering van de maatschappij. In tegenstelling tot de opposition dynastique toonde la nouvelle gauche zich gevoelig voor de gedachtestromingen die zich in de nieuwe realiteit van industrialisatie en economische crisis ontwikkelden.148

Het discours dat Tocqueville hierover op 27 januari 1848 in de Kamer uitsprak bleef zijn bekendste en had een enorme weerklank. Hij hekelde hierin vooral de teloorgang van de zeden (l’abaissement des moeurs) door de politiek van de regering. Maar ze hield ook een ernstige verwittiging in aan dit egoïstische kleine wereldje, aanleunend bij de wetgever: het zou omvergeworpen worden door de revolutionaire wind die opstak.

Dufaure verweet Tocqueville ingespeeld te hebben op de angst voor revoluties en deze gaf toe de gevaren overdreven te hebben om indruk te maken op het publiek. ‘’Minder dan een maand later blijkt hij een profeet te zijn geweest’’149, constateert Jardin. Op 23 februari nam de regering Guizot ontslag, ’s anderendaags deed Louis-Philippe troonsafstand.

De revolutie die losbarstte deed Tocqueville niet triomferen maar vervulde hem met ongerustheid en tristesse, want voor hem was de diepere zin ervan de opstand van het proletariaat tegen het recht van eigendom, dat al milennia de sociale orde garandeerde.150

Tocqueville werd verkozen voor de grondwetgevende Assemblée die voor het eerst samenkwam op 4 mei. Elf dagen later werd het gebouw waar de vergadering plaatshad ingenomen door het volk. Dan volgden van 23 tot 26 juni de beruchte Juni-dagen met een bloedige burgeroorlog die de socialistische revolutie brak.151 Meer nog dan tegenover de voorgaande revoluties stond Tocqueville vijandig tegenover deze. De verdediging van de vrijheid zoals hij die opvatte kon enkel doorheen het respect voor de democratisch uitgedrukte legaliteit. Jardin: ‘’In het geding was het recht op eigendom en als Tocqueville twijfelde aan het liberale axioma – traditioneel sinds Locke – dat de eigendom een natuurlijk recht van de mens is, voorafgaand aan de samenleving, acht hij het onontbeerlijk voor een vreedzame maatschappij en onvervangbaar in de stand van de beschaving in zijn tijd’’152. Degenen die dat bedreigen noemt Tocqueville barbaren waarvan de hebzucht voor andermans goed aangestoken werd door de socialisten die thuis horen in de petites maisons.153 Jardin voegt eraan toe dat Tocqueville in de geweldadigheid van het conflict alle objectiviteit verliest die hij nochtans toonde voor hun theorieën en in het bijzonder voor die van de saint-simoniens.154

Tocqueville maakt deel uit van de commissie die belast is met het uitwerken van een nieuwe grondwet en zijn tussenkomsten tijdens de besprekingen in parlement en commissie hebben vooral betrekking op drie punten: het recht op arbeid, het tweekamerstelsel en de verkiezing van de president van de republiek door het volk. Het recht op arbeid was de grote prijs die de arbeiders van hun revolutie van 1848 verwachten, als tegengewicht voor het recht op eigendom. Een amendement om het recht te erkennen van alle citoyens op instructie, werk en assistentie werd na een hevig debat verworpen door Tocqueville en zijn medestanders. Recht op werk zou volgens hem leiden tot socialisatie van de maatschappij en volgens Jardin ‘’[…] is het dus het socialisme zelf dat hij zal aanklagen’’.155 Volgens Tocqueville in zijn discours van 12 september 1848 had het socialisme onder zijn diverse vormen drie constante principes: de cultus van materiële jouissances, de vernietiging van de privé-eigendom en de onderdrukking van de individuele vrijheid. Door het socialisme te vestigen zou de revolutie van 1848 die van 1789 verloochenen in plaats van zich democratisch en christelijk op te stellen door de liefdadigheid uit te breiden en sociaal te organiseren. Voor de doorvoering van het bi-camerisme haalt hij bakzeil, maar de verkiezing van de president door het volk wordt, mede door een overtuigende tussenkomst van Lamartine, wel goedgekeurd.

Zo tekenen zich de essentiële trekken van de toekomstige Franse maatschappij af: de zeden van een democratie van kleine eigenaars, gekaderd in vrije en gematigde instellingen die de politieke stabiliteit verzekerden tegen nieuwe revoluties.156

Op 10 december 1848 verslaat prince Louis-Napoleon zijn tegenstander Cavaignac in de presidentsverkiezingen. Ondanks zijn steun voor Cavaignac wordt Tocqueville na de parlementsverkiezingen, die een half jaar later doorgaan en een klinkende overwinning met zich brengen van de Parti de l’Ordre en hemzelf als vooraanstaand lid ervan, in de regering-Barrot (die zichzelf opvolgt) ministre d’Affaires Etrangères. Zelf verkoos hij het ministerie van Instruction Publique omdat zijn belangrijkste politieke bezigheid sinds 1844 de vrijheid van onderwijs was, maar die ambitie stuitte op het ostracisme van de ultra-katholieke partij. Door binnenlandse politieke verschuivingen en ondanks het grote respect dat de prince hem betuigt zal Tocqueville slechts in functie zijn als minister van juni tot oktober 1849.





    1. Tocquevilles testament

Die opdracht putte zijn wankele gezondheid zodanig uit dat hij in maart 1850 voor zes maanden uit de Wetgevende Assemblée verdwijnt. In de herfst vertrekt hij op doktersadvies naar het warmere zuiden, samen met zijn echtgenote, om er de koude maanden door te brengen. Ze huren in december een huis in Sorrento, waar Tocqueville weer openbloeit en plannen maakt om na zijn Souvenirs nog een belangrijk nieuw boek te schrijven.

Hij krijgt ook enkele weken het bezoek van Nassau Senior, die gewoontegetrouw elke avond de neerslag van hun conversaties noteert. Eén van de economische topics die weer ter sprake komt is de steun aan de armen en hieruit blijkt dat Tocqueville, ondanks de evolutie die hij schijnbaar meemaakte, toch volhardt in de standpunten van zijn eerste Mémoire. Voor Frankrijk wil hij een armenwet en geen nationale werkhuizen omdat die zijn herinneringen aan 1848 en de agitatie van de arbeiders oproepen.

De armenwet kan voor hem twee richtingen uitgaan. De eerste garandeert de arme het recht op steun, waar hij geen voorstander van was omdat ze afstotend is met gescheiden families en het werkhuis als een gevangenis. Het alternatief bestaat in het niet garanderen van dit recht maar het in de plaats stellen van een systeem van werkelijke liefdadigheid (voor Senior real charity). Hier komt bij Tocqueville weer de idee naar boven van een werkelijk verbond tussen rijk en arm waardoor er geen negatief effect zou zijn op de industrie. Hoe dat er precies zou uitzien liet hij in het midden. Senior, die een bezoek aan Ierland bracht in 1848, herinnerde zich nog de lichamen langs de Ierse wegen van mensen die de hongerdood gestorven waren. Hij voerde aan dat armensteun zekerheid betekende voor die mensen en dat ze niet noodzakelijk gebruik van dat recht zouden maken, maar Tocqueville bleef onwrikbaar.157

In juli 1851 brengt Tocqueville een uitgebreid rapport uit in de wetgevende Assemblée over de herziening van de Constitutie maar in december van dat jaar pleegt de prince zijn coup d’état die voor hem de weg opent naar het keizerschap als Napoléon III. Dat gebeuren vindt in Tocqueville een fervent tegenstander en na zelfs een tijd gevangen gezet te zijn maakt hij uit protest een einde aan elke publieke activiteit.

Na zich zorgvuldig gedocumenteerd te hebben verschijnt in 1856 zijn weer fel bejubeld L’Ancien Régime et la Révolution. Drie jaar later sterft Tocqueville in Cannes.




  1. tijdgenoot met eigen ideeën: john stuart mill

5.1. Speciale band met Tocqueville

Sinds 1835 was er een nauwe relatie tussen Tocqueville en John Stuart Mill. Mill, die naast de invloed van Bentham en zijn vader reeds die van de saint-simoniens had ondergaan, voelde zich aangetrokken door het denken en de methode van Tocqueville. De banden tussen beide mannen verzwakken rond 1842 als gevolg van hun onenigheid over politieke problemen en ze ruziën zelfs over het Franse nationalisme. Maar een artikel van Mill in de Edinburgh Review over het tweede deel van De la Démocratie en Amérique betekent een hoogtepunt voor hun vriendschap. Voor Mill was dat tweede deel nog sterker dan het eerste omdat het de menselijke natuur diepgaander bestudeerde en anticipeerde op zijn tijd. Mill was het ook volledig eens met zijn Franse vriend over de onweerstaanbaarheid van de beweging die de westerse wereld naar l’égalité des conditions voert en voelde zich door hem bevestigd in zijn intuïtie dat de democratieën van de toekomst niet bedreigd worden door revolutionaire anarchistische bewegingen, maar door een immobilisme dat de vooruitgang van de beschaving kan stoppen. Mill meende dat de rol van motor die de klasse van kooplieden uitoefent in de moderne maatschappijen evenwichtiger moet worden door de actie van andere klassen.158

Toch meent Mill dat niet alleen democratie of de beweging naar gelijkheid de veranderingen drijft in de moderne commerciële wereld, maar dat het één van de oorzaken is. Voor Mill was dat dan ook niet het grote gevaar voor die moderne maatschappij, maar wel ‘’the excesses of the commercial spirit’’ en ‘’the rage of money-getting’’. Volgens hem verwart Tocqueville de beweging naar gelijkheid met de opkomst van de middenklassen en hun cultuur. In de Verenigde Staten zijn er alleen maar middenklassen.159

Mill zag Tocqueville niet als een socioloog en hij verkoos dan ook Auguste Comtes theorie van de vooruitgang van de maatschappij boven die van Tocqueville zoals die is weergegeven in Mémoire sur le paupérisme 1. Voor Mill was zijn Franse vriend een politieke theoreticus en deze was het daarmee eens, omdat hij zelf niet de ontwikkeling van de sociologie of sociale wetenschap als het doel van zijn werk zag maar wel de beïnvloeding van de politieke koers van zijn land.

Wat Mill naar eigen zeggen speciaal aantrok in Tocqueville was hoe deze in zijn analyse de analytische en de empirische approach vermengde, in Mills woorden ‘’a combination of deduction with induction’’, ‘’empirical facts’’ zowel als ‘’laws of human nature’’. Dat kwam neer op ‘’[…] de ware Baconiaanse en Newtoniaanse methode toegepast op samenleving en regering’’.160 Waar beiden elkaar absoluut niet konden vinden was in Mills pleidooi voor het omzetten van de politieke en sociale filosofie in een werkelijke wetenschap, want de striktere deducties van de Engelse school in politieke economie ontbraken bij Tocqueville en andere Franse auteurs. Vandaar Mills raad aan hen om ervoor te zorgen de theorieën van Ricardo en Bentham volledig onder de knie te krijgen.

Maar Tocqueville wilde zich niet opsluiten in wat voor hem het enge kader van de politieke economie was. Hij vond zich hoegenaamd niet terug in Mills methode die erin bestond economische fenomenen af te splitsen van andere sociale fenomenen en deze apart te bestuderen. De enige factor waarop een auteur volgens Mill moest gefocused blijven tijdens een economische analyse was ‘’the desire of wealth’’ 161

De logische conclusie is dat Mill geen invloed had op het economische denken van Tocqueville. Als reden laat Swedberg in het midden of dat kwam doordat Tocqueville instinctief anders dacht over economische fenomenen dan wel dat hij zich bij zijn ontmoeting met Mill al gesettled had in zijn eigen type van analyse.162 Naar mijn aanvoelen moeten de opvoeding en opleiding van Tocqueville zeker deel uitmaken van dergelijke beschouwing.

De opvattingen van Mill over pauperisme zijn voor ons bijzonder interessant, maar niet zozeer omwille van wat hij en Tocqueville van elkaar overnamen, hetgeen bijzonder moeilijk te achterhalen is, maar wel om te vergelijken hoe twee van de scherpzinnigste denkers uit deze periode dit fenomeen benaderden en erover theoretiseerden.



    1. Samen denken met Malthus en Bentham

Mill was heel genereus in de erkenning welke filosofen zijn ideeën mee vormden en wat pauperisme betreft waren dat Malthus en Bentham. Eerst geven we de gemeenschappelijke assumpties inzake pauperisme van dit trio weer, dan bekijken we hoe Mill daaruit zijn eigen standpunt distilleerde. Eerst en vooral waren ze het erover eens dat het niveau van het comfort of de miserie van de arbeidende klasse, en dat was de grote meerderheid van de bevolking, een gevolg was van de relatie tussen de hoeveelheid kapitaal die beschikbaar was voor de tewerkstelling en het aantal werkkrachten dat ter beschikking stond om ingehuurd te worden. Malthus en Bentham onderschreven de notie van het wages fund.163 Mill deed dat niet met zoveel woorden maar hij heeft het herhaaldelijk over het verband tussen grote aantallen werkmensen met betrekking tot het beschikbare kapitaal en de lage lonen.

De drie denkers verklaren zich vanuit hun utilitaristische zoektocht naar het grootste geluk voor het grootste aantal mensen voorstanders van hoge lonen omdat de arbeiders de meerderheid van de bevolking vormen en geld een middel tot geluk is.164

Hun tweede gemeenschappelijke gezichtspunt was dat de Engelse Poor Laws zoals ze voor 1834 bestond mislukt was in het effectief onderscheid maken in de verstrekte steun, met potentieel vernietigende gevolgen. De kern van het probleem was dat die ongedifferentieerde steun de binding verbrak tussen het recht om te overleven en de plicht om hiervoor te werken. Voor Bentham gold: ‘’Net als werk de bron is van rijkdom zo is armoede die van arbeid’’.165 Omdat ‘’men are what they are’’ zag Mill maar twee motieven om hen tot regelmatige arbeid aan te zetten: beloning en bestraffing. Voor Malthus ontheven de Poor Laws de arbeiders van hun verantwoordelijkheid tegenover hun kinderen: ‘’Van hen kan gezegd worden dat ze de armen creëren die ze onderhouden’’166.

Malthus, Bentham en Mill zagen als eerste consequentie van die verbroken binding, uitgelokt door de Poor Law, de demoralisering van de onafhankelijke armen.167 Hun motivatie om te werken werd ondermijnd door het voor de hand liggende alternatief: overleven in nietsdoen op kosten van de belastingbetaler. Bentham klaagt erover dat op sommige plaatsen de toestand van de afhankelijke arme te verkiezen is boven dat van de onafhankelijke, wat bij een veralgemening tot ‘’the destruction of society’’ zou leiden. Malthus wijst erop dat ook tijdens de schaarste van 1800 de onafhankelijke armen het meest leden omdat hun koopkracht was aangetast door de gestegen graanprijs, en de consumptie in de werkhuizen met afhankelijke armen de kwantiteit van hun rantsoenen deed slinken.

Het tweede falen van de ‘Poor Law’ kwam voort uit de eerste: dat er geen afschrikking was door de status van afhankelijke behoeftige of dat met andere woorden de voorwaarden voor steun te laks waren. Vandaar dat Malthus (en niet Bentham zoals vaak gedacht) als eerste het principle of less-eligibility formuleerde: ‘’Ze zouden onder geen enkele voorwaarde in staat mogen zijn zoveel van het levensnoodzakelijke te eisen als te krijgen is door de slechts betaalde gewone werkmens’’.168 Dit principe speelde een heel belangrijke rol in de Poor Law Amendment Act van 1834. Afhankelijke armoede moest disgraceful blijven. Ook Mill legde dat verband van gebrek aan afschrikking met verpaupering. In de discussie over de uitbreiding van outdoor relief tot de fysiek bekwamen in Ierland, in respons op de aardappel-ziekte, was hij een fervent tegenstander.

Malthus en Mill waren het eens dat de problemen die de Poor Law creëerde nog desastreuzer geweest waren met een andere, lees minder strenge, implementatie. Zo werd de gegarandeerde vestiging van paupers in gemeentes belet door opzichters en de bouw van cottages voorkomen door de lokale adel waardoor de behoeftige gezinnen naar de workhouses moesten waar ze gescheiden verbleven. Het grote gevaar was voor beiden dat steun zonder afschrikking het voortbrengen van kinderen door proletariërs zou aanmoedigen omdat die niet zelf voor het in leven houden van hun nageslacht zouden moeten werken.169 Mill: ‘’Slechts zelden brengen de verbeteringen in de omstandigheden van de werkende klassen meer teweeg dan het geven van een tijdelijke marge, die snel wordt opgevuld door een toename van hun aantal’’.170 Benthams plan voor de armen hield meer de uitbreiding van het levensonderhoud in dan bevolkingsbeperking en daarop kwam hij nooit terug.

Finaal gaan ze alle drie akkoord met het belang van de opvoeding voor het verbeteren van de vooruitzichten voor de armen. Voor Malthus kon de arme niet verondersteld worden rationele en voorzichtige beslissingen te nemen. Vooral de kennis van het bevolkingsprincipe dat volgens zijn theorie tot geboortebeperking leidde en politieke economie in het algemeen vond hij belangrijk. Volgens Mill diende het ontbreken van kennis over dat bevolkingsprincipe door de armen de belangen van de heersende klasse omdat het cut-throat competitie uitlokte tussen de arbeiders, met als gevolg dalende lonen en meer werkuren. Malthus en Mill waren het eens dat de verantwoordelijkheid voor de educatie ultiem bij de overheid ligt.171


    1. De standpunten van Mill

Wat de noodzaak van publieke steun voor behoeftigen betreft situeert de positie van Mill zich tussen die van Malthus, een abolitionist of voorstander van de afschaffing ervan172, en van Bentham, een voorstander van het behoud om redenen van humaniteit en publieke veiligheid.173 Ondanks zijn enthousiasme voor de argumenten van Malthus bevestigde Mill nooit expliciet zijn voorkeur voor de afschaffing, maar hij was wel enthousiast over het werk van de Royal Commission on the Poor Laws en bevriend met Edwin Chadwick, de secretaris ervan. Quinn vindt dat Mill ,,positively Benthamic’’ klinkt als hij stelt dat het lot van niet één lid van de gemeenschap mag overgelaten worden aan het toeval en dat elk individu dat tot die gemeenschap behoort moet verzekerd zijn tegen extreme noden. Verder sluit Mill zich aan bij Benthams verwerping van ,,the lottery of private charity’’ en diens weigering om een onderscheid te maken tussen ,,deserving and undeserving poor’’.

Mill zag the principle of less eligibility als het magische ingrediënt om het recht op steun te scheiden van zijn bittere consequenties die Malthus zo vreesde. Hij dacht dat de nieuwe Poor Law te verzoenen was met het Malthusianisme. Maar in tegenstelling tot Malthus vond Mill niet dat de afhankelijke armoede shameful moest gemaakt worden, maar wel undesirable. Dat laatste was mogelijk door Benthams voorstel om de beperking van steun tot het levensnoodzakelijke door te voeren. Verder wilde Mill om dat te bereiken de verplichting om te werken opleggen, hetgeen zelf de afschaffing van outdoor relief voor de fysiek bekwamen vereiste, en de opsluiting van de massa armen in de werkhuizen.174

Ook geïnspireerd door Bentham is Mills bijval voor een gecentraliseerde administratie zoals de wet van 1834 voorzag. De centrale Poor Law Commissioners zouden gedetailleerde jaarlijkse rapporten maken voor het parlement, algemene regels toepassen en een uniform rekeningensysteem opleggen. Collectie en verspreiding van informatie stonden centraal.

Eén aspect van Benthams Poor Plan werd door Mill, in lijn met de Royal Commission, uitdrukkelijk afgewezen: de voorziening van de steun door een private onderneming, gemotiveerd door het voornemen om winst te maken. Mill toonde zich onbuigzaam in zijn standpunt dat de bedoeling van arbeid voor paupers afschrikking, niet winst moest zijn. Om twee redenen was winst trouwens onmogelijk. Ten eerste waren op gebied van landbouw de meest productieve gronden al in beslag genomen en de afnemende meeropbrengsten maakten het vooruitzicht van home colonization175 hopeloos. Ten tweede, echt werk gedaan krijgen door dagarbeiders zonder de macht om ze te ontslaan is enkel uitvoerbaar ‘’door de kracht van de zweep’’.176[sic] Mill meende dat de armencijfers konden afnemen en de bevolkingsdruk verminderen door het recept van de steun voldoende onaantrekkelijk te maken. Om te verwachten dat de afhankelijke armen, met zo’n heterogeniteit qua bekwaamheid, leeftijd en gezondheid, hun eigen ondersteuning konden bekostigen, was uiterst optimistisch. Denken dat daarbij zelfs winst kon gemaakt worden is voor hem gewoon fantasie.177

Malthus’ principle of population vond in Mill een verdediger tegen sentimentele critici ervan, maar hij hechtte weinig geloof aan de efficiëntie van de Malthusiaanse moral restraint178, vooral door het lage opvoedingspeil van de armen. Tegenover Benthams wens om huwelijk en echtelijke seks te vergemakkelijken in zijn armenhuizen stond Mills bezorgdheid om vooral geen nieuwe klasse paupers voort te brengen, die hem leidde tot het steunen van de strikte scheiding van de geslachten in de werkhuizen onder de nieuwe wet. Mill vraagt zich af waarom een beroep zou gedaan worden op financiële offers van de hogere en middenklasse ‘’[…] louter om het land een groter aantal mensen te doen bevatten, in even grote armoede en even grote last van behoeftigheid als nu?‘’179

Het voor de hand liggende alternatief voor moral restraint was voor een seculiere utilitarist als Mill contraceptie. Hij had onder een pseudoniem drie artikels ten gunste van geboortebeperking geschreven en was korte tijd gearresteerd voor betrokkenheid bij de verspreiding van handbills met praktische instructies. Daarna toonde hij zich discreter en zijn publieke aanbeveling werd prudence, voor en na het huwelijk. Dat hield een nuttige ambiguïteit in omdat het refereerde naar zelfbeheersing qua procreatie, maar die was te verwezenlijken door celibaat of contraceptie.

Eenvoudig gesteld: verbetering van de economische en intellectuele status van de arbeiders was afhankelijk van de beperking van hun aantal en hiermee hing ook hun morele vooruitgang samen. In sommige delen van Europa was meer voorzichtigheid te verwachten omdat door het eigendomssysteem voor landbouwers sowieso de nood bestond om hun aantal kinderen te beperken, maar dat bestond niet in Engeland.

Een andere optie was de staat verantwoordelijk te stellen voor het aanbod van werk voor allen in ruil voor de legale beperking van de procreatie. In zijn jonge jaren was Mill, net als Malthus, gekant tegen zulke beperking, maar voor de latere Mill was die legale beperking een legitieme optie.180




1   2   3   4   5   6


Dovnload 294.81 Kb.