Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Tocqueville en pauperisme: de komst van ‘Le Nouveau Libéralisme’

Dovnload 294.81 Kb.

Tocqueville en pauperisme: de komst van ‘Le Nouveau Libéralisme’



Pagina4/6
Datum05.12.2018
Grootte294.81 Kb.

Dovnload 294.81 Kb.
1   2   3   4   5   6

,,un libéral d’une espèce nouvelle’’181

In 1836 schrijft Toqueville in een brief aan Eugène Stoffels: ‘’Je ne puis croire qu’on aperçoive pas nettement en moi un libéral d’une espèce nouvelle’’. Wat zou hij hiermee bedoelen?




    1. . Keslassy: de ,,derde weg’’ van Tocqueville182

Aan de hand van Tocquevilles opvattingen over pauperisme reëvalueert Eric Keslassy diens liberalisme. Hij maakt daarbij een onderscheid tussen het politieke liberalisme, waar Tocqueville zonder twijfel onvoorwaardelijk voor staat, en het economische liberalisme, waarvoor dat volgens Keslassy hoegenaamd niet het geval is. Keslassy grijpt het pauperisme aan, als aspect van het overvloedig belichte oeuvre van Tocqueville dat bijna nooit in beeld kwam, om diens houding tegenover dit economische liberalisme op scherp te stellen.

Voor de meeste analisten geldt zonder verdere bedenkingen de uitspraak van Pierre Manent: ‘’Tocqueville is gewoonweg liberaal in de economische orde’’.183 Keslassy wil de onjuistheid hiervan aantonen door zich met de lezer te buigen over teksten van Tocqueville die de analisten precies vergaten of verwaarloosden en andere die ze naar voor brachten om ze te doen beantwoorden aan een op voorhand gefabriceerde logica: ‘’Tocqueville moet dienen als intellectuele referentie naar het economische liberalisme’’.184 Ze zoeken bij hem argumenten, soms enkel losse citaten, als pleidooi voor het economische liberalisme of als kritiek op het socialisme. Voor Keslassy is Tocqueville nochtans geen doctrinair185, want voor hem bestaat er geen definitieve of ideologische oplossing voor het pauperisme.

Wat de economische en sociale materie betreft halen auteurs en commentatoren steevast hetzelfde fragment aan uit De la Démocratie en Amérique I, dat ze inschatten als hét statement van Tocqueville tegen l’Etat-providence en zijn absolutisme. Die krijgt daarin de beschrijving van een zich boven gelijkende en gelijke mensen verheffende ‘’pouvoir immense et tutélaire’’, die hen wil beletten ooit hun kindertijd te ontgroeien186. Naar dit overbekende fragment refererend voelen de commentatoren zich geautoriseerd om Tocqueville te zien als een chantre, een voorzanger, van het economische liberalisme: een verdediger van de markt of een tegenstander van staatsinterventie in het economische en sociale veld. Ook een eminent politiek auteur als Hayek plaatst Tocqueville tussen de liberale economisten in The Constitution of Liberty. Bij het aanhalen van de net vermelde passage citeert hij Harold Laski: ,,Tocqueville fut un libéral de l’espèce la plus pure’’.187

Een ander, minder gebruikt argument om Tocquevilles economische liberalisme te staven is zijn veroordeling van permanente legale liefdadigheid in de strijd tegen het pauperisme. Dat volstaat om hem in te delen bij ultra-liberalen als Say, Bastiat en Dunoyer. Ook Robert Castel geeft toe aan deze doxa zodat het werk van Tocqueville dat van een ultra-liberaal lijkt. Keslassy wijst er hierbij op dat niet alleen de liberale beweging tot de veroordeling overging van het principe van legale liefdadigheid, dat in Engeland onder de naam Poor Law in de praktijk werd gebracht, maar dat er over de heersende politieke strekkingen heen188 een soort consensus was over de vernietigende effecten (effets dévastateurs) ervan.

Keslassy beoordeelt de intellectuele positie van Tocqueville als veel complexer. De intellectuele opvolging van Say, Dunoyer en Bastiat tot Hayek kan voor hem niet via Tocqueville gaan. Je kan niet iemand tot het economische liberalisme rekenen volgens wie een volledig vrije markt niet toelaat het sociale en economische geluk te vinden. Keslassy: ‘’Bijgevolg heeft de staat een rol als regulator te spelen […].’’189 Met het pauperisme, dat zich vertaalt in een sociale kwestie, komt de cohesie van de maatschappij in het geding. Tocqueville wijst op de sterke fluctuaties in industriële activiteit, waarmee die in de werkgelegenheid nauw samenhangen.

Keslassy gaat ervan uit dat Tocqueville de theorieën van Say gelezen heeft, en meer bepaald zijn wet van de afzetmarkten (sa loi des débouchés) -het aanbod creëert zijn eigen vraag- die verzekerde dat crisissen onmogelijk zijn. Door niet te geloven in de mogelijkheid om een vaste verhouding tot stand te brengen tussen productie en consumptie neemt Tocqueville afstand van de liberale economen van zijn tijd. Hij gelooft eenvoudig niet dat de spontane regeling van de markt toelaat om alle sociale en economische moeilijkheden op te lossen.

Elders lijkt Tocqueville zich te positioneren met betrekking tot the invisible hand van Smith als hij uitlegt dat ieder bijdraagt aan het gemeenschappelijk welzijn in de hoop er de persoonlijke voordelen van te genieten. Zo maakt hij het algemeen belang, en niet het particuliere zoals Smith, tot objectief. In de Verenigde Staten begreep de gewone man reeds de invloed van de algemene welvaart op zijn geluk zodat hij er voor ijverde.190 Keslassy: ‘’Door de volgorde van de factoren om te draaien neemt Keslassy de liberale theorie tegenvoets’’.191

In Mémoire du paupérisme 1 verwijdert hij zich nog verder van de liberale economen voor wie ‘laissez faire’ de boodschap is en sociale ongelijkheden natuurlijk zijn. Tocqueville ziet ze daarentegen als resultaat van een langzame evolutie die begon met de instelling van de grondeigendom.

Keslassy citeert een tekst van Dunoyer die wijst op het heilzame effect van armoede, ‘’un mal nécessaire’’, als afschrikkingsmiddel voor de anderen. Het beste middel om pauperisme te bestrijden is niets doen, aldus Lutfalla. Tocqueville zoekt daarentegen middelen om het pauperisme tegen te gaan en het te voorkomen. Keslassy schrijft hem ook de opvatting toe dat de enige acteur die bekwaam is om de ontzaglijke sociale kwalen te verminderen de Staat is. Dat moet blijken uit volgend citaat: ‘’De industriële klasse heeft een grotere nood om gereglementeerd, gesurveilleerd en bedwongen te worden dan de andere klassen en het is natuurlijk dat de bijdragen van de staat met haar groeien’’.192

In tegenstelling tot de liberale economisten, die vinden dat enkel vraag en aanbod de salarissen van de werkmensen moeten bepalen en niet de Staat, vindt Tocqueville dat de wetgever speciale aandacht moet verlenen aan hun toestand van afhankelijkheid en ellende.193 Hij betreurt dat ondernemers om redenen van competiviteit onderling overeenkomen om die arbeiderslonen te verlagen.

Om Tocqueville per se binnen het liberale denken te handhaven onthouden de aanhangers hiervan selectief uit zijn Discours sur le droit au travail (1848) de strenge kritiek op het socialisme en zijn weigering om het recht op arbeid in de nieuwe Constitutie in te schrijven. Gemakshalve vergeten ze dat Tocqueville eveneens appèl doet op de publieke macht met zijn voorstel ,,[…] de publieke liefdadigheid te doen aangroeien, te wettigen, te regulariseren’’194. Dit kan gelden als echo van het programma dat hij opstelt voor la jeune gauche, waarin hij voorstelt het materiële en intellectuele lot van de ‘inferieure klassen’ tot de belangrijkste materie van de wetgevers te maken.

Tocqueville presenteert vervolgens ,,son programme de solidarité’ met wetten en middelen die hem volgens Keslassy naar gene kant van de klassieke liberale horizonten brengt. Tot de instellingen die de paupers moeten verlichten en verrijken behoren spaarkassen, kredietinstellingen, gratis scholen, wetten op arbeidsduur, kassen voor wederzijdse hulp, tot naaikransen (ouvriers) toe. Belastinginkomsten kunnen dienen voor tehuizen en distributie van eetwaren, arbeid, geld. Hulp voor het volk is mogelijk door een vermindering van publieke lasten en directe en indirecte assistentie. Als principe stelt Tocqueville ook dat ,,een gelijker verdeling van de goederen van deze wereld’’ zich opdringt. De hele wetgeving dient een filantropische wending en een sympathiek sentiment tegenover de armen te krijgen, zodat het volk zich aan deze werken gebonden voelt en troost vindt voor het feit niet zelf de wetten te maken maar dat te delegeren aan een wetgever die aan hen denkt.

Deze aspecten van Tocquevilles denken werden reeds bestudeerd maar om tactische redenen slechts gebruikt tegen de toename van het etatisme omdat ze het economische liberalisme verwerpen.

Keslassy concludeert dat het door Tocqueville ontwikkelde economische en sociale denken zich situeert tussen het etatistische socialisme en het economische liberalisme want hij wil noch het recht op werk en legale liefdadigheid, noch een afwezige staat die alle ruimte laat aan regulatie door de markt alleen. Tocqueville prijst een nieuwe vorm van staatsinterventie aan: een soort derde weg.

De politici, intellectuelen en liberaal geïnspireerde universiteiten die zo’n sterke invloed hebben op de heersende ideeën, kunnen wegens de hierboven aangehaalde argumenten volgens Keslassy de historische en intellectuele legitimiteit die ze traditioneel zoeken bij de grote auteurs van de 19de eeuw niet meer putten uit de geschriften van Tocqueville.



    1. Laissez faire en staatstussenkomst

Om zijn stelling te staven dat Tocqueville geen voorstander is van het economische liberalisme, integendeel zelfs, haalt Keslassy verschillende argumenten aan. Eén ervan is dat Tocqueville geen doctrinair is, met definitieve of ideologische oplossingen voor het pauperisme. Voor een liberaal denker als Hayek behoren echter het niet-doctrinaire en het openstaan voor een veelheid van oplossingen precies tot het wezen van het liberalisme.195 Een ander argument van Keslassy is dat Tocqueville zich opstelt tegen werkgevers die onderling overeenkomsten afsluiten, in dit geval om de arbeidslonen te verlagen. Maar die opstelling betekent zeker niet dat de overheid tussenkomt om dit euvel te verhelpen of dat Tocqueville een wetgevend initiatief in die zin neemt.

Men zou tegen deze weerleggingen kunnen aanvoeren dat het liberalisme in de eerste helft van de 19de eeuw, waarover hier sprake is, een heel verschillend karakter had. Maar, zoals het citaat bij de aanvang van dit onderdeel aangeeft, voelde Tocqueville zich reeds ‘’un libéral d’une espèce nouvelle’’. Als Catherine Audard de vraag opwerpt waaruit ‘le nouveau libéralisme’ in Frankrijk bestaat denkt ze bij het beantwoorden ervan in eerste instantie aan Tocqueville ,,die, zoals Mill, vreest dat de liberale waarden degenereren in een vulgair economisch individualisme en die aandringt op de waarde van de politieke participatie om het ambiante egoïsme te dwarsbomen’’.196 Bij die herwaardering van het liberale ideeëngoed behoren ook meer empathie voor sociale problemen als het pauperisme en een grotere inspanning voor de publieke liefdadigheid, waarvoor ook Tocqueville pleit. Maar in wat voorafging werd anderzijds aangetoond dat Tocqueville tot het einde van zijn politieke carrière een fervent tegenstander bleef van permanente publieke liefdadigheid. In die houding vertoont hij een conservatieve reflex die intussen vreemd is aan zijn liberale intellectuele vrienden als Mill, Nassau Senior en Chadwick.

Buiten de genoemde argumenten manifesteert volgens Keslassy een aanhanger van het economisch liberalisme dat voornamelijk op twee punten: door de vrije markt met zijn ‘laissez faire’ te verdedigen en door elke vorm van staatsinterventie te veroordelen. In wat volgt bekijken we of er consensus bestaat over de bruikbaarheid van deze criteria en in hoeverre Tocquevilles opvattingen eraan beantwoorden. Zijn opvattingen hierover zitten verweven met andere onderwerpen.

Zo oppert hij in zijn rede als president van de Academie voor Morele en Politieke Wetenschappen de idee om een handboek politieke economie voor de werkende klasse samen te stellen. De eerste bedoeling is om de werkers ervan te overtuigen dat het een verkeerde idee is om te denken dat ze allen rijk kunnen worden. Zo’n handboek zou de arbeiders ook leren dat er economische wetten bestaan (waarbij hij zelfs refereert naar de goddelijke wetten als grondslag) die het niveau van hun salarissen onwrikbaar bepalen. Tocqueville: ,,Als de vraag naar werk daalt kan de regering net zo min de salarissen doen stijgen als iemand kan beletten dat water naar de gekantelde zijde van een glas vloeit’’.197

Daaruit valt af te leiden dat voor Tocqueville de wetten van vraag en aanbod zich even onvermijdelijk doorzetten als die van de zwaartekracht en dat een eventuele overheidsinterventie hierin zinloos en onmogelijk is. Zijn verwachting is wel dat de grote bedrijven op termijn zullen verdwijnen ten voordele van de kleinere die hogere salarissen kunnen bieden maar het hoe en waarom blijven onvermeld. Tocqueville hangt hier dezelfde opvattingen aan als de liberale auteurs die de politieke economie vorm geven. Ook in die lijn ligt wat hij eraan toevoegt: de arbeiders kunnen hun situatie vooral verbeteren door hun eigen inspanningen op te drijven.

In zowel De la Démocratie en Amérique als in zijn Mémoires sur le paupérisme gebruikt Tocqueville niet de term organisation maar wel herhaaldelijk association. Die laatste legt een sterkere klemtoon op een groot aantal individuen die samenwerken om een initiatief of onderneming gemeenschappelijk uit te voeren. Dergelijk idee van gelijke mensen die hun krachten bundelen in een associatie past perfect in Tocquevilles opvatting van democratie. Het is ook uitdrukkelijk de bedoeling bij hun oprichting dat die associaties ingaan tegen de groeiende macht van de staat over individuen. Die valt in de toekomst almaar meer te vrezen omdat met de evolutie van de maatschappij naar democratie de individuen almaar minder instaan voor de verschaffing van het levensnoodzakelijke als voeding en kledij, waarvan de productie overgenomen wordt door op een almaar grotere schaal producerende ondernemingen198, en de staat zo in de verleiding komt om de controle over de economie over te nemen. Om dit te counteren moeten volgens Tocqueville private economische organisaties opgericht worden. Dat was des te urgenter door de transitie van de huisindustrie naar een markteconomie en het gemak waarmee de staat daardoor de industriële eigendom zou kunnen onteigenen.199

Toch was Tocqueville zeker niet gekant tegen een belangrijke rol van de staat in de economie van een land en als voorbeeld geldt voor hem hier Amerika. Wie er voor het eerst aanlandt kan denken dat het een land zonder staat is en in Europa heerst het denkbeeld van een Amerikaans ‘laissez faire’ en een staat die enkel spectateur is. Maar die staat investeert volop in de infrastructuur van het land, zijn kanalen, wegen en postsysteem. Een bijkomend voordeel voor Amerika is zijn federaal systeem waardoor een gedeelte van de infrastructuur overgelaten wordt aan een samenwerking tussen private actoren en lokale staten, want lokale gemeenschappen kennen hun eigen zaken het best.200

De staat kan op verschillende manieren ingericht worden en dat heeft consequenties voor zijn economische rol. Daarbij was de klasse die heerste belangrijk want de verschillende klassen hadden een verschillende zienswijze. Als bijvoorbeeld de armen aan de macht waren dreigde het gevaar van overspending want ze wilden enkel mensen met eigendom taxeren. Twee strategieën zouden desastreus zijn en tot serfdom leiden: te passieve, ongeïnteresseerde burgers laten de staat afglijden naar een milde dictatuur; de staat als garantie nemen voor het welzijn van zijn burgers zou leiden tot de welvaartstaat of socialisme. ,,In beide gevallen zou de vrijheid verloren zijn’’.201

Dat met de industriële revolutie het marktsysteem zijn intrede doet is een economisch en maatschappelijk gegeven, ook in het Frankrijk waarin Tocqueville zijn politieke werken schrijft. ‘’Eens uitgewerkte machines en installaties gebruikt werden voor de productie in een commerciële samenleving nam de idee van een zichzelf regulerende markt noodzakelijk vorm aan’’.202 Het gaat volgens Polanyi daarenboven om een totaal nieuw gegeven, wat vanuit een bepaalde hoek ook mag beweerd worden. ‘’Voor onze tijd heeft er nooit een economie bestaan die, zelfs in principe, gecontroleerd werd door de markten. Ondanks het koor van academische gezangen, zo opdringerig in de negentiende eeuw, speelden winst en profijt nooit tevoren een belangrijke rol in de menselijke economie’’.203

De sporen van die nieuwe institutie zijn uiteraard duidelijk terug te vinden in werken over politieke economie, die meestal liberaal geïnspireerd zijn, ondanks de tegenwind van socialistische en communistische zijde. Wat voorafging maakt duidelijk dat Tocqueville weliswaar kennis nam van die collectivistische werken, maar toch vooral overtuigd geraakte van de grondprincipes en de economische wetmatigheden, de werking van de markt en de beperkte staatstaken die de liberale auteurs voorop stelden.

Toch zou hij zeker niet akkoord gaan met wat Polanyi formuleerde als ‘’de vertrouwelijke verzekering dat een markteconomie enkel kan functioneren in een markteconomie’’ en ‘’het beheren van een samenleving als een adjunct van de markt’’.204 Tocqueville anticipeerde veeleer op wat Polanyi de opmerkelijke ontdekking van het recente historische en antropologische onderzoek noemde: ‘’Dat de menselijke economie, als regel, weggezonken is in zijn sociale betrekkingen’’.205 Ook wat daarop volgt over mens en economie zou hij zonder twijfel onderschrijven: ‘’Hij handelt niet om zijn individueel belang te vrijwaren door het bezit van materiële goederen; hij handelt om zijn sociale standing, zijn sociale aanspraken, zijn sociale bezittingen te vrijwaren. Hij waardeert materiële goederen enkel in zoverre ze dit doeleinde dienen’’.206

Zo treffen we ook hier weer binnen zijn historische kader de geheel eigen, visionaire kijk van deze filosoof-socioloog aan, in casu op de economie en de plaats van de mens in het maatschappelijke kader waarvan het economische een belangrijk, maar niet geïsoleerd onderdeel is.



conclusie
In de reflectie over maatschappelijke gelijkheid en ongelijkheid die haar zo eigen is beschouwt de (politieke) filosofie het pauperisme, de collectieve vorm van armoede die vanaf eind 18de eeuw de sociale kwestie bij uitstek wordt, meteen als een uiterst belangrijk thema. Als gerenommeerd auteur over deze materie en politicus in spe schrijft Tocqueville er twee essays over.

Net als in zijn zgn. magnum opus De la Démocratie en Amérique bestaat zijn methode er in deze essays in feiten en cijfergegevens samen te brengen om er sociologische en economische wetmatigheden uit af te leiden. Concepten als l’égalisation des conditions en association, die hij eerder al gebruikte, komen in deze teksten terug maar met een eigen invulling.

Bij de opbouw van zijn visie over pauperisme houdt Tocqueville rekening met economische wetten en gegevens, maar hij laat zich niet opsluiten in het enge kader van de politieke economie van Ricardo of de conservatief christelijke versie van Villeneuve. Met de eigen Franse ervaringen en die van de Britse Poor Law in zijn achterhoofd trekt hij verdergaande conclusies dan Bentham en Mill, met zijn hardnekkig verzet tegen permanente publieke liefdadigheid, waarvan hij gedurende zijn ganse politieke carrière niet afwijkt.

Anderzijds komt Tocqueville op voor lokale overheidstussenkomst om de paupers een aantal sociale voordelen te verschaffen. Zijn concrete oplossingen in Mémoire 2 om hun lot te verbeteren lijken eerder een kurieren am Symptom. Maar het meest efficiënte en probate middel dat hij voorstelt en dat als een rode draad door zijn werk loopt is de behoeftigen ertoe brengen eigendom te verwerven, eerst privé maar op langere termijn ook in het industriële apparaat via associaties van arbeiders. Met het opnemen van hun verantwoordelijkheid voor dit bezit zullen ook hun zeden (mores) er aanzienlijk op vooruitgaan. Voor Tocqueville heeft eigendom een bijzondere status, want in zijn ogen begon daarmee de beschaving en met het verlies van dit laatste privilegie zal de beschaving ook eindigen.

Vandaar ook zijn vrees voor de overname van de economische sectoren in privé-handen door de gecentraliseerde staat. Zijn geloof in ijzeren economische wetten bevestigt dat hij op een aantal gebieden meegaat met de heersende leer van het economische liberalisme. Maar doctrinaire volgzaamheid gaat tegen Tocquevilles geaardheid in. Zijn vrees voor de voortschrijdende industrialisatie met zijn artificiële producten en streven naar maximaal rendement, gepaard aan een grotere voorkeur voor de agrarische sector, geven blijk van een zeker conservatisme, mét het realistische besef dat er geen weg terug is.

Welke factor doorslaggevend was om Tocquevilles bekommernis over het pauperisme en zijn toename te verklaren valt moeilijk uit te maken. De van thuis uit bijna panische angst die hij had voor een nieuwe uitbarsting door de ontevredenheid van de massa duikt regelmatig terug op in zijn geschriften en optreden. Ook een verdedigbare stelling is dat hij bij het innemen van maatschappelijke standpunten steeds opportunistisch de grote politieke carrière waartoe hij zich geroepen voelde, voor ogen hield.

Maar Tocqueville was zonder twijfel ook de wegbereider in Frankrijk van Le Nouveau Libéralisme, die pleitte voor een socialer en humaner aanpak van de sociale kwestie en vooral, boven het materiële uit, de geestelijke en morele verheffing van de pauper en bij uitbreiding van de ganse maatschappij, niet het minst de narcistische bourgeoisie. Dat bedoelt Tocqueville als hij zichzelf ‘’un libéral d’une espèce nouveau’’ noemt. Die sociale en morele opstelling betekende hoegenaamd niet dat hij zich aangetrokken voelde tot het socialisme, dat hij zag als een verfoeilijke en barbaarse ideologie met misprijzen voor het eigendomrecht en met louter materiële bekommernissen.

Voor mij baande Tocqueville zich geen derde weg tussen liberalisme en socialisme, zoals Eric Keslassy in Le libéralisme de Tocqueville à l’épreuve du paupérisme beweert. Hij koos bewust voor een vernieuwd liberalisme, hetgeen, hoe paradoxaal het in onze oren ook mag klinken, een conservatieve reflex niet uitsloot.




1 Gegevens uit Le Petit Robert.

2 Vandaar de wat uitgebreider behandeling van de Engelse Poor Laws.

3 Larousse, 584

4 Op.cit., 602. Eén van de grote sociale opstanden bij het begin van de industriële revolutie, waarbij 169 doden vielen. De zijdeweefsters en –wevers van Lyon eisten een gegarandeerd salaris van de handelaars, die marktfluctuaties à la baisse steeds op hen afwentelden.

5 Deze wevers en weefsters wilden een behoorlijk loon om werkelijk te leven of stervend ten onder gaan.

6 op.cit. P. 608: 175 km. spoorwegen aangelegd in 1837, 499 km. in 1841, 1900 km. aan het einde van de Juli-monarchie in 1849.

7 Franse royalisten, die in de plaats van de liberale koning Louis-Philippe van de junior Orléans-lijn, koning van 1830 tot 1848 (het Juli-regime), de oudste afstammeling van de Bourbon-dynastie weer op de troon wilden.

8 In juli 1830 stoot Louis-Philippe de toenmalige antirevolutionaire koning Charles X van de troon en hij vestigt tot februari 1848 het zogenaamde Juli-regime, met een liberaal karakter.

9 Op.cit., 603. Villeneuve-Bargemont en zijn conservatieve gedachtengoed komen verderop aan bod bij de leermeesters van Tocqueville. Marx heeft het in het Communistisch Manifest smalend over het feodale socialisme als jeremiades en libelles (schotschriften), ,,echo’s van het verleden en geraas van de toekomst’’.
1   2   3   4   5   6


Dovnload 294.81 Kb.