Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Toegepaste beeldende kunst

Dovnload 280.59 Kb.

Toegepaste beeldende kunst



Pagina1/6
Datum28.10.2017
Grootte280.59 Kb.

Dovnload 280.59 Kb.
  1   2   3   4   5   6


TOEGEPASTE BEELDENDE KUNST

derde graad KSO




LEERPLAN SECUNDAIR ONDERWIJS

september 2005



LICAP – BRUSSEL D/2005/0279/010




Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs

Guimardstraat 1, 1040 Brussel





ToEGEPASTE BEELDENDE KUNST

derde graad kSO





LEERPLAN SECUNDAIR ONDERWIJS

LICAP – BRUSSEL D/2005/0279/010

(vervangt D/1992/0279/074I met ingang van 1 september 2005)

ISBN 90-6858-459-6




Inhoud

Lessentabel 5

1 Beginsituatie 7

1.1 Kiezen voor de derde graad Toegepaste beeldende kunst 7

1.2 Beginsituatie 7

2 Algemene doelstellingen 8

2.1 Inleiding 8

2.2 Algemene doelstellingen 8

3 Algemene pedagogisch-didactische wenken en didactische middelen 10

3.1 Het leerplan 10

3.2 De opdrachten 10

3.3 Het atelier 11

3.4 De begeleiding 11

3.5 De geïntegreerde proef 11

4 Leerplandoelstellingen, leerinhouden, didactische wenken en minimale materiële vereisten 12

4.1 Beeldende vorming 12

4.2 Kunstinitiatie 15

4.3 Toegepaste beeldende vorming (contextgebieden) 17

4.4 Waarnemingstekenen 38

5 Evaluatie 41

6 Leerplanwerking 41

7 Bibliografie 42

7.1 Naslagwerken 42

7.2 Tijdschriften 45

7.3 Musea - documentatiecentra 45



Lessentabel



Pedagogische uren/week Administratieve
vakbenaming
vakbenaming

Minimum-maximum 30-36 30-36

Godsdienst 2 2 AV Godsdienst

Aardrijkskunde 1 1 AV Aardrijkskunde

Engels 0-2 0-2 AV Engels

Frans 2 2 AV Frans

Geschiedenis 1 1 AV Geschiedenis

Lichamelijke opvoeding 2 2 AV Lichamelijke opvoeding

Muzikale opvoeding 0-1 0-1 AV Muzikale opvoeding

Nederlands 3 3 AV Nederlands

Wiskunde 2 2 AV Wiskunde

Kunstgeschiedenis 2 2 AV Kunstgeschiedenis /


KV Kunstinitiatie

Toegepaste beeldende kunst 15-18 15-18 8-10 8-10 KV Beeldende vorming/Kunst-


initiatie/Waarnemingstekenen

7-8 7-8 KV Toegepaste beeldende


vorming

Voor deze vakken is het leerplan in deze brochure opgenomen.

  1. Beginsituatie

    1. Kiezen voor de derde graad Toegepaste beeldende kunst

De derde graad Toegepaste beeldende kunst (TBK) richt zich tot jongeren die:

  • interesse tonen voor kunst en zich specifiek aangetrokken voelen door toegepaste beeldende kunst;

  • gedreven zijn om creatief te werken en hun creativiteit te ontwikkelen;

  • bereid zijn tot permanente reflectie over eigen aanleg, inzicht en mogelijkheden bij het ontwerpen en realiseren;

  • bereid zijn artistieke en technische vaardigheden te ontwikkelen;

  • beseffen dat het verwerven van de noodzakelijke attitudes, kennis en vaardigheden een bewuste keuze en concentratie bij het werk veronderstellen;

  • bereid zijn hun eigen realisaties te vergelijken met die van anderen;

  • zich betrokken voelen bij het studiegebeuren en vanuit die betrokkenheid bereid zijn aanknopingspunten te zoeken in de actualiteit en in de historische context.

  • houden van directheid, variatie, beweging, originaliteit en uitdaging(en);

  • geboeid zijn door de mechanismen die beelden produceren en verspreiden;

  • een actieve belangstelling hebben voor de veelheid aan aangeboden technieken en disciplines;

  • inventief zijn en zin voor experiment hebben;

  • kiezen voor kunst, visuele communicatie en de relatie tussen beide.

    1. Beginsituatie

De leerlingengroep is meestal vrij heterogeen:

  • jongeren stromen in via de tweede graad Beeldende en architecturale kunsten KSO of na een heroriëntering via de tweede graad Beeldende en architecturale vorming KSO en Audiovisuele vorming KSO. Deze leerlingen hebben al attitudes, kennis en vaardigheden verworven op het gebied van kleur, vormgeving, waarneming en voorstelling.

  • jongeren stromen in uit andere studierichtingen en/of onderwijsvormen of volg(d)en Deeltijds kunstonderwijs. De leerlingen worden indien nodig bijgewerkt via inhaallessen en/of gedifferentieerde aanpak.




  1. Algemene doelstellingen

    1. Inleiding

De studierichting Toegepaste beeldende kunst is niet beroepsgericht. De derde graad Toegepaste beeldende kunst beoogt geen professionele vorming. Een onderzoekende, verkennende, experimentele en creatieve beeldende ingesteldheid in de brede context van toegepaste beeldende kunst wordt wel beoogd.
Kunst is een subjectieve, complexe en beweeglijke materie. De toegepaste beeldende kunst wordt in dit leerplan benaderd met voldoende ruimte voor differentiatie, uiteenlopende werkvormen en individuele begeleiding. Het leerplan laat ruimte voor een dynamische en creatieve aanpak van de leraar en voor het realiseren van samenhang tussen en integratie van de vakgebieden door het lerarenteam.
Het leerplan is geconstrueerd rond vier vakgebieden Beeldende vorming, Kunstinitiatie, Toegepaste beeldende vorming en Waarnemingstekenen. In het vakgebied Toegepaste beeldende vorming kan de school kiezen uit vijf contextgebieden. De school besteedt minimaal 4 lesuren (in het eerste en het tweede leerjaar) aan één van deze contextgebieden. Voor de overige uren verdiept ze deze keuze of maakt ze een keuze uit de leerplandoelstellingen van de andere contexten.

De contextgebieden zijn: Fotografie, Grafiek, Grafische vormgeving, Keramiek en Textielcreatie.


Op het einde van deze derde graad bezit de jongere de noodzakelijke attitudes, kennis en vaardigheden om door te stromen naar een bacheloropleiding in het studiegebied Audiovisuele en beeldende kunsten van het Hoger onderwijs. Deze opleidingen zijn onder andere Beeldende kunsten (academische bachelor) en Beeldende vormgeving (professionele bachelor). Jongeren die na de derde graad Toegepaste beeldende kunst de kunstwereld vaarwel willen zeggen hebben in deze studierichting voldoende transverabele competenties verworven om eventueel verder te studeren in vormen van hoger onderwijs die niet kunstgericht zijn.
Ook het volgen van specialisatiejaren behoort tot de mogelijkheden. Deze bereiden eventueel voor op toetreding tot de arbeidsmarkt en/of vervullen een brugfunctie tussen de derde graad en het alsnog verder zetten van de studie in het hoger onderwijs.

    1. Algemene doelstellingen

Via de specifieke artistieke context ontwikkelt de leerling zijn persoonlijkheid. De jongere begrijpt en hanteert universele beeldende taal waarmee hij zich zowel objectief als expressief uit in de context van toegepaste beeldende kunst. Hij hanteert deze beeldende taal bij het zoeken naar creatieve en originele oplossingen voor twee- en driedimensionale vraagstellingen. Hanteren van beeldende technieken en tekenvaardigheden zijn geen doel op zich maar staan steeds in relatie tot vorm en inhoud van het eindresultaat.

      1. Voor de totale vorming

De jongere

  1. ontwikkelt zijn visueel bewustzijn en vermogen.

  2. documenteert zich bij het uitwerken van opdrachten, bestudeert, onderzoekt, reikt creatieve oplossingen aan en maakt bewust keuzes bij het realiseren van het ontwerp en het eindresultaat.

  3. benadert de opdracht vanuit verschillende invalshoeken in voorstudie en ontwerp (analytisch, combinerend, kunsthistorisch, wetenschappelijk, structureel, ...).

  4. bestudeert het aanbod van beeldende materialen, middelen en technieken waarmee men vorm geeft, experimenteert en past dit aanbod toe in eigen realisaties.

  5. past beeldende materialen, middelen en technieken toe in een contextgebied met toegepast karakter.

  6. handelt verantwoordelijk en individueel, hecht belang aan emotie, vrijheid en waarden. Hij reflecteert en experimenteert autonoom.

  7. verruimt zijn visueel bewustzijn via waarneming met andere zintuigen.

  8. tekent met de vrije hand, met traditionele en met digitale (U) tekeninstrumenten.

  9. communiceert via de vakterminologie.

  10. heeft kennis van en participeert aan cultuur.

  11. reflecteert individueel en in groep over het eigen werk en dat van anderen.

  12. kan richting en voortgang geven aan zijn verdere studie en zijn functioneren in de maatschappij. Hij is zich bewust van de eigen waarde en geaardheid.

  13. toont inzet en ontwikkelt concentratie en doorzettingsvermogen.

  14. denkt en werkt zelfstandig en kritisch.

  15. gaat om met intersubjectieve criteria, is assertief en staat open voor kritiek.

  16. heeft oog voor affectieve, cognitieve, sensitieve, ethische en sociale contexten.

  17. volgt de instructies in verband met veiligheid, gezondheid en milieu op.

      1. Voor de contextgebieden (keuze van de school)

        1. Fotografie

  1. De jongere beschrijft op een persoonlijke, artistieke, creatieve en functionele wijze fotografische dragers met licht en hanteert hierbij de technische hulpmiddelen eigen aan de fotografie.

        1. Grafiek

  1. De jongere past op een persoonlijke, artistieke, creatieve en functionele wijze druktechnieken toe en hanteert oordeelkundig beeldende materialen en middelen eigen aan deze technieken.

        1. Grafische vormgeving

  1. De jongere ontwerpt op een persoonlijke, artistieke, creatieve en functionele wijze grafische communicatie op basis van een opdracht/briefing. Hij bedenkt doelgericht originele concepten, visualiseert deze concepten, overlegt en maakt het presentatiemateriaal.

        1. Keramiek

  1. De jongere ontwerpt en realiseert op een persoonlijke, artistieke, creatieve en functionele wijze keramiek. Hij bewerkt de verschillende soorten klei als een kneedbare materie, geeft vorm, structuur en kleur aan het natuurlijk materiaal en verwerkt dit verder via verhitting tot keramiek.

        1. Textielcreatie

  1. De jongere bewerkt en verwerkt op een persoonlijke, artistieke, creatieve en functionele wijze verschillende soorten textiele materialen tot een textielcreatie.



  1. Algemene pedagogisch-didactische wenken en didactische
    middelen


    1. Het leerplan

Het leerplan is geen strak te volgen schema, wel biedt het mogelijkheden om de Beeldende vorming, de Kunstinitiatie, de Toegepaste beeldende vorming en het Waarnemingtekenen te omkaderen. Het laat ruimte voor een dynamische en creatieve aanpak van de leraars, voor een samenspraak tussen de leraar en de leerling, voor een samenhang tussen de vakken, om rekening te houden met de evolutie, interesse en de mogelijkheden van de leerling.
De leerplandoelstellingen, leerinhouden, didactische wenken en minimale materiële vereisten zijn ingedeeld volgens vier vakgebieden:

  • Beeldende vorming (hoofdstuk 4.1);

  • Kunstinitiatie (hoofdstuk 4.2);

  • Toegepaste beeldende vorming (hoofdstuk 4.3);

  • Waarnemingstekenen (hoofdstuk 4.4).

Deze vier vakgebieden zijn de invalshoeken voor het onderzoek van de beeldende middelen, de beeldende expressiemogelijkheden en het beeldend materiaal. In het vakgebied Toegepaste beeldende vorming kiest de school uit vijf contextgebieden (minimaal 4 lesuren te besteden aan één van de contextgebieden en verdere verdieping of uitbreiding met doelstellingen uit andere contextgebieden). Deze contextgebieden zijn:

  • Fotografie (hoofdstuk 4.3.1);

  • Grafiek (hoofdstuk 4.3.2);

  • Grafische vormgeving (hoofdstuk 4.3.3);

  • Keramiek (hoofdstuk 4.3.4);

  • Textielcreatie (hoofdstuk 4.3.5).

    1. De opdrachten

De doelstellingen worden bereikt via uitdagende opdrachten. Opdrachten zijn zowel gericht op het realiseren van specifieke doelstellingen uit de vakgebieden als op het in samenhang realiseren van doelstellingen uit meerdere vakgebieden. Het lerarenteam bestaat uit vakspecialisten, de opdrachten kunnen in groep voorbereid en geëvalueerd worden. Diversiteit in benadering en teamwerk in de omgang met de jongere zijn noodzakelijk. De leraar kleurt de leerinhouden via een persoonlijke didactische benadering en methodiek, vanuit de eigen visie op toegepaste beeldende kunst en binnen het pedagogisch project van de school. Via een thematische benadering kan aan de jongeren de ruimte gegeven worden voor persoonlijk werk.
Een opdracht

  • is haalbaar qua moeilijkheidsgraad en sluit aan op wat verworven is.

  • bevat uitdagende en nieuwe inhoudelijke en vormelijke elementen.

  • heeft een bevragend karakter en zet aan tot onderzoek en studie.

  • sluit aan bij de persoonlijke interesses en leefwereld van de jongere.

  • laat ruimte voor intuïtieve, spontane en individueel gestuurde processen.

  • is soms begrensd en soms open wat materiaalgebruik, beeldende middelen en techniek betreft.

  • zet er regelmatig toe aan verbanden te leggen tussen de eigen werkzaamheden, het maatschappelijk en cultuurhistorisch gebeuren en kunst.

  • speelt regelmatig in op actuele gebeurtenissen.

  • kan kaderen in vakoverschrijdend thematisch werk. Bij vakoverschrijdende projectwerking wordt het lessenrooster gedurende een bepaalde tijd doorbroken of wordt er thematisch gewerkt binnen het bestaand rooster.

  • kan geheel of gedeeltelijk gerealiseerd worden op buitenschoolse locaties zoals tentoonstellingen, musea, culturele evenementen en tijdens uitstappen of studiereizen.

Om de reflectie over proces en eindproduct te ondersteunen houdt de jongere een individueel schetsboek en/of map bij waarin alle relevante ontwerpen, inspiratiebronnen, tekstfragmenten, kunsthistorische verwijzingen, … bijgehouden worden.



    1. Het atelier

De school bepaalt de infrastructurele ordening waarbinnen de opdrachten gerealiseerd worden. Hierbij kan men zich laten leiden door de eigen visie, traditie en specifieke competenties van de leraren. De realisatie van het leerplan in één of verschillende vaklokalen/ateliers is een belangrijk aandachtspunt aangezien dit het organogram is waarbinnen de jongere op een flexibele wijze de opdachten moet kunnen uitvoeren en de doelstellingen moet bereiken.

    1. De begeleiding

De jongere wordt begeleid in het ontdekken en ontwikkelen van zijn talenten, in zijn ontwikkeling als persoon en als deelnemer aan het culturele en maatschappelijke gebeuren. De klemtoon ligt op individuele begeleiding. Voor weinig probleemstellingen in dit leerplan is er slechts één exacte oplossing die vooraf gekend is.
Het is de taak van de jongere om uit vele mogelijkheden tot een creatieve, kunstzinnige en persoonlijke oplossing te komen voor een twee- en/of driedimensionale vraagstelling in de context van toegepaste beeldende kunst. De wijze waarop de jongere als individu deze creatieve processen stuurt, evalueert en permanent bijstuurt tijdens het tot stand komen van het eindresultaat is minstens even belangrijk als het eindresultaat zelf.
De begeleiding bestaat erin dat men de jongere bijstaat bij het zelfstandig leren sturen van zijn leerproces. Een leerproces dat, in de context van deze studierichting, niet eindigt op het einde van de derde graad. Zelfs niet na het hoger onderwijs. Na zijn “schoolloopbaan” moet de jongere als volwassene in staat zijn verder richting en voortgang te geven aan zijn studie, met de twee- en driedimensionale problemen waarmee hij wordt geconfronteerd als uitgangspunt.

    1. De geïntegreerde proef

De geïntegreerde proef heeft tot doel de mate waarin de jongere de beoogde algemene doelstellingen heeft verworven (alle of een deel ervan) op een synthetische en realiteitsgebonden wijze te toetsen. Deze proef moet tijdens het tweede leerjaar van de derde graad Toegepaste beeldende kunst gerealiseerd worden. Het concept, de opdracht en de realisatie van de proef moeten van bij het begin van dit tweede leerjaar voldoende aandacht krijgen.
De geïntegreerde proef slaat op de vakken van het fundamenteel gedeelte. In deze studierichting zijn dit: “Kunstgeschiedenis” en “Toegepaste beeldende kunst”. Uiteraard verdient het aanbeveling om in de mate van het mogelijke ook een aantal vakken van de basisvorming en van het complementair gedeelte mee op te nemen.


  1. Leerplandoelstellingen, leerinhouden, didactische wenken
    en minimale materiële vereisten


    1. Beeldende vorming

De leerplandoelstellingen en leerinhouden zijn geen strak te volgen schema maar bieden de mogelijkheid de algemene beeldende vorming te omkaderen. Ze laten ruimte voor een dynamische en creatieve aanpak van de leraar, voor samenspraak tussen de leraar en de leerling, voor “samen op zoek gaan”. Het vormingsproces beoogt het ontwikkelen van een beeldende, creatieve, individuele en scheppende intelligentie. Vanuit een intuïtieve benadering en in vrijheid ontwikkelt de jongere zijn creativiteit en persoonlijkheid. Via de beeldende expressie ontwikkelt de jongere een directe relatie met zijn omgeving en het wereldgebeuren. Via het ontdekken en hanteren van technieken en materialen, via begrip en inzicht leert de jongere zijn ideeën en emoties visualiseren.
Dit is pas mogelijk wanneer het leerplan de vrijheid tot creatief denken ondersteunt.
Overleg, thematisch/vakoverschrijdend werk en gezamenlijke initiatieven van de leraren vindt regelmatig plaats.



LEERPLANDOELSTELLINGEN




De jongere

  1. ontwikkelt zijn creativiteit en persoonlijkheid door middel van experimenteren met en onderzoeken van beeldende materialen, middelen en technieken.

  1. interpreteert een opdracht op vrije en creatieve wijze en kiest, hanteert en integreert hierbij beeldende materialen, middelen en technieken.

  1. licht de tijdens de opdrachten aan bod gekomen beeldende materialen, middelen en technieken toe.

  1. geeft op persoonlijke wijze vorm aan ideeën en emoties, kiest eigen doelen en verwezenlijkt ze.

  1. ontwikkelt en stimuleert zijn creatieve vrijheid op basis van kritische beschouwing, bevraagt het eigen werk en dat van anderen.

  1. ontwikkelt via vrije beeldende expressie een persoonlijke relatie met de omgeving.

  1. volgt de instructies in verband met veiligheid, gezondheid en milieu op.



LEERINHOUDEN




Materialen, middelen en technieken

Beeldende materialen

  • Tweedimensionale vormgeving:

  • gediversifieerd gebruik van tekenmaterialen: hard-zacht, stomp-scherp, droog-vet-nat, transparant-dekkend, …

  • gediversifieerd gebruik van dragers: verschillende materiaal, structuur, hardheid, …

  • Driedimensionale vormgeving:

  • gediversifieerd gebruik van driedimensionale materialen en bewerkingsgereedschappen: kneedbaar, hard, plooibaar, verspaanbaar, ….

  • Beeldende materialen eigen aan de keuze uit de contextgebieden.

Beeldende middelen

  • Beeldelementen die behoren tot het domein van de beeldende vorming met bijzondere aandacht voor de dominerende aspecten zoals lijn, kleur, vorm, ruimte, licht, contrast, ritme en constructie.

  • Beeldende middelen zoals: vormen binnen het vlak en de ruimte, geometrische en stereometrische vormen, organische vormen, zichtbare en tastbare structuren en texturen.

Beeldende technieken

  • Bestuderen en hanteren van verscheiden beeldende technieken bij twee- en driedimensionale toepassingen, met verschillende materialen.




Processen

  • Opdrachtgestuurd en persoonlijk werk:

  • benutten van ideeën, momenten en notities/schetsen als inspiratiebron voor persoonlijk werk.

  • in relatie met de opdrachten en het persoonlijk werk documentatie verzamelen en verwerken.

  • het eigen ontwerpproces (bij)sturen tijdens de realisatie.

  • toelichting en kritische beschouwing bij proces en eindresultaat: ateliergesprek.




Milieu en veiligheid

  • Veiligheidsnormen in het atelier.

  • Producten en gereedschappen in het atelier onderscheiden op basis van gebruik, de gevaarlijke producten kennen en de gevaren toelichten.

  • Persoonlijke beschermingsmiddelen.

  • Afvalverwijdering.
  1   2   3   4   5   6

  • ToEGEPASTE BEELDENDE KUNST derde graad kSO
  • Lessentabel Pedagogische
  • Beginsituatie Kiezen voor de derde graad Toegepaste beeldende kunst
  • Algemene doelstellingen Inleiding
  • Voor de contextgebieden (keuze van de school) Fotografie
  • Algemene pedagogisch-didactische wenken en didactische middelen Het leerplan
  • Leerplandoelstellingen, leerinhouden, didactische wenken en minimale materiële vereisten Beeldende vorming
  • LEERINHOUDEN Materialen, middelen en technieken

  • Dovnload 280.59 Kb.